Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 18

Chapter 184,232 wordsPublic domain

De jongeling keerde terug bij zijn moeder en zij raadde hem aan te doen, zooals het meisje hem had voorgeschreven. Hij begaf zich dus naar den koning en vroeg om de dingen, die hij noodig had voor zijn onderneming, en weer gaf de koning hem alles, waarom hij vroeg.

Op zijn reis ging het juist, zooals het meisje voorspeld had en hij slaagde er in de prinses in triomf thuis te brengen. De koning zag vanaf het balkon, waar hij zich met zijn eersten minister bevond, de galei terugkeeren en de eerste minister zei: "Nu moet u hem werkelijk dooden, zoodra hij landt; anders zult u hem nooit weer kwijt raken!"

Toen de galei de haven bereikte, stapte de prinses met haar hofdames het eerst aan land; daarna volgden de knappe jonge mannen, die de waren te koop hadden aangeboden en eindelijk de jongeman zelf. De koning had zijn beul bevolen zich gereed te houden, en zoodra de jongeman aan land stapte, werd hij door de dienaren van den koning gegrepen en zijn hoofd werd afgekapt.

De koning was van plan de schoone prinses te trouwen--en zoodra hij haar zag, naderde hij haar met complimenten en vleierijen. Maar de prinses wilde niet naar zijn honigzoete woorden luisteren; zij wendde zich af en vroeg: "waar is de jongeman, die mij geschaakt heeft en die zooveel deed om mij hier te brengen?"

En toen zij zag, dat zijn hoofd was afgeslagen, nam zij onmiddellijk de kleine flesch en goot wat van den inhoud over het lichaam en zie! de jongeman stond volmaakt gezond op. Toen de koning en zijn minister dit wonder aanschouwden, zei de laatste: "Deze jongeman moet nu wijzer zijn dan ooit, want was hij niet gestorven--en is hij niet tot het leven teruggekeerd?" Waarop de koning, die verlangend was te weten, of het inderdaad waar was, dat hij, die, na uit den dood weer verrezen te zijn, alle dingen wist, den beul beval hem zelf het hoofd af te houwen, waarbij hij er op rekende, dat de prinses hem tot het leven zou terugroepen door de kracht van haar wonderdoend levenswater.

Maar toen het hoofd van den koning afgehouwen was, wilde de prinses er niet van hooren hem het leven terug te schenken; integendeel: zij schreef dadelijk aan haar vader, wien zij vertelde, dat zij een groote liefde had opgevat voor den jongeman en dat het haar innigste wensch was hem te trouwen. Zij verhaalde haar vader alles, wat er gebeurd was. Haar vader antwoordde, dat hij de keuze zijner dochter goedkeurde en hij deelde den eersten minister mee, dat hij hem en zijn volk den oorlog zou verklaren, indien zij den jongeman niet tot hun vorst zouden uitroepen. De mannen van dat land zagen onmiddellijk in, dat dit niet anders dan rechtvaardig zou zijn en zoo werd de jongeman koning. Hij huwde de schoone prinses en gaf groote landgoederen en titels aan al de knappe jongelieden, die hem bij zijn expeditie hadden geholpen.

Een paviljoen noch in den hemel noch op aarde. [81]

Er leefde eens een tsaar, die drie zoons en een dochter had. De laatste werd in een kooi bewaakt, want hij had haar lief, zooals hij zijn eigen oogen lief had. Toen het meisje opgroeide, verzocht zij haar vader een avond te mogen uitgaan met haar broeders, en de tsaar stond haar verzoek toe.

Nauwelijks had zij het paleis verlaten of een draak vloog naar omlaag, greep de prinses en verdween, ondanks het verweer van haar broeders, in de wolken. De prinsen haastten zich hun vader te vertellen, wat er was gebeurd, en zij smeekten hem hun zuster te mogen gaan zoeken.

Daarop gaf hun ongelukkige vader elk hunner een paard en een volledige uitrusting voor een lange reis, en zij begaven zich op weg om haar te zoeken. Toen zij lang gereisd hadden, zagen zij in de verte een paviljoen, dat noch in den hemel, noch op aarde was, maar dat er midden tusschenin hing. Toen zij er vlak onder waren, kwamen zij op het denkbeeld, dat hun zuster zich daar wel kon bevinden en zij begonnen te overwegen, hoe zij het 't best zouden kunnen bereiken. Eindelijk besloten zij, dat een hunner zijn paard zou dooden, de huid in reepen snijden, daarvan een riem maken, en na het eene eind aan een pijl te hebben bevestigd, den riem met den pijl omhoog te schieten, en dat wel zóó krachtig, dat de pijlspits diep in het geraamte van het paviljoen zou boren, waarna zij in de gelegenheid zouden zijn om naar boven te klimmen. De twee jongere broers stelden den oudsten voor, dat hij zijn paard zou dooden, maar hij weigerde. De tweede wilde het zijne evenmin ten offer brengen; toen doodde de jongste, ziende dat er niets anders op zat, zijn paard, sneed de huid tot een langen riem, bevestigde een eind aan zijn pijl en schoot regelrecht omhoog naar het paviljoen, waar de pijl stevig bleef zitten.

Den volgenden dag moesten zij uitmaken, wie langs den riem omhoog zou klimmen; weer weigerden de twee oudste broers en zoo viel het den jongsten ten deel dit waagstuk te ondernemen. Daar hij zeer vlug was, bereikte hij weldra het paviljoen; hij dwaalde van de eene kamer naar de andere en kwam eindelijk in een vertrek, waar hij zijn zuster zag zitten met den kop van den slapenden draak op haar knie. Toen de prinses haar broer zag, was zij buitengewoon bang voor zijn leven en zij smeekte hem te vluchten, voordat de draak zou ontwaken.

De prins doodt den draak.

Maar de moedige jongeman kon niet doen, wat zijn zuster van hem verlangde. Hij greep zijn knots en sloeg den draak op den kop. Het monster wees met een van zijn klauwen, naar de plek waar hij geraakt was en zei tegen het meisje: "Hier heeft mij iets gebeten!" Weer hief de prins zijn knots op en hij gaf weer een slag op het hoofd van den draak; maar blijkbaar had dit op den draak niet den minsten invloed, want hij wees weer onverschillig naar de plek, zeggende: "Weer heeft mij iets gebeten!"

De jonge prins was op het punt voor den derden keer toe te slaan, toen zijn zuster op een plek wees, waar de draak een doodelijke wond kon krijgen en zijn knots op de aangewezen plek richtende, sloeg hij toe en de draak bezweek onmiddellijk. De prinses maakte zich dadelijk vrij van het hoofd van den draak, snelde vlug naar haar broer om hem een kus te geven en verlangde er toen naar hem de verschillende kamers te toonen.

Eerst bracht zij hem naar een kamer, waar een zwart paard stond, vastgebonden in een stal en gedekt met een zadel en een harnas met zilveren versierselen. Daarna bracht zij hem naar een tweede kamer, waar zij een wit paard vonden, ook geheel opgetuigd, maar zijn harnachement was van zuiver goud. Daarna bracht zij hem in een derde kamer, waar een mooi Arabisch paard stond, welks zadel, stijgbeugels en teugels bezet waren met kostbare steenen.

Vervolgens bracht de prinses haar broer naar een kamer, waar op een gouden tabouret een meisje zat, dat bezig was te borduren met gouden draden. Vandaar bracht zij hem in een tweede vertrek, waar een meisje gouden draden spon. Tenlaatste gingen zij een derde kamer binnen, waar een meisje parelen zat te rijgen, en voor haar op een gouden schaal zat een gouden hen met haar kuikens de parelen te sorteeren.

Nadat hij zijn nieuwsgierigheid had bevredigd, ging de prins weer terug naar de kamer, waar hij den dooden draak had achter gelaten en wierp het lijk op de aarde; alleen reeds op het zien van het lijk van den draak, geraakten de twee oudste broeders buiten zich zelf van schrik. Daarna liet de prins zijn zuster langzaam omlaag en op haar volgden de drie meisjes met haar werk. Terwijl hij daarmee bezig was, riep hij iets tegen zijn broers en hij maakte gebaren--om hun te beduiden, aan wien ieder der meisjes zou behooren. Hij behield voor zich zelf haar, die bezig was geweest met het rijgen der parelen en hij vergat ook de gouden hen en de kuikens niet.

De trouweloosheid van de broeders.

Zijn broeders, die den jeugdigen prins zijn heldenmoed benijdden en jaloersch waren op zijn gelukkig geslaagde heldenfeiten, maakten zich nu schuldig aan een laaghartige daad. Zij sneden den riem door, opdat hij de aarde niet zou kunnen bereiken, en haastig braken zij op, waarbij zij hun zuster en de geheele buit meenamen.

Op hun weg naar huis ontmoetten zij een schaapherder, die zijn schapen hoedde en hem haalden zij over zich te vermommen en zich voor hun jongsten broeder uit te geven, terwijl zij aan hun zuster en haar drie maagden bevel gaven het geheim strikt te bewaren.

Er verliep eenige tijd; toen vernam de jongste prins, dat zijn broeders en de vermomde herder op het punt stonden de drie meisjes te trouwen. Deze mededeeling scheen letterlijk juist te zijn, want op den dag, waarop zijn oudste broer zou trouwen, besteeg hij het zwarte paard, vloog omlaag en steeg af vlak voor de kerk. Daar wachtte hij het oogenblik af, waarop de stoet naar buiten zou komen en toen zijn broer te paard zou stijgen, naderde hij snel, hief zijn knots op en gaf hem een hevigen slag, zoodat hij op hetzelfde oogenblik neerviel. Toen besteeg de jonge prins het zwarte paard weer en werd onmiddellijk weer naar het geheimzinnige paviljoen teruggevoerd.

Op den trouwdag van zijn tweeden broer werd het heldenfeit nu op het witte paard herhaald, zonder dat iemand er eenig vermoeden van had, wie die vreemde aanvaller was.

Nu kwam de beurt aan den herder. Op den dag van diens huwelijk met het derde meisje besteeg de jonge prins het Arabische ros, stapte af op het kerkplein, juist op het oogenblik, dat de trouwstoet op het punt stond terug te keeren. Dezen keer sloeg hij den bruidegom zoo hevig op zijn hoofd, dat hij dood neerviel. De gasten stegen gezwind van hun paard en omringden den prins, die geen poging deed te ontsnappen, maar zich bekend maakte als de derde zoon van hun tsaar. Hij vertelde hun, dat de voorgewende prins, die hij naar de andere wereld had gezonden, slechts een gewoon herder was, en dat zijn broeders hem uit naijver in het betooverde paviljoen hadden gelaten, waar hij zijn zuster gevonden en den draak gedood had. Alles, wat hij zei, werd dadelijk bevestigd door zijn zuster en de drie meisjes. Toen de tsaar dit vernam, was hij zeer vertoornd op zijn twee oudste zoons en hij verbande hen voor altijd uit zijn paleis. En wat zijn dapperen jongsten zoon betrof, hij liet hem met het derde meisje huwen en wees hem aan als de erfgenaam van den troon en van alles, wat hij bezat.

Pepelyouga.

Op een hooggelegen weiland, bij een onmetelijk diepen afgrond waren eenige meisjes bezig met spinnen, terwijl zij haar vee hoedden, toen een oude, vreemd uitziende man met een witten baard, die hem tot aan den gordel reikte, naderde en tot haar sprak: "O, schoone meisjes, neemt u in acht voor den afgrond, want indien een uwer haar spoel van de klip zou laten vallen, dan zou haar moeder op hetzelfde oogenblik in een koe veranderen!"

Na dit gezegd te hebben, verdween de oude man en de meisjes, die onthutst waren door zijn woorden, naderden, terwijl zij het vreemde geval bespraken, het ravijn tot dicht bij den rand; eensklaps was hun belangstelling voor de diepe kloof gewekt. Zij gluurden nieuwsgierig over den rand, als verwachtten zij iets ongewoons te zullen zien, totdat eensklaps de mooiste van haar allen haar spoel uit haar hand liet vallen, en voor dat zij die weer kon grijpen, viel zij van rots tot rots in de diepte onder haar. Toen zij dien avond thuis kwam, bevond zij, wat zij reeds gevreesd had, dat de voorspelling bewaarheid was, want haar moeder stond, veranderd in een koe, voor de deur.

Korten tijd daarna hertrouwde haar vader. Zijn nieuwe vrouw was een weduwe en bracht een eigen dochter in haar nieuw tehuis. Dit meisje was door de natuur allesbehalve begunstigd, en de moeder begon onmiddellijk haat te koesteren tegen haar stiefdochter om haar goed uiterlijk. Zij verbood haar voortaan haar gelaat te wasschen, haar haar te kammen of van kleeren te verwisselen en op alle mogelijke manieren trachtte zij haar ongelukkig te maken.

Op zekeren dag gaf zij haar een zak vol hennep, zeggende: "Indien gij dit niet spint, en zorgt dat het van avond tot een mooi kluwen geworden is, behoeft gij niet thuis te komen, want dan ben ik van plan u te dooden."

Het arme meisje was diep terneergeslagen; zij liep achter het vee, onderwijl met ijver spinnende, maar op het middaguur, toen het vee zich neerlegde om te rusten, zag zij, dat zij nog slechts heel weinig gevorderd was en zij begon bitter te weenen.

Nu werd haar moeder dagelijks met het andere vee naar de weide gedreven en toen zij de tranen van haar dochter zag, kwam zij nader en vroeg, waarom zij schreide, waarop het meisje haar alles vertelde. Toen troostte de koe haar dochter met de woorden: "Mijn lief kind, wees getroost! Laat mij de hennep in mijn mond nemen en ze kauwen; ze zal als een draad uit mijn oor komen. Je hebt niets anders te doen dan het einde te nemen en het op een klos te winden."

Dit gebeurde; de hennep was weldra gesponnen en toen het meisje ze 's avonds aan haar stiefmoeder gaf, was deze ten hoogste verbaasd.

Den volgenden morgen beval de vrouw het meisje op ruwen toon een nog grooteren zak hennep te spinnen en toen het meisje, dank zij haar moeders hulp alles spon en opwond, gaf haar stiefmoeder haar den volgenden dag tweemaal zooveel om te Spinnen. Desondanks bracht het meisje 's avonds zelfs die ongewone hoeveelheid goed gesponnen thuis, waaruit de stiefmoeder opmaakte, dat zij niet alleen spon, maar dat andere meisjes, haar vriendinnen, haar hielpen. Daarom zond zij den volgenden morgen haar eigen dochter om het meisje te bespieden en haar te vertellen, wat zij zou zien. Het meisje merkte spoedig, dat de koe de arme wees hielp door de hennep te kauwen, terwijl deze niets anders te doen had, dan de draad op een klos te winden. Zij snelde naar huis en vertelde haar moeder, wat zij had gezien. Deze drong er toen op aan, dat haar man bevel zou geven die bijzondere koe te slachten. Eerst aarzelde haar echtgenoot, maar daar zijn vrouw meer en meer aandrong, besloot hij te doen, wat zij verlangde.

De belofte.

Toen zij hoorde, wat besloten was, schreide de stiefdochter meer dan ooit en toen haar moeder vroeg, wat er aan scheelde, vertelde zij haar onder tranen wat er zou gebeuren. Daarop zei de koe tot haar dochter: "Wisch uw tranen af en schrei niet meer. Indien zij mij slachten, moet gij er alleen maar voor zorgen, dat ge niets van mijn vleesch eet, en na den maaltijd zorgvuldig mijn beenderen verzamelt. Begraaf die achter het huis onder een steen; mocht gij ooit hulp noodig hebben, kom dan naar mijn graf en daar zult gij vinden, wat gij zoekt."

De koe werd gedood, en toen het vleesch werd opgediend, weigerde het arme meisje er van te eten; zij wendde voor, dat zij geen honger had; na den maaltijd verzamelde zij met groote zorg de beenderen en begroef die op de plek, die door haar moeder was aangewezen.

De naam van het meisje was Marra, maar daar zij het ruwste huiswerk moest doen, zooals waterdragen, wasschen en vegen werd zij door haar stiefmoeder en stiefzuster "Pepelyouga" (asschepoester) genoemd.

Op zekeren Zondag, toen de stiefmoeder en stiefzuster zich gekleed hadden om naar de kerk te gaan, strooide de vrouw door het huis een mandvol gierst en zei: "Luister, Pepelyouga; zoo gij al de gierst niet hebt opgeraapt en zoo het eten niet gereed is, als wij uit de kerk komen, dan zal ik je dooden!"

Toen zij vertrokken waren, begon het arme meisje te schreien. Zij dacht: "wat het eten betreft, dat kan ik gemakkelijk gereed maken, maar hoe zou het mogelijk zijn, al de gierst op te rapen?" Maar op hetzelfde oogenblik dacht zij aan de woorden van de koe: indien ge ooit hulp noodig hebt, kom dan slechts naar mijn graf achter het huis en daar zult gij onmiddellijk vinden, wat gij zoekt. Dadelijk snelde zij naar buiten, en toen zij het graf naderde, zie! een koffer lag wijd geopend op het graf, en daarin waren prachtige gewaden en alles wat noodig was voor het toilet eener dame. Twee duiven zaten op het deksel van den koffer, en toen het meisje nader kwam, zeiden zij tegen haar: "Marra, neem het gewaad, dat ge het mooist vindt, uit den koffer, kleed je en ga naar de kerk; en wat de gierst en het werk betreft, daar zullen wij op toezien en zorgen, dat alles in orde is!"

Marra gaat naar de kerk.

Marra had geen tweede uitnoodiging noodig; zij nam het eerste zijden kleed, dat haar hand aanraakte, kleedde zich en ging naar de kerk, waar haar komst groot opzien baarde. Iedereen, mannen zoowel als vrouwen, bewonderden haar schoonheid en de dure kleeren, maar zij vroegen elkaar vergeefs, wie zij was en van waar zij kwam. Er was toevallig dien dag een prins in de kerk en ook hij bewonderde het schoone meisje.

Juist voor de dienst was afgeloopen, sloop het meisje de kerk uit en snelde naar huis, deed haar kleeren uit en legde ze weer in den koffer, die zich onmiddellijk sloot en onzichtbaar werd. Daarna spoedde zij zich naar de keuken en bemerkte, dat het middagmaal gereed was en de gierst verzameld in de mand. Spoedig daarop kwam haar stiefmoeder met haar dochter terug en zij waren er verbaasd over, dat de gierst opgeraapt en de maaltijd gereed en al het overige werk ook klaar was. De wensch om het geheim te kennen, kwelde de stiefmoeder nu geweldig.

Den volgenden Zondag gebeurde alles als te voren, behalve, dat het meisje een zilveren kleed in de koffer vond en de prins haar nog meer bewonderde, zoozeer, dat hij niet in staat was ook maar een oogenblik zijn oogen van haar af te wenden. Op den derden Zondag maakten moeder en dochter zich weer gereed naar de kerk te gaan en nadat zij de gierst weer had neergestrooid, herhaalde zij haar vorige bedreigingen. Zoodra zij vertrokken waren, liep het meisje regelrecht naar het graf harer moeder, waar zij evenals bij de vorige gelegenheid de open koffer en dezelfde twee duiven vond. Dezen keer vond zij een gewaad van gouden kant. Zij kleedde er zich haastig in en ging naar de kerk, waar zij nog meer dan te voren door allen werd bewonderd. Wat de zoon van den tsaar betrof, hij was dezen keer gekomen met het voornemen haar niet uit het oog te verliezen, maar haar te volgen en te zien, waar zij heenging. Toen de dienst dus ten einde liep, en het meisje stil als te voren vertrok, volgde de verliefde prins haar. Marra spoedde zich voort, want zij had niet al te veel tijd en onder het loopen, verloor zij een van haar gouden muiltjes. Zij was te gehaast om stil te staan en het op te rapen. Maar de prins, die het meisje uit het oog had verloren, zag het muiltje en stak het in zijn zak. Marra deed haar gouden gewaad uit, toen zij thuis kwam, borg het op in den koffer en spoedde zich naar het huis.

De Prins zoekt het mooie meisje.

De prins besloot nu van huis tot huis te gaan, het geheele rijk van zijn vader door, om de eigenares van het muiltje te vinden, en alle mooie meisjes uit te noodigen het gouden muiltje aan te passen. Maar helaas, zijn pogingen schenen tot mislukking gedoemd; voor eenige meisjes was het muiltje te lang, voor anderen te kort en voor weer anderen te nauw. Er was er niet een, wien het paste.

Op zijn tocht van de eene deur naar de andere kwam de prins eindelijk aan het huis van Marra's vader. De stiefmoeder had hem verwacht en had haar stiefdochter onder een grooten voedertrog op het erf verborgen. Toen de prins haar vroeg, of zij dochters had, antwoordde zij, dat zij er maar een had en zij bracht haar dochter bij hem. De prins verzocht het meisje het muiltje te passen, maar hoe zij ook wrong, er was zelfs geen ruimte genoeg voor haar teenen! Daarop vroeg de prins, of het waar was, dat er geen ander meisje in het huis was, en de stiefmoeder antwoordde, dat dit werkelijk waar was.

Op hetzelfde oogenblik vloog een haan op den voedertrog en kraaide krachtig: "_Kook-oo-ryeh-koooo!_ Hier is zij onder dezen trog!"

De stiefmoeder riep woedend uit: "Sst--! Ga heen! Dat een arend je grijpe en met je wegvliege!" De nieuwsgierigheid van den prins was gewekt; hij liep naar den trog, tilde dien op, en, tot zijn groote verbazing zag hij daar het meisje, dat hij driemaal in de kerk had gezien, gekleed in hetzelfde gouden gewaad, dat zij den laatsten keer had gedragen, en met slechts een muiltje aan.

Toen de prins het meisje herkende, was hij buiten zich zelf van vreugde. Snel paste hij het muiltje aan haar sierlijken voet; het paste haar niet alleen uitstekend, maar vormde een paar met dat, hetwelk zij reeds aan haar linkervoet had. Hij tilde haar teeder op en geleidde haar naar zijn paleis. Later verwierf hij haar liefde en zij leefden gelukkig samen.

De taal der dieren.

Hoeveel overeenstemming er is in de folklore van verschillende volken wordt op zeldzame wijze geïllustreerd door het volgend verhaal, dat een treffende gelijkenis vertoont met een verhaal, dat ook bij de negers van West-Afrika algemeen bekend is. Daarin wordt door den Koning der Dieren aan den held als gunst toegestaan de taal der dieren te verstaan; hij ontvangt daarbij de waarschuwing, dat hij zal sterven, zoodra hij aan iemand het bezit van deze gave openbaart. De gave, die hem verleend is, maakt hem tot een rijk man; hij lacht om een gesprek tusschen dieren, die hij beluistert; zijn vrouw vraagt hem, waarom hij lacht. Tot op dit punt zijn de beide verhalen aan elkaar gelijk, maar in het West-Afrikaansche verhaal openbaart de man het geheim en boet zijn overtreding met den dood; terwijl het Servische slot veel minder tragisch is, zooals wij zullen zien.

Een rijk landbouwer had een schaapherder, die hem een groot aantal jaren trouw en eerlijk had gediend. Op zekeren dag, toen hij zijn schapen door een bosch naar de weide leidde, hoorde hij een sissend geluid en hij vroeg zich verbaasd af, wat het kon zijn. Aandachtig luisterend liep hij steeds dichter naar de plaats, van waar het geluid kwam; en nu zag hij, dat het bosch in brand stond en dat het gesis werd uitgestooten door een slang, die door vlammen was omringd. De herder keek toe, wat het arme schepsel zou doen in haar nood en toen de slang den schaapherder zag, riep ze te midden der vlammen uit: "O, herder, ik smeek u, red mij uit dit vuur!" De herder stak haar zijn staf toe en de slang kronkelde zich snel om den stok, om zijn arm en verder tot zijn schouders en rondom zijn hals.

Toen de herder besefte, wat er gebeurde, werd hij aangegrepen door afschuw, en riep uit: "Wat zijt gij van plan te doen, gij ondankbaar schepsel! Heb ik je leven gered, om het mijne te verliezen?" En de slang antwoordde hem: "Wees niet bang, mijn redder! Maar breng mij naar het huis van mijn vader! Mijn vader is de koning van de slangenwereld."

De herder beproefde de slang te bewegen medelijden met hem te hebben en smeekte hem te willen verontschuldigen; want hij kon zijn schapen niet verlaten.

Daarop zei de slang tot hem: "Wees gerust, mijn vriend! Maak u niet bezorgd over uw schapen; er zal niets met ze gebeuren, maar haast u nu naar het huis van mijn vader!" De herder ging dus met de slang om zijn hals door het bosch, totdat zij aan een grot kwamen, waarvan de ingang door slangenlichamen werd bedekt. Toen zij bij de poort kwamen, siste de gids van den herder tegen haar dienaressen, waarop al de slangen onmiddellijk uit elkaar gingen, en een weg voor den herder open lieten, die er zonder eenig letsel te bekomen doorging. Toen zei de slang tegen haar redder: "Als wij voor mijn vader verschijnen, zal hij u zeker als belooning voor uw vriendelijkheid jegens mij alles geven, wat gij wenscht: goud, zilver en kostbare steenen; maar niets van dat alles moet gij aannemen. Ik zou u aanraden te vragen de taal der dieren te leeren verstaan. Hij zal zich ongetwijfeld tegen uw wensch verzetten, maar eindelijk zal hij toegeven."

Zij traden nu de vertrekken van den koning binnen, die blijkbaar aanmerkelijk verlicht vroeg: "Mijn dochter, waar zijt gij al dien tijd geweest?"

Het reptiel vertelde toen alles van den brand in het bosch en van de vriendelijkheid van den schaapherder, die zijn leven had gered. Nu richtte de slangenkoning zich aangedaan tot den herder: "Welke belooning mag ik u geven, omdat gij het leven van mijn dochter hebt gered?"