Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 20

Chapter 204,230 wordsPublic domain

Daarop antwoordde de engel: "O, dat is nog al moeilijk; er zijn maar drie zulke vrouwen in de geheele wereld en twee van haar zijn getrouwd. De jongste, dat is waar, is een jong meisje, maar reeds dingen twee jonge mannen naar haar hand."

Zij reisden verder en kwamen in een stad, waar een machtig tsaar woonde met zijn dochter. Zij was werkelijk van zuiver christelijk bloed. De reizigers traden het paleis binnen en troffen er twee prinsen aan, die daar reeds waren en hun huwelijksappels [84] op de tafel hadden gelegd. De jonge man legde nu ook zijn appel op de tafel. Toen de tsaar de nieuw aangekomenen zag, zei hij tot hen, die hem omringden: "Wat zullen wij nu doen. Genen zijn vorstelijke prinsen, en dezen zien er uit als bedelaars!" Daarop sprak de engel: "Laat het geschil aldus beslist worden: de prinses moet drie wijnstokken in den tuin planten, en elk der drie, die aanzoek deden, er een aanwijzen. Met hem, aan wiens wijnstok den volgenden morgen druiven gevonden worden, zal de prinses trouwen!" Dit plan had aller instemming en de prinses plantte dus drie wijnstokken.

Toen de volgende morgen daagde, zie! hingen er druiven in groote trossen aan den wijnstok, die aan den armen man was toegewezen. Daarom kon de tsaar zijn dochter niet weigeren aan den jongsten broeder. Na het huwelijk leidde de engel het jonge paar naar het bosch, waar hij beiden een vol jaar alleen liet.

De Engel keert terug.

Toen zond God opnieuw zijn engel, zeggende: "Daal neer naar de aarde en zie, hoe deze armen nu leven; indien zij in ellende verkeeren, moet gij hen helpen en hun toestand verbeteren!"

De engel gehoorzaamde onmiddellijk en weer als bedelaar verkleed, ging hij eerst naar den oudsten broer. Hij vroeg hem om een glas wijn. Maar de rijke man weigerde: "Indien ik iedereen een glas wijn zou moeten geven, zou er niets voor mij overblijven!"

Hierop maakte de engel het teeken des kruises met zijn stok en onmiddellijk stroomde er weer water door de rivier evenals te voren. Toen wendde hij zich tot den man en zei: "Dit was niet voor u, keer terug naar den pereboom, en ga voort met dien te bewaken!"

Daarna ging de engel naar den tweeden broer, wiens velden bedekt waren met schapen en vroeg hem om een plak kaas, maar de rijke man weigerde, zeggende: "Indien ik iedereen een plak kaas zou moeten geven, dan zou er geen voor mij overblijven!" Weer maakte de engel het teeken des kruises met zijn stok en zie! Al de schapen veranderden onmiddellijk in duiven, die weer wegvlogen. Toen sprak hij tot den tweeden broer: "Dit was stellig niet voor u; ga naar den pereboom en houd daarbij weer de wacht!"

Eindelijk ging de engel naar den jongsten broeder om te zien, hoe hij het maakte en vond hem met zijn vrouw in het bosch, waar hij leefde als een arm man in een hut. Hij verzocht de hut te mogen binnen komen en daar den nacht te mogen doorbrengen. Zij heetten hem hartelijk welkom, maar zeiden hem, dat zij hem niet zoo'n goed onderkomen konden verschaffen, als zij zouden wenschen. "Wij zijn," zoo voegden zij er aan toe, "heel arme menschen." Waarop de engel antwoordde: "Spreek zoo niet; ik zal heel tevreden zijn met hetgeen gij hebt!"

Zij vroegen zich af, wat zij zouden doen, want er was geen koren in de hut, waar zij goed brood van konden bakken. Gewoonlijk maalden zij boomschors fijn en bakten dat in den oven. Zulk brood bereidde de vrouw nu voor haar gast en zette het in den oven om te bakken. Even later ging zij naar haar baksel kijken, en was aangenaam verrast, toen zij een echt brood zag liggen.

Toen het paar dit wonder zag, hieven zij hun handen ten hemel en zeiden: "Wij danken u, o God! dat wij nu in staat zijn onzen gast te onthalen!" Nadat zij hun gast het brood hadden voorgezet, brachten zij een kom water en zie! Toen zij dronken, zagen zij, dat het wijn was.

Toen maakte de engel nog eens het teeken des kruises met zijn stok over de hut, en daarop verrees onmiddellijk op de plek een prachtig paleis, dat een overvloed van alles bevatte. Daarop zegende de engel het paar en verdween. De nederige en godvreezende man en vrouw leefden daar verder gelukkig.

Bash Tchelik of echt staal.

Er leefde eens een tsaar, die drie zoons en drie dochters had. Toen ouderdom hem overviel en het stervensuur voor hem sloeg, riep hij zijn kinderen tot zich en hij beval zijn zoons, dat zij hun zusters zouden geven aan den eersten, die naar haar hand mochten dingen. "Doet, zooals ik ulieden zeg," voegde de stervende tsaar er aan toe, "of vreest mijn vloek!"

Kort nadat de tsaar gestorven was, werd er op zekeren nacht heftig op de poort van het paleis geklopt, zoodat het geheele gebouw schudde; een geweldig gebulder, gegil en geblaas werd vernomen; het scheen, alsof het paleis gebeukt werd door een hevigen orkaan. Al de hovelingen werden aangegrepen door een onuitsprekelijke vrees en eensklaps werd een stem van buiten gehoord: "O, prinsen, opent de deur!" Daarop riep de oudste broeder uit: "Doe niet open!" De tweede broer voegde er aan toe: "Doe voor niets ter wereld open!" Maar de jongste broeder zei: "Ik moet de deur openen!" En hij sprong naar de deur en wierp die open. Toen hij het gedaan had, kwam er iets binnen, maar de broeders konden slechts een helder licht zien, waaruit deze dringende woorden hen toeklonken: "Ik ben gekomen om uw oudste zuster ten huwelijk te vragen en haar terstond mee te nemen; want ik heb geen tijd te verliezen; evenmin zal ik een tweeden keer kunnen komen om haar te vragen! Antwoordt snel. Wilt gij haar geven of niet? Dat is het, wat ik wil weten."

De oudste broeder antwoordde: "Ik wil haar niet geven. Ik kan u niet zien, ik weet niet wie gij zijt, en evenmin vanwaar gij komt. Vanavond is het voor het eerst, dat ik uw stem heb gehoord en gij dringt er op aan mijn zuster dadelijk mede te nemen. Ik zou niet eens weten, waar ik mijn zuster nu en dan zou kunnen bezoeken!"

De tweede broer zei eveneens: "Ik geef mijn toestemming niet, dat gij mijn zuster vannacht met u meevoert!"

Maar de jongste broeder verzette zich en zei: "Indien gij haar niet wilt geven, dan doe ik het. Hebt gij de woorden van onzen vader niet onthouden?" Daarna nam hij zijn zuster bij haar hand [85] en gaf haar aan den onzichtbaren gast, die aanzoek gedaan had, zeggende: "Dat zij een getrouwe en gehoorzame echtgenoote zij!"

Op het oogenblik, waarop de prinses den drempel overging, viel ieder in het paleis van ontsteltenis op den grond, zoo ontzettend waren de bliksemschichten en zoo luid de donderslagen. Het geheele gebouw schudde, alsof het zou instorten. Maar de storm ging voorbij en de dag brak aan. Dien morgen werd er vlijtig gezocht, of er eenig spoor gevonden kon worden van den vreemden bezoeker of van den weg, dien hij was gegaan; maar helaas, alle pogingen waren vruchteloos.

Den volgenden nacht omstreeks denzelfden tijd werd een gelijk geraas rondom het paleis vernomen en een stem aan de deur riep uit: "O, prinsen, doet de deur open!"

Door vrees aangegrepen dorsten zij niet ongehoorzaam te zijn. Toen sprak de meedoogenlooze stem weer: "Geef mij uw tweede zuster, ik ben gekomen, om haar ten huwelijk te vragen!"

De oudste broer verzette zich: "Ik wil mijn toestemming niet geven!" De tweede broer zei eveneens: "Ik wil mijn zuster niet weggeven!" Maar de jongste was bereid. "Ik zal haar geven!" zei hij. "Zijt gij reeds vergeten, wat onze vader bevolen heeft in het uur van zijn dood?"

Daarop nam de jongste prins zijn zuster bij de hand en gaf haar aan den onzichtbaren bezoeker, zeggende: "Neem haar, dat zij trouw en gehoorzaam zij!" Zoo vertrok de bezoeker met de prinses en den volgenden dag was er geen spoor meer van haar te vinden.

Den derden nacht op hetzelfde uur trilde de aarde en het paleis schudde op zijn grondvesten, zoo geweldig was de beroering in het rond. Weer werd een geheimzinnige stem van buiten gehoord. De prinsen openden de deur en weer trad een onzichtbare gast binnen en zei: "Ik kom uw jongste zuster ten huwelijk vragen!" De twee oudste broers riepen gelijktijdig uit: "Wij willen onze zuster niet in den nacht geven; wij moeten weten, aan wien wij haar geven, zoodat wij haar kunnen bezoeken, als wij het wenschen!" Maar weer riep de jongste broer uit: "Ik zal haar geven, als gij het niet wilt! Zijt gij dan vergeten, wat onze vader ons heeft gezegd? Zoolang is het nog niet geleden!" Met deze woorden nam hij het meisje bij de hand en gaf haar aan den onzichtbaren gast, zeggende: "Neem haar mee! En dat zij u vreugde en geluk geve!"

De prinsen begeven zich op weg.

Den volgenden morgen bespraken de broers het lot van hun zusters en smart vervulde hun hart. "Groote God!" zeiden zij, "welk een geweldig wonder! Wij weten niet, welk lot onze zusters te beurt is gevallen; noch weten wij, waarheen zij zijn gegaan, noch met wien zij zijn getrouwd!" Eindelijk besloten zij hun geliefde zusters te gaan zoeken en na de noodige toebereidselen voor de reis te hebben getroffen, begaven zij zich op weg voor het onderzoek.

Zij reisden enkele dagen en verdwaalden toen in een dicht woud, waar zij een geheelen dag ronddoolden. Toen de duisternis viel, kwamen zij overeen den nacht door te brengen op een plaats, waar zij water konden vinden. Toen zij dus aan een meer kwamen, besloten zij daar te overnachten en zij gingen zitten om wat te eten. Toen zij op het punt stonden zich te slapen te leggen, stelde de oudste broer voor, dat de anderen zouden slapen, en hij de wacht zou houden. De twee jongere broers gingen dus slapen, terwijl hij de wacht hield.

Te middernacht kwam het water in hevige beroering en hij, die de wacht hield, was vervuld van schrik, toen hij uit het midden van het water iets naar zich toe zag bewegen. Toen het nader kwam, zag hij, dat het een monsterachtige krokodil was met twee reusachtige ooren. Het monster viel den prins met al zijn kracht aan, maar de dappere prins ving het op de punt van zijn zwaard op en kliefde snel zijn kop doormidden. Daarna hieuw hij het de ooren af en borg die in zijn tasch; maar het lijk wierp hij terug in het meer. Spoedig daarop brak de morgen aan, maar de twee jongere broeders sliepen rustig door, onbewust van den heldenmoed van hun broer.

Op gepasten tijd wekte de prins de jongemannen en zonder te zeggen, wat er gebeurd was, raadde hij aan de reis te vervolgen. Zij reisden den geheelen dag en weer verdwaalden zij in een dicht bosch; zij besloten den nacht bij een klein meer door te brengen en legden snel een vuur aan. Nadat zij hadden gegeten, zeide de tweede broer: "Vannacht zult gij beiden slapen en ik zal waken." En zoo sliepen de oudste en de jongste broer, terwijl de tweede de wacht hield.

Eensklaps begon het water in het meer te bewegen en zie! Een krokodil met twee koppen verscheen en snelde verwoed op de drie broeders toe. Maar de tweede broeder was geen lafaard; hij gaf het monster een ontzettenden slag met zijn glinsterend zwaard, en de krokodil viel dood neer. Toen hieuw de prins het de vier ooren af, deed ze in zijn tasch en wierp het afzichtelijke lijk in het meer. De twee slapende broeders wisten van dit alles niets en sliepen, totdat de zon opging. De dappere prins riep uit: "Staat op, broeders, het is hoog tijd!" Zij stonden onmiddellijk op en maakten zich gereed verder te gaan, zonder te weten waarheen.

Een groote vrees vervulde hun hart, toen zij bemerkten, dat zij zich in een vreeselijke woestijn bevonden; hier dwaalden zij drie lange dagen rond, en toen hun voedsel op was, dachten zij niet anders, dan dat zij van honger zouden omkomen in dit vreemde land, dat van een onmetelijke uitgestrektheid scheen te zijn. Toen richtten zij hun vurige gebeden tot den Almachtige en baden Hem, dat het Hem mocht behagen hun uitkomst te geven en zie! Eindelijk zagen zij een uitgestrekt watervlak. Groot was nu hun vreugde; zij overlegden samen en kwamen overeen, dat zij den nacht zouden doorbrengen aan den oever van dat meer.

Nadat zij hun dorst hadden gelescht, legden zij een helder vuur aan en toen het uur voor slapen aanbrak, stelde de jongste broer voor: "Heden nacht is het mijn beurt, gij beiden gaat slapen en ik zal waken!" Zoo gingen de beide oudste broers slapen en de jongste bleef wakker; scherp keek hij rond en dikwijls wierp hij een blik over het meer. Tegen middernacht bemerkte hij beweging in het water, en terwijl hij verbaasd toekeek, werd het meer zoo onstuimig, dat een golf over den oever sloeg en het vuur bijna uitdoofde. Het volgend oogenblik verscheen een afschuwelijke krokodil met drie koppen. Deze snelde verwoed op de broeders toe, blijkbaar van plan hen te verslinden. Maar de jongste prins was niet minder dapper dan zijn twee broers; hij trok zijn zwaard uit de scheede en toen het monster met wijd opengesperde kaken op hem toe kwam, gaf hij het achtereenvolgens drie ontzettende slagen, waarmee hij de drie koppen afhieuw. Daarna sneed hij de zes ooren af, deed die in zijn tasch en wierp het lijk en de koppen in het meer.

De negen reuzen.

Ondertusschen was het vuur uitgedoofd en daar er niets was om opnieuw vuur, te maken en de prins zijn broers niet wilde wekken, ging hij een eindje de woestijn in, in de hoop eenige brandstof te zullen vinden, maar helaas hij zocht vergeefs. Hij klom op een rots en zag eindelijk den gloed van een vuur. Daar het scheen, dat het vuur niet heel ver weg was, besloot hij er heen te gaan, om brandende stukken hout te halen, waarmee hij zijn eigen vuur weer zou kunnen aansteken. Hij daalde dus van de rots af en spoedde zich een poos door de woestijn. Eindelijk kwam hij aan een hol, waar hij negen reuzen rondom een groot vuur zag zitten. Zij roosterden twee mannen aan het spit, een aan elken kant. Op het vuur stond een ketel vol met ledematen van menschen.

Toen de prins dit zag, werd hij aangegrepen door afschuw, en graag zou hij weer weggesneld zijn, maar het was te laat. Hij begroette de reuzen dus met deze woorden: "Goeden avond, makkers, ik heb u al geruimen tijd gezocht!" Zij heetten hem vriendschappelijk welkom en beantwoordden zijn groet aldus: "Dat God u helpe, daar gij een onzer zijt!" De slimme prins zei: "Wel, ik zal altijd een trouw vriend van u blijven en zou mijn leven voor u willen geven!"

"Wel", riep een der reuzen, "daar gij van plan zijt u bij ons te voegen, zijt gij ongetwijfeld bereid menschenvleesch te eten en met ons mee te gaan, als wij uit gaan om buit te zoeken?"

Daarop antwoordde de zoon van den tsaar: "Zeer zeker! Ik ben bereid alles te doen, wat gij doet." Toen de reuzen dit hoorden, zeiden zij: "Dan is het goed! Kom bij ons zitten!" Toen nam het geheele gezelschap plaats rondom het vuur en zij begonnen het vleesch uit den ketel te halen en te eten. De zoon van den tsaar deed alsof hij at, maar hij misleidde hen handig, want inplaats van het op te eten, wierp hij het vleesch achter zich.

Na het avondeten riepen de reuzen: "Laat ons nu op de jacht gaan, want wij moeten morgen ook wat te eten hebben!" Zij begaven zich dus alle negen op weg; de prins was de tiende van het gezelschap. "Ga met ons mee", zeiden de reuzen tegen den prins, "wij zullen naar een naburige stad gaan, waar een tsaar woont: want uit die stad hebben wij reeds verscheidene jaren ons voedsel gehaald!" Toen zij aan de plaats kwamen, rooiden de reuzen twee pijnboomen. Bij den muur van de stad gekomen, plaatsten zij een boom er tegenaan en bevalen den prins: "Ga boven op den muur staan, dan zullen wij u den tweeden boom aanreiken, dien gij aan den anderen kant tegen den muur moet zetten, zoodat wij langs den stam in de stad kunnen neerdalen."

De prins gehoorzaamde, en, toen hij boven op den muur was, zei hij: "Ik weet niet, hoe ik het moet doen, ik ben niet bekend in deze plaats en zie geen kans den boom over den muur te werpen; laat alsjeblieft een van allen naar boven komen en mij wijzen, hoe ik het moet doen!" Daarop klom een der reuzen naar boven, greep den top van den boom en wierp den stam over den muur, terwijl hij den hoogsten tak in zijn handen hield. De prins benutte dit oogenblik om zijn zwaard te trekken, en zonder dat zij, die beneden stonden, het merkten, sloeg hij met een slag het hoofd van den reus af en wierp zijn lijk over den muur. Toen zei hij tegen de anderen: "Komt nu een voor een naar boven, opdat ik u in de stad kan neerlaten, zooals ik het onzen eersten makker heb gedaan." De reuzen, die niets kwaads vermoedden, klommen den een na den ander naar boven en de prins hieuw hen een voor een het hoofd af, totdat hij ze alle negen had gedood. Daarna daalde hij langzaam neer langs den pijnboom en bereikte den grond binnen den stadsmuur.

Toen hij door de straten liep, was hij verbaasd geen levende ziel daar aan te treffen; de geheele stad scheen verlaten! Daarom zei hij tot zich zelf: "Deze leelijke reuzen moeten al de inwoners van deze stad hebben vernietigd!"

De slapende prinses.

Hij bleef doorloopen en zag eindelijk een zeer hoogen toren; door een van de luchtgaten scheen licht. Hij opende de deur en liep recht door naar de kamer, vanwaar hij meende, dat het licht kwam. Ze was allerprachtigst versierd met goud en fluweel en op een luisterrijke rustbank lag een meisje te slapen. Het meisje was buitengewoon mooi en nadat de prins zich eenige oogenblikken in haar aanblik verlustigd had, ontstelde hij hevig op het zien van een slang tegen den muur; ze bewoog haar afschuwelijken kop, klaarblijkelijk met de bedoeling het meisje op haar voorhoofd tusschen de oogen te raken. Maar de prins snelde vlug naar voren met zijn getrokken ponjaard en doorboorde den kop van de slang, zoodat die tegen den muur werd genageld, waarbij hij uitriep: "Dat God geve, dat mijn ponjaard door niemand uit den muur getrokken kan worden dan door mij!" Daarna snelde hij heen, klom den muur van den stad weer over, juist zooals hij was gekomen. Hij nam een brandend stuk hout uit het vuur en spoedde zich naar de plaats, waar hij zijn broers had achtergelaten en waar hij hen nog slapende vond. Hij legde opnieuw een vuur aan. Intusschen was de zon opgekomen; hij wekte zijn broers en onmiddellijk zetten zij hun reis voort. Dienzelfden dag kwamen zij aan den weg, die naar de stad voerde, waarvan wij gehoord hebben. Het was de gewoonte van den tsaar, die in de stad woonde, elken morgen naar buiten te wandelen, waarbij hij telkens de groote slachting weer door de reuzen onder zijn volk aangericht, bejammerde. Zijn grootste angst was, dat zijn eenige dochter hun eens ten prooi zou vallen. Op dezen dag wandelde hij ongewoon vroeg door de straten, die alle geheel verlaten waren. Na een poosje kwam hij aan een deel van den stadsmuur, waartegen de pijnboom van de reuzen leunde. Hij ging er heen en ontwaarde, dat de lijken van de negen reuzen, de ontzettende vijanden van zijn volk, alle met afgehouwen hoofd op den grond lagen. Toen de tsaar dit wonder zag, was hij buitengewoon gelukkig en het volk verzamelde zich weldra om hem heen en bad God een gelukkig en lang leven te geven aan den held, die de reuzen had gedood. Op datzelfde oogenblik kwamen de bedienden van het kasteel aansnellen en deelden den tsaar mede, dat een slang bijna den dood van zijn dochter had veroorzaakt. Toen hij dit vernam, spoedde hij zich naar zijn dochter en toen hij haar kamer binnen kwam, was hij verbaasd een afschuwelijke groote slang tegen den muur genageld te zien. Hij beproefde dadelijk den ponjaard er uit te trekken, maar hij was er niet toe instaat.

Daarop vaardigde de tsaar een proclamatie uit door het geheele rijk, waarin hij mededeelde, dat de held, die de negen reuzen gedood en de slang doorstoken had, indien hij naar het vorstelijk paleis kwam, kostbare geschenken en de dochter van den tsaar ten huwelijk zou ontvangen. De inhoud van de proclamatie was snel door het geheele rijk bekend en op bevel van den tsaar werd in elke herberg langs de hoofdwegen een beambte op wacht geplaatst, die aan elken reiziger moest vragen, of hij ook iets wist van den held, die de negen reuzen had gedood. Indien iemand inlichtingen kon geven, moest hij onmiddellijk voor den tsaar verschijnen en vertellen, wat hij wist, en dan zou hij beloond worden. De bevelen van den tsaar werden letterlijk uitgevoerd.

De drie prinsen, die hun zusters zochten, brachten eens den nacht door in een van de herbergen van dat land en na het avondeten begonnen zij een levendig gesprek met den herbergier, in den loop waarvan de snoevende waard pochte op zijn heldendaden en eindelijk aan de prinsen vroeg: "Vertel mij nu eens, welke heldenfeiten gij, jongemannen verricht hebt!"

Daarop begon de oudste broer aldus: "Toen mijn broeders en ik ons op weg begaven om onze zusters te zoeken, besloten wij den eersten nacht door te brengen aan de oevers van een meer midden in een uitgestrekt bosch. Op mijn voorstel gingen mijn broers slapen, terwijl ik de wacht hield. Zoodra zij ingeslapen waren, rees een ontzettende krokodil uit het meer op om mijn broeders te verslinden, maar ik ontving hem met de punt van mijn zwaard en hieuw zijn kop van zijn lichaam: indien gij het niet gelooft, hier zijn de ooren van het monster!" Bij deze woorden haalde de oudste broer de ooren van den krokodil uit zijn tasch en legde ze op de tafel.

Toen de tweede broer dit hoorde, zei hij: "En ik hield den tweeden nacht de wacht, mijn broeders, terwijl gij sliept; en uit het meer verrees een krokodil met twee koppen. Ik snelde er met mijn zwaard heen en hieuw de twee koppen af! Indien gij mij niet gelooft, ziet! Hier zijn de vier ooren van het monster!" Bij deze woorden haalde hij de ooren uit zijn tasch en lei ze voor hen op de tafel, tot groote verbazing van zijn toehoorders.

De held gevonden.

Maar de jongste broeder zweeg. De waard zei tegen hem: "Op mijn woord, jongeman, uw broeders zijn waarlijk helden. Laat eens hooren, of gij ook het een of ander heldenfeit hebt verricht?"

Toen begon de jongste broer te vertellen: "Ik heb ook een kleinigheid gedaan. Toen wij den derden nacht aan de oevers van een meer kwamen in een woestijn, om daar den nacht door te brengen, gingt gij, mijn broeders, rusten, en ik bleef wakker om de wacht te houden. Tegen middernacht werd het meer zeer onstuimig, en een krokodil met drie koppen stormde er uit met de bedoeling u te verslinden; maar ik ontving hem op de punt van mijn zwaard en het gelukte mij het monster de koppen af te slaan. Indien gij mij niet gelooft, ziet: hier zijn de zes ooren van het monster!" Dit verbaasde zelfs zijn broeders en de jongeman vervolgde: "Intusschen was ons vuur uitgedoofd en ging ik brandstof zoeken. Door de woestijn dwalende ontmoette ik negen reuzen......" en zoo ging hij voort hen zijn verwonderlijke daden te vertellen. Toen het verhaal geëindigd was, haastte de herbergier zich naar den tsaar, aan wien hij alles vertelde. Deze gaf hem geld en beval de broeders voor te brengen. Toen zij verschenen, vroeg de tsaar aan den jongsten prins: "Zijt gij het waarlijk, die al deze wonderen in mijn stad hebt gedaan en het leven van mijn eenige dochter hebt gered?"

"Ja, o, koning!" antwoordde de prins. Daarop gaf de tsaar, vervuld van groote vreugde en dankbaarheid zijn dochter ten huwelijk aan den dapperen prins en benoemde hem tot zijn eersten minister. Wat zijn broeders betrof, de tsaar sprak hen aldus aan: "Indien gij bij uw broer verlangt te blijven, dan zal ik echtgenooten voor u zoeken, en kasteelen voor u laten bouwen!"

Maar de twee broers dankten den koning en vertelden, dat zij reeds getrouwd waren en dat zij het zoeken naar hun verloren zusters wilden voortzetten.

De tsaar keurde dit besluit goed en nadat hij hun twee muilezels beladen met goud had gegeven, namen de twee broers afscheid en vertrokken zij. Spoedig begon de jongste broer aan zijn drie zusters te denken. Het zou hem leed hebben gedaan zijn vrouw te moeten verlaten om haar te gaan zoeken, en bovendien wilde de tsaar niet toestaan, dat hij het hof verliet. Maar de prins kwijnde langzaam weg door het verdriet over zijn zusters.