Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 19

Chapter 194,217 wordsPublic domain

De herder antwoordde: "Ik wensch niets dan de macht om de taal der dieren te kunnen spreken en te begrijpen." Maar de vorst zei: "Dat is niets voor u, want indien ik u die macht gaf, en gij zoudt het geheim aan een ander mededeelen, dan zoudt gij onmiddellijk sterven. Kies daarom iets anders."

Maar de herder bleef volhouden. "Indien gij mij wilt beloonen, schenk mij dan de gave om de taal der dieren te verstaan; indien gij mijn wensch niet wilt vervullen, dan hebben wij niets meer met elkaar te bespreken; ik zeg u vaarwel!"

En werkelijk wendde hij zich om teneinde weg te gaan. Maar de koning, die zag, dat hij volharden zou bij zijn besluit, hield hem terug en riep uit: "Kom hier, mijn vriend! Daar gij zoo vurig verlangt de taal der dieren te begrijpen, zal die gave u niet onthouden worden; open uw mond!"

De herder gehoorzaamde, en de slangenkoning blies in zijn mond en zei: "Blaas nu in mijn mond!" De herder deed wat hem gezegd werd, en de slangenkoning blies een tweeden keer in den mond van den herder. Toen sprak hij: "Nu bezit gij de taal der dieren. Ga in vrede; maar zorg er goed voor, dat gij uw geheim niet aan een ander meedeelt, anders zult gij op hetzelfde oogenblik sterven!"

De herder nam afscheid van zijn vrienden en toen hij door het bosch terugging, hoorde en verstond hij alles, wat de vogels en planten en andere levende schepsels tegen elkaar zeiden. Toen hij zijn kudde bereikte en al zijn schapen in veiligheid vond, zooals hem was beloofd, legde hij zich neer op het gras om te rusten.

De begraven Schat.

Ternauwernood had hij zich neergevlijd, of twee raven streken neer op een boom en begonnen samen te praten. "Indien deze schaapherder wist, wat er zich op de plek bevindt, waar dat zwarte schaap ligt, dan zou hij zeker de aarde opgraven, en hij zou het hol ontdekken, dat vol zilver en goud is."

De herder ging dadelijk naar zijn heer en vertelde hem, wat hij wist van den begraven schat. Deze reed met een kar naar de aangegeven plaats, groef diep in de aarde en zie! hij vond een hol vol zilver en goud. Dat alles laadde hij op zijn kar en bracht den schat naar huis. Deze heer was een eerlijk en edelmoedig man en hij gaf den geheelen schat aan zijn herder, zeggende: "Neem dit, mijn zoon; het was aan u, dat God het gaf! Ik zou je aanraden, een huis te bouwen, te trouwen en met dit geld de een of andere goede zaak te beginnen."

De herder deed, zooals zijn vriendelijke heer hem had aangeraden en gaandeweg verdubbelde zijn rijkdom en hij werd de rijkste man niet alleen in zijn dorp, maar in het geheele gewest. Nu nam hij zelf schaapherders in dienst en vee- en zwijnenhoeders om zijn groote kudden te verzorgen. Op zekeren dag, juist voor Kerstmis, zei hij tegen zijn vrouw: "Maak wijn en eetwaren gereed, want morgen zullen wij naar onze hoeven gaan en onze knechts onthalen." Zijn vrouw deed gelijk hij bevolen had en den volgenden dag gingen zij naar hun hoeven en de heer sprak tot zijn mannen: "Komt nu allen, en eet en drinkt te zamen; wat de schapen betreft, ik zelf zal vannacht voor ze zorgen."

Zoo ging de vriendelijke man zijn schapen hoeden. Omstreeks middernacht begonnen de wolven te huilen en zijn honden blaften uitdagend. De wolven zeiden in hun eigen taal tegen de honden: "Kunnen wij komen en de schapen dooden? Er zal genoeg zijn ook voor u." Daarop antwoordden de honden in hun eigen taal: "O zeker, kom toch, wij wenschen ook een feestmaal!" Maar onder de honden was een heel oude, die maar twee tanden over had. Dat trouwe dier blafte verwoed tegen de wolven: "Naar den duivel met jelui allemaal! Zoolang ik deze twee tanden heb, zult gij de schapen van mijn heer niet aanraken!" En hun meester hoorde en begreep alles, wat zij zeiden. Den volgenden morgen beval hij zijn knechts al de honden, behalve den ouden, te dooden. De knechts smeekten hun meester dit niet te doen. Zij zeiden: "Beste meester, het is zonde hen te dooden!"

Maar de heer gedoogde geen tegenspraak en beval streng: "Doet, zooals ik bevolen heb!" Daarna stegen hij en zijn vrouw te paard en zij begaven zich op weg naar huis; hij op een hengst en zij op een merrie. Op de reis bleef de merrie wat achter den hengst. Deze hinnikte en zei: "Haast je wat, waarom treuzel je zoo?" En de merrie antwoordde: "Voor jou is het niet moeilijk--jij draagt alleen je heer, en ik draag een tirannieke vrouw, wier bevelen een last voor het geheele huishouden zijn!"

De lastige vrouw.

Toen hij dit hoorde, keerde de heer zich om en barstte in lachen uit. Zijn vrouw merkte zijn plotselinge vroolijkheid op, gaf haar merrie de sporen en toen zij haar echtgenoot had bereikt, vroeg zij hem, waarom hij had gelachen. Hij antwoordde: "Er was geen bepaalde reden voor; ik lachte maar zoo--" Maar de vrouw was niet tevreden met dit antwoord, en liet haar man niet met rust. Tevergeefs beproefde hij er zich af te maken met de woorden:

"Vraag mij niet langer; als ik je de ware reden zeg, waarom ik heb gelachen, dan moet ik dadelijk sterven!"

Maar zij geloofde haar man niet, en hoe vaker hij weigerde het haar te vertellen, des te hardnekkiger drong zij er op aan, dat hij het zou doen, totdat de arme man eindelijk ten einde raad was door haar aandringen.

Zoodra zij thuis waren, beval de man een doodkist gereed te maken en toen die gereed en voor de huisdeur was geplaatst, zei hij tegen zijn vrouw: "Ik zal in deze kist gaan liggen, want op hetzelfde oogenblik, waarop ik je vertel, waarom ik lachte, zal ik sterven." Hij ging dus in de kist liggen, en toen hij nog een laatsten blik in het rond wierp, zag hij zijn getrouwe hond van de akkers komen. Het arme dier liep op de doodkist van zijn meester toe en ging huilende van verdriet naast zijn hoofd zitten. Toen zijn heer dit zag, vroeg hij zijn vrouw den hond eten te geven. De vrouw bracht brood en gaf het aan den hond, die er niet naar taalde, nog minder er van at. Het stuk brood trok echter een haan aan, die naderbij kwam en er van begon te pikken. De hond verweet hem dit en zei: "Jij onverzadigbaar schepsel! Je denkt aan niets dan aan eten en je ziet niet, dat onze beste heer op het punt staat te sterven!"

Op deze bestraffing antwoordde de haan: "Laat hem dood gaan, als hij zoo'n dwaas man is! Ik heb een honderdtal vrouwen en ik verzamel haar allen rondom een graankorrel, dien ik gevonden heb, en als zij allen bijeen zijn, eet ik hem zelf op! Mocht een harer daar geen genoegen mee nemen, dan pik ik naar haar; maar hij, de dwaas, is niet in staat een vrouw te regeeren."

Hierop sprong de man uit de kist, nam een stok en riep tot zijn vrouw: "Kom in huis, vrouw, en ik zal je vertellen, waarom ik heb gelachen!"

Toen zij zag, wat de bedoeling van haar man was, verzocht zijn vrouw hem van zijn voornemen af te zien en beloofde nooit meer nieuwsgierig te zijn of te beproeven zich in zijn zaken te mengen.

De stiefmoeder en haar stiefdochter.

Er was eens een meisje, dat met haar stiefmoeder samen woonde. De vrouw haatte haar stiefdochter buitengewoon, daar zij mooier was dan haar eigen dochter, die zij mee had gebracht naar het huis. Zij deed haar uiterste best de eigen vader van het arme meisje tegen haar op te zetten en dit deed zij met zulk een goeden uitslag, dat hij weldra zijn eigen kind begon uit te schelden, ja zelfs te haten.

Op zekeren dag zei de vrouw tegen haar echtgenoot: "Wij moeten je dochter wegsturen. Zij moet de wereld ingaan om zelf haar fortuin te zoeken!" En hij antwoordde: "Hoe kunnen wij het arme meisje wegzenden? Waar zou zij alleen heen moeten?" Maar de slechte stiefmoeder antwoordde: "Morgen moet je ver met haar de bosschen ingaan, haar daar achter laten, en je dan naar huis spoeden--anders wil ik niet langer bij je wonen."

Eindelijk gaf de ongelukkige vader toe en zei: "Maak tenminste wat voor het meisje klaar, opdat zij niet van honger omkomt."

Daarom bakte de stiefmoeder een koek en gaf dien den volgenden morgen, toen zij met haar vader het huis verliet, aan het meisje mee. De man en zijn dochter stapten voort, totdat zij midden in het bosch waren, en toen sloop de vader weg en keerde naar huis terug.

Den geheelen dag dwaalde het meisje in het bosch rond om een pad te zoeken, maar zij kon er geen vinden. Het werd intusschen steeds donkerder en eindelijk klom zij in een boom; zij vreesde door het een of andere wilde dier verslonden te worden, indien zij gedurende den nacht op den grond bleef. En werkelijk den ganschen nacht huilden de wolven zoo bloeddorstig onder den boom, dat het arme meisje in haar zenuwachtigen angst bijna was gevallen.

Den volgenden morgen klom zij weer naar beneden en dwaalde weer rond om een weg te vinden, maar hoe verder zij liep, des te dichter werd het bosch; er scheen geen einde aan te zijn. Toen het weer donker werd, keek zij rond naar een anderen geschikten boom, waarin zij tusschen de takken veilig den nacht zou kunnen doorbrengen. Maar eensklaps zag zij een lichtglans door de duisternis. Zij meende, dat het misschien een woning kon zijn en liep er heen. En werkelijk, zij kwam spoedig aan een groot, mooi huis; de deuren stonden open. Zij ging binnen en zag veel sierlijke kamers; in een er van stond een groote tafel met brandende lichten er op. Zij dacht, dat dit een woning van roovers moest zijn, maar zij was hoegenaamd niet bang. Want zij zei tegen zich zelf: "Alleen rijke menschen behoeven bang voor roovers te zijn; ik, een arm, eenvoudig meisje, behoef voor niets te vreezen; ik zal hun zeggen, dat ik graag voor hen wil werken, als zij mij iets te eten willen geven."

Een vreemde woning.

Daarna nam zij den koek uit haar tasch, maakte het teeken des kruises [82] en begon haar maal. Nauwelijks was zij begonnen te eten of een haan verscheen en vloog naast haar, alsof hij om een deel er van vroeg. Het goede meisje kruimelde een stukje van haar koek en voerde het hem. Kort daarna kwam een kleine hond en begon op zijn wijze van zijn vriendelijke gevoelens jegens haar blijk te geven. Het meisje brak weer een stuk van haar koek af, nam het hondje voorzichtig op haar schoot en begon het te voeren en te liefkoozen. Daarna kwam een kat en daarmede deed zij hetzelfde.

Eensklaps hoorde zij een luid gebrul, en schrok geweldig, toen zij een leeuw zag naderen. Het groote dier kwispelde echter zoo vriendelijk met zijn staart, en het keek zoo goedaardig uit zijn oogen, dat haar moed weer terugkeerde en zij hem een stuk koek gaf, wat de leeuw opat; daarna lekte hij haar hand. Dit bewijs van dankbaarheid stelde het meisje volkomen gerust; zij streelde den leeuw zacht en gaf hem nog meer van haar koek.

Eensklaps hoorde het meisje een heftig gekletter van wapenen en zij viel bijna flauw, toen zij een schepsel in een berenhuid de kamer zag binnenkomen. De haan, de hond, de kat en de leeuw snelden het tegemoet en sprongen er omheen, waarbij zij hun uiterste best deden om te toonen, hoe verheugd zij waren. Zij, arm kind, kon niet anders denken dan dat dit vreemde gedrocht een wreed schepsel was en zij verwachtte niet anders dan dat het haar zou bespringen en verslinden. Maar het monster wierp zijn berenhuid van zijn hoofd en schouders en plotseling glinsterde de geheele kamer van de pracht van zijn gouden gewaden. Het meisje verloor bijna haar bezinning, toen zij een knap man met edel voorkomen voor zich zag. Hij naderde haar en zei: "Wees niet bevreesd! Ik ben geen woestaard, ik ben de zoon van den tsaar; en als ik op de jacht ga, dan kom ik gewoonlijk vermomd hier in deze berenhuid, opdat de menschen mij niet herkennen. Behalve gij, weet niemand, dat ik een man ben; de menschen denken, dat ik een geest ben en ontvluchten mij. Niemand durft dit huis voorbij gaan, nog minder er binnen treden, want het is bekend, dat ik er woon. Gij zijt de eerste, die het gewaagd hebt, binnen te komen, waarschijnlijk wist gij, dat ik geen geest ben?"

Daarop vertelde het meisje den prins alles van haar slechte stiefmoeder en verzekerde, dat zij niets van deze woning wist, noch wie er in woonde. Toen de jonge prins, bewogen van verontwaardiging en medelijden haar verhaal had gehoord, zei hij: "Uw stiefmoeder haatte u, maar God had u lief. Ik heb u ook zeer lief, en indien gij voelt, dat gij mijn liefde zoudt kunnen beantwoorden, zou ik u willen trouwen--wilt gij mijn vrouw zijn?" "Ja", antwoordde het meisje.

Den volgenden morgen nam de prins het meisje mee naar het paleis van zijn vader en zij werden getrouwd. Na een poosje verzocht de vrouw van den prins toestemming om haar vader te mogen bezoeken. De prins stond het haar gaarne toe en gekleed in een mooie, met goud geborduurde japon ging zij naar haar oude tehuis. Haar vader was afwezig en haar moeder vreesde, zoodra zij haar zag komen, dat zij kwam om zich te wreken. Daarom snelde zij haar tegemoet en zei: "Ziet gij nu, dat ik u den weg van het geluk op gezonden heb?" De stiefdochter omhelsde de vrouw en kuste haar; zij omhelsde haar stiefzuster ook. Daarna nam zij plaats en wachtte op de terugkomst van haar vader. Daar hij echter niet kwam, was zij eindelijk wel genoodzaakt, hoe ongaarne ook, heen te gaan zonder hem te hebben gezien. Toen zij vertrok, gaf zij veel geld aan haar stiefmoeder, maar toen zij op eenigen afstand bas, balde de ondankbare vrouw toch haar vuist naar haar en mompelde: "Wacht maar, jij vervloekt schepsel, je zult de eenige niet zijn, die zoo sierlijk gekleed gaat; ik zal mijn eigen dochter denzelfden weg opzenden!"

De naijver van de stiefmoeder.

De man kwam niet terug voor laat in den avond. Toen ging zijn vrouw hem tegemoet en zei: "Luister man! Ik ben van plan ook mijn eigen dochter de wereld in te zenden, opdat ook zij haar fortuin kan zoeken; want jou dochter kwam heden terug om ons te bezoeken en zie! zij schitterde van al het goud."

De man zuchtte en gaf zijn toestemming.

Den volgenden morgen bakte de vrouw voor haar dochter verscheidene koeken, ook gaf zij haar wat gebraden vleesch mee en zond haar met haar vader het bosch in. De ongelukkige vader geleidde haar--evenals hij het zijn eigen dochter had gedaan--naar het diepst van het bosch, sloop toen weg, en liet haar alleen. Toen het meisje zag, dat haar vader verdwenen was, wandelde zij langzaam voort door het woud, totdat zij de poort van hetzelfde huis bereikte, waarin haar stiefzuster het geluk had gevonden. Zij trad binnen, sloot de deur en besloot ze voor niemand te openen. Daarna nam zij een koek uit haar tasch en begon haar maal. Intusschen kwamen de haan, de hond en de kat binnen en begonnen om haar heen te springen, hopende dat zij hun iets te eten zou geven; maar zij riep boos uit: "Maakt, dat je weg komt, leelijke dieven! Ik heb ternauwernood genoeg voor mijzelf; ik wil jelui niets geven!" En toen begon zij hen te slaan, waarop de hond jankte. De leeuw, die het jammeren van zijn vriend hoorde, sprong woedend toe en doodde het onvriendelijke meisje.

Den volgenden morgen reed de prins met zijn echtgenoote uit om te gaan jagen. Zij kwamen aan het huis en zagen, wat er gebeurd was en toen de prinses haar stiefzuster aan haar kleeren herkende, nam zij het verscheurde gewaad bijeen en bracht het naar de woning van haar vader. Dezen keer vond zij haar vader thuis en hij was werkelijk heel gelukkig, toen hij vernam, dat zijn lieve dochter getrouwd was met een knappen prins. Maar toen hij hoorde, wat de dochter van zijn vrouw was overkomen, was hij werkelijk bedroefd en riep uit: "Haar moeder heeft haar straf verdiend van Gods hand, omdat zij je zonder reden haatte. Zij is bij de put, ik zal er heen gaan en haar het droeve nieuws vertellen."

Toen zijn vrouw hoorde, wat er gebeurd was, zei zij: "O, man, ik kan het niet verdragen je dochter te zien; laten wij haar en den zoon van den tsaar dooden! Doe het, of ik zal dadelijk in de put springen!"

De man antwoordde verontwaardigd: "Nu, spring dan! Ik zal mijn eigen kind niet vermoorden!"

En de slechte vrouw zei: "Als je haar niet kunt dooden, goed,--maar het is mij onmogelijk haar weer te zien!" Daarop sprong zij in de put en was dood.

Recht en onrecht.

Er was een koning, die twee zoons had; de een was sluw en onrechtvaardig en de andere goed en rechtvaardig. Toen zijn tijd gekomen was, stierf de koning en de onrechtvaardige zoon zei tegen zijn broeder: "Daar gij jonger zijt dan ik, kunt gij niet verwachten, dat ik den troon met u deel; gij deedt daarom beter het paleis te verlaten. Neem deze driehonderd tzechins [83] en een paard mee; dat is jou aandeel in de erfenis."

De jongere broer nam het goud en zijn paard en na een oogenblik nagedacht te hebben zei hij: "God zij geprezen! Hoeveel van het geheele koninkrijk is mijn deel geworden!"

Eenigen tijd later ontmoetten de beide broers elkaar bij toeval op een weg, en de jongste begroette den oudste aldus: "God helpe u, broeder!" En de oudste antwoordde: "Dat God u een ongeluk zende! Waarom roept gij steeds Gods naam aan tegen mij? Onrecht is beter dan recht."

Daarop antwoordde de goede broeder: "Ik wed, dat onrecht niet beter is dan recht!"

Zij wedden om honderd tzechins en kwamen overeen de beslissing aan den eersten voorbijganger, die zij zouden ontmoeten, over te laten. Na een poosje gereden te hebben, ontmoetten zij Satan, die zich als een monnik had verkleed en zij verzochten hem in hun geschil te beslissen. Satan antwoordde onmiddellijk, dat onrecht beter was dan recht; daarmee verloor de rechtvaardige broeder honderd tzechins. Toen gingen zij opnieuw een weddenschap aan voor dezelfde som, en vervolgens een derde; en telkens besliste de Duivel--elken keer verschillend vermomd--voor het onrecht. Ten slotte verloor de goede broeder zelfs zijn paard; maar hij was volstrekt niet overtuigd en dacht na. "Wel! ik heb al mijn tzechins verloren, dat is waar, maar ik heb mijn oogen nog en dezen keer zal ik om mijn oogen wedden." Zoo gingen zij de weddenschap nog eens aan; de onrechtvaardige broer wachtte echter niet eens op de uitspraak van een ander, maar nam zijn ponjaard, en stak zijn broer de oogen uit, zeggende: "Laat het recht u nu maar helpen, nu gij geen oogen meer hebt!"

De arme jongeling zei tegen zijn wreeden broeder: "Ik heb mijn oogen verloren terwille van Gods rechtvaardigheid, maar ik verzoek u, mijn broeder, mij wat water in een kom te geven, opdat ik mijn wonden kan wasschen en mij onder een pijnboom bij de bron te brengen!"

De onrechtvaardige broer deed, wat hem werd verzocht en vertrok toen.

Het genezende water.

De ongelukkige jongeling bleef tot diep in den nacht onbewegelijk zitten, toen eenige veele naar de bron kwamen om te baden en hij een harer tegen haar zusters hoorde zeggen: "Zusters, weet gij, dat de prinses lijdende is aan melaatschheid en de koning, haar vader, al de beroemde geneesheeren heeft geraadpleegd, maar geen enkele haar kan redden? Maar als de koning de genezende kracht van dit water kende, zou hij er zeker een weinig van nemen en zijn dochter er in baden. Dan zou zij volkomen herstellen."

Toen de hanen begonnen te kraaien, verdwenen de veele; de prins kroop naar de bron, om de wonderbare hoedanigheden van het water te onderzoeken. Hij bette er zijn oogen mee en zie! Zijn gezicht was onmiddellijk teruggekeerd. Daarna vulde hij zijn kom met het water en spoedde zich naar den koning, wiens dochter lijdende was aan melaatschheid. Toen hij aan het paleis kwam, zei hij tegen de wachthebbende officieren, dat hij de prinses kon genezen in een dag en een nacht. De officieren deelden het den koning mede, die dadelijk toestond, dat hij zijn middel beproefde. En de prinses was genezen. Dit stemde den koning zoo gelukkig, dat hij de helft van zijn koninkrijk aan den jongen prins afstond en hem ook zijn dochter tot vrouw gaf. Zoo werd de rechtvaardige broeder de schoonzoon van den koning en zijn staatsraad.

Het nieuws van deze groote gebeurtenis verspreidde zich over het koninkrijk en kwam ten slotte ook den onrechtvaardigen prins ter oore. Hij dacht, dat zijn broer zijn geluk onder den pijnboom moest hebben gevonden; hij ging daar dus ook zijn geluk beproeven. Daar aangekomen doorstak hij zijn eigen oogen. Laat in den avond kwamen de veele baden en de prins hoorde met verbazing, hoe zij spraken over het herstel der prinses. "Iemand moet ons bespied hebben," zei een harer, "toen wij spraken over de hoedanigheden, die dit water bezit. Misschien slaat ook nu iemand ons gade. Laten we eens rond zien!" Toen zij onder den pijnboom kwamen, vonden zij den jongeman, die zijn geluk was komen zoeken en zij scheurden hem onmiddellijk in vieren.

En aldus kreeg de slechte prins de straf voor zijn onrechtvaardigheid.

Wie weinig vraagt, ontvangt veel.

Er leefden eens drie broers, die in plaats van groote bezittingen slechts een pereboom hun eigendom konden noemen. Om de beurt zouden zij bij den boom de wacht houden, terwijl de twee anderen zich verhuurden om te werken. Op zekeren nacht zond God zijn engel om te zien, hoe de broeders het maakten, en, indien zij in moeilijkheden verkeerden, hun toestand te verbeteren. De engel kwam vermomd als een bedelaar en toen hij een der broeders aantrof, die de wacht hield bij den boom, verzocht hij om een peer. De jongeman nam een paar vruchten, die tot zijn eigen deel van den boom benoorden, overhandigde ze aan den bedelaar en zei: "Neem deze peren van mijn deel van den boom; die, welke aan mijn broeders behooren, kan ik u niet geven." De engel nam de vruchten, dankte den jongeman en verdween.

Den volgenden dag was het de beurt van den tweeden broeder om over de vruchten te waken, en weer kwam de engel in de gedaante van een bedelaar en vroeg om een peer. Deze broer gaf ook van zijn eigen deel van den boom, zeggende: "Neem deze; zij zijn van mij, maar van die, welke aan mijn broeders behooren, durf ik niet te geven."

De engel nam de vruchten dankbaar aan en verdween.

De derde broer had een gelijke ervaring.

Toen de vierde dag kwam, vermomde de engel zich als een monnik en kwam heel vroeg, opdat hij de drie broers thuis zou kunnen vinden, en zei tegen de jongelieden: "Komt met mij mede, ik zal u een beter leven geven!" Zonder verdere vragen te stellen gehoorzaamden zij hem.

Weldra kwamen zij aan een rivier, waardoor het water hevig stroomde en de engel vroeg aan den oudsten broer: "Wat wenscht gij te bezitten?" Hij antwoordde: "Ik zou willen, dat al dit water in wijn veranderde en dat het mij toebehoorde!" De engel maakte het teeken des kruises met zijn stok en zie! Wijn stroomde in plaats van water en op hetzelfde oogenblik werden op de oevers van het stroompje verscheidene tonnen zichtbaar en er verschenen mannen, die ze met wijn vulden; in een woord: er was een heel dorp ontstaan. Daarna wendde de engel zich weer tot den jongeman en zei: "Hier is wat gij verlangdet, vaarwel!" En hij vervolgde zijn reis met de anderen. De drie liepen voort, totdat zij aan een veld kwamen, waarop een groot aantal duiven rondliepen, en de engel vroeg aan den tweeden broer: "Nu, en wat zoudt gij wenschen te bezitten?" En hij antwoordde: "Ik zou wenschen, dat de duiven in schapen veranderden en dat die mij toebehoorden!" Weer maakte de engel het teeken des kruises in de lucht, en zie! Schapen in plaats van duiven bedekten het veld. Plotseling verrezen er vele melkhuizen; meisjes waren bezig de schapen te melken, anderen schonken de melk over en weer anderen maakten room. Er was ook een slachthuis, waar mannen bezig waren; enkelen sneden het vleesch in groote stukken, anderen wogen het en weer anderen verkochten het en namen er het geld voor in ontvangst. Daarna sprak de engel: "Hier is alles, wat gij verlangdet; vaarwel!"

Nu ging de engel verder met den jongsten broer, en nadat hij het veld over was gegaan, vroeg hij: "Wat verlangt gij te bezitten?" De jonge man antwoordde: "Ik zou mij tot den gelukkigsten man rekenen, indien God zoo genadig was mij een vrouw te schenken van zuiver christelijk bloed!"