Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 2

Chapter 23,683 wordsPublic domain

Sinds onheugelijke tijden heeft de Serviër een natuurlijk en meer dan gewoon talent aan den dag gelegd voor het dichten van heldenballaden. Deze gave is het volk eigen gebleven, toen het zich uit Noordelijker streken in zijn tegenwoordige woonplaats vestigde, waar het de fantasie prikkelend natuurschoon en het verkeer met het beschaafde Byzantium er zeer grooten invloed op uitoefenden en de voortbrengselen der poëzie tot een ontwikkeling brachten, die ze meer dan eenig product van het genie der Noordelijker Slaven deden gelijken op het Homerische heldendicht. De schat van zijn geestelijke voortbrengselen werd voortdurend vermeerderd door nieuwe indrukken en zoo ontstond de nationale poëzie, rijk van vorm en schoon van samenstelling. De prachtige wouden van den Balkan, waar de legende en de romantiek meer dan in eenigen anderen woudrijken streek van Europa een gunstige omgeving voor haar ontwikkeling vonden, het altijd lachend uitspansel van Macedonië, de reusachtige Zwarte bergen van Montenegro en Herzegowina zijn wel geschikt om zelfs een minder begaafd volk te bezielen dan het Servische, dat deze romantische streken gedurende de laatste dertien eeuwen bewoonde.

De onvermoeide Servische zanggodin vervulde haar zending evenzeer op het slagveld of in het woud als in de liefelijke weiden tusschen de kudden of onder de dreigende muren van vorstelijke en heilige kloosters. Het geheele volk deelde in haar gaven en wanneer een dichter de heldendaden van den een of anderen geliefden nationalen held bezongen had of de vrome daden van een monnik of een heilige of eenig ander onderwerp had aangeroerd, dat tot het hart van het volk sprak, dan stonden er steeds weer andere barden klaar, die de dichterlijke schepping tot de hunne maakten en ze in wijder kring verbreidden met de wijzigingen, die nu eenmaal al wat mondeling overgebracht wordt, vergezellen, en waardoor ze steeds inniger tot het hart van het volk spreken. Uit dit karakteristieke, dat aan mondelinge overbrenging eigen is, valt het bestaan van verschillende teksten van eenige der meest populaire zangen te verklaren.

Door vele eeuwen en meer speciaal gedurende de gruwzame overheersching van de Turken konden de voortbrengselen der Servische nationale litteratuur enkel voortleven door mondelinge overdracht. De onvermoeide monniken toch, die veilig waren binnen de geheiligde muren van hun klooster, gebruikten hun vrijen tijd niet met het opteekenen der balladen en heldendichten van het volk, doch met het aanleggen van biografieën van andere monniken of van dezen of genen vorstelijken beschermheer.

Die Serviërs, welke het onder het verlammende bestuur van den Sultan niet konden harden, emigreerden in de zeventiende eeuw met hun patriarch Arsen Tcharnoyevitch, naar de vlakten van Zuidelijk Hongarije. In den loop der twee volgende eeuwen wijdden zij zich daar aan de pseudoklassieken van het Westen. Zij beschouwden het _infra dignitatem_ over zulke vulgaire onderwerpen als populaire dichtkunst en overleveringen te schrijven. De begaafde afstammelingen van die beklagenswaardige slachtoffers der sluwe Oostenrijksche en Pan-Russische invloeden verspilden hun talenten in ijdele en leege nabootsing der pseudo-klassieke voortbrengselen van Italië en Frankrijk, en door volijverig de Servische en Oud-Slavische werkwoorden op de Russische wijze te vervoegen, schiepen zij een monsterachtig letterkundig jargon, dat zij noemden Slavyano-Serbski (d.i. Slavisch-Servisch). En als eenig Servisch schrijver zich zou vermeten hebben in het welluidende en onvervalschte Servisch te schrijven, dat algemeen in zijn vaderland gesproken werd, zou hem de vloek getroffen hebben van die op een dwaalspoor gebrachte Slavisch-Servische "bestudeerders der Klassieken", die er innig van overtuigd waren, dat de roem in de nationale litteratuur alleen te behalen was door te schrijven in een taal, die ze zelf nauwelijks begrepen, en die tengevolge van de volkomen inconsequentie en willekeurige veranderingen ook onverstaanbaar was.

De "bestudeerders der klassieken" kregen hun verdiende loon in de eerste helft van de negentiende eeuw, toen zij overstroomd werden door den niet te weerhouden vloed van de populaire beweging, aan welker spits de boer Vouk Stephanovitch-Karadgitch stond, een man, die zich zelf gevormd had en wiens naam voor altijd groot zal blijven in de geschiedenis van de Servische letterkunde. Karadgitch is met recht de vader van de Servische moderne litteratuur genoemd. Zijn ontelbare tegenstanders trachtten hem te verpletteren onder de meest beleedigende benamingen, waaraan hun pen en hun tong uitdrukking konden geven, maar eindigden, na meer dan vijftig jaren van vruchteloozen weerstand, met hun armen wijd voor hem te openen.

Karadgitch schiep een spraakkunst van de Servische volkstaal, waaruit hij alle onnoodige graphische teekens verbande; zijn alphabet van dertig letters paste zich volkomen aan bij de dertig klanken (vijf klinkers en vijf en twintig mede-klinkers) van zijn moedertaal--en dientengevolge ontstond een ideale phonetische orthografie, waarin de gulden regel gevolgd kon worden: _schrijf zooals gij spreekt en spreek zooals gij schrijft_. [7] Hij is van het eene dorp naar het andere door Servië gereisd, volijverig de epische en lyrische gedichten verzamelend en neerschrijvend de legenden en overleveringen, die hij van de lippen der barden opving en van verhalers, niet alleen van beroepszangers, maar ook van amateurs.

In zijn pogingen werd hij krachtig gesteund door de Servische regeerende vorsten en hij had het geluk zich de intieme vriendschap te verwerven der beroemde philologen en geleerden van de laatste eeuw: Bartholemy Kopitar, Schaffarik en Grimm. Geholpen door Kopitar slaagde Karadgitch er in een academische dictionnaire samen te stellen van de Servische taal vertolkt door Latijnsche en Duitsche equivalenten. Dit blijft tot op heden de eenig betrouwbare Servische dictionnaire, die den Westerschen standaard van zulke boeken nadert. Zijn eerste verzameling van Servische populaire gedichten werd in 1814 in Weenen uitgegeven. Ze bevatte 200 lyrische zangen, die hij noemde _zenske pyesme_ (d.i. vrouwenzangen) en 23 heldenballaden. Dit boek verwekte opzien in de letterkundige kringen van Oostenrijk, Servië, Duitschland, Rusland en andere landen. Zeven jaar later deed Karadgitch in Leipzig een tweede uitgave in drie deelen het licht zien. Deze uitgave bevatte 406 lyrische zangen en 117 heldendichten. Aan deze uitgave ontleende Sir John Bowring de stof voor zijn metrische vertaling van enkele der lyrische en epische gedichten, die hij in 1827 uitgaf onder den titel _Servische Populaire Poëzie_. Hij droeg het boek op aan Karadgitch, die zijn intieme vriend was en leeraar in het Servisch. [8]

Ik heb drie van Bowrings balladen in dit boek overgenomen, om den lezers ook een getrouwere weergave van het oorspronkelijke vers te bieden dan mogelijk is in proza. Wat de dichterlijke verdiensten betreft van deze metrische vertalingen, ik wil mij niet aanmatigen er een oordeel over te vellen, maar het moge mij vergund zijn te zeggen, dat ik geen getrouwer vertaling heb gezien van onze nationale balladen en lyrische zangen, noch in het Engelsch, noch in eenige andere taal. De moeilijkheden in aanmerking genomen, die de bestudeering van elke Slavische taal (en dit geldt vooral van de Servische) den Angel-Sakser biedt, is het verwonderlijk hoe weinig onvolkomenheden het werk van Bowring aankleven. Sir John moet een ongewoon talent voor vreemde talen hebben bezeten, daar hij ook uit ieder van de andere Slavische talen vertaald moet hebben en--naar mij is medegedeeld--met dezelfde stiptheid en nauwgezetheid.

De derde uitgave van het werk van Karadgitch verscheen in Weenen, tusschen de jaren 1841 en 1866. Het was nu gegroeid tot vijf deelen en bevatte 1112 lyrische zangen en 313 heldenballaden. Het is uit deze uitgave, dat ik de heldenverhalen, in dit boek opgenomen, heb gekozen; en indien ik er misschien in geslaagd ben een nieuw geslacht van niet-Servische lezers belang te doen stellen in de letterkunde van mijn land, dan zal het mijn verdere eerzucht zijn, de onvergelijkelijk veel zwaardere taak te volbrengen om hun in een volgend deel een blik te gunnen in onze populaire lyrische poëzie.

Het voorbeeld van Karadgitch volgend hebben veel Serviërs van Bosnië en Herzegowina balladen en legenden verzameld, die Karadgitch niet heeft hooren voordragen op zijn verschillende reizen, door de eigenlijke Servische landen, of waartoe hem de tijd ontbrak om ze in te lasschen. Zulke later verzamelde gedichten--werkelijk een zeer groot aantal--zijn van tijd tot tijd uitgegeven in de welbekende tijdschriften _Bosanska Veela_ (d.i. "de Veela van Bosnië") en _Karadgitch_ en het aantal vermeerdert voortdurend nog; niet alleen door de ontdekking van oude bronnen, maar ook door de nieuwe inspiratie, die een gevolg was van de Balkanoorlogen van 1912-1913.

Tenslotte heb ik nog mijn meest dankbare erkentelijkheid te betuigen aan mijn geachten vriend M. Chedo Miyatovich voor zijn onschatbaren raad en de aanmoediging, die ik van hem ondervond en voor zijn edelmoedige bereidwilligheid om het voorbericht te schrijven, dat mijn boek versiert, en eindelijk ook mijn uitgevers te danken voor de hulp, die zij mij boden bij het gereedmaken van mijn manuscript voor de pers.

W. M. Petrovitch.

189 Queen's Gate, Londen,

Mei 1914.

HOOFDSTUK I. HISTORISCHE TERUGBLIK.

De komst van de Serviërs.

Voor hun invasie in het Balkan-Schiereiland, die in de zevende eeuw plaats had, leefden de Serviërs als een patriarchaal volk in het land, dat nu als Galicië bekend is. Ptolemeus, de oude Grieksche aardrijkskundige, beschrijft, hoe ze leefden aan de oevers van de rivier de Don, ten Noord-Oosten van de zee van Azof. Zij vestigden zich voor het meerendeel in die Balkanstreken, welke zij op den huidigen dag nog bewonen, namelijk het tegenwoordige koninkrijk Servië, Oud-Servië, Macedonië, Bosnië en Herzegowina, Montenegro, Dalmatië, Batchka, Banaat, Croatië, Sirmië en Istrië. De oude inwoners van deze gewesten, Latijnen, Thraciers, Grieken en Albaneezen, werden door de nieuw aangekomenen gemakkelijk naar de Adriatische kust opgedrongen. Hun keizer Heraclius (610-641 na Chr.), die niet in staat was krachtig weerstand te bieden, stond aan de Serviërs al de provincies af, die zij bezet hadden, en zoo was de vrede gekocht. De Heidensche en onontwikkelde Servische stammen stonden van nu af in geregeld verkeer met de beschaafde Byzantijnen en werden spoedig bekeerd tot het christendom; want bijna zonder uitzondering gaat de regel op, dat als een volk een ander overwint of onderwerpt, het meest beschaafde van de twee, onverschillig of dit het overwonnene of de overwinnaar is, zijn beschaving en gewoonten overbrengt op het meer barbaarsche. De Serviërs omhelsden echter het Christendom pas wat meer algemeen in het begin van de negende eeuw, toen de twee broeders Cyrillos en Methodius--de zoogenaamde Slavische apostelen--het Evangelie van Christus in de oude Slavische taal overzetten en in die taal, welke in dien tijd de omgangstaal was van de Zuidelijke Slaven dat Evangelie verkondigden.

Vroege worstelingen.

Daar de Serviërs gedurende de zevende en de achtste eeuw in stammen waren verdeeld, werden zij een gemakkelijke prooi van de Byzantijnen, de Bulgaren en de Franken, ofschoon geen dezer naburen er ooit in slaagde hun het juk der onderwerping blijvend op te leggen. Toen werden de Serviërs er zich echter bewust van, dat zij zich slechts door hun macht te concentreeren en als een natie naar buiten op te treden zouden kunnen handhaven. Dit had tengevolge, dat in het begin der negende eeuw een ernstige poging werd gedaan om aan de oevers van de rivier de Morava een staat te stichten, waarvan Horea Margi (nu Tyoupriya genaamd) de hoofdstad zou zijn. De Bulgaren, die vijandig tegenover deze pogingen stonden, slaagden er in aan te toonen, hoe ontijdig ze werden ondernomen. Een nieuwe poging om een onafhankelijke staat te vormen werd gedaan door de Djoupan (graaf) Vlastimir, die er in geslaagd was zich aan de Byzantijnsche heerschappij te ontworstelen. Deze nieuwe Staat werd Rashka genaamd en strekte zich uit rondom de rivieren Piva, Tara en Lim, het stroomgebied van de rivier de Ibar in het Oosten en van dat van de Vrbas in het Westen rakende. Reeds in den aanvang echter ontstonden er oneenigheden tusschen de leiders, hetgeen de inmenging van den Bulgaarschen tzaar Siméon vergemakkelijkte. Tchaslav, de Djoupan van een anderen Servischen stam, eischte, hoewel hij er geenerlei recht op kon doen gelden, den troon op en werd hierbij ondersteund door Siméon, die met goeden uitslag Rashka binnendrong. De Bulgaren bleven gedurende zeven jaar in het bezit van het land (924-931), toen slaagde Tchaslav er in een nieuwen Staat te stichten, die met Rashka het grondgebied van Zetta, Trebinye, Neretva en Houm omvatte.

Na zijn dood heerschte er ook in dit vorstendom weer groote verdeeldheid.

In den loop van de volgende eeuw overmeesterde het Byzantijnsche rijk, nadat het 't nu verzwakte Bulgarije onderworpen had, ook Rashka, waarvan de Groot Djoupan vluchtte. De regent van Zetta, Stephen Voïslav (1034-1051) zoon van Dragomir, Djoupan van Trebinye, maakte van de gelegenheid gebruik om zich onafhankelijk te verklaren van zijn leenheer, den Groot Djoupan van Rashka, en eigende zich Zahoumlije (Herzegowina) en eenige andere streken toe. Zijn zoon, Michaylo, (1053-1081) slaagde er verder in Rashka onder zijn bewind te brengen en verkreeg in het jaar 1077 den koningstitel (rex Sclavorum) van paus Gregorius VII. Onder de regeering van koning Bodin, den zoon van Michaylo, werd het Servië van Tchaslav hersteld, bovendien werd nu Bosnië aan zijn rijk toegevoegd. Maar na den dood van Bodin heerschte weer de oude wanorde, voornamelijk wijl verschillende pretendenten naar den troon dongen.

Onderlinge strijd.

De onderlinge strijd tusschen de leden van de regeerende families is een der karakteristieke verschijnselen, die de geheele geschiedenis van Servië door is waar te nemen. Terwijl de krachten verspild worden in den strijd voor persoonlijke belangen, en met alle, geoorloofde zoowel als ongeoorloofde, middelen er naar gestreefd wordt aan de persoonlijke eerzucht te voldoen, werden de nationale belangen verwaarloosd. Dit is in alle tijden de groote hinderpaal geweest, waarop de vorming van een Servischen staat als politieke eenheid voortdurend afstuitte--hoe dikwijls door verschillende regenten ook pogingen werden aangewend om dit doel te bereiken.

In 1169 kwam het bewind in handen van een dynastie, die gedurende meer dan twee eeuwen (1169-1372) Servië binnen steeds veranderende grenzen regeerde. De grondlegger er van was de beroemde Groot Djoupan Stephan Nemanya (1169-1196) die door den Byzantijnschen keizer tot Hertog van Servië (Groot Djoupan) werd verheven, nadat hij een revolutie had geleid, waarvan het resultaat gunstig was voor zijn aanspraken. Door zijn dapperheid en wijsheid slaagde hij er niet alleen in de provincies te vereenigen, die zijn voorgangers hadden bezeten, maar ook er sommige aan toe te voegen, welke nooit Servisch waren geweest. Hij zette Ban Koulin, een bondgenoot, op den troon van Bosnië. Verder bevestigde hij den orthodoxen godsdienst in zijn staat door het bouwen van een aantal kerken en kloosters en door de verbanning van kettersche Bogoumils [9]. Wijl hij de zwakte van den ouderdom voelde naderen en mede om zijn volk een nieuw bewijs te geven van zijn godsdienstzin, abdiceerde de bejaarde Nemanya in 1196 ten gunste van zijn bekwamen tweeden zoon Stephanus en trok zich in een klooster terug. Bij zijn troonsbestijging in het jaar 1217 nam Stephanus den titel aan van koning van Servië.

Toen de kruisvaarders Constantinopel veroverden, werd Sava, Stephanus' jongste broer, door den Griekschen patriarch aan het hoofd gesteld van de Grieksche kerk in Servië (1219), hij was de eerste Servische aartsbisschop.

Stephanus werd opgevolgd door zijn zoon Radoslav (1223-1233), die onttroond werd door zijn broeder Vladislav (1233-1242), welke op zijn beurt van den troon werd gestooten door zijn derden broer Ourosh de Groote (1242-1276).

Ourosh vergrootte zijn gebied en verhoogde Serviërs aanzien in het buitenland. Hij werd onttroond door zijn zoon Dragoutin (1276-1281), die na een veldslag tegen de Grieken verloren te hebben, afstand deed tengunste van een jongeren broeder Miloutin (1288-1321). Voor zich zelf behield hij echter een provincie in het Noorden van den Staat. Spoedig daarna ontving Dragoutin van zijn schoonmoeder, de koningin van Hongarije, de landen tusschen de Donau, Save en de Drina. Hij nam toen den titel aan van koning van Sirmië. Nog bij zijn leven schonk Dragoutin zijn troon en een deel van zijn landen aan Miloutin; een ander deel kwam weer onder de heerschappij van den koning van Hongarije. Miloutin wordt beschouwd als een der merkwaardigste afstammelingen van Nemanya. Na zijn dood heerschte er de gewone oneenigheden over de troonsopvolging. De orde werd hersteld door Miloutins zoon Stephanus Detchanski (1321-1331), die de Bulgaren versloeg in den beroemden slag van Velbouzd en geheel Bulgarije onderwierp. Het bleef een provincie van Servië, totdat de Ottomaansche horden beide overweldigden.

Doushan de Machtige.

Stephanus Detchanski werd onttroond door zijn zoon Doushan den Machtige (1331-1355), de uitstekendste en meest roemrijke van alle Servische vorsten. Hij streefde er naar het geheele Balkanschiereiland aan zich te onderwerpen. Nadat hij er in geslaagd was het geheele Byzantijnsche keizerrijk, uitgenomen Constantinopel, te veroveren, riep hij zich zelf, in overleg met de _Vlastela_ (Vergadering van Edelen), tot tsaar van Servië uit. Hij verhief het Servische aartsbisdom tot den rang van patriarchaat. Geheel Albanië en een deel van Griekenland onderwierp hij; ook Bulgarije was een zijner vazalstaten. Door zijn ontijdigen dood (eenige geschiedschrijvers beweren, dat hij vergiftigd is door zijn eigen ministers) was het hem niet vergund zijn grootsche plannen te verwezelijken. Onder de regeering van zijn jongen zoon Ourosh (1355-1371) ging bijna al wat hij gewrocht had weer te niet, tengevolge van de onverzadigbare begeerigheid der machtige edelen, die daarmee den weg effenden voor den Ottomaanschen inval. Onder hen, die opstonden tegen den nieuwen tsaar, was koning Voukashin. Met zijn broer en eenige andere edelen regeerde hij bijna als een onafhankelijk vorst over het geheele gebied rondom Prizrend tot het zuiden van den Shar dagh [10]. Koning Voukashin en zijn broeder werden in een slag tegen de Turken aan de oevers van de rivier de Maritza(1371) verslagen en al de Servische landen ten Zuiden van Skoplye (Üsküb) werden bezet door de Turken.

De koninklijke Prins Marko.

In hetzelfde jaar stierf tsaar Ourosh, en Marko, de oudste zoon van koning Voukashin, de nationale held, van wien wij herhaaldelijk in dit boek zullen hooren, riep zich zelf tot koning over de Serviërs uit. Maar de Vlastela en de geestelijkheid erkenden hem niet. Zij verkozen in 1371 Knez [11] (later tsaar) Lazarus, een bloedverwant van tsaar Doushan den Machtige, tot regent van Servië, en Marko, wiens vorstendom Prilip een vazalstaat van den sultan was geworden, hielp de Turken in hun veldtochten tegen de Christenen. In het jaar 1399 vond hij den dood in den slag van Rovina in Roemenië; er wordt van hem gezegd, dat hij deze gedenkwaardige woorden heeft gesproken: "Dat God de overwinning aan de Christenen geve, al moet ik ook onder de eersten zijn, die omkomen!"

Het Servische volk gelooft, gelijk wij zullen zien, dat hij niet stierf, maar zelfs nu nog leeft.

Prins Lazarus regeerde van 1371 tot 1389 en gedurende zijn regeering sloot hij een verbond met den Ban [12] Tvrtko van Bosnië tegen de Turken. Ban Tvrtko riep zich zelf uit tot koning van Bosnië en beproefde zijn macht uit te breiden in Hongarije, terwijl prins Lazarus, bijgestaan door een aantal Servische vorsten, zich gereed maakte voor een grooten oorlog tegen de Turken. Maar sultan Amourath, op de hoogte gebracht van Lazarus' bedoelingen, viel op 15 Juni 1389 op de vlakte van Kossovo onverwacht de Serviërs aan. In dezen slag werd aan beide zijden verwoed gevochten en toen de zon haar middaghoogte had bereikt, scheen het, of het krijgsgeluk den Servischen wapenen gunstig zou zijn.

Het verraad van Brankovitch.

Er was echter verraad in het Servische kamp. Vook (Wolf) Brankovitch, een van de groote heeren, die het bevel voerde over een vleugel van het Servische leger, was lang naijverig op zijn vorst geweest. Eenige geschiedschrijvers verhalen, dat Sultan Amourath er in slaagde hem over te halen zijn heer te verraden door de belofte, dat hij onder het opperbestuur van den sultan de kroon van Servië zou dragen. Op een kritiek oogenblik in den slag wendde de verrader zijn paard om en vluchtte van het slagveld, gevolgd door zijn 12.000 man sterke troepenmacht, die meende, dat dit een krijgslist was om de Turken te misleiden. Daardoor kwamen de Serviërs zeer in het nadeel en toen later op den dag de Turken versterkt werden door nieuwe troepen onder bevel van des Sultans zoon Bajazet, was de Turksche overwinning volkomen. Prins Lazarus werd gevangen genomen en onthoofd; de sultan zelf kwam om door de hand van den Servischen voïvode [13] Milosh Obilitch.

Niettegenstaande de ramp, waarin Brankovitch ook omkwam, werden de Serviërs niet door de Turken onderworpen, dank zij de wijsheid en dapperheid van den zoon van Lazarus, Stephanus Lazarevitch (1389-1457). Zijn neef, Dyourady Brankovitch (1427-1456), streed ook heldhaftig, maar voet voor voet werd zijn staat door de Turken veroverd.

Het eindsucces van de Turken.

Na den dood van Dyourady konden de Servische edelen het niet eens worden over zijn opvolger, en in de troebelen, die er uit voortsproten, slaagden de Turken er ten slotte in de verovering van Servië te voltooien, welke tenslotte in 1459 een feit werd. Zij stelden zichzelf tot taak de Servische boerenbevolking in Bosnië te bewegen den eed van trouw aan den Sultan af te leggen onder voorspiegeling van toekomstigen voorspoed en hierin slaagden zij onder de regeering van den koning van Bosnië, Stephanus Tomashevitch, die tevergeefs beproefde hulp van den paus te verkrijgen. De onderwerping van Bosnië was een voldongen feit in 1463 en die van Herzegowina volgde in 1482.

Een Albanisch bevelhebber van Servischen oorsprong, George Kastriotovitch-Skander-Beg (1443-1468) streed met succes en met grooten heldenmoed voor de vrijheid van Albanië.

De Turken maakten zich echter van dit land meester, zooals zij het voor en na van alle Servische landen deden met uitzondering van Montenegro, dat zij nooit konden onderwerpen, gedeeltelijk door den onvergelijkelijken heldenmoed van de dapperste Serviërs--wien het onmogelijk was onder Turksche heerschappij te leven--en gedeeltelijk door de ontoegankelijkheid van hun bergachtig land. Menige adellijke Servische familie vond een veilige toevlucht in dat land der vrije bergbewoners, nog meer gingen naar Ragusa of zochten bescherming bij de christelijke vorsten van Walachije en Moldavië. De wreede en heerschzuchtige Turksche regeering dwong duizenden families naar Hongarije te verhuizen en de afstammelingen van deze lieden worden tegenwoordig nog gevonden in Batchka, Banaat, Sirmië en Croatië. Zij, die in Servië bleven, werden of gedwongen den Islam te omhelzen of te leven als _raya_ (slaven), want de Turksche _Spahis_ (landeigenaren) onderdrukten niet alleen de christelijke bevolking, maar verklaarden het land verbeurd, dat tot nu toe aan zijn bevolking had behoord.

De ellende onder het Turksche bestuur.

Wij zouden dezen terugblik noodeloos verlengen, indien wij den ellendigen toestand van de overwonnen Christenen volledig wilden beschrijven en daarom moeten wij volstaan met niet meer dan een schets te geven van wat in een meer modern tijdperk plaats greep.