Heldensagen en Legenden van de Serviërs

Chapter 10

Chapter 104,140 wordsPublic domain

Raviyoyla vluchtte reeds over den bergtop, en toen Sharatz haar in het oog kreeg, sprong hij haar onstuimig achterna, met sprongen van drie lansen hoog zich telkens de lucht inwerpend. In enkele oogenblikken had Sharatz de veela ingehaald, die ten zeerste verschrikt omhoog vluchtte, naar de wolken. Maar Marko slingerde zonder deernis zijn verreikenden knuppel en raakte haar tusschen de blanke schouders. Onmiddellijk viel zij ter aarde, Marko raakte haar nog verscheidene keeren, toen zij op aarde lag, uitroepende: "O, veela! Dat God het aan u wreke! Waarom hebt gij de keel en het hart doorboord van mijn lieven pobratim? Gij deedt beter hem genezende kruiden te geven, anders zult gij niet veel langer uw hoofd op uw schouders dragen!"

De veela smeekte Marko haar te vergeven, en haar broeder-in-God te worden. "Om Gods wil, o mijn broeder Marko, en in den naam van den heiligen Johannes," riep zij, "spaar mijn leven, dan zal ik over den berg gaan en kruiden zoeken en de wonden van uw pobratim genezen!"

Het aanroepen van den naam van den heilige miste zijn uitwerking op Marko niet. Hij liet de veela vrij, die dadelijk ging, hoewel zij zich niet buiten het bereik van Marko's gehoor en stem begeven mocht en steeds zijn roep moest beantwoorden.

Toen de veela kruiden had verzameld, bracht zij ze aan Milosh en genas zijn wonden; niet alleen herstelde zijn stem geheel, maar ze was mooier dan te voren en zijn hart was gezonder. Toen reden de broeders-in-God regelrecht naar het gebied van Poretch, waar zij de rivier Timok over gingen en weldra aan de stad Bregovo kwamen, vanwaar zij, na er een poos vertoefd te hebben, vertrokken naar het gebied van Vidin. Toen de veela zich weer bij haar zusters gevoegd had, waarschuwde zij haar met de volgende woorden: "Luistert, veela's, mijn zusters. Schiet geen helden in het gebergte met uw pijlen en bogen, zoolang de koninklijke Prins Marko en zijn Sharatz leven. O, wat heb ik, beklagenswaardige, heden van zijn handen moeten lijden! Ja, ik verbaas er mij over, dat ik nog leef!"

Prins Marko en de Turksche jagers.

Amouradh, de groot-vizier, trok eens uit met een jachtgezelschap van twaalf Turksche krijgslieden, waarbij hij ook Prins Marko had uitgenoodigd. Zij joegen drie dagen, zonder in het woud op de hellingen van het gebergte op wild te stooten. Maar zie, daar zagen zij eensklaps een groen meer, waarop een vlucht wilde eenden zwom! De vizier liet zijn valk los en beval hem neer te schieten op een goudgevleugelden eend. De valk was echter niet eens in de gelegenheid den eend te zien, zoo snel vloog deze naar de wolken; wat de valk betrof, die streek op de takken van een pijnboom neer.

Toen sprak Prins Marko tot den vizier: "Is het mij vergund, o vizier Amouradh, mijn valk los te laten en te beproeven den goudgevleugelden eend te vangen?" "Zeker moogt gij dat, Prins Marko," antwoordde de vizier.

Toen liet de koninklijke Prins Marko zijn valk los en de vogel steeg omhoog naar de wolken, viel daar de prooi met gouden vleugels aan en droeg haar omlaag naar den voet van den groenen pijnboom.

Toen de valk van Amouradh dit zag, werd hij zeer opgewonden, en zijn natuur getrouw, trachtte hij den buit van den anderen te grijpen; hij wendde zich met een heftige beweging naar zijn mededinger en beproefde den eend uit zijn klauwen te trekken. Maar de valk van Marko was buitengewoon dapper, ook in dit opzicht zijn meester waardig en wilde zijn welverdiend zegeteeken aan niemand afstaan dan aan zijn meester. Daarom verzette hij zich vinnig tegen den valk van Amouradh en trok heftig aan diens trotsche veeren.

Toen de vizier dit zag, werd hij ook opgewonden en stormde in groote woede naar de strijdenden en slingerde den valk van Prins Marko driftig tegen een pijnboom, zoodat zijn rechter vleugel brak. Daarna steeg hij met zijn volgelingen te paard en rende weg van het tooneel van zijn gewelddaad.

De edele valk weeklaagde, toen hij op den grond lag, van pijn, en Prins Marko kwam spoedig naar hem toe en drukte hem tegen zijn borst, want hij hield heel veel van hem. Daarna verbond hij teeder zijn gewonden vleugel en sprak den vogel geroerd toe: "Wee u en mij, mijn valk, dat wij gingen jagen met den Turk zonder onze dierbare Serviërs, want de Turk moet steeds de rechten van anderen schenden!"

Nadat hij den vleugel van den valk had verbonden, sprong Marko op Sharatz en rende door het bosch zoo snel als een veela. Weldra had hij den berg achter zich gelaten en zag hij de vluchtende Turken voor zich. De vizier wendde zich om in het zadel en zag, dat Marko hen op eenigen afstand volgde, waarom hij aldus zijn twaalf metgezellen aansprak: "Gij, mijn kinderen--gij, twaalf dappere helden; ziet gij gindschen bergnevel naderen, die den koninklijken Prins Marko omhult? Hoort, hoe geweldig hij zijn Sharatz aanzet. God alleen weet, wat ons boven het hoofd hangt!"

De wraak van Marko.

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of Prins Marko was reeds bij hen, terwijl hij zijn glinsterend zwaard zwaaide. Onmiddellijk verspreidden de twaalf Turken zich als een zwerm musschen, die verschrikt werden door een roofvogel. Marko viel den vizier aan, en kliefde met zijn sabel zijn hoofd. Daarna achtervolgde hij de twaalf krijgslieden; elk hunner hieuw hij, door hun Turksche sjerp heen, doormidden.

Daarna stond hij een oogenblik in twijfel: "O, wat moet ik nu doen? Moet ik naar den Sultan te Yedrenet gaan, of deed ik misschien beter terug te keeren naar mijn witte kasteel te Prilip?"

Na lang beraad kwam hij tot het besluit, dat het beter zou zijn naar den Sultan te gaan en zelf verslag te doen van wat er was gebeurd, dan zijn vijanden gelegenheid te geven hem te belasteren bij den Padishah.

Toen Prins Marko te Yedrenet kwam, werd hij onmiddellijk in de raadszaal door den Sultan ontvangen.

Een dichter zegt in de beschrijving van Marko's oogen, dat ze even helder en wreed waren als die van een hongerigen wolf; en de Sultan werd verschrikt door het bliksemend licht, dat er uit straalde. Hij achtte het verstandig geen hoogen toon aan te slaan en zei daarom vriendelijk tot den held: "O, mijn lieve zoon Marko, waarom zijt gij heden zoo verstoord? Hebt gij misschien gebrek aan goud?"

Prins Marko vertelde den Sultan, wat gebeurd was met zijn vizier Amouradh; geen enkele bijzonderheid hield hij voor zich. Toen hij zijn verhaal geëindigd had, schudde de Sultan van het lachen en stelde Prins Marko gerust: "Dat slechts zegeningen uw deel zijn, mijn lieve zoon Marko!" zei hij. "Indien gij u anders hadt gedragen, dan zou ik u niet mijn zoon genoemd hebben. Iedere Turk kan vizier worden, maar er is geen held, die zich met Marko meten kan!" Bij deze woorden stak de Sultan zijn hand in zijn met zijde gevoerden zak; haalde er een beurs met duizend dukaten uit en bood haar Prins Marko aan met de woorden: "Neem dit aan als een gift van mij, o liefste zoon Marko, drink wat wijn en ga in vrede!" Marko was gansch niet ongeneigd de beurs te aanvaarden en verliet de raadszaal.

Het was echter geen vriendelijkheid, die den Sultan tot deze schijnbare edelmoedigheid jegens Marko dreef; integendeel, hij was buitengewoon bang voor hem en verlangde slechts naar zijn spoedig vertrek.

Prins Marko en Moussa Kessedjiya [39].

Moussa Arbanass [40] dronk op zekeren dag wijn in een witte herberg in Istamboel. Toen hij vrij veel had gedronken, sprak hij aldus: "Het zal nu ongeveer negen jaar geleden zijn, dat ik in dienst trad van den sultan te Istamboel; toch heeft hij mij nimmer een paard, noch wapenen, noch een fluweelen mantel gegeven! Op mijn woord, ik zal tegen hem opstaan. Ik zal naar de kust gaan, op de schepen in de havens beslag leggen en al de wegen bezetten, die er heen leiden: en dan zal ik voor mij zelf een koula bouwen, waarom heen ik galgen zal oprichten met ijzeren haken, en daaraan zullen zijn hodja's (priesters) en hadji's (pelgrims) hangen."

De bedreigingen, die de Albanees in zijn dronkenschap uitte, voerde hij ook werkelijk uit, toen hij zijn roes had uitgeslapen. Hij werd een opstandeling, nam bezit van de zeehavens en de hoofdwegen, nam de rijke kooplieden gevangen en beroofde hen en hing de hodja's en hadji's van den Sultan op. Toen de Sultan van al deze wandaden hoorde, zond hij den groot-vizier Tyouprilitch met drie duizend manschappen uit om Moussa te onderwerpen. Maar, helaas! Nauwelijks had het Turksche leger de kust der zee bereikt, of Moussa joeg het uiteen en nam den groot-vizier gevangen. Hij bond hem aan handen en voeten en zond hem aldus naar zijn heer te Istamboel terug.

Nu vaardigde de Sultan in wanhoop een proclamatie uit over geheel zijn uitgestrekt rijk, waarin hij ontzaglijke rijkdommen beloofde aan den ridder, die den oproerling zou overwinnen. Menig dapper ridder trok uit om den oproerling te bevechten, maar helaas, niet een keerde naar Istamboel terug om het beloofde goud op te eischen! Deze vernedering bereidde den Sultan onuitsprekelijk veel verdriet en zorg.

Eindelijk kwam de groot-vizier Tyouprilitch tot hem en zei: "Sire, roemrijke Sultan! Indien wij nu slechts den koninklijken Prins Marko bij ons hadden! Hij zou Moussa, den Bullebak, zeker overwinnen!"

"O, martel mijn ziel niet door over den vorstelijken ridder Marko te spreken! Zijn beenderen moeten reeds lang verbleekt zijn, want er zijn op zijn minst drie jaren voorbij gegaan, sinds ik hem in mijn donkersten kerker wierp, waarvan de deur stevig gesloten bleef."

Daarop vroeg de vizier: "Genadig heer, wat zoudt u den man geven, die Marko levend in uw tegenwoordigheid bracht?" En de machtige Sultan antwoordde: "Ik zou hem het vizierschap over Bosnië geven met de belofte daar negen jaar te mogen blijven, zonder teruggeroepen te worden en ik zou zelfs geen dinar vragen van de inkomsten en belastingen, die hij mocht verzamelen."

Er wordt om Marko gezonden.

Dit hoorende spoedde de sluwe vizier zich naar de gevangenis, opende de deur van den kerker, haalde er den koninklijken Prins Marko uit en leidde hem voor den Sultan. Het haar van Marko was zo lang geworden, dat het tot den grond reikte. Op de helft sliep hij 's nachts, terwijl hij zich met de andere helft bedekte. Zijn nagels waren zoo lang, dat hij er mede kon ploegen, door het vocht en het vuil van den kerker was hij zoo veranderd, dat hij zoo zwart leek als een zwarte steen.

Toen de Sultan hem zag, riep hij uit: "Leeft gij nog, Marko?" "Ja ik leef nog, maar kan nauwelijks mijn ledematen gebruiken," antwoordde de held.

De sultan ging voort en vertelde Marko van de wandaden van Moussa en vroeg hem: "Zoudt gij in staat zijn, o, Marko, naar de zeekust te gaan en Moussa Kessedjiya te dooden? Indien gij dat wildet doen, zou ik u graag zooveel geld geven, als gij maar wenschen kunt."

Hierop antwoordde Prins Marko: "Helaas, o Sire, de vochtigheid van den steenen kerker heeft mijn ledematen verlamd en mijn oogen verzwakt. Hoe zou ik het wagen met Moussa een tweegevecht aan te gaan? Maar indien gij wilt, dat ik die heldendaad onderneem, verleen mij dan gastvrijheid in een goede herberg, voorzie mij van een overvloed van wijn en brandewijn, vet schapenvleesch en goed wit brood; misschien, dat ik dan weer mijn krachten terug krijg. Ik zal het u doen weten, zoodra ik mij in staat voel een tweegevecht aan te gaan."

Toen hij dit vernam, riep de Sultan eenige dienaren om Marko te wasschen, zijn haar te knippen, hem te scheren en zijn nagels te knippen. Daarna liet hij hem met eerbewijzen brengen naar de Nieuwe Herberg, waar alles, wat hij begeeren kon, in overvloed aanwezig was.

Marko bleef drie maanden in de herberg, at en dronk vol ijver en zoo was hij reeds vrijwel op krachten gekomen, toen de Sultan hem vroeg: "Voelt gij u thans in staat Moussa te overwinnen, want mijn arme onderdanen zenden mij onophoudelijk klachten over dien vervloekten roover?"

En Marko antwoordde den Sultan aldus: "Laat mij een stuk volkomen droog hout van een mispelboom brengen, dat negen jaar geleden afgehouwen is, opdat ik mijn kracht beproeve!" Toen het stuk hout gebracht werd, nam Marko het in zijn rechterhand en drukte het zoo hard samen, dat het in drie stukken brak. "Op mijn woord, Sire, mijn tijd is nog niet gekomen; het tweegevecht met zulk een gevaarlijk tegenstander als Moussa durf ik nog niet aan!"

Dus bleef Marko nog een maand in de Nieuwe Herberg, etende, drinkende en rustende, totdat hij zich wat sterker voelde. Daarna vroeg hij weer om een droog stuk van een mispelboom. Toen het hout hem werd gebracht, drukte hij het met zijn rechterhand samen, totdat het in stukken brak en nu kwamen er twee druppels water uit. Toen zei Marko tegen den Sultan: "Sire, nu ben ik gereed het tweegevecht aan te gaan."

Marko bestelt een zwaard.

Marko ging regelrecht van het paleis naar Novak, den beroemden wapensmid. "Maak mij een mooier zwaard dan gij ooit vervaardigd hebt, o, Novak!" zei Marko en hij gaf den wapensmid dertig dukaten en ging naar de herberg. Daar bleef hij om de paar volgende dagen te besteden aan het drinken van rooden wijn en keerde toen bij den smid terug. "Zijt gij met mijn zwaard gereed, o Novak?"

De wapensmid bracht het zwaard en gaf het aan Marko, die vroeg: "Is het goed?"

"Daar is het zwaard en hier is het aambeeld; daarop kunt gij de hoedanigheid van uw zwaard beproeven?" antwoordde Novak rustig.

Daarop hief Marko zijn zwaard op en sloeg er zoo hard mede op het aambeeld dat hij dat recht door midden hakte.

"O Novak de wapensmid, zeg mij naar waarheid,--en moge God u helpen--hebt gij ooit een beter zwaard gemaakt?"

En Novak antwoordde: "Daar gij den naam van den waren God aanroept, moet ik u in alle oprechtheid antwoorden, dat ik eens een beter zwaard heb gemaakt; ja, en dat was ook voor een beter krijgsman. Toen Moussa een oproerling werd en zich naar de zeekust begaf, beval hij mij een zwaard te maken, waarmede hij recht door het aambeeld sneed evenals gij hebt gedaan en eveneens door den eikenstronk, waarop het stond."

Dit maakte Marko woedend.

"Houd uw hand op, Novak, opdat ik u kan betalen voor mijn zwaard!" Nauwelijks had de man zijn rechterarm uitgestoken, of Marko sloeg dien met een snelle beweging tot bij den schouder af.

"Nu, o Novak, kunt gij van dezen dag af geen beter, noch een slechter zwaard maken dan het mijne! En neem deze honderd dukaten voor belooning."

Marko ontmoet Moussa.

Toen besteeg Marko zijn Sharatz en reed naar de zee, den geheelen weg langs vragende, waar hij Moussa zou kunnen vinden. Op zekeren morgen heel vroeg reed hij de engte van Katchanik in, waar hij eensklaps Moussa Kessedjiya zag, die bedaard op zijn zwarte paard zat met gekruiste beenen en zijn knots naar de wolken wierp en weer met zijn rechterhand opving. Toen de twee ridders elkaar ontmoetten, zei Marko tegen Moussa: "Ridderlijke Moussa, ga terzijde en laat het pad vrij voor mijn Sharatz om voorbij te gaan! Ga terzijde of buig voor mij!"

Hierop antwoordde Moussa: "Ga rustig verder, Marko, begin geen twist. Nog beter, laat ons afstijgen en samen wat gebruiken. Ik zal nooit terzijde gaan om plaats voor u te maken. Ik weet heel goed, dat gij geboren werd uit een koningin in een paleis en op zijden kussens werd gelegd. Ongetwijfeld wikkelde uw moeder u in zuivere zijde, en maakte zij de zijde vast met gouden draden en gaf u honig en suiker; mijn moeder was een arme Albaneesche, en ik werd geboren op de koude rotsen naast de schapen, die zij hoedde; en zij wikkelde mij in ruwe, zwarte stof en bond die om mij heen met doornentakken; zij voedde mij met havermeel--en zij liet er mij een eed op doen, dat ik nooit voor iemand opzij zou gaan." Dit hoorende wierp Marko van Prilip zijn speer naar de borst van Moussa, maar de woeste Albanees ving die met zijn krijgsknots op, ze schampte af, en suisde hoog boven zijn hoofd. Toen trok Moussa zijn eigen speer en mikte op de borst van Marko. Maar de koninklijke held ving ze op zijn knots op en ze brak in drie stukken. Zij trokken nu beiden hun zwaard uit de scheede en vielen op elkaar aan. Marko deed een krachtigen uitval, maar Moussa stelde zich met zijn knots te weer en Marko's zwaard was verbrijzeld. Onmiddellijk hief Moussa zijn eigen zwaard op, om zijn tegenstander te raken, maar Marko ving den slag op dezelfde manier op en het wapen brak bij het gevest af. Daarna bewerkten zij elkaar met hun knotsen, totdat ook deze braken. Toen stegen zij af en grepen elkaar met groote woestheid aan. De beroemde helden stonden elkaar, de ridderlijke Moussa en de koninklijke Marko. Moussa kon Marko niet ter aarde krijgen en Marko kon Moussa niet overwinnen. Een ganschen zomermorgen worstelden zij met elkaar. Ongeveer op het middaguur kwam wit schuim op de lippen van Moussa en Marko's lippen waren bedekt met schuim en bloed.

Toen riep Moussa uit: "Werp mij neer o, Marko! of indien gij dat niet kunt, laat mij u dan neerwerpen!"

Marko deed al zijn best, maar zijn pogingen waren vergeefs. Toen Moussa dit zag, spande hij zijn laatste krachten in, hief Marko van den grond op, wierp hem in het gras en drukte zijn knieën op zijn borst.

Marko riep, toen hij zag in welk gevaar hij zich bevond: "Waar zijt gij nu, mijn zuster-in-God, gij veela? Waar zijt gij heden,--dat gij geen oogenblik langer leven moogt! Nu zie ik, dat uw eed valsch was, toen gij mij zwoert, dat gij mij in gevaar zoudt bijstaan!"

Toen verscheen de veela van achter de wolken en zei: "O, mijn broeder, koninklijke Prins Marko! Zijt gij mijn woorden vergeten: Ik heb u gezegd, dat gij nooit op Zondag zoudt vechten? Ik kan u niet helpen, want het zou niet eerlijk zijn, dat twee tegen een streden. Waar zijn uw verborgen dolken?"

Moussa wierp een blik naar de wolken om te zien, vanwaar de stem kwam en dit was zijn ongeluk, want Marko maakte van dat oogenblik gebruik, trok een verborgen degen en sneed met een plotselingen stoot Moussa's lichaam open van zijn middel tot zijn nek.

Marko maakte zich met moeite los uit de omhelzing van den afzichtelijken Moussa en daar het lijk op den rug lag, zag de Prins door de gapende wond, dat zijn tegenstander drie rijen ribben had en drie harten. De wanden van een der harten waren ingevallen, een ander klopte nog heftig, op het derde ontwaakte juist een slang, en toen deze Marko zag, siste ze tegen Marko: "Dank God, o koninklijke Prins Marko, dat ik sliep, terwijl Moussa leefde, want een drievoudig ongeluk zou u anders getroffen hebben!"

Toen Marko dit hoorde, stroomden de tranen langs zijn wangen en hij jammerde: "Helaas! Genadige God, vergeef mij, ik heb een beter ridder gedood dan ik ben!"

Daarna sloeg hij het hoofd van Moussa af met zijn zwaard, stak het in den voederzak van Sharatz, en keerde zegevierend naar Istamboel terug. Toen hij het hoofd van Moussa voor den Sultan wierp, was deze vorst zoo ontsteld, dat hij opsprong "Vrees den doode niet, o genadig Sultan! Indien gij reeds verschrikt zijt bij het zien van Moussa's hoofd, wat zoudt gij dan wel gedaan hebben, indien gij hem levend had ontmoet?"

De Sultan gaf drie tovars goud aan Marko, die naar zijn kasteel te Prilip terugkeerde.

Wat Moussa de Bullebak betrof, hij bleef op den top van den berg Katchanik.

De dood van Prins Marko.

Vroeg in den morgen, op een rustdag, reed Prins Marko langs het strand. Hij volgde een rijpad, dat langs de hellingen van den berg Ourvinia voerde, en toen hij bijna den top had bereikt, struikelde zijn getrouwe Sharatz plotseling en begon tranen te storten. Zijn gekerm trof Marko's hart en hij sprak zijn lieveling aldus aan: "Eilaas! lieve Sharo, mijn dierbaarste schat! Zie! wij hebben samen gelukkig geleefd gedurende vele zomers, als trouwe makkers; tot nu toe zijt gij nooit gestruikeld en heden schreien uw oogen voor het eerst: God alleen weet, welk lot ons wacht, maar ik weet, dat dit het teeken is, dat uw leven of het mijne in groot gevaar verkeert en dat een van ons veroordeeld is te sterven."

Toen Marko aldus tot zijn Sharatz gesproken had, riep de veela van den berg Ourvinia tot hem: "Mijn lieve broeder-in-God! O, koninklijke Prins Marko! Weet gij, niet mijn broeder, waarom uw paard struikelt? Uw Sharatz heeft verdriet om u, zijn meester. Weet, dat gij binnen kort van hem zult scheiden!"

Marko antwoordde: "O, gij witte veela! Dat uw keel u pijnige om deze uwe woorden: Hoe zou ik in deze wereld ooit gescheiden kunnen leven van Sharatz, die mij door menig land en menige stad gedragen heeft van den ochtend totdat de zon onderging; geen beter ros betrad onze aarde dan Sharatz. Zoolang mijn hoofd op mijn schouders rust, wil ik nooit gescheiden zijn van mijn geliefd paard!"

En weer riep de veela: "O, mijn broeder, koninklijke Prins Marko, er is geen kracht, die u uw Sharatz ontrukken kan; gij kunt niet sterven door het blinkend zwaard van eenig held of de strijdknots of de speer van een krijgsman; gij vreest geen held op aarde--maar, helaas! gij moet sterven, o, Marko! De dood, de oude vernietiger, zal u treffen. Indien gij mij niet wilt gelooven, spoed u dan naar den top van den berg, kijk naar rechts en naar links en gij zult twee hooge pijnboomen zien, bedekt met nieuwe, groene naalden, en die zich hoog verheffen boven de andere boomen van het bosch. Tusschen die pijnboomen bevindt zich een bron; stijg daar af en bindt uw Sharatz aan een der pijnboomen; buig u dan neer en de bron zal uw gelaat weerspiegelen. Zie, en gij zult weten, wanneer de dood u wacht!"

Marko verneemt zijn lot.

Marko volgde de aanwijzingen van de veela, en toen hij op den top van den berg kwam, keek hij naar rechts en naar links, en werkelijk, hij zag de twee hooge, rechte pijnboomen, juist zooals zij ze hem had beschreven; en hij deed alles, wat zij hem had geraden te doen. Toen hij in de bron keek, zag hij zijn gelaat weerspiegelen in het water; en zie zijn lot was geschreven op de oppervlakte ervan!

Toen stortte hij vele tranen, en sprak aldus: "o gij bedriegelijke wereld, eens mijn feeënbloem! Gij waart liefelijk--maar ik vertoefde te korten tijd bij u: ternauwernood drie honderd jaar! Het uur om te vertrekken is voor mij gekomen!" Daarna trok hij zijn zwaard en spoedde zich naar Sharatz; met een houw sloeg hij het dier den kop af. Nooit zou hij door een Turk worden bestegen; nooit zou een Turksche last op zijn schoften drukken; nooit zou hij de dyugoom [41] dragen van de put voor den gehaten Muzelman!

Nu groef Marko een graf voor zijn getrouwen Sharatz en begroef hem met meer eer dan hij Andreas, zijn eigen broeder, had begraven.

Daarna brak hij zijn zwaard in vieren, opdat het niet in de handen van een Muzelman zou vallen, en opdat de Turk het niet zou zwaaien met iets van zijn eigen kracht, waardoor de vloek van het christendom op hem zou neerdalen. Daarna brak Marko zijn lans in zeven stukken en wierp die in de takken van den pijnboom. Toen nam hij zijn ontzettenden knots in zijn rechterhand en wierp dien van den berg Ourvinia ver in de donkere safieren zee met de woorden: "Als mijn knots terug keert uit de diepten van den oceaan, dan zal er een held komen, zoo groot als Marko!" Toen hij zich aldus van al zijn wapenen ontdaan had, nam hij uit zijn gordel een gouden tablet, waarop hij deze mededeeling schreef: "Aan hem, die over dezen berg gaat en aan hem, die de bron zoekt bij de pijnboomen en het lijk van Marko vindt: Weet, dat Marko dood is. Hier zijn drie beurzen, gevuld met gouden dukaten. De eene zal Marko's gift zijn voor hem, die zijn graf delft; de tweede zal gebruikt worden om kerken te versieren; het goud in de derde zal verdeeld worden onder de blinden en verminkten, opdat zij in vrede door het land mogen trekken en in hun liederen Marko's roemrijke heldendaden prijzen!"

Toen Marko dit geschreven had, bond hij het tablet aan een tak, opdat het door de voorbijgangers gezien kon worden. Hij spreidde zijn mantel uit op het gras onder de pijnboomen, maakte het teeken des kruises, trok zijn bonten muts over zijn oogen en ging liggen......

Hoe Marko gevonden werd.