Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 16

Chapter 163,880 wordsPublic domain

Aan den vooravond van den Zondag trok Momtchilo zich in zijn slaapkamer terug om te rusten op de zijden kussens, toen, zie! zijn gade tot hem kwam. Zij legde zich niet neer op de zijden kussens, maar bleef naast haar echtgenoot staan en haar tranen vielen op zijn hoofd. Toen hij de warme tranen op zijn ridderlijke wangen voelde, keek de voïvode op en zei:

"O, Vidossava, mijn getrouwe gade! Welk groot verdriet heeft u getroffen, dat gij tranen op mijn hoofd stort?"

En Vidossava antwoordde: "Mijn heer, gij voïvode Momtchilo. Ik heb geen ander verdriet dan over u. Ik heb van een wonder gehoord, dat mijn eigen oogen niet hebben gezien. Men heeft mij gezegd, dat gij een gevleugeld paard hebt, maar ik kan het verhaal niet gelooven. Het zal u het een of ander machtig kwaad brengen en ik vrees, dat gij zult omkomen!"

Het gevleugelde paard.

Momtchilo was gewoonlijk voorzichtig, maar dezen keer liep hij in den val: "Vidossava, mijn dierbare gade," zei hij teeder, "indien dat de oorzaak van uw verdriet is, dan kan ik u gemakkelijk troosten. Gij zult de vleugels van mijn ros Tchile [69] zien; als de eerste hanen kraaien, ga dan naar beneden, naar de stallen; dan zult gij zien, hoe Tchile zijn vleugels ontplooit."

Na dit gezegd te hebben, legde hij zich weer neer om te slapen. Maar niet alzoo Vidossava. Zij bleef waken om het eerste hanengekraai te hooren en toen zij het geluid vernam, sprong zij op, stak een lantaarn en een kaars aan, nam wat kalfsvet en teer en spoedde zich naar de stallen. En zie! Zij zag, hoe Yaboutchilo zijn vleugels ontplooide, die tot aan zijn hoeven reikten. Vidossava smeerde de vleugels met vet en teer in en stak ze met haar kaars in brand. Wat niet verbrandde, bond zij stevig onder den buik van het paard vast. Hierna ging zij naar het arsenaal en doopte het lievelingszwaard van Momtchilo in gezouten bloed. Daarna keerde zij naar de kamer van haar gade terug.

De droom van Momtchilo.

Bij het aanbreken van den dag ontwaakte Momtchilo en sprak tot Vidossava: "Mijn geliefde gade! Heden nacht heb ik een vreemden droom gehad: plotseling verscheen een nevel wolk van het vervloekte land Vassoye, die den berg Dourmitor omhulde. Ik reed door de wolk met mijn negen geliefde broeders en twaalf volle neven, vergezeld van mijn veertig wachten. In dien nevel, o, mijn geliefde Vidossava! verloren wij elkaar uit het oog; en nooit ontmoetten wij elkaar meer! God alleen weet, wat deze droom beteekent; maar ik heb een voorgevoel, dat het een of ander onheil ons weldra zal treffen!"

Vidossava beproefde haar heer gerust te stellen. "Vrees niet, mijn geliefde heer!" zei zij; "droomen zijn bedrog, God verlaat u niet!"

De hinderlaag.

Momtchilo kleedde zich voor de jacht en wandelde uit zijn witten toren naar het plein, waar zijn negen broeders, twaalf neven en veertig wachten reeds op hem wachtten. Zijn gade leidde zijn Yaboutchilo naar hem toe; hij sprong in het zadel en als gewoonlijk reed hij met zijn gevolg ter jacht. Zonder dat een hunner iets vermoedde, bereikten zij het meer, waar eensklaps een groote strijdmacht hen omringde. Momtchilo greep naar zijn zwaard, maar helaas, hij was niet in staat het uit de scheede te trekken. Toen riep hij bitter uit: "Luistert, mijn geliefde broeders! Mijn gade Vidossava heeft mij verraden, geeft mij een zwaard?"

Haastig gehoorzaamden zijn broeders; zij gaven hem het beste zwaard, dat zij hadden! Toen zei Momtchilo weer: "Luistert, mijn geliefde broeders: gij zult de vleugels van het leger aanvallen en ik zal tegen het midden den strijd aanbinden."

Machtig God, welk een heerlijk wonder! "Hoe gelukkig zoudt gij u achten, als gij, mijn broeders [70], dat wonder hadt gezien: hoe voïvode Momtchilo zijn zwaard zwaaide, en zich een weg baande door den muur van vijanden!" Echter werden er meer verpletterd door Yaboutchilo dan door het zwaard van den held! Maar helaas een droevig ongeluk wachtte hem ten slotte. Toen hij zich door den vijand had heengeslagen, volgden de negen zwarte paarden van zijn broeders hem; maar de zadels waren leeg!

Toen Momtchilo dit zag, barstte zijn moedig hart haast van verdriet over het verlies van zijn negen geliefde broeders; de arm, waarin hij zijn zwaard hield, viel slap langs zijn zijde; en wetende, dat hij niet langer zou kunnen vechten, gaf hij Yaboutchilo de sporen, opdat deze zijn vleugels zou uitspreiden en naar zijn kasteel vliegen.

Maar helaas! Voor het eerst gehoorzaamde zijn paard niet aan de sporen. Toen sprak Momtchilo verwijtend:

"O, Yaboutchilo, dat de wolven u verslinden! Menig keer hebt gij van hier gevlogen, alleen uit tijdverdrijf en nu ik in gevaar verkeer, wilt gij niet vliegen!"

En het ros antwoordde hinnikend: "Mijn heer, machtige voïvode Momtchilo! Vloek mij niet, en beproef niet mij verder te dwingen! Heden kan ik niet vliegen! Dat God uw Vidossava straffe! Dezen nacht heeft zij de punten van mijn beide vleugels verbrand. Wat zij niet verbrandde, heeft zij stevig onder mijn buikriem vastgebonden. O, mijn geliefde meester; gij deedt beter te trachten alleen te ontsnappen. Ik kan u niet helpen!"

Toen Momtchilo dit hoorde, biggelden de tranen langs zijn heldhaftig gelaat. Het kostte hem moeite van zijn geliefde Yaboutchilo af te stijgen; na een laatste liefkozing vermande hij zich en met drie sprongen bevond hij zich voor den ingang van zijn kasteel. En zie! de massieve poorten waren gesloten en gegrendeld.

Broeder en zuster.

Toen hij dit zag, riep Momtchilo luid zijn zuster toe: "O Yevrossima, mijn geliefde zuster! Laat een rol linnen naar beneden, opdat ik tegen den muur van het kasteel kan opklimmen en ontkomen, voordat mijn vervolgers mij hebben ingehaald!"

Yevrossima hoorde de smeekbede en antwoordde onder een vloed van tranen: "Helaas, mijn geliefde broeder, gij voïvode Momtchilo! Hoe kan ik een linnen band naar beneden laten, nu mijn schoonzuster, uw ontrouwe Vidossava, mijn haren aan een balk heeft vastgebonden?"

Maar zusters hebben een week hart voor broers [71] en Yevrossima rukte, terwille van haar eenigen broer, zoo hevig met haar hoofd, dat zij los kwam, maar haar haren aan den balk liet; toen nam zij een rol linnen, maakte het eene eind vast en wierp het ander eind over den muur van af den wal. Momtchilo greep het linnen en klom snel op naar den rand van den wal. Hij was op het punt in de vesting te springen, toen zijn trouwelooze gade snel kwam aanloopen, en met een scherp zwaard het linnen boven de handen van Momtchilo doorsneed.

Terzelfder tijd was de strijdmacht van Voukashin genaderd en Momtchilo stortte neer op hun lansen en zwaarden. Toen de koning den held zag vallen, spoedde hij zich naar de plek en doorstak hem het hart met een hevigen stoot. Hij stiet zoo heftig, dat het zwaard door den muur drong.

De dood van Momtchilo.

Voïvode Momtchilo was een buitengewoon held, en hij was in staat deze laatste woorden tegen koning Voukashin te spreken: "Mijn laatste verzoek aan u, o koning Voukashin, is, dat gij mijn trouwelooze Vidossava niet huwt, want zij zal ook u verraden. Heden heeft zij mij aan u verraden, morgen zal zij u hetzelfde aandoen! Veel beter zou het zijn mijn lieve zuster Yevrossima te huwen, de lieftalligste van alle meisjes. Zij zal u altijd trouw zijn en u een held schenken, even groot als gij zelf zijt!"

Dit zei voïvode Momtchilo, toen hij worstelde met den bleeken dood. Toen hij het gezegd had, vloog zijn ziel hemelwaarts.

De poorten van het kasteel werden nu geopend en de ontrouwe Vidossava kwam naar buiten om koning Voukashin welkom te heeten. Nadat zij hem begroet had, ging zij hem voor naar haar witten toren en wees hem een plaats aan haar gouden tafel. Zij bood hem fijne wijnen aan en vele kostbare gerechten. Daarna ging zij naar het arsenaal en bracht hem de wapenrusting en de wapenen van Momtchilo. Maar merkwaardig! De helm, die Momtchilo juist paste, viel koning Voukashin neer op de schouders. Een van Momtchilo's kaplaarzen was groot genoeg voor de twee voeten van koning Voukashin. Het zwaard van Momtchilo was een armlengte te lang, toen koning Voukashin het aan zijn gordel paste!

De straf van Vidossava.

Toen hij dit alles zag, riep koning Voukashin uit: "Helaas! Wee mij! Dat God mij vergeve! Welk een trouweloos monster moet deze jeugdige Vidossava zijn om zulk een held te verraden, wiens gelijke over de geheele wereld vergeefs gezocht moet worden! Hoe kon ik, rampzalige, verwachten, dat zulk een vrouw mij trouw zou blijven?"

Na dit gezegd te hebben, riep hij luid zijn bedienden, die Vidossava grepen en haar mooie ledematen aan de staarten van vier paarden bonden, die ze toen voor het kasteel Pirlitor uiteen joegen.

Vreeselijk lot, aldus werd ze levend aan stukken gescheurd.

Daarna plunderde de koning het kasteel van Momtchilo en voerde Yevrossima weg naar Skadar aan de Boyana. Later betoonde hij zich haar liefde waardig trouwde haar en zij schonk hem Marko en Andreas. En inderdaad, Marko erfde den heldenmoed van voïvode Momtchilo en zoo werd de voorspelling van zijn oom vervuld.

Historische aanteekening.

Hoe ruw de gewoonten ook mogen zijn, waarvan in deze ballade uit de veertiende eeuw een beeld gegeven wordt, in mijn verzameling is ze toch ongetwijfeld een plaats waard. Ze werd neergeschreven door Vouk St. Karadgitch, die ze opving van de lippen van een Servischen bard, en ik kan niet genoeg mijn spijt uitdrukken over mijn onmacht om in een andere taal de schoone en stoutmoedige vergelijkingen en de even kernachtige als welsprekende uitdrukkingen tot haar recht te laten komen.

De Fransche troubadours der middeleeuwen kozen zelden de ontrouw van vrouwen als thema; waarschijnlijk omdat een geval als in onze ballade beschreven werd hetzij onbekend was, hetzij te algemeen, om als belangrijk te worden beschouwd. Indien Servische barden de wispelturigheid en het verraad van het zwakkere geslacht niet dan bij hooge uitzondering bezongen, dan kwam dat door den weerzin, die in Servië door de ontrouw, zoowel van den echtgenoot als van zijn gade wordt opgewekt. Ongetwijfeld heeft de bard in een klooster, dat hij op een zijner reizen aandeed, een of andere kroniek opgedoken, waaraan hij eenige feiten ontleende betreffende het huwelijk van koning Voukashin en, evenals de Fransche troubadour, die uit het sobere historische materiaal, dat hem ten dienste stond, het verhaal van den slag bij Ronceval opbouwde, heeft zijn fantasie aangevuld, wat hem aan feiten ontbrak.

Voor het algemeen oordeel over de ontrouw vindt men een aanwijzing in de barbaarsche straf, die de bard Vidossava oplegt. Het mag zeker als een groote merkwaardigheid gelden, dat ik bij mijn nasporingen geen enkele ballade heb gevonden, waarin ontrouw van den kant van een echtgenoot voorkomt.

In de balladen, die betrekking hebben op Prins Marko zien wij, dat hij altijd ridderlijk jegens vrouwen was, vooral tegenover weduwen en onderdrukte meisjes, onverschillig welke haar maatschappelijke positie of godsdienst ook waren. Hij is bereid Turksche meisjes bij te staan en zelfs zijn leven voor haar te wagen. In de ballade getiteld: "De gevangenschap en het huwelijk van Stephanus Yakshitch" verhaalt de bard, hoe hij de liefde opwekt van een hartstochtelijk Turksch meisje, die hij echter afwijst; reeds de enkele gedachte aan een verbintenis tusschen een Christen en een Mohammedaansche vrouw wekt zijn verontwaardiging. Het kan zijn, dat koning Voukashin voor Vidossava's huwelijk met voïvode Momtchilo omgang met haar had, maar indien dat zoo was, dan moet het meer een politieke verbintenis zijn geweest dan een zaak van het hart.

HOOFDSTUK XII DE HEILIGEN VERDEELEN DE SCHATTEN. [72]

De bard begint.

Genadige schepper! Dondert het of schudt de aarde? Of kan het zijn het loeien van den stormachtigen oceaan, die zijn golven tegen het strand beukt? [73]

Neen, het is geen donder, noch is de aarde aan het schudden of de onstuimige Oceaan bezig tegen het strand te beuken.

Zie! de heiligen verdeelen onder elkaar de schatten des Hemels, van de Aarde en van de Zee; de Heilige Petrus en de Heilige Nicolaas, Johannes en Elias; onder hen is ook de Heilige Panthelias.

Plotseling nadert met langzame, sleepende schreden, Beata Maria; de tranen stroomen haar langs het bleeke gelaat.

"Lieve zuster" sprak de heilige Elias, "gij Beata Maria! Welk groot ongeluk heeft u getroffen, dat de tranen langs uw wangen stroomen?"

Daarop sprak Beata Maria onder haar snikken door: "O mijn lieve broeder, gij Donderaar Elias. Hoe kan ik nalaten tranen te storten, nu ik juist uit Indië ben teruggekeerd, uit Indië, dat gevloekte land? In dat ontaarde land heerscht volstrekte regeeringloosheid; het volk heeft geen eerbied voor zijn meerderen; kinderen gehoorzamen hun ouders niet; ouders vertreden hun kinderen onder hun eigen voeten. (dat hun wangen blozen bij den divan [74] voor God, die de waarheid zelf is). De eene _koom_ beschuldigt den ander voor den rechter en legt een valsche getuigenis tegen hem af--waarmee hij zijn eigen ziel verliest, en nadeel toebrengt aan hem, die als getuige aanwezig is geweest bij zijn huwelijk of doop; de broeder daagt den broeder uit tot een tweegevecht; een bruid is niet veilig in handen van een dezer, en helaas, zelfs nog ontzettender dingen heb ik gezien!"

De Donderaar Elias gaf ten antwoord: "O, lieve zuster, gij Beata Maria. Wisch deze tranen af van uw lieftallig gelaat. Indien wij deze schatten hebben verdeeld, zullen wij naar den divan tot onzen Almachtigen Schepper gaan. Tot Hem willen wij bidden, dat Hij in Zijn oneindige genade ons de sleutels verleene der Zeven Hemelen, om die er mede te sluiten. Ik zal de wolken verzegelen, zoodat er geen droppel regen meer uit neervalt, noch stortregen, noch zachte dauw. Ook zullen de zilveren stralen der maan gedurende den nacht niet schijnen. Alzoo zal er gedurende drie volle jaren een ontzettende droogte heerschen en noch tarwe, noch wijn zal er groeien, ja, zelfs niet zooveel als er noodig is voor de Heilige Mis."

Beata Maria was getroost en wischte de tranen weg van haar melkwit gelaat. En de heiligen gingen voort met het verdeelen der schatten: Petrus koos wijn en tarwe en de sleutels van het Hemelsche Rijk: Elias koos den bliksem en den donder; Panthelias de groote hitte; Johannes broederschap en koomschap, zoowel als het Heilige Kruis; Nicolaas koos de zeeën met de galeien er op.

De Gramschap van God.

Toen begaven allen zich naar den divan bij den Almachtige, tot Wien zij onophoudelijk baden, drie lichte dagen en drie duistere nachten lang. Zij baden en inderdaad hun gebeden werden verhoord: God gaf hun de sleutels van de Hemelen.

Zij sloten de Zeven Hemelen af en drukten zegels op de wolken en ziet, drie volle jaren viel er geen druppel regen, noch stortregen, noch zachte dauw. Het zilveren licht der maan scheen niet en er groeide geen wijn, noch ontsproot de tarwe in den verschroeiden grond, zelfs niet zooveel als noodig was voor de behoeften der Heilige Kerk.

Aanschouwt wat gebeurde! De zwarte aarde spleet; levenden werden er in verzwolgen--God zond een afgrijselijke plaag, die ouden en jongen wegmaaide, hen scheidende, die elkaar dierbaar waren. De weinigen, die dit overleefden, hadden bitter berouw en wendden zich tot God den Heer, in Wien zij waarachtig geloofden en Die hen nu zegende.

En Gods zegen, dien Hij dezen menschen gaf, is gebleven tot op dezen dag: er zou een zomer en een winter zijn, elk jaar een!

Zooals het lang geleden was, zoo is het ook nu. "Aangebeden God dat onze dankzeggingen U bereiken! Wat geschied is, dat het nooit weer geschiede."

HOOFDSTUK XIII. DRIE SERVISCHE BALLADEN.

De bouw van Skadar (Scoetari). [75]

De volgende gedichten zijn overgenomen uit Sir John Bowrings "Servian popular Poetry", London 1827. Deze vertalingen zijn in dien vorm opgenomen, om eenig denkbeeld te geven van den vorm van het nationale gedicht, waaraan de stof van dit boek voor het grootste gedeelte ontleend is.

Drie broeders kwamen overeen een vesting te bouwen. Het waren de gebroeders Mrnyavtchevitch, Kraly Vukashin [76] was de oudste broeder; En de tweede was voïvode-Uglesha; En de derde, de jongste broeder, Goïko. Volle drie jaren werkten zij aan de vesting, De vesting Skadra, aan de rivier Boyana; Volle drie jaren werkten ook drie honderd werklieden. IJdel was de poging om de grondvesten voor den muur te leggen. Nog ijdeler die om de vesting zelf op te trekken: Wat des avonds door de werklieden was opgetrokken, Werd voor de ochtendschemering door de veela geslecht. Toen in 't vierde jaar opnieuw werd begonnen, Hoor! de veela van den met bosch begroeiden berg Riep--"Gij koning Vukashin! IJdel is uw pogen! Nooit, nooit zult gij de vesting bouwen, Indien gij niet twee gelijknamige wezens vindt, Indien gij niet vindt Stoyan en Stoyana: En deze beiden,--die elkaar liefhebben, Zij moeten onder het fundament worden ingemetseld. Dan alleen zullen de fundamenten de vesting dragen, Dan kunt gij de muren optrekken." Toen Vukashin de woorden der veela hoorde, Riep hij spoedig tot Dessimir, zijn dienstknecht: "Luister Dessimir, mijn getrouwe dienstknecht, Gij waart mij steeds een trouw dienaar; Van dezen dag af zult gij mijn zoon zijn; Span mijn renpaarden voor mijn zegewagen, Belaad dien met zes lasten gouden schatten, Reis de geheele wijde wereld door, en breng mij, Breng mij mede die twee wezens van één naam, Breng mij die twee, die elkaar zoo liefhebben, Breng mij Stoyan en Stoyana. Steel hen, zoo ge hen met goud niet kunt koopen, Breng hen hier naar Skadar aan de Boyana. [77] Wij zullen hen begraven onder de fundamenten van den muur, Dan zullen de fundamenten den muur kunnen dragen, Dan zullen wij onze vesting Skadar kunnen bouwen."

Dessimir gehoorzaamde aan het bevel van zijn meester. Hij spande onmiddellijk de paarden voor den wagen, Vulde dien met zes lasten gouden schatten. Door de geheele wijde wereld reed de getrouwe dienstknecht En rondzwervend vroeg hij overal naar de gelijknamige schepsels, Naar de tweelingen--naar Stoyan en Stoyana;-- Volle drie jaren zocht hij hen--zocht hen te vergeefs: Nergens vond hij Stoyan en Stoyana. Toen spoedde hij zich huiswaarts naar zijn meester; Hij bracht den koning zijn paarden en zijn wagen en Gaf hem zijn zes lasten gouden schatten. "Hier, mijn vorst, zijn uw paarden en wagen: Hier hebt gij uw gouden schatten-- Vergeefs zocht ik deze gelijknamige wezens: Nergens vond ik Stoyan en Stoyana." Toen Vukashin zijn dienaar had ontslagen, Riep hij onmiddellijk zijn bouwmeester Rado. En Rado riep zijn driehonderd werklieden; En zij vingen weer aan de vesting Skadar te bouwen; Maar 's avonds slechtte de veela hun werk weer. Vergeefs trachtten zij de fundamenten van den muur te leggen; Vergeefsch was hun poging de vesting Skadar te bouwen. En de veela van het bergwoud riep: "Vukashin, luister, luister naar mij! Gij verkwist uw rijkdom en verspilt uw kracht. Vergeefs tracht gij het fundament voor den muur te leggen, Vergeefs poogt gij de vestingmuren op te richten! Luister nu naar mij: gij zijt met drie broeders. Ieder heeft tehuis een getrouwe gade. Zij, die morgen naar de Boyana komt, Zij, die de rantsoenen aan de werklieden brengt, Sluit haar diep in der muren fundamenten Zoodoende zullen de fundamenten stevigheid erlangen. Dan zult gij de sterkte aan de Boyana bouwen.

Toen de koning de veela hoorde, Riep hij terstond zijn beide broeders tot zich: "Hoort mijn woorden, hoort nu mijn woorden, broeders! Aldus sprak de veela van het woud op den berg: Verspil niet langer uw schatten en uw kracht Met uw vergeefsche pogingen om de vesting te bouwen Op een wrak en ondeugdelijk fundament. Voorts zei de veela van het woud op den berg: Ieder uwer bezit een getrouwe gade; Ieder een getrouwe bruid, die uw woning bestiert; Zij, die morgen naar de vesting komt, Zij, die de werklieden hun rantsoen brengt, Worde onder de fundamenten van den muur ingemetseld; Dan zullen de fundamenten de vesting dragen, Dan kan de vesting aan de Boyana verrijzen. Nu dan broeders! In Gods heilige tegenwoordigheid Laat ieder zweren het vreeselijke geheim te bewaren; Dat het noodlot beslisse, wie de eerste zal zijn, Die haar weg neemt naar de rivier van Skadar." En elk der broers zwoer in Gods heilige tegenwoordigheid Het vreeselijke geheim voor zijn vrouw te bewaren.

Toen de nacht op de aarde was neergedaald, Spoedde zich ieder naar zijn eigen witte woning; Ieder nam deel aan het liefelijk avondmaal, Ieder zocht zijn bed voor den verkwikkenden slaap. Zie! Toen gebeurde er een verbazingwekkend wonder. Het eerst brak Vukashin zelf zijn eed, Toen hij zijn vrouw het vreeselijk geheim toefluisterde: "Verschuil u! mijn getrouwe gade, houd u verborgen! Ga morgen niet naar de Boyana! Breng den werklieden morgen geen voedsel! Anders, mijn schoone! zal het u uw jonge leven kosten En onder de muren zal men u insluiten!" Ook Uglesha brak zijn eed! En hij gaf zijn vrouw met deze woorden raad: "Begeef u niet noodeloos in gevaar, liefste lief! Ga morgen niet naar de Boyana! Breng den werklieden hun rantsoen niet! Anders kon het zijn, dat gij van uw vriend nu reeds gescheiden werdt, Het kon zijn, dat gij ingesloten werdt onder het fundament!"

Getrouw aan zijn eed, fluisterde de jonge Goïko Geen woord ter waarschuwing aan zijn lieftallige gade.

Toen de ochtend begon te grauwen, Stonden al de broeders bij het aanbreken van den dag op, En ieder spoedde zich naar de Boyana: Aanschouwt nu! twee edele jonge vrouwen: Ze zijn half-zusters, de oudste zusters-- De een brengt haar door de sneeuw gebleekt linnen Om het nog eens in de zomerzon te bleeken. Zie! zij komt naar de bleekvelden-- Daar blijft zij staan--zij doet geen stap nader. Zie! de tweede, met de kruik van roode klei; Zie! zij komt--zij vult ze in het stroompje; Daar praat zij met andere vrouwen--draalt-- Ja! zij draalt--doch komt geen schrede nader.

De jeugdige vrouw van Goïko draalt thuis; Want zij heeft een kindje in de wieg. Geen volle maand oud is de kleine lieveling: Maar de tijd van het maal nadert; En haar bejaarde moeder zet haar aan tot arbeid; Liefst zou zij de dienstmaagd roepen om haar te bevelen Het middagmaal naar de Boyana te brengen. "Niet zoo!" zei de jonge gade van Goïko; "Blijf, zit rustig neer, ik bid u moeder! Wieg het kindje in zijn wieg: Ik zelf zal het voedsel naar Skadar brengen. In het aangezicht van God zou het een schande zijn. Een beleediging en schande voor het geheele volk, Indien geen van ons drieën bereid zou zijn om het te dragen."

Zoo bleef zij thuis, de bejaarde moeder. En zij wiegde de kleine lieveling in de wieg. Toen stond Goïko's jeugdige gade op, Riep alle dienstmaagden om zich heen, Gaf haar het voedsel, en gaf bevel haar te volgen. Toen zij de stroomende rivier Boyana bereikten, En Mrnyavtchevitch Goïko haar zag, Omhelsde hij met verscheurd hart zijn jeugdige gade; Kuste duizend keer haar sneeuwwit voorhoofd. Brandende tranen vloeiden snel van zijn oogleden--

En hij sprak met van smart gebroken stem: "O mijn gade, mijn eigen: hoe innig ben ik over u bekommerd. Hebt gij geen oogenblik gedroomd, dat gij moest omkomen? Waarom hebt gij onze kleine verlaten? Wie zal onze kleine baden in uw afwezigheid? Wie zal de borst ontblooten om de zuigeling te voeden?" Meer en steeds meer zou hij nog willen spreken, Maar de koning stond het niet toe. Vukashin Grijpt haar blanke hand en roept Meester Rado--hem, den bouwmeester; En hij roept zijn driehonderd werklieden.