Heldensagen en Legenden van de Serviërs
Chapter 21
Op zekeren dag ging de tsaar op de jacht en zei tegen den prins: "Blijf in het paleis en neem deze negen sleutels en houd ze in uw zak. Gij kunt drie of vier kamers met deze sleutels openen; daar zult gij onmetelijke schatten aan goud, zilver en edelgesteenten vinden. Ja, indien ge het verlangt, kunt gij zelfs de acht kamers openen, maar waag het niet de negende open te sluiten. Indien gij dat deedt, dan zou het u slecht vergaan!"
Bash Tchelik.
Zoodra de tsaar het paleis had verlaten, begon de jonge prins de deuren van al de acht kamers te openen, de een na de ander, en waarlijk, hij vond veel goud, zilver en andere kostbare dingen. Eindelijk kwam hij aan de negende kamer en redeneerde bij zich zelf: "Ik heb veel buitengewone avonturen overleefd, nooit werd ik door iets verrast; waarom zou ik bang zijn mij in deze kamer te wagen?"
Na deze woorden opende hij de deur, en wat denkt gij, dat hij daar zag? In het midden van de kamer stond een vreemde man, wiens beenen tot aan zijn knieën in het ijzer zaten en zijn armen tot aan zijn ellebogen; in de vier hoeken der kamer waren kettingen bevestigd aan dikke balken en al de kettingen kwamen samen in een ring, die om den hals van den man zat, zoodat hij niet de minste beweging kon maken. Voor hem was een fontein, waaruit het water door een gouden pijp naar een gouden bassin stroomde. Naast hem stond een gouden kroes, ingelegd met kostbare steenen. Hoe sterk de man ook verlangde om van het water te drinken, hij kon zich niet ver genoeg bewegen om den kroes te bereiken. Toen de prins dit alles zag, was hij werkelijk verbaasd en ging terug; maar de man kreunde: "In 's hemelsnaam, kom bij mij!"
De prins naderde en de man zei: "Doe een goede daad! Geef mij nu een beker water en wees er van verzekerd, dat ik u beloonen zal met nog een leven!"
De prins dacht bij zich zelf: "Is er iets beters, dan twee levens te bezitten?" Hij nam dus den kroes, vulde dien met water, en overhandigde hem aan den man, die gretig dronk. Toen vroeg de prins hem: "Zeg mij nu, hoe gij heet?" De man antwoordde: "Mijn naam is Bash Tchelik (Echt Staal)." De prins maakte een beweging naar de deur, maar weer smeekte de man hem: "Geef mij nog een kroes water en ik zal er u een tweede leven bij geven!" De prins dacht: "Nu, als hij mij een tweede leven geeft, dan zal ik er met het mijne mee drie hebben! Dat zal wonderbaarlijk zijn!" Daarom vulde hij opnieuw den kroes en overhandigde dien aan den vreemden gevangene, die hem gulzig ledigde. De prins wendde zich naar de deur, maar de man riep uit: "O, held, ga niet heen! Kom een oogenblik terug! Nu gij twee goede daden hebt gedaan, doe nu ook een derde en als belooning zal ik u een derde leven geven. Neem dezen kroes, vul dien met water en giet het over mijn hoofd!"
De prins zag geen enkele reden om dit te weigeren; hij vulde den kom met water, en goot het over het hoofd van den man. Nauwelijks had hij dit gedaan, of Bash Tchelik verbrak den ijzeren band om zijn hals, sprong snel als een bliksemschicht op en zie! hij had vleugels. Hij stormde naar de deur, voordat de verbaasde prins een beweging kon maken en nadat hij de dochter van den tsaar gegrepen had, de vrouw van zijn bevrijder, vloog hij de lucht in en verdween.
Toen de tsaar van de jacht terug kwam, vertelde zijn schoonzoon hem alles, wat er gebeurd was en de tsaar was werkelijk zeer bedroefd en riep uit: "Waarom hebt gij dit gedaan? Heb ik u niet gezegd de negende kamer niet te openen?" De prins antwoordde nederig: "Wees niet boos, ik zal Bash Tchelik gaan opzoeken, want ik wil mijn vrouw gaan halen." Maar de tsaar ontraadde het hem, en zei: "Ga niet, voor niets ter wereld! Gij kent dezen man niet; het heeft mij menig leger gekost, voordat het mij gelukte hem gevangen te nemen. Blijf in vrede, waar gij zijt, en ik zal een nog betere vrouw voor u zoeken dan mijn dochter was, en wees er van verzekerd, dat ik u zal blijven liefhebben als mijn eigen zoon!" Maar de prins wilde niet luisteren naar den raad van zijn schoonvader; hij nam geld voor de reis mee, zadelde een paard en ging Bash Tchelik opzoeken.
De prins vindt zijn zuster.
Na eenigen tijd kwam de jonge man aan een stad. Voor het raam van een kasteel riep een meisje: "O prins, stijg van uw paard en kom naar onze binnenplaats!" De prins deed, wat hem verzocht werd; het meisje ontmoette hem op het plein en hij was ten hoogste verbaasd in haar zijn oudste zuster te herkennen. Zij omhelsden en kusten elkaar en zijn zuster zei: "Kom binnen, mijn broer." Toen zij binnen waren, vroeg de prins aan zijn zuster, wie haar echtgenoot was en zij antwoordde: "Ik ben getrouwd met den koning der draken en hij heeft er een eed op gedaan, dat hij mijn broers zal dooden, zoodra hij hen ontmoet. Daarom zal ik je verbergen en hem eerst vragen, wat hij zou doen, indien je voor hem verscheen. Mocht hij zeggen, dat hij je geen kwaad zal doen, dan alleen zal ik hem van je tegenwoordigheid verwittigen." Toen verborg zij haar broer en zijn paard. Tegen den avond vloog de draak naar huis en het heele huis straalde van licht. Zoodra hij binnen was, riep hij zijn vrouw. "Lieve, ik ruik menschenvleesch. Zeg mij dadelijk, wie hier is!" Zij antwoordde: "Er is niemand!" Maar de draak zei: "Dat is onmogelijk!" Toen vroeg zijn vrouw hem: "Antwoord mij naar waarheid: zoudt gij mijn broeders kwaad doen, indien een van hen hier zou komen, om mij te bezoeken?" En de koning der draken antwoordde: "Uw oudsten en uw tweeden broer zou ik slachten en braden, maar uw jongsten broer zou ik geen kwaad doen."
Toen zei zij: "Mijn jongste broer, uw schoonbroer, is hier." Daarop sprak de koning: "Laat hem binnen komen." En toen de prins verscheen, strekte de koning zijn armen uit, omhelsde zijn schoonbroer en sprak: "Welkom, o broeder!" En de prins antwoordde: "Ik hoop, dat gij wel vaart!" Daarna vertelden zij elkaar al hun avonturen van het begin tot het einde en zetten zich aan het avondeten.
Eindelijk vertelde de prins zijn schoonbroer, dat hij Bash Tchelik zocht. De draak gaf hem dezen raad: "Ga niet verder! Ik zal u een en ander van hem vertellen; den dag, waarop hij uit zijn gevangenis ontsnapte, had ik met vijf duizend van mijn draken een ontmoeting met hem en na een hevig gevecht ontsnapte hij zegevierend. Gij ziet dus, dat er al heel weinig hoop voor u alleen is om hem te overmeesteren. Daarom raad ik u als vriend uw plan te laten varen en in vrede naar huis te keeren; indien gij geld noodig hebt, zal ik u geven, wat gij verlangt."
Maar de prins antwoordde: "Ik dank u zeer voor al uw goede wenken en raadgevingen, maar ik kan niet anders doen dan Bash Tchelik gaan zoeken!" En hij dacht, "waarom zou ik het niet doen, daar ik drie levens te verliezen heb?"
Toen de koning der draken zag, dat hij hem niet kon overreden, gaf hij hem een veer, die hij droeg en sprak: "Neem deze veer en als gij ooit mijn hulp noodig hebt, hebt gij haar slechts te verbranden en ik zal dadelijk met mijn geheele strijdmacht tot u komen." De prins nam de veer dankbaar aan, en begaf zich weer op weg om Bash Tchelik te zoeken.
De tweede zuster.
Na een tijd gereisd te hebben kwam hij weer aan een stad; hij reed onder den toren van een prachtig kasteel, toen een raam werd geopend en hij een stem hoorde roepen:
"Stijg van uw paard, o prins, en kom naar onze binnenplaats." De prins gaf onmiddellijk gehoor aan de uitnoodiging en toen hij het paleis binnenging, was hij ten hoogste verbaasd zijn tweede zuster te zien, die zich in zijn armen wierp en tranen stortte van vreugde. Daarna bracht zij haar broer in haar particulier vertrek en hij vroeg haar: "Met wien zijt gij getrouwd, lieve zuster?"
En zij antwoordde: "Mijn echtgenoot is de koning der arenden." Toen de koning terugkeerde, verwelkomde zijn liefhebbende vrouw hem, maar hij riep dadelijk uit: "Wie is de vermetele man, die nu in mijn kasteel is? Zeg het mij onmiddellijk!" Zij loog en zei: "Niemand!" Toen begonnen zij aan het avondeten en de prinses vroeg aan haar echtgenoot: "Zeg mij naar waarheid: zoudt gij mijn broers kwaad doen, indien een van hen hier zou durven komen, om mij te bezoeken?" En de koning der arenden antwoordde: "Wat uw oudsten en uw tweeden broer betreft, ik verzeker u, dat ik hen zou dooden; maar uw derden broer zou ik welkom heeten en helpen zooveel ik kon." Toen vatte zij moed en vertelde hem: "Mijn jongste broer, uw schoonbroeder, is hier om mij te bezoeken!" Daarop beval de koning aan zijn bedienden den prins bij hem te brengen en toen de bedienden gehoorzaamden en de prins verscheen, stond hij op en omhelsde en kuste zijn schoonbroeder en zei: "Welkom, mijn lieve schoonbroeder!" En de prins, getroffen door zijn vriendelijkheid, sprak zeer hoffelijk: "Dank u, mijn broeder! Ik hoop, dat het u goed gaat!" De koning verzocht hem dadelijk plaats te nemen aan tafel en na het avondeten vertelde de prins zijn wonderlijke avonturen en eindigde met te vertellen, dat hij Bash Tchelik zocht. Toen hij dit hoorde, raadde de koning der arenden hem zoo ernstig mogelijk zijn gewaagd plan af en voegde er aan toe: "Laat dien duivel met rust! Ik zou u aanraden hier te blijven; gij zult alles, wat gij verlangt, in mijn kasteel vinden." Maar de vermetele prins wilde geen oogenblik naar dezen raad luisteren en den volgenden morgen maakte hij zich gereed om zijn reis te vervolgen en Bash Tchelik te zoeken. Toen plukte de koning, ziende dat het besluit van zijn schoonbroeder onwankelbaar was, een mooie veer uit zijn gewaad, overhandigde die aan zijn schoonbroer en zei: "Neem deze veer, o broeder, en indien gij ooit hulp noodig hebt, hebt gij haar slechts te verbranden en ik zal u dadelijk te hulp komen met mijn geheele leger."
De prins aanvaardde zeer dankbaar de veer, nam afscheid en vertrok om zijn vijand te zoeken.
De derde zuster.
Na eenigen tijd kwam hij in een derde stad, waar hij op dezelfde wijze zijn derde zuster vond. Zij was getrouwd met den koning der valken, die hem ook vriendschappelijk welkom heette, en hem een veer gaf voor het geval, dat hij in nood mocht verkeeren.
De prins vindt zijn vrouw.
Na van de eene plaats naar de andere te zijn getrokken, vond hij eindelijk zijn vrouw in een hol. Toen zijn vrouw hem zag, riep zij uit: "Hoe ter wereld komt gij hier, beste man?" Hij vertelde haar, welke avonturen hij had beleefd en zei: "Laat ons samen vluchten, vrouw!" Maar zij antwoordde: "Hoe zouden wij kunnen vluchten; Bash Tchelik zal ons zeker inhalen: hij zou u dooden en en mij terug halen en straffen." Toch overreedde de prins, die wist, dat hij drie levens had, zijn vrouw met hem te gaan.
Nauwelijks hadden zij den ingang van het hol bereikt, of Bash Tchelik hoorde hen vertrekken en snelde hen achterna. Na korten tijd bereikte hij hen, nam de prinses terug en zei verwijtend tegen den prins: "O prins, gij hebt uw vrouw gestolen! Dezen keer vergeef ik u, omdat ik mij herinner u drie levens te hebben toegestaan. Dus kunt gij gaan, maar als gij nog eens om uw vrouw hier durft komen, dan zal ik u dooden!" Daarop verdween Bash Tchelik met de prinses en liet haar echtgenoot in diep gepeins achter. Wat hij nu zou doen? Eindelijk besloot hij zijn geluk nog eens te proeven en toen hij weer bij het hol kwam, koos hij een oogenblik, waarop Bash Tchelik afwezig was en nam zijn vrouw weer mee. Maar weer bemerkte Bash Tchelik spoedig, dat zij vluchtten, en weer haalde hij hen na korten tijd in. Nu richtte hij zijn boog op den prins en zei: "Wat verkiest gij: geschoten te worden door dezen pijl of onthoofd door mijn zwaard?" De prins verzocht nog eens vergiffenis en Bash Tchelik schonk ze hem, waarbij hij zei: "Dezen keer vergeef ik u ook, maar wees ervan verzekerd, als gij nog eens durft te komen om uw vrouw te halen, dat ik u dan zonder genade dood."
Toch beproefde de prins zijn geluk nog eens en na weer gegrepen te zijn door Bash Tchelik, verzocht hij nog eens om vergiffenis. Omdat hij hem uit eigen vrijen wil drie levens had gegeven luisterde Bash Tchelik naar zijn smeekbede, maar zei: "Wees gewaarschuwd, stel het eene leven, dat God u heeft gegeven, niet in de waagschaal!" Nu de prins inzag, dat hij tegen zulk een macht niets kon uitrichten, aanvaardde hij de terugreis, waarbij hij er voortdurend over peinsde, hoe hij ooit zijn vrouw uit de macht van Bash Tchelik zou kunnen bevrijden. Eensklaps schoot hem wat te binnen: hij herinnerde zich, wat zijn schoonbroers gezegd hadden, toen zij hem een veer uit hun gewaad hadden gegeven. Daarop besloot hij nog eens te gaan en te beproeven zijn vrouw te redden. "Indien ik in ongelegenheid kom," dacht hij, "zal ik de veeren verbranden en mijn schoonbroers zullen mij te hulp komen."
Daarop keerde de prins naar het hol van Bash Tchelik terug. Zijn vrouw was ten hoogste verbaasd hem te zien en riep uit: "Gij zijt uw leven dus moe, dat gij ten vierde male komt om mij!" Maar de prins liet zijn vrouw de veeren zien en verklaarde haar het nut er van en hij kreeg van haar gedaan, dat zij nog eens wilde beproeven met hem te vluchten. Nauwelijks hadden zij echter het hol verlaten, of Bash Tchelik stormde hen achterna roepende: "Sta stil, prins, gij kunt mij niet ontkomen!" De prins, die zag, dat zij in het grootste gevaar verkeerden, verbrandde haastig alle drie de veeren en toen Bash Tchelik met getrokken zwaard naderde om hem te dooden, o, welk een machtig wonder! Op datzelfde oogenblik kwam tot zijn hulp aanvliegen de drakenkoning met zijn leger draken, de koning der arenden met zijn wreede arenden en de valkenkoning met al zijn valken. Allen vielen verwoed op Bash Tchelik aan, maar ondanks de stroomen bloed, die vergoten werden, scheen Bash Tchelik onoverwinnelijk en eindelijk greep hij de prinses en vluchtte. Na den slag vonden de drie schoonbroeders den prins dood; zij besloten dadelijk hem tot het leven terug te roepen. Zij vroegen aan drie draken, wie van hen in den kortst mogelijken tijd eenig water uit den Jordaan kon brengen. De eerste zei: "Ik zou het in een half uur kunnen brengen!" De tweede verklaarde: "Ik zal het in tien minuten brengen!" De derde verzekerde: "Ik breng het in negen seconden!" Daarop zond de koning den derden draak en werkelijk hij gebruikte zijn vurige macht ten volle en keerde in negen seconden terug. De koning nam het genezende water, goot het op de gapende wonden van zijn schoonbroer en terwijl dit geschiedde, genazen de wonden en de prins sprong levend overeind.
De koningen gaven hem den volgenden raad: "Keer, nu gij van den dood zijt gered in vrede huiswaarts." Maar de prins verzekerde, dat hij nog eens wilde beproeven zijn geliefde vrouw te redden. De koningen beproefden er hem van terug te houden; zeggende: "Ga niet, want gij zult verloren zijn, als gij het doet! Gij weet heel goed, dat gij nu slechts het eene leven hebt, dat God u gegeven heeft." Maar de prins wilde niet luisteren. Daarop zeiden de koningen: "Als gij niet anders wilt, ga dan! Maar doe geen vergeefsche pogingen meer om met uw vrouw te vluchten! Laat uw vrouw aan Bash Tchelik vragen, waar zijn kracht schuilt. Kom ons dat vertellen, opdat wij u helpen kunnen hem te overwinnen."
Het geheim van de kracht.
Dezen keer sloop de prins stil naar het hol en zei, zooals de koningen hem hadden aangeraden, tot zijn vrouw, dat zij Bash Tchelik moest vragen, waarin zijn kracht school. Toen Bash Tchelik dien avond thuis kwam, vroeg de prinses: "Ik bid u, vertel mij, waarin schuilt toch het geheim van uw kracht?" Toen Bash Tchelik dit hoorde, lachte hij en zei: "Mijn kracht ligt in mijn sabel!" De prinses knielde voor het zwaard en begon te bidden. Daarop barstte Bash Tchelik in nog luider gelach uit en riep: "O, dwaze vrouw! Mijn kracht ligt niet in mijn zwaard, maar in mijn pijl en boog!" Toen knielde de prinses voor den boog en de pijlen, doch Bash Tchelik schaterde van het lachen en riep uit: "O, dwaze vrouw! Mijn kracht schuilt noch in mijn boog noch in mijn pijlen! Maar vertel mij, wie heeft u gezegd mij te vragen, waarin mijn kracht schuilt? Indien uw echtgenoot leefde, zou ik kunnen vermoeden, dat hij het was, die het weten wilde!" Maar de prinses verzekerde, dat niemand haar had aangezet het te vragen en hij geloofde, wat zij zei.
Na eenigen tijd kwam de prins, en toen zijn vrouw hem zei, dat zij niets van Bash Tchelik te weten kon komen, zei hij: "Beproef het nog eens!" en ging heen.
Toen Bash Tchelik thuis kwam, vroeg de prinses weer naar het geheim van zijn kracht. Toen antwoordde hij: "Daar gij zooveel belang stelt in mijn kracht, zal ik u de waarheid vertellen." En hij begon: "Ver van hier bevindt zich een hooge berg en in dien berg woont een vos; in de vos is een hart en in dat hart leeft een vogel; in dien vogel ligt al mijn kracht. Maar het is heel moeilijk den vos te vangen, want hij kan zich veranderen in alles, wat hij wil!"
Toen Bash Tchelik den volgenden morgen het hol verliet, kwam de prins en vernam het geheim van zijn vrouw. Toen ging hij regelrecht naar zijn schoonbroers, die, nadat zij het verhaal hadden gehoord, dadelijk met hem meegingen om den berg te vinden. Dit gelukte hen spoedig; zij lieten arenden los om den vos na te jagen, waarop de vos snel naar het meer liep en zich daar in een zes-vleugelige eend veranderde. Toen de valken de eend nazetten, vloog hij de wolken in. Hierop vervolgden de draken hem; de eend veranderde weer in een vos; de andere arenden omringden hem, en eindelijk werd hij gevangen.
Toen gaven de drie koningen bevel den vos open te snijden en zijn hart uit zijn lichaam te nemen. Toen dit gedaan was, werd er een groot vuur gemaakt en uit het hart van den vos namen zij een vogel, dien zij in het vuur wierpen en verbrandden.
Zoo kwam Bash Tchelik om; en zoo herkreeg de prins eindelijk zijn geliefde en trouwe gade.
De gouden appelboom en de negen pauwinnen.
Er was eens een koning, die drie zoons had. In den tuin van het paleis groeide een gouden appelboom, die in een en denzelfden nacht bloeide en rijpe vruchten droeg. Maar gedurende den nacht kwam een dief en plukte de gouden appelen, en niemand wist hem te ontdekken. Op zekeren dag overlegde de koning met zijn zoons en zei: "Het was mij heel wat waard, als ik wist, wat er met de vruchten van onzen appelboom gebeurt!" Daarop antwoordde de oudste zoon: "Ik zal vannacht onder den appelboom de wacht houden en zien, wie de vruchten plukt."
Toen de avond daalde, legde de prins zich onder den appelboom om de wacht te houden; maar terwijl de appels rijpten, viel hij in slaap en ontwaakte niet voor den volgenden morgen, toen de appels verdwenen waren. Hij vertelde zijn vader, wat er was gebeurd, waarop zijn broeder, de tweede zoon, aanbood dien nacht de wacht te houden. Maar hij had niet meer succes dan zijn oudste broer.
Het was nu de beurt van zijn jongsten zoon om zijn geluk te beproeven en toen de nacht kwam, plaatste deze een bed onder den boom en legde zich neer om te slapen. Ongeveer middernacht werd hij wakker en keek op naar den boom. En zie! de appels rijpten juist en het geheele kasteel was verlicht door hun glans. Op dat oogenblik vlogen negen pauwinnen naar den boom en streken neer op de takken, waar acht harer gingen zitten om de vruchten te plukken. Maar de negende streek dadelijk op den grond neer, waar ze in een meisje veranderde. Zoo mooi was zij, dat men vergeefs naar haar gelijke zou zoeken door het geheele koninkrijk.
De prins werd onmiddellijk doodelijk verliefd op zijn bezoekster en het mooie meisje was volstrekt niet onwillig om te blijven en met den jongeman te praten. Zoo verstreken een paar uren. Ten laatste zei het meisje, dat zij niet langer mocht blijven. Zij dankte de prins voor de appels, die haar zusters hadden geplukt; maar hij vroeg, of zij hem er althans een wilde geven om mee naar huis te nemen.
Het meisje glimlachte lieftallig en overhandigde hem twee appels, een voor hem zelf, den anderen voor zijn vader, den koning. Toen veranderde zij weer in een pauwin, voegde zich bij haar zusters en allen vlogen heen.
Den volgenden morgen bracht de prins de twee appels naar zijn vader. De koning, die zeer tevreden was, prees zijn zoon, en den volgenden nacht begaf de gelukkige prins zich evenals den vorigen keer naar den boom en 's morgens bracht hij weer twee appels bij zijn vader. Toen dit verscheidene nachten gebeurd was, werden zijn twee broers jaloersch, omdat zij niet instaat waren geweest te doen, wat hij had gedaan. Toen bood een slechte, oude vrouw den ontevreden prinsen aan hun het geheim te openbaren. Den volgenden avond sloop de oude vrouw zachtjes onder het bed van den jongen prins en verborg zich daar. Spoedig daarop verscheen de prins en viel dadelijk evenals de vorige keeren in slaap. Toen het middernacht was, zie! streken de pauwinnen als gewoonlijk neer; acht gingen er op de takken van den appelboom zitten, maar de negende daalde neer op het bed van den prins en veranderde dadelijk in een meisje. Toen de oude vrouw deze vreemde gedaanteverwisseling zag, kroop zij zachtjes nader en sneed een lok van het haar van het meisje af, waarop dit dadelijk opstond en weer in een pauwin veranderde en met haar zusters verdween. Toen sprong de jonge prins op, verwonderd over het plotseling vertrek van zijn geliefde, en keek overal rond. Hij zag de oude vrouw, sleurde haar onder het bed vandaan en beval zijn knechts haar vast te binden aan de staarten van vier paarden en haar zoo te dooden.
Maar de pauwinnen kwamen nooit terug, tot groot verdriet van den prins, die luid weenend uiting gaf aan zijn smart.
Weenen beweegt geen enkelen berg, en eindelijk besloot de prins de wijde wereld in te gaan, om zijn liefste te vinden en niet terug te keeren, voordat hij haar had gevonden. Als een goed zoon vroeg hij toestemming aan zijn vader, die al zijn best deed, hem van dit gewaagde plan af te brengen en hem een veel mooiere bruid beloofde uit zijn uitgestrekt koninkrijk--want hij was er zeker van, dat elk meisje blij zou zijn zulk een dapperen prins te trouwen.
De prins gaat op onderzoek uit.
Maar al zijn vaderlijke raad was vergeefsch, zoodat de koning den prins tenslotte toestond te doen, wat zijn hart verlangde en de bedroefde prins vertrok slechts van een bediende vergezeld, om zijn liefste te zoeken. Nadat hij een langen tijd had gereisd, kwam hij eindelijk aan den oever van een groot meer, waarbij een prachtig kasteel stond, waarin een heel oude vrouw woonde, een koningin met haar eenige dochter. De prins vroeg de bejaarde koningin smeekend: "Ik bid u, grootmoeder, vertel mij, wat u weet van de negen gouden pauwinnen?" De koningin antwoordde: "O, mijn zoon, ik ken deze pauwinnen heel goed, want zij komen elken dag om twaalf uur naar dit meer om te baden. Maar deedt gij niet beter deze pauwinnen te vergeten en zoudt gij niet liever naar dit mooie meisje zien. Zij is mijn eenige dochter en zal mijn rijkdommen en schatten erven en gij kunt dan alles met haar deelen." Maar de prins, die ongeduldig was om de pauwinnen te vinden, luisterde niet eens naar de koningin. Toen de oude dame zijn onverschilligheid zag, kocht zij zijn knecht om en gaf hem een blaasbalg, zeggende: "Ziet gij dit? Indien gij morgen naar het meer gaat, blaas dan stilletjes achter in den hals van uw meester, hij zal in slaap vallen en niet tegen de pauwinnen kunnen spreken."
De ontrouwe knecht stemde er in toe om precies te doen, wat de koningin hem beval, en toen zij naar het meer gingen, maakte hij van de eerste gunstige gelegenheid gebruik om met den blaasbalg achter den hals van zijn armen heer te blazen, waarop de prins in een zoo diepen slaap viel, dat hij wel een doode geleek. Spoedig daarna vlogen de acht pauwinnen naar het meer, en de negende streek neer op het paard van den prins, omhelsde hem en sprak: "Ontwaak lieveling! Word wakker, geliefde! O, doe het!" Helaas, de arme prins bleef als dood. Toen verdwenen al de pauwinnen, nadat zij hadden gebaad.