Heldensagen en Legenden van de Serviërs
Chapter 12
Hij zadelde daarom zijn zwarte paard, dat hem door een veela geschonken was en dienzelfden nacht bereikte hij nog de vlakte van Kroushevo; daar steeg hij af, sloeg zijn tent op in de tarwevelden van Lazarus en dronk koelen wijn.
Ondertusschen was de zon opgegaan, en toen de tsaar op zijn balkon heen en weer liep, zag hij eensklaps een tent in zijn akkers, en daarin een vreemd en zeer wonderlijk ridder. Hij riep onmiddellijk de tsarina en wees haar, wat hij zag. Militza riep uit, dat dit niemand anders dan Zmay-Despoot Vook kon zijn, want hij leek veel op haar tooverachtigen minnaar, den Zmay van Yastrebatz.
De tsaar zond onmiddellijk een boodschapper naar den vreemdeling, om hem te verzoeken dadelijk naar het paleis te komen, waar hem een prachtig feest zou wachten. Maar Vook antwoordde, dat hij in zijn tent wenschte te blijven en verzocht de tsarina dien nacht de deuren van haar vertrekken niet af te sluiten, maar kalm de komst van den Zmay van Yastrebatz af te wachten en overigens alles aan haar nieuwen beschermer over te laten.
Toen de tsaar het antwoord van Vook ontving, gaf hij last een uitgezocht maal gereed te maken en naar diens tent te brengen, waarbij een groote hoeveelheid roode wijn niet werd vergeten.
De dag ging voorbij zonder dat er iets bijzonders gebeurde en toen de nacht naderde, trok de schoone Militza zich terug. Als gewoonlijk werd de berg Yastrebatz met een gloed overtogen, en zijn heer vloog uit de vlammen regelrecht naar den toren van de tsarina en sloop in haar kamer, nadat hij zijn magisch gewaad had uitgetrokken, Plotseling hoorde hij de stem van Zmay-Despoot Vook zeggen: "Gij, die u vermeten hebt de Servische tsarina te omhelzen, kom oogenblikkelijk uit den witten toren!"
Ten zeerste ontsteld vloekte de Zmay van Yastrebatz de tsarina aldus: "Zie, Militza, dat God u vernietige! Gij hebt mij toch aan Lazarus verraden!"
Dit zeggende deed hij zijn magisch gewaad aan, en spoedde zich heen. Inplaats van als anders zich naar zijn kasteel op den Yastrebatz te richten, ging hij recht omhoog de wolken in. Vook zat hem dicht op de hielen en toen hij hem op zeer groote hoogte naderde, sloeg hij hem heftig met zijn knots en brak zijn beide vleugels.
De Zmay van Yastrebatz viel snel als een steen ter aarde, waar hij zich als een slang kronkelde en deerniswaardig kreunde.--"Dat zoo elke held gestraft worde, die zijn geheimen aan zijn minnares toevertrouwt!" kermde hij. Hij had niet lang den tijd om zich aan zijn bittere overpeinzingen over te geven, want Vook was hem gevolgd, en zoodra hij afgestegen was, sloeg hij den Zmay het hoofd af. Daarna begaf hij zich naar Lazarus en wierp het hoofd voor hem op den grond.
De tsaar was zoo verschrikt bij het zien van het afgrijselijke voorwerp, dat hij plotseling door een hevige koorts werd aangegrepen. Maar hij gaf Vook het beloofde goud en vaardigde een keizerlijk decreet uit, waarbij hij hem machtigde voor het overige van zijn leven onafhankelijk over Sirmia te regeeren. Bovendien beloofde hij Vook, dat zoo hij ooit gebrek aan goud mocht krijgen, hij zich slechts tot den tsaar behoefde te wenden, om onmiddellijk uit den nood geholpen te worden. De bard eindigt: "En zij leefden lang en gelukkig te zamen, hielpen elkaar steeds, gelijk goede buren en landgenooten moeten doen; en de roem van den held leeft in den volksmond voort. De dag, waarop de straf aan den Zmay van Yastrebatz voltrokken werd, geldt nog altijd als de gelukkigste van het geheele jaar!"
HOOFDSTUK VII. HET HUWELIJK VAN MAXIMUS TZRNOYEVITCH.
De ballade.
Deze ballade, welke den koning van Montenegro--Nicholas Petrovitch--inspireerde voor zijn drama "De keizerin van de Balkanstaten," is ongetwijfeld het schoonste nationale gedicht, dat in Montenegro ooit werd gedicht en gezongen. Het zou zelfs een groot dichter onmogelijk blijken de zeer karakteristieke beeldspraak en het effect, dat door de eigenaardige woordvorming verkregen werd, in een vertaling tot zijn recht te doen komen, terwijl ook veel van wat typeerend is voor de godsdienstige opvattingen, de gewoonten en het bijgeloof voor den niet-ingewijde verloren gaat.
Een Fransch spreekwoord zegt: "quand on n'a pas ce que l'on aime, on aime ce que l'on a;" aldus hoop ik ook, dat de lezer genoegen zal willen nemen met de volgende overzetting in proza van een buitengewoon belangwekkend nationaal gedicht.
Het verhaal.
Ivan Tzrnoyevitch [47] zeilde over de Adriatische zee naar Venetië om een bezoek te brengen aan den doge en zijn dochter ten huwelijk te vragen voor zijn zoon Maximus. Hij bleef daar drie jaren, gedurende welken tijd hij drie tovars goud uitgaf. Bij zijn vertrek aan het einde van dit tijdperk werd overeengekomen, dat hij het volgende jaar zou terugkeeren met zijn zoon en duizend of meer gasten voor de huwelijksfeestelijkheden. De doge met zijn beide zoons en een honderdtal van de hoogste waardigheidsbekleeders vergezelden Ivan naar zijn galei en de Montenegrijnsche vorst herhaalde zijn belofte het volgend jaar te zullen terugkeeren met zijn gasten en zijn zoon, die naar hij verzekerde een zoo edel held en een zoo knap jongeling was, dat men zelfs uit een verzameling van duizend Montenegrijnen of duizend Venetianen zijn gelijke vergeefs zoeken zou. De doge, die buitengewoon verheugd was zulk een edel held tot schoonzoon te hebben, omhelsde Ivan zeggende: "Ik dank u, mijn vriend, voor deze woorden! Hoe gelukkig ben ik een dergelijken schoonzoon te hebben gevonden, die onder duizenden zijn weerga niet vindt. Ik zal hem meer liefhebben dan het licht mijner oogen, en zal kostbare geschenken voor hem gereed maken: paarden en valken, helmen met gouden pluimen en mantels, waarop hij trotsch zal zijn. Maar als hij niet zoo knap is als gij gezegd hebt--wee u!"
Daarna zeilde Ivan weg naar Zablak. Toen hij zijn kasteel naderde, voelde hij zich zeer gelukkig en spoorde zijn paard Zdral aan om des te eerder thuis te zijn. Zijn getrouwe gade zag hem reeds van verre en gaf onmiddellijk bevel aan de bedienden om toebereidselen te maken voor de ontvangst van hun heer. Zij maakte uit het vroolijk voorkomen van haar echtgenoot op, dat hij geslaagd was in zijn zending.
Toen Ivan op het plein van zijn kasteel aankwam, hielpen eenigen zijner dienaren hem bij het afstijgen van zijn paard, anderen ontdeden hem van zijn wapenrusting en wapenen en zijn zoon Maximus bracht hem een zilveren zitbank, opdat hij kon plaatsnemen en rusten. Ivan wendde zich om, teneinde zijn zoon te danken, maar zie! Een ongeluk was hem overkomen. Gedurende de afwezigheid van zijn vader was Maximus bezocht door de pokken--dien vreeselijken geesel!--en zijn eens knap gelaat was zoo met putten en litteekens overdekt, dat het te afzichtelijk was om er naar te kijken. De bard verzekert ons, dat het nauwelijks mogelijk was een leelijker man te vinden dan Maximus was geworden.
De vorst herinnerde zich dadelijk zijn verzekering aan den doge, dat er onder duizenden geen knapper jongeman gevonden zou worden dan zijn zoon en hij was heel treurig.
Zijn lange knevel hing neer tot op zijn schouders [48] en met de oogen op den grond gericht zat hij zwijgend en moedeloos. Zijn gade zag met bezorgdheid de neerslachtigheid van haar echtgenoot en beproefde hem op te beuren. De plooien van haar sleepend gewaad samennemend en de einden van haar mouwen, kwam zij nader en na een nijging gemaakt te hebben, kuste zij zijn hand. "Ik bid u, mijn heer," zei zij, "zeg mij, waarom zijt gij zoo treurig? Zijt gij in uw zending misschien niet geslaagd? Hebt gij de dochter van den doge niet met onzen zoon verloofd? Is zij misschien niet schoon genoeg om uw schoondochter te worden? Hebt gij spijt van de drie tovars goud, die gij hebt uitgegeven?"
Daarop vermande Ivan zich en antwoordde, dat het een geheel ander ongeluk was, dat hem drukte. Hij vertelde, dat hij de toestemming van den doge voor de verloving had verkregen, en dat zijn dochter zoo schoon was, dat zelfs de veele niet met haar vergeleken konden worden; dat het niet de gedachte was aan het uitgegeven geld, die hem kwelde--want zijn kasteel was vol gestapeld met schatten en het wegnemen van drie tovars dukaten had den voorraad nauwelijks merkbaar verminderd. Neen, de ware oorzaak van zijn ongeluk was, dat hij den doge had beloofd hem als schoonzoon een jongeling te geven, die de knapste was onder duizenden en dat de doge, indien hij hem nu zijn zoon Maximus voorstelde gelijk deze nu was, stellig vertoornd zou zijn em hem den oorlog zou verklaren.
Toen de vorstin dit vernam, verweet zij Ivan, dat hij zich terwille van een bruid had laten verleiden dergelijke verzekeringen en beloften te doen, terwijl hij in Montenegro zelf een veel mooier meisje had kunnen vinden, wier familie een verbintenis met de zijne waardig zou zijn. Vorst Ivan was ervan overtuigd, dat hij onverstandig had gehandeld, en hij besloot van de verloving af te zien en verbood aan zijn vrienden hem geluk te wenschen.
De boodschap van den Doge.
Negen jaren verliepen, en het scheen, dat de verloving geheel en al vergeten was en dat de dochter van den doge na niets van Ivan te hebben gehoord met een anderen prins was getrouwd.
Maar op zekeren dag kwam er een boodschap van den doge, waarin hij den vorst van Montenegro verweet, dat hij zijn dochter sinds negen jaren niets had laten hooren, en dat deze zich intusschen "van een knop ontwikkeld had tot een schoone roos." Verder verzocht hij Ivan aan zijn stille, geduldige dochter te schrijven en haar onomwonden mee te deelen, wat hij besloten had met betrekking tot het voorgenomen huwelijk te doen; mocht het zijn, dat hij zijn zoon zoo'n kostelijk meisje niet waardig keurde, dan moest hij het haar eindelijk toch meedeelen, zoodat men in de gelegenheid was naar een andere passende partij voor haar uit te zien.
De vorst werd vervuld van diepe smart, toen hij de boodschap van den doge las. Wat kon hij doen of zeggen? Na lang gepeinsd te hebben zocht hij zijn vorstelijke gade op en sprak haar op deze wijze toe. "O, mijn lieveling, met uw zachte oogen! Ik bid u, raad mij nu, wat te doen! Zal ik een boodschap naar het meisje zenden en haar zeggen, dat zij vrij is een ander huwelijk te sluiten, of zal ik haar wat anders schrijven?"
De vorstin was een wijze vrouw en zij gaf haar echtgenoot een verstandigen raad [49]: "O mijn heer, Tzrnoyevitch Ivo! Werd ooit een man geraden door een vrouw? Dit is nooit gebeurd en zal nooit gebeuren. Want wij vrouwen hebben lange haren, doch slechts weinig hersenen. Maar daar gij mijn meening hebt gevraagd, waag ik het te zeggen, dat het een zonde voor God zou zijn en een schande voor de wereld, indien gij het geluk van het meisje zoudt vernietigen, door een eenmaal overeengekomen verloving te verbreken. Luister naar mij, mijn heer! Waarvoor maakt gij u eigenlijk bezorgd? Indien de pokken het gelaat van uw zoon hebben misvormd, dan past het uw vrienden daar ginds in aanmerking te nemen, dat de ziekte, die hem bezocht, er de oorzaak van is--wie zou durven zeggen, dat hij daartegen gevrijwaard is? En dan, indien gij vreest, dat men u moeilijkheden bereidt, wanneer gij te Venetië komt, dan herinner ik er u aan, dat gij torens vol dukaten hebt. Gij hebt den doge beloofd, dat gij met duizend svats zoudt komen, maar waarom zoudt gij niet tweeduizend uitgezochte helden en ruiters medenemen? Indien de Venetianen zien, met welk een groote macht gij reist, dan zullen zij u niet durven aanvallen, al ware uw zoon blind. Verzamel daarom de svats en haast u de bruid naar hier te brengen. O, mijn heer, verlies geen tijd meer door uw geest nog langer met gepeins te plagen."
Deze stoutmoedige woorden troffen den vorst zoo, dat hij in lachen uitbarstte. Hij liet door een renbode dadelijk een brief van den volgenden inhoud naar Venetië brengen: "O, mijn vriend, gij doge van Venetië! Gij zoudt kunnen hooren, indien gij slechts luisterdet, het gebulder van mijn dertig kanonnen, die ik ga afvuren van de tinnen van mijn vesting! O, vriend, talm geen oogenblik, maar stuur dadelijk mij en mijn zoon en al onze svats galeien tegemoet. Vaarwel!"
Daarna zond Ivan een boodschapper naar Milosh Obrenbegovitch, om hem uit te noodigen zijn stari-svat te zijn en zich te doen vergezellen van zooveel helden, als hij maar met eenige mogelijkheid binnen de provincies van Antivari en Dulzigno kon vinden. Hij schreef ook aan zijn neef kapitein Yovan, en noodigde ook hem uit ter bruiloft te komen met zooveel vrienden als hem maar wilden vergezellen.
Boden werden naar andere vrienden gezonden, die met blijdschap de uitnoodiging van Ivan ontvingen en weldra was de vlakte van Zablak bezaaid met hun ontelbare tenten. Op zekeren morgen bemerkte Ivan, dat kapitein Yovan, den leider der bruid, treurig langs de borstweringen van het kasteel op en neer liep en telkens zijn oog liet gaan over de lansknechten, stalmeesters en vlaggen van het kamp aan zijn voeten. Vorst Ivan wilde niet, dat iemand ongelukkig was te midden van de feestelijke toebereidselen en vroeg daarom aan kapitein Yovan naar de oorzaak van zijn droefgeestigheid. Yovan zei, dat indien het hem vergund was te zeggen, wat hem op het hart lag, hij den vorst zou raden een groot feest gereed te doen maken voor die tallooze Montenegrijnen, welke voor zijn kasteel gekampeerd lagen en boden door het kamp te zenden om allen aan te zeggen, dat zij naar huis moesten terugkeeren, opdat de oogst hunner akkers niet te loor zou gaan. Gebeurde dit niet, dan zou het land beroofd zijn van zijn verdedigers tegen den erfvijand, den Turk, die van hun afwezigheid gebruik zou kunnen maken om het land aan te vallen. Yovan ging in een adem voort en vertelde den vorst, dat hij den vorigen nacht in een droom gezien had hoe het uitspansel plotseling met donkere wolken werd bedekt; uit die wolken was een bliksemstraal op zijn vorstelijk kasteel gevallen en had het met den grond gelijk gemaakt; daarna was een brand uitgebroken, die de mooie hoofdstad Zablak verteerd had. Toen het kasteel ineenstortte, was Maximus, door den vallenden toren geraakt, die hem echter niet ernstig kwetste.
"Hoe het zij" besloot Yovan, "indien er eenige waarheid in droomen schuilt, dan moest Maximus hetzij sterven, hetzij in Venetië ernstig gewond worden en indien ik door eenig Venetiaan zou worden beleedigd, dan zouden al mijn volgelingen, vijf honderd man uit Podgoritza, liever sterven dan de mij aangedane beleediging ongewroken laten."
Vorst Ivan lachte hartelijk, toen Yovan had geëindigd, en zei, dat zijn goede vriend zijn booze droomen te wijten had aan het feit, dat zijn kussens te hoog of te laag waren geweest. En na gezegd te hebben "droomen zijn bedrog, alleen God is waarachtig" wendde hij zich af, om te bevelen de dertig kanonnen van de vesting ten teeken van vertrek af te vuren.
Toen het geschut bulderde, vooral toen de beroemde kanonnen Krgno en Zelenko in beweging kwamen, trilde de geheele vallei; de zwarte bergen weergalmden en het water van de Zetina werd beroerd tot in haar diepste diepten. Eenige ruiters werden van hun paard geslingerd, en zij, die stonden, vielen op hun knieën in het gras; want het is iets geweldigs, als het vestinggeschut buldert!
De huwelijksprocessie vertrekt.
De svats begaven zich in de beste stemming op weg; eenigen zetten hun rossen aan en lieten ze rennen, anderen dronken en zongen vroolijke bruiloftsliederen onder het voortgaan. In hun midden reed vorst Ivan op zijn strijdros Zdral, met twee trotsche valken op zijn schouders; aan zijn rechterzijde reed Maximus en aan zijn linker Milosh Obrenbegovitch. Vorst Ivan keek dikwijls naar zijn metgezellen, en maakte onwillekeurig een vergelijking tusschen beiden. Plotseling beval hij halt te houden en sprak op luiden toon aldus: "Luistert, o mijn broeders, gij doorluchtige svats! Ik heb u een plan voor te leggen en ik hoop, dat het uw goedkeuring zal wegdragen. Wij staan op het punt ons in te schepen, o broeders, en zullen spoedig te Venetië aankomen. Maar ziet naar mijn zoon, hoezeer zijn voorkomen door een afschuwelijke ziekte is bedorven: hij is onbetwistbaar de leelijkste van ons allen! Helaas! Toen ik negen jaar geleden in Venetië was, prees ik hem als de knapste jongeling, die te vinden was onder duizend Montenegrijnen; ja zelfs onder duizend Venetianen. Daarom, mijn broeders, ben ik hedenmorgen zeer treurig en stemt mij de gedachte aan de ontmoeting met den doge niet vroolijk. Let op, de Venetianen zullen ons aanvallen, zoo groot zal hun teleurstelling zijn. Maar ziet, o mijn dappere svats! Wij hebben hier bij ons een held, die zijns gelijke in mannelijk schoon onder geen der onzen vindt, evenmin onder de trotsche Venetianen. Ik spreek van den voïvode Milosh Obrenbegovitch. Laat ons den gepluimden helm van het hoofd van mijn zoon nemen en dien op het hoofd van Milosh zetten, zoodat hij voor den bruidegom zal doorgaan, totdat wij in vrede bezit hebben genomen van het meisje!"
Op de svats maakte het plan van Ivan grooten indruk, maar zij aarzelden om te spreken, uit vrees de gevoelens van Maximus te kwetsen, die een driftig jongeling was en die mogelijk door het voorstel beleedigd kon zijn. Maar de voïvode Milosh zei genadig: "O Ivan, onze heer! Waarom doet gij een vergeefsch beroep op de svats? Geef mij er liever uw hand op, dat het plan in geen enkel opzicht uw edelen zoon beleedigt. Zweer mij bij den waren God, dat gij het ons slechts geopenbaard hebt na overleg met uw zoon, en dan zal ik mij op mijn eer plechtig verbinden de bruid voor Maximus te verkrijgen zonder een gevecht. Maar gij moet er in toestemmen, mij als belooning voor het spelen van de valsche rol de geschenken af te staan, die mij als bruigom gegeven zullen worden en dat er niemand van mij eischen zal ze met een ander te deelen, doch dat ik ze alle voor mij zelf zal mogen behouden!"
Ivan barstte in lachen uit en riep: "O, Milosh, Servische voïvode! Wat de geschenken betreft, waarover gij spreekt, ik geef u mijn woord, vaster en harder zelfs dan steen, dat niemand een poging zal doen ze met u te deelen! Stel u slechts in het bezit van de bruid en wees haar leider, totdat wij de stad Zablak bereikt hebben en ik beloof u twee laarzen vol dukaten, een gouden beker, die negen liters wijn kan bevatten, de merrie Bedevia, de stammoeder van een mijner grootste stoeterijen evenals mijn Zdral en ik zal u een sabel aangorden, die dertig beurzen gouden dukaten waard is."
Allen keurden het plan goed en nadat zij den onderscheidenden helm en de versierselen van den bruigom op het hoofd van den voïvode Milosh hadden geplaatst, vervolgden zij hun reis, en na op de wateren van de Adriatische zee heen en weer gewiegd te zijn, bereikten zij zonder wederwaardigheden Venetië.
Een groot aantal lieden, nieuwsgierig om de Montenegrijnen te zien, stroomden van alle kanten toe, vooral ook om zich zelf te overtuigen, dat Maximus werkelijk zoo'n edele en knappe prins was als zij hadden gehoord.
Toen de Venetiaansche prinsen van hun dienaren hoorden, dat hun aanstaande schoonbroer werkelijk zoo knap was als zijn vader hem negen jaar tevoren had beschreven, kwamen zij levendig, met uitgestrekte armen om hem te omhelzen en hem welkom te heeten. Zij wezen hem de vertrekken in hun paleis, die gereed waren gemaakt voor de vorstelijke gasten en allen werden zeer geriefelijk geherbergd.
De bruiloftsfeesten duurden drie dagen en daarna kwam het uur van vertrek. Onder het gedonder van het geschut verzamelden de svats zich op het groote plein, en wachtten op de bevelen van vorst Ivan en zijn edelen zoon. Zij voelden zich niet op hun gemak, toen zij zagen, dat de poort gesloten was en er aan beide zijden twee Moorsche en twee Venetiaansche soldaten met getrokken zwaard stonden, terwijl het lemmet en zelfs hun armen met bloed bedekt waren. Hun onrust nam nog toe, toen zij na geruimen tijd noch hun vorst, noch de bruid en den bruidegom zagen verschijnen. Zij begonnen luid te morren, tot zij plotseling het geluid van paardenhoeven op het marmeren plaveisel hoorden en den voïvode Milosh zagen, die beproefde zijn paard te bedwingen met de teugels, terwijl hij het zacht de sporen gaf, opdat het zou springen en steigeren.
De huwelijksgiften.
Achter Milosh reden de beide schoonbroeders, die de geschenken brachten. De oudste leidde een zwart paard zonder een enkele vlek; het had een zilveren zadel op, versierd met zwaar goud, waarop de schoone bruid zat, die een grijzen valk droeg.
"Aanvaard, o, mijn dierbare en edele Maximus," zei de prins, "deze schoone maagd met haar zwart paard en haar grijzen valk als een teeken van onze liefde, want gij zijt in waarheid de trots uwer broeders!"
Milosh boog diep over den nek van zijn paard, toen hij den prins dankte voor zijn welwillende woorden en de bruid aanvaardde met de geschenken, die zij meebracht. De tweede broeder schonk nu den bruigom een sabel in gouden scheede, zeggende: "Draag dit, o broeder, en wees er trotsch op!" Daarna kwam de vader der bruid. Wat een prachtig geschenk droeg hij in zijn handen! Een helm en in de pluim ervan glansde een kostbare steen, die schitterde als de zon, zoodat men er niet lang in kon zien. Maar het geschenk, dat de moeder der bruid hem gaf, was prachtiger dan alle andere. Het was een hemd van zuiver goud, dat noch geweven noch gedraaid was, maar geheel met de vingers was gemaakt; in de kraag, die een adder voorstelde ("en een adder zal hem tenslotte bijten") was een schitterende diamant, die zulk een lichtgloed uitstraalde, dat hij nooit een kandelaar noodig zou hebben, als hij zijn bruid in haar slaapkamer ging bezoeken. Al de svats waren verbaasd over de kostbaarheid der geschenken.
Nu kwam de bejaarde broeder van den doge, Yesdimir, die een baard droeg, welke tot zijn middel reikte; hij liep langzaam en steunde op een gouden staf. Bittere tranen stroomden uit zijn oogen. Het is waar, hij had goede redenen om te weenen. Gedurende zijn lange leven had hij na elkaar zeven vrouwen gehad, maar hem waren noch zoons, noch dochters geboren. Daarom droeg hij al zijn liefde over op zijn nicht, die hij als een dochter beschouwde en die in zijn hart de plaats vervulde van de kinderen, waarmede hij weleer hoopte gezegend te worden. Nu het geliefde meisje op het punt stond te vertrekken naar een ver verwijderd land, was hij diep bedroefd. Hij droeg iets zeldzaams en wonderlijks opgevouwen onder zijn arm, en toen hij de svats naderde, noemde hij den bruigom bij zijn naam. Deze verscheen dadelijk en de eerbiedwaardige man sloeg om de schouders van den jongen man een prachtigen mantel, die niet alleen hemzelf bedekte maar ook zijn paard tot aan de hoeven reikte. Hoe kostbaar was die: en daarbij kon hij den held nooit anders dan geluk aanbrengen! Er werd gezegd, dat er alleen dertig beurzen goud noodig waren geweest voor het voeren er van, en welk een som moest de stof zelf hebben gekost.
Prins Maximus sloeg alles gade en zag met naijverige oogen, hoe de voïvode Milosh de geschenken ontving, die voor hem, den waren bruidegom, bestemd waren. Toen de groote poort van het plein werd geopend, en de svats achter elkaar er uitgingen, ontving ieder van de dienaren van den doge een stuk kostbare zijde en een doos, die verschillende geschenken bevatte. Daarna zeilden zij in de galeien weg.
Weldra bereikten zij de vlakte van Zablak, waar zij samen waren gekomen, toen zij hun reis begonnen. Prins Maximus was vooruit gereden met zijn tien wapenbroeders, teneinde zoo spoedig mogelijk het heugelijk bericht aan zijn moeder mede te deelen. Toen de voïvode Milosh zag, dat Prins Maximus uit het gezicht was, gaf hij zijn paard de sporen en toen hij bij de bruid en den dever kwam, nam hij stoutmoedig de hand van het edele meisje. De bruid, die in haar onschuld meende, dat hij Prins Maximus was, sloeg haar sluier terug en reikte den valschen bruigom haar hand.
De Prinses verneemt de misleiding.