Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 23

Chapter 234,310 wordsPublic domain

Maar de jongen herinnerde zich de waarschuwing van zijn vader, verliet dezen molen, en ging naar een anderen, verder de beek op. Baardeloos nam echter wat graan, koos een korteren weg, zoodat hij den tweeden molen het eerst bereikte en begon ook daar zijn koren te malen. Toen de jongen er aankwam en zag, dat de molenaar weer een baardeloos man was, haastte hij zich naar een derden molen; maar weer spoedde Baardeloos er zich heen langs een korter pad en kwam er voor den jongen aan. Hetzelfde herhaalde zich bij den vierden molen, zoodat de jongen tot de gevolgtrekking kwam, dat alle molenaars mannen zonder baard waren. Hij zette daarom zijn zak neer en wachtte tot het koren van Baardeloos gemalen was op zijn beurt. Toen al zijn koren gemalen was, zei Baardeloos: "Luister, mijn jongen! Laten wij een brood bakken van uw koren."

De jongen had het bevel van zijn vader niet vergeten om zich niet in te laten met molenaars zonder baard, maar toen hij geen voorwendsel vond om het verzoek af te wijzen nam hij het voorstel aan. Nu nam Baardeloos al het meel, vermengde het met water, dat de jongen hem bracht, en maakte aldus een heel groot brood. Daarna stookten zij den oven en bakten het brood, dat zij, toen het gereed was, tegen den muur plaatsten.

Toen zei de molenaar: "Luister, mijn jongen! Indien wij dit brood nu met ons tweeën deelden, zou er voor ieder van ons te weinig zijn. Laten wij elkaar daarom verhalen vertellen en wie den grootsten leugen vertelt, zal het geheele brood voor zich alleen hebben."

De jongen dacht een oogenblik na, en daar hij geen anderen uitweg zag, nam hij den voorslag aan en zei: "Heel goed, maar gij moet beginnen."

Toen vertelde Baardeloos verschillende verhalen, totdat hij geheel uitgeput was. Toen zei de jongen: "Wel, mijn waarde Baardeloos, het is jammer, dat u in het geheel niets meer weet, want wat gij gezegd hebt, is werkelijk niets; luister maar, en ik zal u de volle waarheid vertellen."

Het verhaal van den jongen.

"In mijn jonge dagen, toen ik een oud man was, bezaten wij vele bijenkorven; ik placht de bijen elken morgen te tellen; dat was makkelijk genoeg, maar wat ik nooit kon klaar spelen, dat was het tellen van de bijenkorven. Nu, op zekeren morgen, toen ik de bijen telde, was ik ten hoogste verbaasd, toen ik merkte, dat de beste bij ontbrak. Ik zadelde daarom een haan, steeg er op, en begaf mij op weg om mijn bij te zoeken. Ik vond eindelijk haar spoor bij het zeestrand en zag, dat zij de zee over gestoken was. Ik besloot haar te volgen. Toen ik het water over was, bemerkte ik, dat een boer de bij had gevangen; hij ploegde met haar zijn land en was voornemens er gierst op te zaaien. Ik riep toen: 'Dat is mijn bij! Hoe komt gij er aan?' En de ploeger antwoordde: 'Broeder, indien dit werkelijk uw bij is, kom dan hier en neem haar!' Ik ging er dus heen en hij gaf mij mijn bij terug en een zak vol gierst bovendien voor de diensten, die mijn bij hem had bewezen. Ik nam den zak op mijn rug en legde het zadel van den haan op de bij. Daarna steeg ik op en leidde den haan achter mij aan, opdat die wat zou kunnen uitrusten. Toen ik de zee weer overstak, ging een van de koorden van mijn zak los en al de gierst stroomde in het water. Toen ik den overkant had bereikt, was het reeds nacht. Daarom stapte ik af en liet de bij los om te kunnen grazen; wat den haan betreft, hem maakte ik dicht bij mij vast en gaf hem wat hooi. Daarna legde ik mij te slapen. Hoe groot was mijn verbazing, toen ik den volgenden morgen opstond, en zag, dat wolven gedurende den nacht mijn bij hadden verslonden, en de honig over de vallei verspreid lag; het was een laag, die tot de knieën reikte en tot aan de enkels op de heuvels. Ik wist me geen raad om den honig te verzamelen. Toen herinnerde ik mij, dat ik een kleinen bijl bij mij had. Ik ging dus naar de bosschen om een dier te vangen, teneinde een zak van zijn huid te maken. Toen ik het bosch bereikte, zag ik twee herten op een poot dansen; ik haalde mijn bijl te voorschijn, kapte hun eenigen poot af en greep ze beiden. Van deze twee herten stroopte ik drie huiden af, maakte van elk een zak en verzamelde daar al den honig in. Daarna laadde ik de zakken op den haan en begaf mij weer op weg om thuis te komen. Toen ik thuis kwam, merkte ik, dat mijn vader pas geboren was en ik kreeg bevel naar den hemel te gaan om wat heilig water te halen. Ik wist niet, hoe ik daar komen moest, maar toen ik over het geval nadacht, herinnerde ik mij de gierst, die in de zee was gevallen. Ik ging naar de plaats terug en zag, dat het koren tot aan den hemel was gegroeid, want de plaats, waar het gevallen was, was nogal vochtig. Ik klom dus langs een van de stengels omhoog. Toen ik den hemel bereikt had, was de gierst intusschen rijp geworden en een engel oogstte het graan, bakte er een brood van en at dat op met wat warme melk. Ik groette hem en zei: 'God zegene u!' De engel antwoordde: 'Dat God u helpe!' en hij gaf mij wat heilig water. Op mijn terugweg bemerkte ik, dat het hevig had geregend en de zee zoo hoog was gestegen, dat ze mijn gierst had meegevoerd! Ik maakte mij bezorgd en vroeg mezelf af, hoe ik nu weer op de aarde terug zou komen. Eindelijk herinnerde ik mij, dat ik lang haar had; het was zoo lang, dat het tot den grond reikte, als ik rechtop stond; als ik zat, kwam het tot mijn ooren. Nu, ik nam mijn mes en sneed het eene haar na het andere af en bond ze aan elkaar, terwijl ik er langs naar beneden ging. De duisternis overviel mij echter, voordat ik den grond bereikte en ik besloot daarom een grooten knoop te leggen en daarop den nacht door te brengen! Maar wat moest ik beginnen zonder vuur? De tondeldoos had ik bij mij, maar ik had geen hout. Plotseling herinnerde ik mij, dat ik in mijn vestjeszakje een naainaald had. Ik vond ze, spleet ze doormidden en maakte een groot vuur, dat mij heerlijk verwarmde. Toen legde ik mij te slapen. Terwijl ik sliep, zengde ongelukkigerwijs de vlam het haar, en hals over kop viel ik op den grond, en daar zonk ik tot aan mijn gordel in de aarde. Ik liep overal rond om te zien, hoe ik er uit zou kunnen komen en toen ik merkte, dat ik stevig ingegraven zat, liep ik hard naar huis om een spade te halen. Ik kwam terug en groef mij zelf uit. Zoodra ik bevrijd was, nam ik het heilige water weer op en ging naar huis. Toen ik aankwam, waren er maaiers aan het werk op het veld. Het was zoo'n warme dag, dat ik vreesde, dat de menschen zouden doodbranden en riep hen toe: 'Waarom brengt gij onze merrie niet hier, die twee dagreizen lang is, en een halven dag breed en op wier rug groote wilgenboomen groeien; zij zou wat schaduw kunnen geven op de plaats, waar gij werkt?' Mijn vader, die dit hoorde, bracht snel de merrie en de maaiers werkten nu in de schaduw voort. Toen nam ik een kruik, om water te halen. Bij de put gekomen zag ik, dat het water bevroren was. Daarom nam ik mijn hoofd af en brak het ijs stuk, vulde de kruik en bracht het water bij de maaiers. Toen zij mij zagen, vroegen zij mij: 'Waar is uw hoofd?' Ik hief mijn hand op, en tot mijn groote verbazing zat mijn hoofd niet op mijn schouders. Toen eerst bedacht ik, dat ik het bij de put had laten liggen. Ik ging dadelijk terug, maar bemerkte, dat een vos mij voor was geweest en bezig was mijn hoofd te verslinden. Ik naderde langzaam en gaf het beest een zoo krachtigen schop, dat het van angst een klein boekje liet vallen. Dit raapte ik op, opende het en vond er deze woorden in geschreven: 'Het geheele brood is voor u, en Baardeloos zal er niets van meehebben!'"

Met deze woorden nam de jongen het brood en maakte zich uit de voeten. Wat Baardeloos betreft, hij was sprakeloos van verbazing en bleef den jongen met open mond nastaren.

Het meisje, dat wijzer is dan de tsaar.

Lang geleden leefde er een oude man, die in een armoedige hut woonde. Hij bezat slechts een ding in de wereld en dat was een dochter, die zoo verstandig was, dat zij zelfs haar ouden vader kon onderrichten.

Op zekeren dag ging de man naar den tsaar om te bedelen en de tsaar, verbaasd over zijn beschaafde manieren, vroeg hem, wie hem geleerd had zoo goed te spreken. Hij vertelde den tsaar, waar hij woonde en dat het zijn dochter was, die hem geleerd had zoo welsprekend te zijn.

"En van wie ontving uw dochter haar onderricht?" vroeg de tsaar.

"God en onze armoede hebben haar zoo wijsgemaakt," antwoordde de arme man.

Daarop gaf de tsaar hem dertig eieren en zei: "Breng deze aan uw dochter en beveel haar er kuikens uit te voorschijn te doen komen. Indien zij dit met goed gevolg volbrengt, zal ik haar rijke geschenken geven, maar indien zij faalt, zult gij gemarteld worden."

De arme man ging weenende terug naar zijn hut en vertelde alles aan zijn dochter. Het meisje zag dadelijk, dat de eieren, die de tsaar gezonden had, gekookt waren, en verzocht haar vader zich ter ruste te leggen, terwijl zij overlegde, wat haar te doen stond. Toen de oude man sliep, vulde het meisje een pot met water en kookte eenige boonen.

Den volgenden morgen wekte zij haar vader en verzocht hem een paar ossen voor den ploeg te spannen en langs den weg te gaan ploegen, waar de tsaar voorbij zou komen. "Als gij hem ziet komen", zei zij, "neem dan een handvol boonen, en terwijl gij zaait moet gij roepen: 'Gaat voort, ossen, en dat God geve, dat de gekookte boonen ontkiemen!' Als de tsaar dan vraagt: 'Hoe kunt gij van gekookte boonen vruchten verwachten?' Moet gij hem antwoorden: 'Evengoed als men van gekookte eieren kuikens kan krijgen!'"

De oude man deed, zooals zijn dochter hem zei en ging heen om te ploegen. Toen hij den tsaar zag, nam hij een handvol boonen en riep uit: "Gaat voort, ossen! En dat God geve, dat de gekookte boonen ontkiemen!"

Toen de tsaar dit hoorde, liet hij zijn rijtuig stilstaan en zei tegen den man: "Maar arme man, hoe kunt gij verwachten, dat gekookte boonen vrucht dragen?"

"Even goed als gekookte eieren kuikens kunnen voortbrengen," antwoordde de op het oog eenvoudige, arme man.

De tsaar lachte en ging verder, maar hij had den ouden man herkend en vermoedde, dat zijn dochter hem het antwoord in den mond had gegeven. Hij zond daarom dienaren uit om den boer in zijn tegenwoordigheid te brengen. Toen de oude man kwam, gaf de tsaar hem een bos vlas en zei: "Neem dit en maak daarvan al de zeilen, die noodig zijn voor een schip; indien gij het niet doet, zult gij uw leven verliezen."

De arme man nam het vlas met de grootste vrees aan en ging in tranen badende naar huis om zijn dochter te vertellen, welke nieuwe opdracht hij gekregen had. Dit verstandige meisje stelde hem gerust en zei, dat hij maar kalm moest zijn en dat zij wel een plan zou beramen. Den volgenden morgen gaf zij haar vader een klein stukje hout en verzocht hem er mede naar den tsaar te gaan met het verzoek daarvan al de noodige werktuigen om te spinnen en te weven te laten maken, opdat hij in staat zou zijn het bevel van Zijne Majesteit uit te voeren. De oude man gehoorzaamde en toen de tsaar het buitengewone verzoek hoorde, was hij ten hoogste verbaasd over de schranderheid van het meisje, en om niet door haar overtroffen te worden, nam hij een klein glas, zeggende: "Neem dit kleine glas mee naar uw dochter en zeg haar, dat zij er de zee mee moet ledigen, zoodat er droog land komt, waar nu zee is."

De oude man ging met een bezwaard hart naar huis, om dit aan zijn dochter te vertellen. Maar het meisje stelde hem weer gerust, en den volgenden morgen gaf zij hem een pond werk, zeggende: "Breng dit naar den tsaar en zeg, dat ik de zee zal droog maken, indien hij met dit werk de bronnen van alle rivieren verstopt."

De tsaar stuurt om het meisje.

De vader ging terug naar den tsaar en zei hem, wat zijn dochter had voorgezegd en de tsaar, die nu inzag, dat het meisje verstandiger was dan hij zelf, gaf bevel, dat zij voor hem gebracht zou worden. Toen zij verscheen, vroeg de tsaar haar: "Kunt gij raden, wat op den grootsten afstand gehoord kan worden?" En het meisje antwoordde: "Uwe Majesteit, er zijn twee dingen: de donder en de leugen kunnen op den grootsten afstand gehoord worden!"

De verbaasde tsaar greep naar zijn baard, en zich tot zijn hovelingen wendende, riep hij uit: "Raadt eens, wat mijn baard waard is?" Eenigen zeiden zooveel, weer anderen zooveel; maar het meisje zei tegen den tsaar, dat geen van zijn hovelingen goed had geraden. "De baard van Uwe Majesteit is evenveel waard als drie zomerregens," zei zij. De tsaar, die verbaasder dan ooit was, zei: "Het meisje heeft goed geraden!"

Toen vroeg hij haar zijn vrouw te willen worden, want "ik heb u lief" zei hij. Het meisje was verliefd geworden op den tsaar; zij neeg diep voor hem en sprak: "Gij doorluchtige Majesteit! Laat het zijn, gelijk gij verlangt! Maar ik verzoek Uwe Majesteit eigenhandig op een stuk perkament te schrijven, dat zoo Uwe Majesteit zelf of een uwer hovelingen ontevreden op mij is en ik dientengevolge uit uw paleis verbannen zou worden, het mij toegestaan is dat mee te nemen, waar ik het meest van houd."

De tsaar stemde daar met vreugde in toe, schreef de verklaring en hechtte er zijn zegel aan.

Eenige jaren gingen gelukkig voorbij, maar er kwam eindelijk een dag, waarop de tsaar zich beleedigd voelde door de tsarina en hij sprak toornig: "Gij zult mijn vrouw niet langer zijn; ik beveel u het paleis te verlaten!"

De tsarina antwoordde gehoorzaam: "O, zeer doorluchtige tsaar, ik zal gehoorzamen; sta mij toe nog een nacht in het paleis te vertoeven en morgen zal ik vertrekken."

Hierin stemde de tsaar toe.

Dien avond mengde de tsarina eenige kruiden in den wijn en gaf den beker aan den tsaar, terwijl zij zei: "Drink, o zeer roemruchtige tsaar! En wees vol moed! Ik zal heengaan, maar geloof mij, ik zal gelukkiger zijn dan toen ik u den eersten keer ontmoette!"

Nadat de tsaar had gedronken, viel hij in slaap. Toen zette de tsarina, die een koets in gereedheid had gehouden, den tsaar er in en voerde hem weg naar de hut van haar vader.

Toen de tsaar den volgenden morgen wakker werd en zag, dat hij in een hut was, riep hij uit: "Wie bracht mij hierheen?"

"Ik deed het," antwoordde de tsarina.

De tsaar werd boos en zei: "Hoe hebt gij dat durven doen? Heb ik u niet gezegd, dat gij niet langer mijn vrouw zijt?"

In plaats van te antwoorden, haalde de tsarina het perkament te voorschijn en hij stond met stomheid geslagen.

Toen sprak de tsarina: "Zooals gij ziet, gij hebt mij beloofd, dat ik, indien ge mij uit het paleis bandet, mee mocht nemen, wat mij het liefste was!"

Toen hij dit hoorde, keerde de liefde van den tsaar voor zijn gade terug; hij nam haar in zijn armen en samen keerden zij naar het paleis terug.

Goede daden zijn onvergankelijk.

Er leefden eens een man en een vrouw, die een zoon hadden. Toen de jongen opgroeide, deden zijn ouders hun best hem een goede opvoeding te geven, die hem van nut zou zijn in zijn verdere leven. Hij was een goede, kalme jongen en bovenal vreesde hij God. Nadat hij zijn studiën voltooid had, vertrouwde zijn vader hem een galei toe, die beladen was met verschillende goederen, waarmee hij handel kon drijven in verre landen. Zoodoende zou hij de steun van zijn ouders worden op hun ouden dag.

De eerste reis.

Op zijn eerste reis ontmoette hij op zekeren dag een Turksch schip, waarin hij hoorde schreien. Hij riep de zeelieden op het Turksche schip toe: "Ik bid u, zeg mij, waarom er zoo'n verdriet aan boord van uw schip is!" En zij antwoordden: "Wij hebben veel slaven, die in verschillende deelen der wereld gevangen zijn genomen en die wij geketend hebben. Zij zijn het, die schreien en jammeren." Daarop zei de jongeman: "Ik verzoek u, o broeders, vraagt aan uw kapitein, of hij mij wil toestaan de slaven te koopen voor een som geld?" De zeelieden riepen hun kapitein, die bereid was te onderhandelen en ten slotte gaf de jongeman zijn schip met de geheele lading aan den Turk in ruil voor zijn schip met slaven.

De jongeman vroeg aan elken slaaf, vanwaar hij kwam; hij gaf aan allen de vrijheid terug en zei, dat ieder naar zijn eigen land mocht terugkeeren.

Onder de slaven was een oude vrouw, die een zeer mooi meisje aan den arm hield. Toen hij vroeg, vanwaar zij kwamen, antwoordde de oude vrouw schreiende: "Wij komen van een veraf gelegen land. Dit jonge meisje is de eenige dochter van den tsaar; ik heb haar groot gebracht van haar kindsheid af. Op een ongelukkigen dag wandelde zij in de tuinen van het paleis en dwaalde af naar een eenzame plek, waar drie vervloekte Turken haar zagen en grepen. Zij begon te gillen en ik, die toevallig in de nabijheid was, snelde toe, om haar te helpen, maar helaas, ik kon haar niet redden en de Turken voerden ons beiden mee en brachten ons aan boord van deze galei." Toen smeekten de goede verzorgster en het schoone meisje den jongeman, daar zij den weg naar hun eigen land niet kenden en ook de middelen om terug te keeren niet bezaten, haar met zich mee te nemen. En hiertoe was hij bereid; ja, hij was dadelijk verliefd geworden op de prinses, en nu trouwde hij het arme meisje, dat geen tehuis had, en keerde met haar en de oude vrouw naar huis terug.

Bij hun aankomst vroeg zijn vader, waar zijn galei en de lading was en hij vertelde hem, hoe hij de slaven had vrijgekocht en hun de vrijheid had hergeven. "Dit meisje" zei hij, "is de dochter van een tsaar, en deze oude vrouw is haar verzorgster; daar zij niet naar haar land konden terugkeeren, nam ik haar mee en ik heb het meisje getrouwd." Daarover was zijn vader zeer verstoord, en hij zei: "O, dwaze zoon, wat hebt gij gedaan? Waarom hebt gij zoo dom zonder mijn toestemming over mijn eigendom beschikt?" En hij joeg hem het huis uit.

Gelukkig voor den jongeman bood een goede buurman hem gastvrijheid aan--en ook zijn vrouw en haar oude verzorgster; hij woonde langen tijd in de buurt, en poogde telkens, geholpen door zijn moeder en vele vrienden zijn vader te bewegen hem vergiffenis te schenken.

De tweede reis.

Na eenigen tijd liet zijn vader zich vermurwen en ontving zijn zoon weer in zijn huis met zijn jonge vrouw en haar verzorgster. Spoedig daarna kocht hij een tweede galei, grooter en mooier dan de eerste en laadde die vol koopwaren, waarmede zijn zoon groote winsten zou kunnen behalen, indien hij het tenminste verstandig aanlegde.

De jongeman zeilde weg met dit nieuwe schip; hij liet zijn vrouw en haar verzorgster in de woning zijner ouders achter en spoedig kwam hij aan een stad, waar hij een droevig schouwspel zag. Hij zag soldaten bezig arme boeren te grijpen en in de gevangenis te werpen en hij vroeg: "Waarom, broeders, zijt gij zoo wreed tegen deze arme lieden?" En de soldaten antwoordden: "Omdat zij de belasting aan den tsaar niet hebben betaald." De jongeman ging dadelijk naar den officier en zei: "Zeg mij asjeblieft, hoeveel deze arme lieden betalen moeten." De officier noemde hem de verschuldigde som en zonder aarzeling verkocht de jongeman zijn schip met lading en al en voldeed de schulden van al de gevangenen. Nu keerde hij naar huis terug, en voor zijn vader neerknielende, verhaalde hij, wat er gebeurd was en bad om zijn vergiffenis.

Maar dezen keer was de woede van zijn vader buitengewoon en hij joeg hem zijn huis uit.

Wat kon de ongelukkige zoon doen in dit nieuwe verdriet? Hoe kon hij bedelen, hij, wiens ouders zoo welgesteld waren? Weer wendden oude vrienden der familie hun invloed bij zijn vader aan en drongen er op aan, dat hij medelijden zou hebben met zijn zoon en hem weer ontvangen, "want", zeiden zij, "het is zeker, dat zijn lijden hem verstandiger heeft gemaakt en dat hij nooit meer zoo dwaas zal doen." Eindelijk zwichtte zijn vader, nam hem weer in huis en rustte een derde galei uit, veel grooter en mooier dan de eerste twee.

De derde reis.

De jonge man was meer dan blij met zijn geluk en het portret van zijn geliefde vrouw liet hij op het roer van zijn schip schilderen en dat van de oude verzorgster op den achtersteven.

Nadat al de toebereidselen voor zijn reis getroffen waren, nam hij afscheid van zijn ouders, zijn vrouw en de andere leden van de familie en lichtte het anker. Nadat hij eenigen tijd gezeild had, kwam hij aan een groote stad, waar een tsaar woonde; hij liet het anker vallen en kanonschoten lossen, om de stad te begroeten. Tegen den avond zond de tsaar een van zijn ministers uit, om te hooren, wie de vreemdeling was en vanwaar hij kwam en hem mede te deelen, dat zijn heer den volgenden morgen om negen uur een bezoek aan de galei zou brengen. De minister was verbaasd op het roer het portret te zien van de keizerlijke prinses, die hem, toen zij nog een kind was, door den tsaar ten huwelijk was beloofd--en op den achtersteven dat van de oude verzorgster; hij maakte echter geen opmerking en vertelde niemand, wat hij had gezien. Om negen uur den volgenden morgen kwam de tsaar aan boord van de galei in gezelschap van zijn ministers, en toen hij al pratende met den kapitein op het dek heen en weer liep, zag ook hij het portret van het meisje, dat op het roer geschilderd was en dat van de oude vrouw op den achtersteven en hij herkende dadelijk de trekken van zijn eenige dochter en haar verzorgster, die door de Turken gevangen genomen waren. Dadelijk koesterde hij de hoop, dat zijn geliefd kind nog leefde en gezond was, maar hij was zoo aangedaan, dat hij er niet over spreken dorst. Hij beheerschte zich zooveel mogelijk en noodigde den kapitein uit dien middag om twee uur in zijn paleis te komen; hij was voornemens hem dan te ondervragen en hoopte, dat zijn hartewensch vervuld zou worden.

Precies om twee uur verscheen de kapitein in het paleis en de tsaar begon hem dadelijk op omslachtige manier te ondervragen over het meisje, wier portret hij op het roer van zijn galei had gezien. Was zij een van zijn bloedverwanten en zoo ja, in welken graad? Hij was ook nieuwsgierig naar de oude vrouw, wier portret op den achtersteven was geschilderd.

De jonge kapitein giste dadelijk, dat de tsaar de vader moest zijn van zijn vrouw, en hij vertelde hem woord voor woord al zijn avonturen, waarbij hij niet verzuimde mee te deelen, dat hij, toen hij hoorde, dat het jonge meisje en haar verzorgster den weg naar haar land vergeten waren, medelijden met haar had gehad en later het meisje had getrouwd. Toen de tsaar dit hoorde, riep hij uit: "Dat meisje is mijn eenig kind en de oude vrouw haar verzorgster; spoed u en breng mijn dochter hier, opdat ik haar nog eens zie, voordat ik sterf. Breng uw ouders en uw geheele familie ook hier; uw vader zal mijn broeder zijn en uw moeder mijn zuster, want gij zijt mijn zoon en de erfgenaam van mijn kroon. Ga en verkoop al uw bezittingen en kom, opdat wij gelukkig samen in mijn paleis kunnen leven!" Toen riep hij de tsarina, zijn vrouw, en al zijn ministers, opdat zij het heugelijk nieuws zouden hooren, en er heerschte groote vreugde aan het hof.

Daarna gaf de tsaar den kapitein een prachtig schip en verzocht hem zijn eigen galei achter te laten. De jongeman was natuurlijk heel dankbaar, maar hij zei: "O, doorluchtige tsaar! Mijn ouders zullen mij niet gelooven, indien gij mij niet een van uw ministers als getuige meegeeft." Daarop gaf de tsaar als zijn metgezel voor de reis den minister mee, wien hij zijn dochter ten huwelijk had beloofd.

De vader van den kapitein was zeer verbaasd zijn zoon zoo spoedig te zien terugkeeren en met zulk een prachtig schip. Toen vertelde de jongeman aan zijn vader en de anderen alles, wat hem was overkomen en de keizerlijke minister bevestigde zijn woorden. Toen de prinses den minister zag, riep zij blijde uit: "Ja waarlijk, alles wat hij gezegd heeft, is waar; dit is de minister van mijn vader, die mijn bruigom had moeten worden." Toen verkochten de man en zijn familie al hun eigendommen en gingen aan boord van het schip.

De verraderlijke minister.