Heldensagen en Legenden van de Serviërs
Chapter 14
Dit zeggende deed Milosh alsof hij gewillig afstand van Koulash deed; hij stak zijn rechterhand onder zijn ruwen mantel. Zij meenden, dat hij zijn sporen wilde afnemen, maar zij vergisten zich deerlijk, want dadelijk daarop kwam zijn zeshoekige knots te voorschijn en voordat zij nog van hun verbijstering bekomen waren, gaf Milosh Voutché een zacht tikje, dat hem drie keer na elkaar deed ombuitelen. Daarna sprak Milosh hem spottend toe: "Dat de vruchtbaarheid uwer wijngaarden in uw vreedzaam landgoed Dyakovitza even groot zij als uw dapperheid!"
Toen hij zag, hoe het zijn makker verging, vluchtte Yanko in allerijl, maar Koulash had bijna geen tijd noodig om het vluchtende paard te achterhalen en Milosh liet op den schouder van zijn ruiter zulk een slag vallen, dat ook hij op den grond werd geslingerd, waar hij vier keer omtuimelde, voordat hij liggen bleef.
"Wacht even! O, Yanko!" smaalde Milosh. "Dat de vruchtbaarheid der appelboomen op uw vreedzaam landgoed even overvloedig zij als de dapperheid, die gij heden aan den dag hebt gelegd!"
Nu bleef nog slechts de man uit Priepolyé over, die ondertusschen een eind verder was gevlucht. Maar de snelheid van zijn paard baatte hem niet bij de vlugheid van Koulash en Milosh bereikte hem spoedig en gaf hem met zijn strijdknots een tik, die hem niet minder dan zes keer kopje deed duikelen. Of hij het hooren kon of niet, Milosh riep luid uit: "Houd u vast, o jonge man van Priepolyé, en als gij teruggaat naar Priepolyé, dan moogt gij er wat mij aangaat tegen de meisjes op pochen, hoe gij heden met geweld een Bulgaarsch paard hebt genomen".
Hierop wendde Milosh zijn ros om en bereikte weldra den huwelijksstoet. Te zijner tijd bereikte de processie de witte stad Ledyen en de Serviërs sloegen hun witte tenten onder de muren op. De stalknechts gaven aan de paarden gerst, maar zij gaven niets aan Koulash. Toen Milosh dit zag, nam hij in zijn linkerhand een voederzak en van paard tot paard loopend, nam hij met zijn rechterhand van elk een handvol weg, totdat hij den zak voor zijn trouwen Koulash had gevuld. Daarna ging hij naar den opperwijnschenker en verzocht hem om een glas wijn. Maar deze weigerde, zeggende: "Ga heen, gij zwarte Bulgaar! Indien gij uw ruwen Bulgaarschen houten nap had meegebracht, zou ik er wellicht een dronk ingeschonken hebben, maar deze gouden bekers zijn niet voor u!" Milosh wierp een donkeren blik op den lompen wijnbewaarder, en liet dien volgen door een zachten tik op zijn wang, die drie gezonde tanden naar zijn keel zond. Toen werd de man bang en hij verzocht Milosh: "Laat uw hand rusten, o machtige Bulgaar! Gij zult wijn in overvloed hebben, zelfs al zou onze tsaar er bij te kort komen".
Maar Milosh lette niet meer op den man, doch hielp zich zelf. Toen hij door den pittigen wijn verkwikt was, daagde de dag en de zon begon te schijnen.
De eerste proef.
Toen Milosh in de frissche schoonheid van den vroegen morgen stond te drinken, riep een page van koning Michael luid van een toren van het koninklijk kasteel: "Luister o, Servische tsaar Doushan! Zie, in de vallei onder de muren der stad bevindt zich de kampioen van onzen koning! Gij moet een tweegevecht met hem aangaan, gij zelf of een plaatsvervanger. Indien gij hem niet overwint, zult gij deze plaats niet ongedeerd verlaten, evenmin zal een uwer bruiloftsgasten terugkeeren! En nog minder zult gij prinses Roksanda met u meevoeren!"
Doushan hoorde de hooghartige boodschap en hij zond een omroeper, die een krachtige stem had, rond onder de bruiloftsgasten. Hier en daar stond hij stil om de boodschap van den tsaar luid uit te roepen: "Heeft een moeder het leven geschonken aan een onbevreesden held, die de uitdaging voor onzen tsaar wil aannemen? Hij, die dapper genoeg is om den strijd tegen den kampioen aan te binden, zal door den tsaar in den adelstand worden verheven."
Maar helaas! toen de omroeper het kamp door was gegaan, was niemand naar voren getreden, om de eer op te eischen voor den tsaar te strijden.
Toen Doushan dit hoorde, sloeg hij met zijn rechterhand op zijn knie en riep uit: "Wee mij! o machtige Schepper! Indien ik nu mijn lievelingsneven, de twee voïnovitchs bij mij had, dan zou ik niet zonder kampioen zijn. De tsaar had nauwelijks zijn jammerklacht geslaakt, of Milosh, zijn paard bij den toom leidend, verscheen voor de tent van den tsaar.
"O, mijn heer, gij machtige tsaar!" zei hij, "staat gij mij toe dit tweegevecht aan te gaan?"
De tsaar antwoordde: "Gij moogt het aanvaarden, o jeugdige Bulgaar! Maar helaas, er is maar weinig kans, dat gij dien pochenden kampioen van den koning kunt overwinnen. Maar als gij slaagt, waarlijk dan zal ik u in den adelstand verheffen!"
Milosh sprong in het zadel en toen hij zijn vurigen Koulash van den tsaar afwendde, wierp hij achteloos zijn lans over zijn schouder met de punt naar achteren. Dit ziende riep Doushan hem toe: "O, mijn zoon, draag uw lans zoo niet. Draag de punt vooruit, opdat de trotsche Venetianen u niet uitlachen!" Maar Milosh antwoordde: "Zie toe, o tsaar, dat gij uw eigen waardigheid hoog houdt, en maak u niet bezorgd over de mijne! Indien het noodig is, zal ik gemakkelijk mijn lans op het juiste oogenblik omkeeren, zoo niet, dan kan ik ze even goed op deze verkeerde manier houden!"
Terwijl Milosh over de vlakte van Ledyen reed, zagen de vrouwen en meisjes van Ledyen hem, en lachend riepen zij uit: "Heiligen in den hemel! Een wonder! Welk een plaatsvervanger voor een Servisch keizer! De jonge man heeft zelfs geen ordentelijke kleeren aan! Wees blij, gij kampioen van den koning, want gij zult nauwelijks uw zwaard uit de scheede behoeven te halen!"
Ondertusschen had Milosh de tent bereikt, waarin de kampioen van den Venetiaanschen koning zat. Voor den ingang had hij zijn lans diep in den grond gestoken en hieraan had hij zijn grijs paard vastgebonden. Milosh sprak aldus den kampioen aan: "Sta op, kleine, blanke Venetiaansche heer; wij zullen samen vechten voor de eer van onze meesters!"
Maar de kampioen antwoordde toornig: "Scheer u weg, gij leelijke, zwarte Bulgaar! Mijn zwaard is niet voor dezulken als gij zijt! Ik zou mijn staal niet willen bezoedelen door het in zulk een in lompen gehulden kerel te steken!"
Deze opmerking maakte Milosh zeer boos en hij riep uit: "Sta op, hooghartige Venetiaan! Gij hebt werkelijk een rijker gewaad; ik zal het u ontnemen en wie zal dan de mooiere veeren hebben?"
Nu sprong de kampioen op en besteeg zijn grijs paard, dat hij over het veld liet steigeren en springen. Milosh stond er kalm naar te kijken, totdat de Venetiaan plotseling zijn lans recht naar de borst van Milosh slingerde. De behoedzame Serviër ving ze op den gouden knop van zijn knots op en terwijl hij het wapen over zijn hoofd wierp, brak hij het in drie stukken.
Deze behendigheid verontrustte den kampioen en hij riep uit: "Wacht een oogenblik, jij leelijke, zwarte Bulgaar! Mijn lans deugde niet, wacht, totdat ik er een betere heb gekregen!" Hiermede gaf hij zijn paard de sporen, maar Milosh riep hem na: "Wacht, gij blanke Venetiaan! Gij zult mij niet ontkomen!" Tegelijk gaf hij zijn Koulash de sporen, joeg den lafhartigen kampioen achterna, en vervolgde hem tot vlak aan de poorten van Ledyen. Jammer genoeg voor den vluchteling waren de poorten gesloten! Een oogenblik stond de kampioen besluiteloos stil en dit oogenblik was zijn laatste. Milosh zond zijn onfeilbare lans af; zij floot door de morgenlucht en de kampioen was aan de poort genageld.
Toen steeg Milosh van zijn paard, sloeg het hoofd van den Venetiaan af, en wierp het in den voederzak van Koulash. Daarna greep hij het grijze paard en reed er mee naar den tsaar. "Hier, o machtige tsaar", zei hij, "is het hoofd van den kampioen van den koning!"
Doushan was meer dan verheugd over zijn dapperheid en gaf hem veel goud. "Ga, mijn zoon" zei hij vriendelijk, "drink wat goeden wijn, en dadelijk zal ik u in den adelstand verheffen!"
De tweede proef.
Nauwelijks had Milosh plaats genomen achter zijn beker wijn of weer riep een page met luider stem van het koninklijk kasteel: "Zie, o Servische tsaar! Ginds beneden in de weide kunt gij drie vurige paarden gezadeld zien; op iederen rug is een vlammend zwaard bevestigd met de punt omhoog. Indien gij in vrede van hier wilt gaan en de dochter van den koning medenemen, dan moet gij of uw plaatsvervanger over deze vlammende zwaarden springen."
Weer zond de tsaar een omroeper zijn kamp rond: "O, Serviërs" riep hij, "heeft niet een moeder het leven geschonken aan een held, die den sprong wil wagen over de drie paarden en de vlammende zwaarden, die op hun rug zijn bevestigd?"
Weer ging hij het geheele kamp door, waarbij hij er voor zorgde, dat zijn woorden door elken svat gehoord konden worden, maar weer kwam er geen enkele held zich aanbieden. Terwijl de tsaar nog in angstig gepeins over het vraagstuk verzonken zat, keek hij op en zie! weer stond Milosh voor hem. "O, roemruchtige tsaar!" zei hij, "staat gij mij toe deze heldendaad te beproeven?" En de tsaar antwoordde dadelijk: "Zeker moogt gij gaan, mijn lieve zoon! Maar doe eerst dien lompen Bulgaarschen mantel af! Dat God den dommen kleermaker straffe, die hem zoo maakte!" Maar Milosh zei:
"Wees gerust, o machtige tsaar en drink uw koelen wijn! Maak u niet bezorgd over mijn ruwen mantel. Indien de held een hart heeft, dan zal zijn mantel hem niet in den weg zijn; en indien een schaap haar vacht te zwaar vindt, dan is er geen schaap in haar noch wol op haar huid!"
Zoo reed hij naar de weide van Ledyen, waar de drie paarden naast elkaar vastgebonden stonden en den grond met hun voorpooten omwoelden. De jonge man steeg van zijn Koulash af en ging op verscheidene passen van het derde paard naast hem staan; daarna streelde hij Koulash zacht over zijn trotschen nek en zei: "Je zult hier rustig staan blijven, totdat ik weer op het zadel kom!" Toen liep hij de paarden voorbij, bleef op korten afstand van het eerste paard staan, waar hij zich omwendde, zoodat zijn gelaat naar de op eenigen afstand van elkaar op een rij geplaatste paarden gekeerd was. Daarna danste hij eerst op den eenen voet en toen op den anderen, waarop hij plotseling als een vlug hert vooruit schoot en toen, hoog opspringende, zich over de drie paarden met de vlammende zwaarden wierp, waarna hij veilig op het zadel van zijn eigen Koulash terecht kwam. Nadat hij dit gedaan had, nam hij de teugels van de drie rossen, en reed er mede in triomf naar den Servischen tsaar.
De derde proef.
Heel spoedig kwam de page van den Venetiaanschen koning weer naar den toren van het koninklijk kasteel en sprak aldus: "Luister, gij tsaar van de Serviërs! Onder den hoogsten toren van dit kasteel bevindt zich een slanke lans, waarop een gouden appel is gestoken; op twaalf pas afstand is een ring: gij moet een pijl door den ring schieten en den appel doorboren--gij of uw afgezant!"
Dezen keer wilde Milosh niet wachten, tot de omroeper zijn boodschap gedaan had, maar ging regelrecht naar den tsaar en verkreeg zijn toestemming om de taak te vervullen. Na zijn gouden pijl en boog genomen te hebben, begaf hij zich naar de aangewezen plaats, plaatste zijn pijl op het koord van den boog en de pijl ging recht door den ring en trof het hart van den appel, dien hij in zijn hand opving, toen hij viel. Weer schonk de tsaar hem ontelbaar veel gouden dukaten.
De vierde proef.
Nauwelijks was dit wonderbare heldenfeit volbracht, of de vorstelijke page verscheen weer op den toren van het kasteel:
"Zie, o tsaar van de Serviërs! De twee koninklijke prinsen hebben voor het paleis des konings drie schoone meisjes gebracht, allen precies gelijk en gekleed in gelijke gewaden. De koning verzoekt u te raden, wie van de drie prinsessen Roksanda is! Wee u, als gij een ander meisje aanraakt dan Roksanda! Gij zult de prinses niet als uw bruid meevoeren, noch zult gij heengaan met uw hoofd op uw schouders, en evenmin zullen uw gasten deze plaats levend verlaten!"
Toen Doushan deze boodschap hoorde, liet hij dadelijk zijn raadsman Theodoor komen en beval: "Ga, Theodoor, en zeg wie Roksanda is!" Maar Theodoor verklaarde, dat hij haar maar zoo'n kort oogenblik had gezien, dat het hem onmogelijk zou zijn van de drie meisjes, die allen op elkaar geleken, de eene aan te wijzen, die hij gezien had bij het licht van den ring zijns meesters.
Toen hij dit hoorde, sloeg de tsaar in wanhoop met zijn hand op zijn knie, uitroepende: "Helaas: helaas! Moeten wij na vele verbazingwekkende heldendaden te hebben uitgevoerd, terugkeeren zonder de bruid en geschandvlekt in de oogen van ons volk?" Juist op dat oogenblik kwam Milosh, die begrepen had in welke moeilijkheden de tsaar zich bevond, naar de keizerlijke tent en sprak aldus: "Staat gij mij toe, o tsaar, om voor u te raden wie van de meisjes prinses Roksanda is?" En de tsaar antwoordde verheugd: "Mijn volmacht hebt gij, o mijn lievelingszoon. Maar gering is de hoop, dat gij juist zult raden, daar gij de prinses nooit te voren hebt gezien!"
Daarop antwoordde Milosh "Wees niet bevreesd, mijn roemruchtige heer! Toen ik nog een herder was en in het gebergte Shar de wacht hield bij twaalf duizend schapen, werden er in een nacht drie honderd lammeren geboren en ik was in staat van elk lam te zeggen uit welke moeder het geboren was. Hoeveel gemakkelijker zal het zijn Roksanda te herkennen, die toch eenige gelijkenis moet hebben met haar broers!"
"Ga, ga dan, mijn lievelingszoon! Dat God u bijsta, wanneer gij raadt. Indien gij slaagt, dan zal ik u het geheele land van Skender geven; gij zult er heerschen, zoolang gij leeft!"
Milosh ging over de uitgestrekte vlakte, totdat hij aan de plaats kwam, waar de drie meisjes stonden te wachten. Met een snelle en onverwachte beweging, zwaaide hij den ruwen bonten muts van zijn hoofd, wierp hij den zwaren mantel van zijn schouders, waardoor het scharlaken fluweel en het gouden harnas, dat er onder verborgen was, zichtbaar werden. Waarlijk, hij schitterde in het groene veld als de ondergaande zon achter een bosch! Milosh spreidde zijn mantel op het gras uit en wierp daarop ringen, parelen en kostbare steenen. Daarna trok hij zijn fijn-gehard zwaard uit de scheede en sprak de drie mooie meisjes aldus aan: "Dat zij, die prinses Roksanda is, haar sleep bij elkaar neme en haar mouwen en deze ringen, parelen en kostbare steenen oprape! Indien iemand anders dan Roksanda deze schoone voorwerpen zou durven aanraken, zweer ik bij mijn vast geloof, dat ik haar dadelijk beide handen zal afhouwen, ja, tot aan haar ellebogen!"
De drie schoone meisjes waren ontsteld en twee van haar keken beteekenisvol naar haar gezellin, die in het midden stond. Dit was de prinses en na een oogenblik aarzelens nam Roksanda haar zijden sleep en mouwen bijeen en begon de ringen, parelen en kostbare steenen op te rapen. De twee andere meisjes waren op het punt te vluchten, maar Milosh nam haar zacht bij de hand en geleidde alle drie naar den tsaar, aan wien hij prinses Roksanda voorstelde; deze eer viel ook een van haar gezellinnen te beurt, die als haar hofdame bij haar blijven mocht, maar het andere meisje hield hij voor zich zelf. De tsaar kuste Milosh tusschen zijn vurige oogen; nog altijd wist hij niet, wie Milosh was of vanwaar hij kwam.
Het vertrek der Serviërs.
De ceremoniemeesters riepen nu overluid: "Maak u gereed, gij svats! Het wordt hoog tijd, dat wij ons naar huis spoeden!" En de svats maakten zich gereed voor de reis en spoedig begaven zij zich op weg en namen de schoone prinses Roksanda mee.
Toen zij de poorten van de stad verlieten, naderde Milosh den tsaar en zei: "O, mijn heer, gij Servische tsaar Doushan, luister naar mij! Er is in de stad Ledyen een geweldig held, Balatchko, de voïvode genaamd; ik ken hem en hij kent mij. Balatchko heeft drie hoofden: uit een er van komt een blauwe vlam, uit het andere blaast een ijskoude wind. Wee hem, naar wien een van deze gericht is! Maar indien een held ze weerstaat, dan is het niet moeilijk Balatchko te verslaan, als zijn wind en vlam hem hebben verlaten. De Venetiaansche koning heeft hem zeven jaar geoefend, want het is zijn voornemen hem te gebruiken om den koninklijken huwelijksstoet te vernietigen en prinses Roksanda te bevrijden, voor het geval gij er in zoudt slagen haar in uw bezit te krijgen. Nu is het zeker, dat hij hem zal zenden om u te overvallen. Vervolg uw weg en ik zal achter blijven met driehonderd uitgelezen helden, om het monster tegen te houden, als het u vervolgt."
Daarom bleef Milosh met zijn driehonderd makkers in het groene woud, terwijl de svats verder gingen met de schoone prinses Roksanda.
De svats hadden ternauwernood hun tenten opgebroken, of koning Michael liet den voïvode Balatchko roepen. "O Balatchko, mijn getrouwe dienstknecht," zei hij, "kunt gij vertrouwen op uw dapperheid en uittrekken tegen de svats van den tsaar, om mijn dochter Roksanda terug te brengen?"
En Balatchko antwoordde: "Mijn heer, gij koning van Ledyen! Zeg mij eerst, wie die moedige held was, die de groote heldendaden heeft verricht, waartoe gij den Servischen tsaar hebt uitgedaagd?" De koning van Ledyen antwoordde hem: "O, Balatchko, mijn getrouwe dienaar? Hij is geen held; hij is slechts een jeugdige zwarte Bulgaar." En Balatchko antwoordde: "Neen, gij vergist u; hij is geen zwarte Bulgaar. Ik ken hem goed; hij is prins Milosh Voïnovitch zelf, dien zelfs den Servischen tsaar niet kon herkennen onder zijn vermomming als herder. Waarlijk, hij is geen gewoon held, en een, die niet licht geacht mag worden door eenig krijgsman, hoe onbevreesd hij ook moge zijn." Toch drong de koning aan: "Trek op tegen de svats, o voïvode Balatchko! Indien gij de prinses weer terugwint, dan geef ik u haar tot vrouw!"
De strijd met Balatchko.
Op het vernemen van deze belofte zadelde Balatchko zijn merrie Bedevia en begaf zich op weg om de svats te vervolgen, vergezeld van zeshonderd Venetiaansche kurassiers. Toen zij het bosch bereikten, zagen zij Koulash midden op den hoofdweg staan en Milosh te voet achter hem. Balatchko sprak den prins aan met deze woorden: "O Milosh, klaarblijkelijk hebt gij op mij gewacht!" Hierna richtte hij zijn blauwe vlam op hem, die slechts het bont van Milosh zengde; waarop hij, toen hij zag, dat hij den held geen ernstig letsel had toegebracht, zijn ijskouden wind over hem liet heengaan. Koulash tuimelde driemaal om en in het stof, maar de wind had geen invloed op zijn meester. Met den uitroep: "Hier hebt gij iets, dat gij niet had verwacht!" slingerde Milosh zijn driehoekige knots en gaf Balatchko een zachten slag, die hem uit het zadel lichtte. Toen wierp Milosh zijn lans en stak den kerel aan den grond, waarna hij de drie hoofden afsloeg en ze in den voederzak van Koulash wierp. Na dit gedaan te hebben besteeg hij zijn paard en voerde zijn driehonderd Serviërs aan tegen de Venetiaansche kurassiers en kliefde driehonderd hoofden; de overlevenden werden op de vlucht gedreven. Daarna haastte hij zich en haalde spoedig den tsaar in, aan wiens voeten hij de drie grimmige hoofden van Balatchko wierp. De tsaar verheugde zich over zijn overwinning en gaf hem duizend dukaten, daarna zette de processie haar tocht naar Prisrend voort. Midden op de vlakte van Kossovo ging de weg van Milosh naar de vesting Voutchitrn naar rechts, en hij naderde den tsaar om afscheid van hem te nemen. "Dat God met u zij, mijn lieve oom!" zei hij. Toen pas hoorde de tsaar, dat de man, dien hij voor een Bulgaar gehouden had, niemand anders was dan zijn neef Prins Milosh Voïnovitch. Overstelpt door blijdschap riep hij uit: "Zijt gij het, mijn lieve Milosh? Zijt gij het, mijn liefste neef? Gelukkig is de moeder, die u het leven schonk, en gelukkig de oom, die zulk een dapperen neef heeft! Waarom hebt gij u niet dadelijk bekend gemaakt? Waarlijk, ik zou u niet buiten gesloten hebben van mijn gezelschap."
Wee hem, die zijn eigen bloedverwanten over het hoofd ziet.
HOOFDSTUK IX. TSAAR LAZARUS EN DE TSARINA MILITZA.
Het voorgevoel van de tsarina.
Toen zij op zekeren avond samen aan het avondeten zaten, sprak tsarina Militza aldus tot tsaar Lazarus:
"O Lazarus, gij gouden kroon van Servië! Gij zult morgen naar de vlakte van Kossovo gaan met uw hertogen en dienaren, maar helaas, gij zult niemand in het paleis achterlaten om mijn brieven aan u te bezorgen, en de uwe van Kossovo naar mij te brengen. Gij neemt ook mijn negen broeders Yougovitchs met u mede; ik verzoek u althans een van mijn broeders bij mij te laten, op wien ik kan vertrouwen en bij wien ik kan zweren!" [53]
En de tsaar antwoordde: "O, mijn vrouwe, gij tsarina Militza! Welken van uw broeders zoudt gij het liefst thuis houden." Daarop sprak de tsarina: "Het liefst zou ik Boshko Yougovitch bij mij houden!"
Hierin stemde de tsaar toe. "O, mijn vrouwe, tsarina Militza! Als de ochtend daagt en de zon boven de kim rijst en de poorten van de vesting geopend worden, dan kunt gij naar de hoofdpoort gaan, waardoor het geheele leger, voorafgegaan door zijn standaards, zal uittrekken--de ridders met krijgsmanslansen worden aangevoerd door Boshko Yougovitch, die de vlag met het gouden kruis zal dragen. Groet hem uit mijn naam en zeg hem uit mijn naam, dat ik hem verlof geef met u in ons witte kasteel te blijven en zijn vlag over te dragen aan wien hij wil!"
Toen de morgen daagde en de zon scheen, werden de poorten van de vesting geopend en tsarina Militza verscheen aan de hoofdpoort der stad, en zie! het machtige leger maakte zich gereed uit te trekken; aan het hoofd reden de roemruchtige ridders, aangevoerd door Boshko Yougovitch. Boshko stond op het punt zijn bruin paard te bestijgen, een heerlijk met gouden harnachement opgetuigd dier. Op den vlaggestok was een gouden appel bevestigd en van het groote kruis hingen gouden kwasten neer, die zachtjes tegen de schouders van Boshko tikten.
Tsarina Militza naderde haar broer en haar teedere armen om zijn hals slaande sprak zij hem met haar lieve stem aldus toe: "O, mijn lieve broeder, onze tsaar heeft u aan mij gegeven en wenscht, dat gij niet ten oorlog trekt naar Kossovo. Hij draagt u op uw vlag over te geven aan wien gij wenscht en in Kroushavatz te blijven, opdat ik een broeder heb op wien ik kan vertrouwen!"
Maar Boshko Yougovitch antwoordde: "Ga terug, o lieve zuster, naar uw witte kasteel! Ik wil niet terugkeeren, noch deze vlag uit mijn handen geven, al kreeg ik Kroushavatz [54] zelf als belooning. Hoe zou ik kunnen verdragen dat mijn makkers zeiden: 'Ziet naar den lafaard Boshko Yougovitch! Hij durft niet naar Kossovo gaan, om zijn bloed te storten voor de zaak van het Heilige Kruis en zijn geloof!'" Hierna maakte hij zich los uit de omhelzing zijner zuster en sprong in het zadel.
Ziet! Daar komt de bejaarde Youg-Bogdan aan het hoofd van een rij van zijn zeven andere zoons! De tsarina beproefde achtereenvolgens ieder hunner tegen te houden, maar te vergeefs. Voïn Yougovitch, de achtste broer, was de laatste in de rij; hij wilde evenmin als zijn broeders luisteren en toen hij verder ging viel de arme tsarina voor de voeten der paarden in zwijm. De doorluchtige Lazarus zag zijn geliefde gade neervallen en daar hij de oorzaak van haar verdriet begreep, stortte hij tranen. Na snel rechts en links een blik geworpen te hebben, ontwaardde hij zijn vertrouwden dienstknecht Golouban en riep hem toe: "O Golouban, mijn getrouwe knecht! Stijg van uw ros en breng de tsarina in uw heldhaftige armen zacht naar haar slanken toren. God en ik stellen u vrij van den dienst in den oorlog, blijf in ons witte kasteel in de nabijheid van de tsarina!"
Op het hooren van deze woorden verbleekte Golouban en tranen stroomden langs zijn wangen, toen hij afsteeg van zijn Laboud. [55] Hij nam de tsarina in zijn armen en droeg haar in den slanken, hoogen toren, zooals de tsaar bevolen had; maar nadat hij dit gedaan had, kon hij niet langer weerstand bieden aan den wensch van zijn hart om naar Kossovo te gaan; daarom snelde hij terug naar zijn ros, gaf het de sporen en reed snel zijn makkers achterna.