Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 13

Chapter 134,104 wordsPublic domain

Zij, die in de nabijheid waren, deden, alsof zij het voorval niet hadden opgemerkt, maar vorst Ivan zelf zag, wat er gebeurd was en het verontrustte hem zeer. Hij reed naar de bruid en sprak haar aldus aan: "Raak hem niet aan met uw hand, o, mijn lieve schoondochter! Of dat gij getroffen worde door een verlamming! Sluier uw oogen! Of dat het gezicht u steeds ontbreke! Hoe kunt gij zoo handelen in tegenwoordigheid van al de svats? Ziet gij dien held op zijn zwarte paard en met zijn lans in de hand? Ziet gij zijn glinsterend schild en zijn gelaat door pokken geschonden? Dat is mijn zoon Maximus, dien ik tegenover uw vader prees, toen ik uw hand voor hem vroeg, zeggende, dat er geen knapper jongeling onder duizenden te vinden was dan hij. Maar ik was bevreesd aan u en uw vader mijn zoon te vertoonen, toen zijn gelaat geschonden was en daarom namen wij onze toevlucht tot een krijgslist en maakten de voïvode tijdelijk tot uw bruigom, teneinde er in te slagen u in vrede naar hier te brengen. Door zich daartoe te leenen kreeg Milosh het recht op al de geschenken, die toegewezen waren aan den bruidegom!"

De woorden van haar schoonvader troffen het edele meisje als een donderslag. Zij bracht haar paard tot staan en weigerde verder te gaan zeggende: "O, mijn schoonvader, vorst Ivan! Gij zelf zijt de bewerker van het ongeluk van uw eigen zoon, door Milosh voor den echten bruigom uit te geven. Waarom hebt gij zoo gehandeld? Dat de ware God u hiervoor uw verdiende loon geve! Wat doet het er toe of zijn gelaat pokdalig is? Allen staan wij bloot aan die ziekte en werden wij door haar bezocht, dan zouden de gevolgen mogelijk nog erger zijn. Indien zijn gelaat geschonden is, zijn oogen zijn zeker nog helder en zijn hart is zoo gezond als altijd. Indien gij hadt gemeend, dat uw zoon nog te jong was om mijn echtgenoot te zijn, dan hadt gij dat moeten zeggen en ik zou negen jaar in het paleis van mijn vader hebben gewacht--maar zelfs dan zou ik zeker niet gemaakt hebben, dat gij van schaamte zoudt moeten blozen voor uw eigen edelen in Zablak. Nu deedt gij beter de geschenken over te geven aan den rechtmatigen eigenaar, uw zoon Maximus, anders zal ik geen stap verder gaan, al zoudt gij mij dreigen mijn oogen uit te steken".

Toen vorst Ivan deze besliste woorden hoorde, was hij ten zeerste verontrust en hij riep zijn vrienden en voïvodes bijeen, om hem te raden wat te doen. Maar geen hunner dorst een woord te zeggen, want zij herinnerden zich welke overeenkomst getroffen was, voordat zij de zee over zeilden.

Het aanbod van Milosh.

Voïvode Milosh zag, dat niemand wilde spreken; hij gaf zijn paard de sporen en sprak vorst Ivan aldus aan: "O Ivan, onze heer! Houdt gij uw belofte niet? Indien gij ze niet gestand doet, dat gij zelf dan voortaan slechts leven moogt om bedrogen te worden! Hebt gij mij niet uw woord gegeven, dat de huwelijksgeschenken zonder uitzondering voor mij zouden zijn? Maar nu zint gij er op om uw woord te breken! Daar men zoo weinig op u kan vertrouwen, stem ik er in toe--terwille van den vrede onder onze broeders en svats--van de eerste twee geschenken afstand te doen: ik geef aan uw zoon de schoone bruid terug en haar paard en al het met goud en zilver versierde paardentuig. Naar recht, en volgens onpartijdig oordeel zou ik volkomen gerechtigd zijn het schoone meisje te trouwen--want zij werd mij gegeven door allen, die er toe gerechtigd waren, door haar ouders en haar broeders. Hierover zal ik echter niets meer zeggen, en u eenvoudig deze beide geschenken laten met den grijzen valk. Hier, ik geef uw zoon zelfs de gouden scheede over en het glinsterend zwaard, maar ik zal er nooit in toestemmen den helm, den mantel en het gouden hemd over te geven; want ik ben besloten die naar mijn eigen land mee te voeren en ze aan mijn vrienden en broeders te toonen die, ik ben er zeker van,--er trotsch op zullen zijn. Ik zweer bij mijn geloof in den waren God, dat ik deze drie geschenken niet zal afstaan."

Al de svats, getroffen door het edele gedrag van Milosh, prezen hem en dankten hem voor wat hij terwille van den vrede opofferde, maar zij ondervonden een krachtig verzet bij de bruid, die zich niet kon verzoenen met den afstand van de kostbare geschenken en vooral niet met het verlies van het gouden hemd. Daarop riep zij luid om Prins Maximus. Dit verschrikte Vorst Ivan zeer, en hij beproefde het meisje aldus te kalmeeren:

"O, mijn lieftallige schoondochter, gij Venetiaansch meisje! Roep mijn zoon niet, want wij hebben hem groot onrecht aangedaan. Prins Maximus heeft een fijn gevoel van eer en is een dapper man. Ik vrees boven alles een strijd en onze feeststemming kan zoo gemakkelijk veranderen in rouw. Ik bezit in Zablak een toren vol gouden schatten; die zal ik u geven en gij kunt er mede doen, wat gij wilt!"

Maar het meisje was niet gemakkelijk te overreden en zij riep nog eens om Prins Maximus, die met allen spoed ten tooneele verscheen. "O, Maximus, eenige zoon van uw moeder!" begon de bruid: "Dat zij u verlieze! Dat de krijgslieden een draagbaar maken van uw lansen en met uw schild uw graftombe bedekken! Dat uw gelaat bloze van schaamte op den dag des oordeels even als het dat heden doet om het geschil met voïvode Milosh! Waarom hebt gij er in toegestemd de geschenken aan een ander over te laten, terwijl zij alleen den rechtmatigen bruidegom toekomen? Ik geef niets om al de andere geschenken; laat Milosh ze meenemen, en dat een hevige vloed hem verderve met al zijn schatten. Maar het verlies van het gouden hemd kan ik niet dragen; ik heb het zelf voor u gemaakt; het heeft mij drie jaren gekost; drie meisjes hielpen mij eraan; ik was mijn gezicht bijna kwijt, toen ik dit hemd klaar had en al den tijd dacht ik aan u. Het is uw plicht het hemd onmiddellijk aan voïvode Milosh te ontnemen, want anders zweer ik bij den waren God, dat ik geen stap voorwaarts zal doen; maar ik zal mijn paard op zijn weg terugvoeren, en als ik het zeestrand bereik, zal ik een blad plukken van de aloë en met zijn doornen mijn gelaat zoo krabben, dat het bloed er uit stroomt; dan zal ik door mijn valk een boodschap aan mijn bejaarden vader zenden en hem smeeken al zijn strijders te wapen te roepen en op te rukken om uw Zablak te veroveren en te plunderen, en u aldus te laten boeten voor uw schandelijk gedrag!"

De aanval van Maximus.

Toen Prins Maximus dit gehoord had, draaide hij zijn paard om en gaf het zoo heftig de sporen, dat het vel van het kniegewricht van zijn strijdros barstte en het bloed zijn hoeven besprenkelde. Dol van pijn sprong het paard drie lansen hoog de lucht in en vier lansen vooruit, zoodat het voortschoot als de bliksem. Milosh barstte in lachen uit, zeggende: "God zij geprezen! Wat gebeurt er plotseling met den jongen." Maar zijn vroolijkheid was van korten duur, want nu stuurde Prins Maximus recht op Milosh aan en wierp hem woedend zijn lans naar het hoofd. [50]

Hij raakte Milosh zoo krachtig, dat zijn beide oogen barstten en hij van zijn paard viel. Maximus viel zoo heftig aan, dat hij hem zijn hoofd in tweeën spleet; daarna nam hij zijn bruid van haar geleider en snelde het kasteel binnen. [51]

Toen de krijgslieden van Milosh zagen, dat hun bevelhebber viel, stormden zij verwoed op de volgelingen van Prins Maximus los en een gevecht ontstond, dat maar weinigen overleefden.

Maximus wordt een Turk.

De overlevering wil, dat Prins Maximus zoo walgde van hetgeen gebeurd was, dat hij den doge uitnoodigde om met een groote strijdmacht in Zablak een inval te doen en Montenegro te veroveren; wat hem zelf betrof, hij zou naar Istamboel gaan en den Islam omhelzen. Dit deed hij.

Nu besloot een broeder van Milosh, Yovan Obrenbegovitch genaamd, die vermoedde, dat de bedoeling van Maximus was een groote strijdmacht van den Sultan te verkrijgen om Montenegro te veroveren, zich voor hetzelfde doel naar den Sultan te begeven. Maar het was zijn bedoeling, om zoo hij er ook in slaagde een leger van den Sultan te krijgen, dit niet te gebruiken tegen zijn vaderland Montenegro, maar tegen Prins Maximus.

Op hun weg naar Istamboel ontmoetten de twee mannen elkaar en zij verschenen te zamen voor den Sultan, die zeer wel wist, wie zij waren, en oordeelde, dat zij goede diensten konden bewijzen in zijn strijd tegen de christenen, gelijk zoovele andere ontevredenen van de christelijke hoven, waarom hij hen uiterst vriendelijk ontving. Zij omhelsden den Mohamedaanschen godsdienst en namen Turksche namen aan: voïvode Yovan werd Mehmed-Bey Obrenbegovitch genoemd, en Prins Maximus Scander-beg Ivanbegovitch. Nadat zij als getrouwe Turken den Sultan negen jaar hadden gediend, benoemde hij hen, zoo tevreden was hij over hun gedrag, tot vizier; aan Mehmed-Bey Obrenbegovitch gaf hij als leengoed de vlakte van Ducadyin, en aan Scander-beg (den zoon van Prins Ivan) schonk hij Skoetari aan de rivier Boyana.

HOOFDSTUK VIII. HET HUWELIJK VAN TSAAR DOUSHAN DEN MACHTIGEN.

Doushan zendt Theodoor naar Ledyen.

Koning Michael van Ledyen had een schoone dochter, Roksanda, en toen tsaar Doushan haar ten huwelijk vroeg, stemde de koning daar dadelijk in toe. De verloving kwam door tusschenpersonen tot stand, zonder dat Doushan de prinses gezien had; hij riep daarom Theodoor, zijn kanselier, bij zich en zei: "Luister naar mij, mijn trouwe Theodoor! Gij moet naar koning Michael in de witte stad Ledyen gaan en gij moet hem vragen den datum voor de huwelijksfeestelijkheden te bepalen. Gij moet ook de andere gebruikelijke voorbereidselen met hem regelen en er u van overtuigen, of de weergalooze Roksanda een geschikte tsarina is voor onze Servische landen."

Theodoor beloofde zijn zending trouw te vervullen en nadat hij de noodige toebereidselen gemaakt had, begaf hij zich op weg naar de Venetiaansche provincie.

Toen hij aan de witte stad Ledyen kwam, ontving de koning hem hoffelijk en schonk hem gedurende een geheele week gastvrijheid.

Toen sprak Theodoor aldus tot den koning: "O, vriend van mijn heer, gij ridderlijke koning Michael! Mijn tsaar heeft mij niet alleen naar hier gezonden om uw wijn te drinken; hij wenscht, dat ik de noodige afspraken maak voor zijn huwelijk; zeg mij dus, wanneer mijn heer kan komen? Welken tijd van het jaar schikt het u het best om hem te ontvangen? Hoeveel svats zal hij meebrengen, als hij komt, om de schoone maagd Roksanda te komen halen? Mijn heer heeft mij ook opgedragen u als zijn wensch kenbaar te maken, dat mij het geluk ten deel valle de schoone prinses te zien."

Hierop antwoordde de koning: "O, mijn vriend Theodoor! Breng mijn groeten over aan den tsaar en zeg hem, dat hij zooveel svats mede kan brengen als hij wil; zeg hem ook, dat hij mag komen om het meisje, wanneer hij maar wil; maar verzoek hem uit mijn naam in geen geval zijn neven mede te brengen, de beide Voïnovitchs, Voukashin en Petrashin, want ik heb vernomen, dat zij zeer twistziek zijn, als zij te veel gedronken hebben en ik vrees, dat zij de eensgezindheid gedurende de feestelijkheden zullen verstoren. Wat de prinses betreft, zij zal te gelegener tijd bij u komen en uit uw handen den ring van uw heer ontvangen, gelijk de goede, oude gewoonte meebrengt."

Prinses Roksanda.

Bij het vallen van den avond werd Theodoor in een niet verlichte kamer geleid, en terwijl hij zich afvroeg, wanneer de kandelaren gebracht zouden worden, zie, daar stond de prinses voor hem, gehuld in een dichte duisternis.

Theodoor voelde zich beleedigd door de poets, die hem gespeeld was; maar hij wanhoopte niet. Hij had den prachtigen ring van zijn heer bij zich; die was zoo rijk bezet met kostbare steenen, dat, toen hij hem te voorschijn haalde, de geheele kamer verlicht was en de stralen het meisje beschenen, die, naar het den gezant toescheen, schooner was dan de witte veela zelf. Theodoor bood den verlovingsring aan en gaf de prinses tevens duizend dukaten. Daarna geleidden haar broeders haar terug naar haar vertrekken.

Den volgenden morgen nam Theodoor afscheid van den koning en aanvaardde de thuisreis; toen hij te Prisrend aankwam, vroeg de tsaar levendig: "O, mijn getrouwe Theodoor! Hebt gij het meisje Roksanda gezien en hebt gij haar den ring gegeven! Welk nieuws brengt gij mij mee van koning Michael?"

En Theodoor antwoordde: "Ja, mijn heer, ik zag uw bruid en schonk haar uw ring; maar de woorden ontbreken mij om de betooverende schoonheid van Prinses Roksanda te beschrijven! Vergeefs zou men haarsgelijke in Servië zoeken! En koning Michael gaf mij deze boodschap mee: gij kunt het meisje halen, wanneer gij wilt, en gij kunt zooveel svats meenemen, als gij verkiest. Maar de koning verzoekt u dit eene: dat gij onder geen enkele voorwaarde de Voïnovitchs, uw beide neven meeneemt, want zij zijn minnaars van den wijnbeker en zijn spoedig beleedigd; zij zouden dronkemanstwisten kunnen teweeg brengen en het zou misschien moeilijk zijn hun geschillen op een vredelievende manier te beslechten."

Toen hij dit hoorde, sloeg de tsaar met zijn rechterhand op zijn knie en riep uit: "Helaas! Dat God mij helpe! Is de slechte naam van mijn neven reeds zoover verbreid! Bij mijn onwankelbaar geloof, ik zal beiden onmiddellijk na de huwelijksfeestelijkheden aan de poorten van hun kasteel Voutchitrn laten ophangen, opdat zij niet langer over de heele wereld mijn naam te schande maken!"

De processie begeeft zich op weg.

Spoedig daarop riep de tsaar zijn svats bijeen en toen zij allen verzameld waren, leverden zij een schitterend schouwspel op. De huwelijksprocessie nam haar weg over de vlakte van Kossovo en toen zij voorbij de muren van het kasteel Voutchitrn kwam, keken de twee jeugdige Voïnovitchs neer op den ruiterstoet en zeiden treurig tegen elkaar: "Onze oom moet boos op ons zijn, anders zou hij ons zeker hebben uitgenoodigd om deel te nemen aan zijn huwelijksfeest! De een of andere schurk moet kwaad over ons hebben gesproken. Dat honderd onheilen komen over hem, die ons dit heeft aangedaan! Onze tsaar gaat naar het Venetiaansche land en heeft geen enkelen held in zijn gevolg, noch een naasten bloedverwant op wien hij, als gevaar hem dreigt, rekenen kan. De Venetianen zijn reeds van oudsher bekend als zeer sluw en geslepen, en zij kunnen onzen doorluchtigen tsaar dooden! En toch, hem te vergezellen zonder dat wij zijn uitgenoodigd, is meer dan wij durven doen".

Daarop sprak hun bejaarde moeder: "O, mijn kinderen, gij Voïnovitchs! Gij hebt een broeder in de bergen, Milosh, den schaapherder; ofschoon de jongste, is hij de grootste held van u allen en hij zal een middel vinden om onze eer hoog te houden. De tsaar heeft nooit van hem gehoord. Ik raad u hem een boodschap te zenden en hem te verzoeken naar het kasteel Voutchitrn te komen; meld hem de ware reden niet, maar zeg hem, dat zijn moeder, die oud is, elk oogenblik kan sterven, en dat zij hem haar zegen wenscht te geven. Zeg hem haast te maken, indien hij zijn moeder nog levend wil vinden!"

Deze raad scheen den beiden broeders goed. Zij schreven een brief en zonden dien met spoed naar den berg Shar, waar Milosh met zijn kudde vertoefde.

Toen Milosh den brief las, veranderde zijn gelaat en hij stortte bittere tranen. Zijn smart werd opgemerkt door dertig herders, die hem omringden: "O, Milosh, dapper hoofdman!" riepen zij. "Vele berichten hebben u bereikt, maar nooit hebben wij u tranen zien storten, als gij ze laast. Van waar kwam deze brief, en welk slecht nieuws brengt hij? Vertel het ons gauw, wij smeeken het u!"

Milosh sprong op en sprak zijn herders aldus aan: "Luistert, o herders, mijn dierbaarste broeders! Dit bericht komt van het kasteel. Mijn moeder ligt op haar doodsbed en zij roept mij, om mij haar zegen te geven, opdat mijn ziel niet gevloekt zij. Ik moet mij tot haar spoeden, en ik draag u op tijdens mijn afwezigheid goed op de schapen te passen."

Toen Milosh het witte kasteel naderde, zagen zijn broeders hem vanaf een toren en zij trokken uit om hem tegemoet te gaan; hun bejaarde moeder volgde ook. Milosh was verbaasd haar te zien en zei verwijtend:

"Waarom, waarde broeders, meldt gij ongeluk, als er geen grond voor is en als alles goed met u is! Dat de Almachtige u deze misleiding vergeve."

En zijn broeders antwoordden: "Kom binnen, waarde broeder, er _is_ toch een groot ongeluk!"

De jonge mannen omhelsden elkaar en Milosh kuste de hand zijner moeder. Toen deden de broers het verhaal van de verloving van hun oom en hoe hij naar het Venetiaansche land trok zonder zijn beide neven te hebben uitgenoodigd in den huwelijksstoet mede te rijden en zij besloten hun verhaal met deze smeekbede: "O, lieve broeder Milosh! Gij moet den tsaar vergezellen, ja, al zijt gij niet genoodigd. Zoo hij door eenig ongeluk bedreigd werd, zoudt gij uw oom kunnen bijstaan. Gij kunt gaan en terugkeeren--zonder u aan iemand bekend te maken!"

Milosh was daartoe dadelijk bereid en hij antwoordde verheugd: "Ik zal gaan, o, mijn broeders. Ja, hoe zou ik anders kunnen? Indien ik niet bereid was onzen dierbaren oom bij te staan, wien anders zou ik het dan willen doen?"

Daarop begonnen zijn broers de noodige toebereidselen te maken. Peter ging naar den stal om zijn paard, Koulash, te zadelen, terwijl Vankashin bleef om toe te zien, dat Milosh van een passende uitrusting werd voorzien. Eerst trok hij hem een fijn hemd aan, dat van den hals tot het middel met goud geborduurd was; van daaraf was het geweven van witte zijde. Op het hemd waren drie dunne, sierlijke linten bevestigd; dan een vest, versierd met dertig gouden knoopen; daarover een gouden borstharnas, dat ongeveer vijftien pond woog. En ook in onderdeelen werd zijn uitrusting verzorgd als ware hij een prins; tenslotte hing hij over zijn breede schouders een ruwen Bulgaarschen herdersmantel, die hem geheel omhulde en zette hem een Bulgaarschen bonten muts met een hoogen punt op het hoofd, zoodat hij zoo volkomen op een zwarten Bulgaar geleek, dat zelfs zijn eigen moeder hem niet herkend zou hebben. Nu brachten de broeders hem een krijgslans en een knots en het betrouwbare zwaard van hun ouden vader Voïn. Toen leidde Peter Koulash voor, waarop hij een berenhuid had gelegd, opdat de tsaar het welbekende paard niet zou herkennen.

Milosh voegt zich bij den stoet.

Milosh was nu gereed om te vertrekken en toen hij afscheid van zijn broeders nam, gaven zij hem dezen raad: "Indien gij bij de bruiloftsgasten komt, zullen zij u vragen, wie gij zijt en vanwaar gij komt. Gij moet antwoorden, dat gij van het land Karavallahia komt, waar gij een Turksch heer hebt gediend, Radoul-bey, die u uw loon niet wilde uitbetalen, waarom gij nu uitziet naar een milddadiger heer. Zeg daarbij, dat, daar gij toevallig bericht hebt ontvangen van het huwelijk van den tsaar, gij zijt komen aanrijden om u bij de bedienden van het gezelschap te voegen, niet om eenig loon te ontvangen, maar dat gij graag wilt dienen voor een stuk brood en een glas rooden wijn. Intusschen moet gij de teugels van uw paard stevig in handen houden, want Koulash is gewoon in hetzelfde gelid te gaan als de strijdrossen van den tsaar en hij zou u kunnen verraden!"

Nadat de broeders hun goeden raad gegeven hadden, nam Milosh afscheid van hen en van zijn moeder en stuurde hij zijn paard in de richting van den huwelijksstoet; in het gebergte Zagoryé haalde hij hen in. Toen zij den vreemdeling zagen, riepen de svats hem aan.

"Vanwaar komt gij, kleine, jeugdige Bulgaar?" En Milosh antwoordde: "Van verre!" gelijk zijn broeders hem hadden aangeraden. Toen namen de svats hem dadelijk in hun kring op, zeggende: "Dat gij gelukkig in ons gezelschap moogt zijn, kleine, jonge Bulgaar! Wij zijn altijd blij, als we weer iemand meer in onze nabijheid hebben!"

Het vorstelijk gezelschap, stralend van de schitterende kleuren der luisterrijke uniformen, terwijl de lansen en harnassen in de zon glinsterden, reed door, totdat het in een vallei kwam. Nu had Milosh de slechte gewoonte, die hij zich in het gebergte Shar bij het hoeden van zijn schapen had eigen gemaakt, om tegen den middag in te slapen en terwijl zijn Koulash fier voortstapte, viel hij in een diepen slaap en zoo kwam het, dat zijn hand de teugels losser vast hield. Zoodra Koulash voelde, dat de toom losser was, kromde hij zijn nek en vloog als een pijl uit den boog door de rijen van den ruiterstoet, waarbij hij paarden en ruiters omverwierp, totdat hij de paarden van den tsaar had bereikt. Toen drong hij zich in hun gelid en nam denzelfden, langzamen, regelmatigen pas aan.

Maar nu was de geheele stoet in wanorde geraakt en een menigte Lales [52] zou op de onschuldige oorzaak van de beroering zijn aangevallen, indien Doushan niet tusschenbeide was gekomen om hem te beschermen: "Slaat dezen jeugdigen Bulgaar niet; hij is een herder en herders hebben de gewoonte tegen den middag in te dommelen onder het hoeden van hun schapen; weest niet boos, maar maakt hem zacht wakker."

Daarop wekten de svats Milosh, roepende: "Ontwaak, o dwaze, jonge Bulgaar! Dat de Almachtige uw oude moeder spare, die u niet heeft kunnen doen begrijpen, dat gij het niet wagen moogt u bij het gezelschap van den tsaar te voegen!"

De sprong van Koulash.

Milosh ontwaakte plotseling en zag, dat de tsaar met zijn diepe, zwarte oogen naar hem keek en zie! zijn Koulash liep in de koninklijke rij. Hij draalde geen oogenblik, maar nam de teugels stevig in de hand en gaf zijn paard flink de sporen. Een oogenblik trilde Koulash van zijn kop tot zijn hoeven, daarna sprong hij als waanzinnig in in de lucht, drie lansen hoog, vier lansen ver terzijde, en over een afstand van zooveel lansen vooruit, dat niemand ze kon tellen! Vuur kwam uit zijn bek en blauwe vlammen kwamen uit zijn neusvleugels! Twaalf duizend svats aanschouwden met ontzag en bewondering den verbazenden sprong van het Bulgaarsche paard en riepen als één man uit: "Vader der barmhartigheid, welk een groot wonder!" Toen zeiden eenigen tegen anderen: "Hoe komt zulk een goed paard in het bezit van zoo iemand? Zulk een wonder hebben wij te voren nooit gezien!"

Anderen zeiden: "Er was werkelijk één ros als dit in de stallen van den schoonzoon van onzen tsaar; en nu is het in bezit van zijn neven, de beide broeders Voïnovitchs".

Onder de helden, die het paard bewonderden, waren Voutché van Dyakovitza, Yanko van Nestopolyé en een jongeling uit Priepolyé. Dezen spraken aldus tegen elkaar: "Wat een prachtig paard heeft die Bulgaar! Zijns gelijke is in dezen huwelijksstoet niet te vinden, zelfs onze eigen tsaar heeft er geen zoo. Laat ons wat achter blijven en trachten er hem van te berooven".

Toen zij Klissoura bereikten, waren de drie ruiters ver achter de andere svats; en Milosh reed daar ook alleen. Toen naderden de helden hem en terwijl zij zich zeer beleefd voordeden, spraken zij hem aldus aan: "Luister naar ons, gij jeugdige Bulgaar! Wilt gij uw paard voor een beter ruilen? Wij zullen u bovendien honderd dukaten geven en daarbij een ploeg en een paar ossen, opdat gij uw akkers kunt bebouwen en in vrede het overige van uw dagen kunt slijten!"

Maar Milosh antwoordde: "Laat mij met rust, o, gij drie machtige ruiters! Ik wensch geen beter paard dan dat, hetwelk ik reeds heb; want hebt gij niet gezien, dat ik dit zelfs niet rustig kan houden? En wat uw koopsom betreft, wat zou ik met zooveel dukaten doen? Ik weet niet, hoe ik ze moet wegen en ik kan ook niet tellen tot honderd. Wat zou ik doen met uw ploeg en ossen? Mijn vader heeft nooit een ploeg op zijn akkers gebruikt en toch hebben zijn kinderen nooit honger gekend!"

De strijd om Koulash.

Op het hooren van dit antwoord zeiden de drie ruiters toornig: "Gij deedt beter ons voorstel te aanvaarden, o, hooghartige Bulgaar, opdat wij niet met geweld uw paard nemen!" Op deze bedreiging antwoordde Milosh: "Het is waar: met geweld neemt men zelfs landen en steden; hoe gemakkelijk moet het dan aan drie mannen niet vallen om mijn paard met geweld te ontnemen! Daarom ruil ik het liever, want ik ben niet in staat te voet te reizen".