Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 17

Chapter 174,017 wordsPublic domain

Maar de jonggehuwde glimlacht en waant het Alles een grap--geen vrees overvalt haar. Als de driehonderd werklieden zich om haar verzamelen, De steenen opstapelen en de balken rondom haar. Zij hebben haar nu ingesloten tot den gordel. Hooger verheffen de muren en balken zich, steeds hooger; Eindelijk begrijpt de rampzalige het lot dat haar wacht. En zij gilt luid in haar wanhoop; In haar smart smeekt zij haar echtgenoot en zijn broeders: "Kunt gij aan God denken? hebt gij geen medelijden? Kunt gij mij aldus insluiten, mij, jong en gezond?" Maar te vergeefsch, tevergeefsch waren haar smeekingen; En haar broeders verlieten haar, toen zij voortging met smeeken.

Schaamte en vrees volgden toen op verwijten En met deerniswekkende stem riep zij tot haar echtgenoot: "Kan het, kan het zijn, mijn heer en echtgenoot, Dat gij mij, zoo jong, meedoogenloos laat insluiten? Laat ons gaan en mijn bejaarde moeder opzoeken: Laat ons gaan--mijn moeder, zij is rijk: Zij zal een slaaf koopen--een man of een vrouw, Dien gij begraven kunt onder de fundamenten van den muur."

Toen de moeder-gade--de gade en moeder, Zag, dat haar smeekbeden en klachten onverhoord verklonken, Richtte zij zich tot Neimar Rado: [78] "In Gods naam, mijn broeder Neimar Rado, Laat een opening voor deze sneeuwwitte borst, Laat mij deze sneeuwwitte borst vrij kunnen opheffen, Als mijn sprakelooze Yovo tot mij komt. Als hij komt, o laat hem mijn borst ledigen!" Rado beval den werklieden aan haar verzoek te voldoen En een venster te laten voor haar sneeuwwitte borst, Zoodat zij haar vrij zou kunnen opheffen, Als haar sprakelooze Yovo tot haar zou komen, Als hij kwam om uit haar borst te drinken. Nog eens riep zij tot Neimar Rado, "Neimar Rado! In Gods naam, mijn broeder! Laat ook voor mijn oogen een klein venster, Opdat deze oogen onze witte woning zien kunnen, Als mijn Yovo naar mij toe gebracht wordt, Als mijn Yovo naar huis wordt gedragen." Rado beval zijn werklieden haar te gehoorzamen. En voor die heldere oogen een klein venster te laten, Opdat haar oogen haar eigen witte woning zouden zien, Als haar kindje Yovo tot haar gebracht werd, Als zij het kindje Yovo naar huis zouden brengen.

Zoo bouwden zij den zwaren muur rondom haar. En brachten toen het kindje in zijn wieg Dat een lange poos door zijn moeder gezoogd werd Toen werd haar stem zwak--toen zweeg zij geheel. Nog vloeide de stroom en voedde het kind:

Ruim een jaar hing hij aan haar borst; Nog vloeide de stroom--en hij vloeit nog steeds. [79] Als de levensstroom in haar opdroogt, Komen de vrouwen daarheen--de plaats behoudt haar kracht-- Komen ze daarheen om haar schreiende kinderen te stillen.

II. De Stiefzusters.

Een hooge, slanke den stond tusschen twee groene lorkenboomen. Lorkenboomen waren zij niet, deze twee, En geen hooge, slanke den stond er tusschen. Het waren broeders, kinderen van een moeder. De een was Paul; de andere broeder Radool, En middenin Yelitza, hun zuster. Hartelijk was de liefde, die de broeders haar toedroegen; Menig teeken van genegenheid gaven zij haar, Soms een schitterend geschenk en dikwijls kleinigheden, En ten laatste een mes met zilveren heft. En versierd met goud; dat gaven zij hun zuster.

Toen Pauls jeugdige gade dit had gehoord, Verhief haar boezem zich van jaloezie: En zij riep verwoed tot de gade van Radool: "Ach zuster! Mijn zuster in den Heer, Kent gij een plant van demonische kracht, Die verderf over onze zuster kan brengen?" De gade van Radool antwoordde snel: "In Godsnaam, zuster, wat bedoelt gij? Van tooverkruiden weet ik niets--En wist ik het wel, Nooit zou ik u ervan vertellen, nooit; Want mijn broeders hebben mij lief; ja, ze hebben mij lief. Van hun liefde geven zij mij menigmaal bewijs."

Toen Pauls jeugdige gade dit antwoord had vernomen, Begaf zij zich naar het paard in de weide, Bracht het een doodelijke wonde toe, en spoedde Zich naar haar echtgenoot, dien zij aldus aansprak:-- "Uw zuster, die gij liefhebt, is die liefde onwaardig, Uw gaven zijn aan deze onwaardige slechts verspild; Uw ros, dat in de weide liep, heeft zij doorstoken." Toen wendde Paul zich tot Yelitza, zijne zuster En vroeg: "Waarom deedt gij 't?--Dat God er u voor straffe!"

Doch toen de maagd ontkende en zwoer: "Bij mijn leven en bij uw leven, ik deed het niet!" Toen twijfelde hij niet meer aan zijn zuster. Waarop Pauls jonge gade, toen zij dit merkte, Zich 's avonds heimelijk spoedde naar den tuin, Waar zij Pauls grijzen valk den nek omdraaide-- Toen spoedde zij zich naar haar echtgenoot en zei: "Uw zuster, die gij liefhebt, is die liefde onwaardig, En uw gaven zijn aan deze onwaardige slechts verspild, Zie! Zij doodde Uw lievelingsvalk."

Paul ondervroeg Yelitza, zijne zuster.

"Zeg mij waarom, en God moge u straffen!"

Maar hoog en luid bezwoer zijn zuster: "Ik was het niet, bij mijn leven, broeder; Bij mijn leven en het uwe, ik deed het niet!" En de broer geloofde zijn zuster weer. Toen Pauls jeugdige vrouw dit bemerkte, Sloop zij 's avonds van den avondmaaltijd weg, En stal het gouden mes en daarmede vermoordde, Vermoordde zij haar arme kindje in de wieg! En toen de ochtendstond den morgen bracht, Wekte zij schreeuwend haar echtgenoot "Wee!" schreeuwde zij en reet haar wangen open: "Boos is de liefde, die gij uw zuster toedraagt. En uw gaven zijn aan deze onwaardige verspild; Ons kindje in de wieg heeft zij doorstoken! Zult gij nog langer aan mijn woorden twijfelen? Zie! het mes is in uw zusters gordel."

Paul sprong op, als door den waanzin overmeesterd, Onstuimig stormde hij naar de verdieping boven, Waar zijn zuster op haar matten sliep Met het gouden mes onder haar kussen. Snel greep hij het gouden mes,--en trok het-- Hij trok het nijgend uit de zilveren scheede;-- En zie, 't was vochtig van het bloed,-- 't Was rood en met geronnen bloed bedekt! Toen Paul, de edele, dit zag, greep hij haar vast,-- Hij knelde haar kleine, mooie hand en vloekte haar: "Dat Gods vloek op u ruste, zuster! Gij hebt mijn lievelingspaard vermoord; Uw hand vermoordde ook mijn edele valk; Maar gij hadt de hulpelooze zuigeling moeten sparen."

Nog luider en op hooger toon nog zwoer zijn zuster: "Ik was het niet, bij mijn leven, mijn broeder, Bij mijn leven en bij uw leven, ik zweer het u! Maar indien gij op mijn eed geen acht wilt geven; Voer mij dan naar de open vlakten der wildernis; Bind uw zuster aan de staarten uwer paarden; Laat vier paarden mijn ledematen vaneen scheuren." En de broer vertrouwde zijn zuster niet! Woest greep hij haar blanke armen--en droeg haar Naar de verwijderde vlakten--de open wildernis;-- Aan de staarten van vier paarden bond hij haar En hij joeg ze voort over de woestenij;-- En ziet! waar een druppel stortte van haar bloed, Daar ontsproot een bloem,--een geurig bloempje; Waar haar lichaam viel, toen het dood en verminkt was, Daar rees een kerk op uit de wildernis.

Korte tijd verliep; een noodlottige ziekte Overviel Pauls jeugdige gade;--de ziekte Lag negen lange jaren op haar,--een zware ziekte! Hondstarwegras schoot op tusschen haar beenderen En daartusschen nestelden toornige slangen, Die, ofschoon verborgen, de helderheid van het licht harer oogen dronken. Toen betreurde zij haar lot en toen zij wanhopend treurde, Sprak zij aldus tot Paul, haar echtgenoot: "O breng mij, Paul, mijn heer En voer mij naar de kerk uwer zuster, Want zoo er redding is, vind ik ze mooglijk daar."

Toen Paul de bede van zijn gade hoorde, Droeg hij haar naar zijn zusters kerk En nauwelijks had hun voet 't portaal der kerk betreden, Of zij vernamen een geheimzinnige stem: "Kom hier niet, jonge vrouw! kom hier niet! Want deze kerk kan u noch redding, noch genezing geven." Groot was haar zielesmart, toen zij dit hoorde; En smeekend zei de vrouw tot Paul, haar heer: "In Godsnaam, Paul, mijn echtgenoot, mijn heer! Breng mij nooit, nooit naar onze woning terug! Bind mij aan de staarten van de wilde paarden en jaag ze, Jaag ze in de onmetelijke wildernis; Laat hen mijn ellendige ledematen uiteen rukken."

En Paul verhoorde de bede van zijn gade. Hij bond haar aan de staarten van vier wilde paarden; Joeg ze voort over de groote vlakte der woestenij En waar een druppel van haar bloed neerviel, Daar sprongen stekelige doornen en distels op En waar het lichaam viel, toen het dood was, Stroomden de wateren toe en vormden een stilstaand meer. Over het meer zwom een klein, zwart paard, Naast hem dreef een gouden wieg, Op de wieg zat een jonge, grijze valk, In de wieg sluimerde een klein kindje, Met de blanke hand zijner moeder om zijn keel: En die hand omknelde een gouden mes.

III. De ontvoering van de schoone Iconia.

Gouden wijn drinkt Theodorus van Stalatch, [80] In zijn kasteel Stalatch aan de Morava; Zijn bejaarde moeder schenkt hem wijn in. Terwijl de wijn-dampen naar zijn hoofd stijgen-- Spreekt de moeder aldus tot den held: "Mijn zoon! Gij, Theodorus van Stalatch! Zeg mij, waarom zijt gij niet gehuwd? Gij zijt in de dagen van jeugd en schoonheid: In uw woning zou uw bejaarde moeder Nu graag uw kinderen rondom zich zien spelen." En hij, Theodorus van Stalatch, antwoordde: "God is mijn getuige, o mijn bejaarde moeder! Ik heb door menig land en stad gezworven Maar nooit vond ik het gezochte meisje; Of, als ik het meisje vond, dan vond ik nooit In uw hart vriendelijke gevoelens jegens haar; En als gij u vriendelijk en voorkomend toondet, Dan vond ik het meisje valsch en trouweloos. Maar toen ik gisteren, bij zonsondergang, Dwaalde bij de rivier de Ressava, Zie: daar zag ik dertig liefelijke maagden Bezig op de oevers haar garen en linnen te bleeken: Onder haar bevond zich de schoone Iconia, De schoonste dochter van vorst Miloutin; Van hem, den vorstelijken heerscher over Resseva. Zij zou waarlijk een bruid zijn om lief te hebben. Zij zou waarlijk Uw genegenheid waard zijn: Maar dat meisje is reeds verloofd; Haar hand is beloofd aan George Irene-- Aan Irene, voor Sredoi, zijn bloedverwant. Maar ik wil dat meisje winnen--ik wil haar winnen Of de poging zal mij mijn leven kosten, moeder!" Zijn moeder ontried hem dit en waarschuwde hem-- "Zeg dat niet, mijn zoon! het meisje is verloofd; Het is geen grap! zij is verwant aan monarchen."

Maar de held sloeg geen acht op zijn moeder: Luid riep hij tot Dobrivoy, zijn knecht-- "Dobrivoy! kom hier, trouwe dienstknecht! Breng mijn bruine paard voor, en maak het gereed. Leg het het zilveren zadel op den rug, Tuig het op met de met goud geboorde teugels." Toen het ros gereed was, ging hij er heen, Hij wierp zich op zijn rug, gaf het de sporen, En stuurde 't naar de kalme rivier de Morava, Die door de vreedzame vlakte van Ressava stroomt.

En hij bereikte de kalme rivier Ressava; Daar zag hij weer de dertig maagden-- Daar zag hij de schoone Iconia, Toen veinsde de held een plotselinge ongesteldheid; Vroeg om hulp; en begroette haar hoffelijk-- "God in den hooge zij met u, lieftallig meisje!" En de lieftalligste beantwoordde zijn woorden, "En u zij zaligheid, vreemdeling en krijgsman?" "Lief meisje! in naam van de liefde des hemels, Wilt gij mij een beker verkoelend water geven? Want een hevige koorts gloeit in mij; Ik durf niet van mijn paard te stijgen, schoon meisje! Want mijn ros heeft een boozen trek-- Tweemaal wil hij zijn ruiter niet laten opstijgen."

Warm en ernstig was het medelijden van het meisje; En met lieve stem sprak zij hem aldus aan: "Neen! dat niet--dat niet, gij onbekende krijgsman! Hard en zwaar is het water van de Ressava; Hard en zwaar zelfs voor gezonde krijgslieden; Hoe veel te meer voor hen, die door koorts aangetast en vermoeid zijn! Wacht, en ik zal U een beker wijn brengen." Snel trippelde het meisje naar haar woning; Zij keerde terug met een gouden beker met wijn, Dien zij Theodorus van Stalatch toereikte. Hij strekte zijn hand uit; echter niet den beker wijn, Maar de hand van het meisje greep hij En met een zwaai wierp hij haar op zijn kastanjebruin paard achter zich: Driemaal omwond hij haar met zijn lederen gordel, En ten slotte bond hij haar ook met zijn degenriem; En hij bracht haar naar zijn eigen witte woning.

HOOFDSTUK XIV. FOLKLORE.

De ram met de gouden vacht.

Eens ging een jager naar de bergen om te jagen, en daar kwam hem een ram met een gouden vacht tegemoet. De jager nam zijn geweer om hem te schieten, maar de ram snelde op hem toe en voordat de jager kon schieten, stootte de ram hem met zijn horens en hij viel dood neer. Eenige dagen later vonden zijn vrienden zijn lijk; zij wisten niet, wie hem gedood had; zij namen het lijk mee naar huis en begroeven het. De vrouw van den jager hing het geweer tegen den muur van haar hut. Toen haar zoon opgroeide, vroeg hij haar verlof om het te nemen en ermee op jacht te gaan. Zij wilde het echter niet toestaan, en zei: "Nooit mag je mij weer om dit geweer vragen. Het redde het leven van je vader niet en ik zou niet willen, dat het ook de oorzaak van jou dood werd!"

Op zekeren dag nam de jongeling het geweer stilletjes weg en ging ermee het bosch in om te jagen. Heel spoedig kwam dezelfde ram uit het dichte kreupelhout aansnellen en zei: "Ik heb uw vader gedood; nu is het uw beurt!" Dit verschrikte den jongeman en onder den uitroep: "God helpe mij!" haalde hij den haan van zijn geweer over en zie! de ram viel dood neer.

De jongeling was buitengewoon blij, dat hij den ram met de gouden vacht gedood had, zoo was er geen tweede in het geheele land. Hij ontdeed den ram van zijn huid en droeg de vacht naar huis,--zeer prat ging hij op zijn dapperheid. Gaandeweg verspreidde het nieuws zich over het land, totdat het 't hof bereikte en de koning den jeugdigen jager beval hem de vacht van den ram te brengen, opdat hij er zich van overtuigen kon welke soorten van beesten er in zijn bosschen werden gevonden. Toen de jongeling de vacht bij den koning bracht, zei deze tot hem: "Vraag wat gij wilt voor deze vacht, en ik zal u geven, wat gij vraagt!" Maar de jongeling antwoordde: "ik zou haar voor niets ter wereld willen verkoopen."

Toevallig was de eerste minister een oom van den jeugdigen jager, maar hij was zijn vriend niet; integendeel hij was zijn grootste vijand. Daarom zei hij tegen den koning: "Daar hij u de huid niet wil verkoopen, moet gij hem iets opdragen, wat bepaald onmogelijk is!" De koning riep den jongeman weer bij zich en beval hem een wijngaard te planten en over zeven dagen den nieuwen wijn van den eersten oogst te brengen.

De jongeling begon te schreien en smeekte om ontheven te worden van deze onmogelijk te vervullen opdracht; maar de koning bleef bij hetgeen hij bevolen had en zei:

"Indien gij over zeven dagen mijn bevel niet hebt uitgevoerd, dan zal uw hoofd worden afgeslagen!"

De jongeling vindt hulp.

Nog steeds schreiende begaf de jongeling zich naar huis en vertelde zijn moeder alles, wat bij zijn bezoek aan den koning was voorgevallen en zij antwoordde: "Heb ik je niet gezegd, mijn zoon, dat het geweer je het leven zou kosten?"

In diepe smart en verwarring verliet de jongeman het dorp en liep een heel eind het bosch in. Eensklaps stond een meisje voor hem, dat hem vroeg: "Waarom weent gij, mijn broeder?" En hij antwoordde boos:

"Vervolg uw weg! Gij kunt mij niet helpen!" Daarom liep hij verder, maar het meisje volgde hem en verzocht hem nogmaals haar de oorzaak van zijn tranen te zeggen, "want misschien," voegde zij er aan toe, "is het mogelijk, dat ik u helpen kan."

Toen stond hij stil en zei: "Ik zal het u vertellen, maar ik weet, dat God alleen mij kan helpen." Toen vertelde hij haar alles, wat er met hem was gebeurd en welke taak hem was opgedragen. Toen zij het verhaal had gehoord, zei zij: "Wees niet bevreesd, mijn broeder, maar ga naar den koning en vraag hem, waar hij wenscht, dat de wijngaard zal geplant worden en laat dien dan aanleggen in volkomen rechte lijnen. Daarna moet gij een zak nemen met een takje thijm erin; leg u dan te slapen op de plaats, waar de wijngaard zal moeten komen en gij zult zien, dat hij binnen zeven dagen rijpe druiven zal dragen."

Hij keerde naar huis terug en vertelde zijn moeder, wat het meisje, dat hij had ontmoet, gezegd had, en welke belachelijke dingen hij zou moeten doen. Maar zijn moeder zei ernstig: "Ga, ga, mijn zoon, doe zooals het meisje zegt; in elk geval kun je er niet slechter aan toe worden dan je nu bent."

Hij ging dus naar den koning, gelijk het meisje hem had gezegd, en de koning gaf hem de aanwijzing, die hij verlangde. Toch was hij nog altijd treurig, toen hij zich met zijn tak thijm neerlegde op de aangewezen plek.

Toen hij den volgenden morgen wakker werd, zag hij, dat de wijnstokken al geplant waren; den tweeden morgen waren zij bedekt met bladeren; en op den zevenden dag droegen zij rijpe druiven. Niettegenstaande de voorspelling van het meisje, was hij verbaasd rijpe druiven te zien in een tijd van het jaar, waarin zij nergens te vinden waren; maar hij plukte ze, perste wijn, en bovendien nam hij een mand vol rijpe vruchten mede naar den koning.

De tweede taak.

Toen hij het paleis bereikte, stond de koning en zijn geheele hofhouding verbaasd. De eerste minister zei: "Wij moeten hem iets opdragen, dat absoluut onmogelijk is!" en hij gaf den koning den raad den jongeling te bevelen--een kasteel te bouwen van de slagtanden van olifanten.

Toen hij deze onvervulbare opdracht vernomen had, ging de jongeling weenende naar huis, en vertelde zijn moeder, wat er gebeurd was en voegde er aan toe: "Dit moeder, is volkomen onmogelijk!" Maar weer gaf zijn moeder hem raad en zei: "Ga, mijn jongen, het dorp uit, misschien ontmoet je het meisje weer!"

De jongeling gehoorzaamde, en werkelijk, zoodra hij de plaats bereikte, waar hij den vorigen keer het meisje had ontmoet, stond zij weer voor hem en zei: "Dit zal ook gemakkelijk gaan; maar ga eerst naar den koning en vraag hem een schip met driehonderd vaten wijn en evenveel kruiken brandewijn en ook twintig timmerlieden. Dan gaat ge naar die en die plaats tusschen twee bergen; ge damt daar de beek af, en giet er al den wijn en den brandewijn in. De olifanten zullen op die plaats komen om water te drinken en zij zullen dronken op den grond vallen. Dan moeten uw timmerlieden dadelijk de slagtanden afzagen en die naar de plaats brengen, waar de koning zijn kasteel gebouwd wil hebben. Daar moogt gij u te slapen leggen en binnen zeven dagen zal het kasteel gereed zijn."

Toen de jongeman dit gehoord had, spoedde hij zich naar huis, en vertelde zijn moeder alles, wat het meisje hem gezegd had. De moeder was vol vertrouwen en raadde haar zoon aan te doen, wat het meisje hem had voorgeschreven. Hij ging dus naar den koning en verzocht hem om het schip, de driehonderd vaten wijn en brandewijn en ook om de twintig timmerlieden; en de koning gaf hem alles, wat hij verlangde. Daarna ging hij naar de plek, die het meisje hem had aangewezen en deed alles, wat zij hem had aangeraden. En werkelijk, de olifanten kwamen, gelijk hij verwacht had, dronken en vielen daarna bedwelmd neer. De timmerlieden hieuwen de ontelbare slagtanden af, brachten die naar de aangewezen plaats en begonnen te bouwen en binnen zeven dagen was het kasteel gereed. Toen de koning dit zag, was hij weer verbaasd en zei tot zijn eersten minister: "Wat moet ik nu met hem doen? Het is geen gewone jongeman! God alleen weet, wie hij is!" Daarop antwoordde de ambtenaar: "Geef hem nog een opdracht en als het hem gelukt ook die ten uitvoer te brengen, dan heeft hij bewezen een bovennatuurlijk wezen te zijn."

De derde taak.

Opnieuw gaf hij den koning raad. Deze riep den jongeman en zei tot hem, dat hij hem uit zeker koninkrijk een prinses moest brengen, die daar in een zeker kasteel woonde. "Indien gij haar niet bij mij brengt, zult gij zekerlijk uw leven verliezen!" Toen de jongeman dit hoorde, ging hij regelrecht naar zijn moeder en noemde haar zijn nieuwe taak, waarop zijn moeder hem den raad gaf zijne vriendin, het meisje, nog eens op te zoeken. Hij spoedde zich naar de plek buiten het dorp, naar de plaats, waar hij de vorige keeren haar ontmoet had en toen hij er aankwam, verscheen zij weer. Zij luisterde aandachtig naar het verhaal van het laatste bezoek, dat de jongeman aan het hof had gebracht en zei toen: "Ga naar den koning en vraag hem om een galei; in de galei moeten twintig winkels worden gemaakt, elk met verschillende koopwaren; in elken winkel moet ook een knappe jongeman zijn om de waren te verkoopen. Op uw reis zult gij een man ontmoeten, die een arend draagt; gij moet zijn arend koopen en er den prijs voor betalen, dien hij vraagt. Dan zult gij een tweeden man ontmoeten, die in zijn net een karper met gouden schubben draagt; gij moet, het koste wat het kost, den karper koopen. De derde man, dien gij zult ontmoeten, zal een duif dragen, die gij ook moet koopen. Dan moet gij een veer uit den staart van den arend, een schub van den karper, en een veer van den linkervleugel van de duif nemen--en dan de dieren hun vrijheid geven. Indien gij het verre land bereikt en bij het kasteel zijt, waar de prinses woont, dan moet gij alle winkels openen en elken jongeman bevelen bij zijn deur te gaan staan. En de meisjes, die naar den oever komen om water te halen, zullen zeker zeggen, dat zij nooit te voren een schip gezien hebben, dat met zulke wonderbare en mooie voorwerpen beladen was. Het nieuws zal ook de prinses bereiken, die dadelijk aan haar vader toestemming zal vragen, om de galei te gaan bekijken. Als zij aan boord komt met haar hofdames, moet gij het gezelschap van den eenen winkel naar den anderen brengen, en de mooiste koopwaren, die gij hebt, voor haar uitspreiden; aldus moet gij haar afleiden en bezighouden en aan boord van uw galei houden, tot het avond wordt. Dan moet gij plotseling onder zeil gaan; het zal dan zoo donker zijn, dat uw vertrek niet opgemerkt wordt. De prinses zal een lievelingsvogel op haar schouder hebben en als zij bemerkt, dat de galei wegzeilt, zal zij de vogel loslaten en hij zal naar het paleis vliegen met een bericht aan haar vader, waarin zij hem meldt, wat haar is overkomen. Als gij ziet, dat de vogel is weggevlogen, moet gij de veer van den arend verbranden; de arend zal verschijnen en indien gij hem beveelt den vogel te vangen, dan zal hij dat onmiddellijk doen. Daarna zal de prinses een kiezelsteen in de zee werpen en oogenblikkelijk zal het schip stil liggen. Daarop moet gij dadelijk de schubbe van den karper verbranden; de karper zal naar u toekomen en gij moet hem bevelen den kiezelsteen te zoeken en op te slikken. Zoodra dat gedaan is, zal de galei weer verder zeilen. Dan zult gij eenigen tijd in vrede uw weg kunnen vervolgen; maar als gij een bepaalde plek tusschen twee bergen bereikt, zal uw galei plotseling versteenen en gij zult u zeer verontrusten. Dan zal de prinses u bevelen haar wat levenswater te brengen, waarop gij de veer van de duif moet verbranden, en als de vogel verschijnt moet gij haar een klein fleschje geven, waarin zij u den levenselixer zal brengen. Dan kan uw galei weer verder zeilen en gij zult zonder verdere avonturen met de prinses thuis komen."