Handboek voor Bijenhouders

Part 8

Chapter 84,000 wordsPublic domain

Dit afscheiden geschiedt door, op eene beschaduwde plaats, een witten doek uit te spreiden en daarop zoo veel ledige korven te plaatsen, als men denkt dat er zwermen zijn, onder elken korf een steentje of iets dergelijks leggende, zoodat hij aan den eenen kant op den doek rust, terwijl er aan den anderen eene opening, ter breedte van een vinger, tusschen hem en den doek blijft. Nu maakt men de in een korf geschepte zwermen, een weinig nat en stort hen op den doek uit. De bijen zullen hierover beginnen te loopen en men leidt haar daarbij naar een der korven: deze rigting eenmaal aangenomen hebbende, zullen zij elkander als eene kudde schapen volgen en den korf binnen trekken. Men geeft nu acht of men ook moederbijen ziet, en deze bemerkende, plaatst men er terstond een glas overheen, steekt een blikken plaatje tusschen den doek en het glas en zet dit ter zijde. Zoodra men denkt dat in een korf genoeg bijen zijn gegaan, neemt men hem weg en leidt de bijen naar een anderen, steeds acht gevende op de moederbijen. Heeft men op deze wijze de moederbijen afgevangen, dan verdeelt men de bijen in zoovele korven als er koninginnen zijn en plaatst deze elk in een moederhuisje. Het zou kunnen gebeuren dat men eene of meer moederbijen over het hoofd gezien had, en deze dus met de bijen in de korven waren getrokken. Dit zal men spoedig ontdekken aan de rustige houding, die de bijen in zulk een korf zullen aannemen, in tegenstelling van die, welke moederloos zijn. Men kan verzekerd zijn dat een zwerm van eene moederbij voorzien is, wanneer de bijen, na een half uur in den korf geweest te zijn, rustig blijven en zich boven in tot een digten tros vereenigen. Die, welke moederloos zijn, zullen onrustig worden, heen en weder loopen en den korf weder beginnen te verlaten. Aan deze geeft men, zoo spoedig mogelijk, eene der koninginnen (doch laat haar in het huisje besloten) waarna zij zich terstond bevredigd zullen toonen, door de gevangen moederbij te omringen, zich als een tros er om heen verzamelende. Men moet zooveel mogelijk zorgen dat er geen twee koninginnen in een korf komen, want eene derzelve zou zeker worden afgestoken, terwijl ook de andere gevaar zou loopen van te worden beschadigd en men dus beide kon verliezen. Heeft men eene of meer moederbijen overgehouden, dan moet men uit elken korf wat bijen scheppen, zoodat men voor elk van haar nog eene voldoende hoeveelheid bijen bekomt. Voor het geval, dat dit terugscheppen noodig was, is het dat men de koninginnen in de moederhuisjes moet laten blijven; men zou toch anders gevaar loopen ook de moederbij terug te nemen. Wanneer eindelijk alle korven in orde zijn, dan zet men hen op de bestemde plaats of doet de bijen aldaar in die woning, waarin men haar wenscht te houden, en laat daarna de koninginnen los.

Op sterk bezette bijenstanden vliegen soms, van tien tot twintig stokken te gelijk, zwermen af, die allen ondereen op één hoop vallen. In zulk een geval is het ondoenlijk hen op de voorgaande wijze te scheiden. Men schept dan de bijen in eenige korven, zoodat elk daarvan een genoegzaam aantal krijgt, en zet deze op eenigen afstand van elkander neder. Die korven, waarin geene moederbij is, zullen de bijen spoedig verlaten en zich dan gewoonlijk over de andere verdeelen; terwijl dat in die korven, waar er meer dan ééne in gekomen is, de overtollige gedood zullen worden. [9]

Men kan ook de geheele bijenmassa in eene groote kuip scheppen, in deze eenige houten staven in het rond zetten, haar dan met een luchtig kleed goed digt dekken, en tot den volgenden morgen rustig laten staan. Gedurende den nacht zullen de zwermen zich grootendeels van elkander gescheiden, en zich ieder om eene staaf gehangen hebben. Men neemt nu elken zwerm, aan de staaf gehecht, uit de kuip en doet hem in de voor hem bestemde woning.

De vereeniging van zwermen kan ook door den eigenaar bewerkstelligd worden, om van eenige kleine nazwermen, een volkrijken daar te stellen. Men moet intusschen wel in aanmerking nemen, dat men voor- en na-zwermen slechts met groot gevaar met elkander vereenigen kan; want zwermen met bevruchte en onbevruchte moederbijen zijn elkanders doodsvijanden. Bij de vereeniging zou juist de bevruchte moederbij, de traagste zijnde, het meest gevaar loopen om te komen. Ook zouden de werkbijen elkander bij duizenden afsteken. Wilde men hen daarom volstrekt bij elkander plaatsen, dan zou men de jonge moederbij uit den nazwerm moeten vangen, en de bijen zeer sterk met muskuswater [10] moeten besprenkelen.

NOODZWERMEN.

Somtijds verlaat eene geheele bijenkolonie, in het vroege voorjaar of zelfs ook reeds in het najaar, hare woning. De nood dringt haar hiertoe, hetzij dat de woning door instorting van den wasbouw, door stank van muizen, motten of andere onreinheden onbewoonbaar voor haar is geworden, hetzij dat haar geheele voorraad opgeteerd is. In dit geval noemt men den noodzwerm ook wel hongerzwerm.

De noodzwermen bedelen zich soms bij moederlooze of zwak bevolkte stokken in, waarom zij ook wel bedelzwermen heeten. Meestal hangen zij zich echter hier of daar aan en komen van gebrek om.

HET AFVLIEGEN, HET AANLEGGEN EN HET OPVANGEN VAN DE ZWERMEN.

Vroeger meende men dat bij het afvliegen van een zwerm de moederbij voorging, en den geheelen zwerm tot geleide diende. Dit is echter zoo niet. Een gedeelte der werkbijen opent den togt, en men heeft zelfs gezien dat koninginnen, die door een gebrek aan de pooten of vleugels de woning niet konden verlaten, er door de werkbijen met geweld uitgedreven werden.

Bij een voorzwerm trekt gewoonlijk eerst ongeveer de helft van zijn volk, in vrolijke drift uit de woning; dan wordt de vliegplank ledig, en kan men veelal de koningin te voorschijn zien komen, alleen begeleid door de zoogenaamde lijfwacht. Dikwijls vertoeft zij een oogenblik op de vliegplank, alsof zij zich nog eens bedenken wilde, en vliegt dan af, waarna het overige van den zwerm haar volgt. Het gebeurt ook wel dat zij niet af wil vliegen, maar in de woning terugkeert, misschien omdat het weder haar niet bevalt. In dit geval blijven de uitgevlogen bijen niet lang buiten; want de koningin missende, vliegen zij spoedig weder op den moederstok terug. Wanneer het weder den volgenden dag gunstig is, dan kan men den zwerm op nieuw verwachten.

Door een gebrek aan de vleugels, wordt de moederbij wel eens verhinderd den zwerm te volgen; zij valt dan op eenigen afstand van de woning neêr. De zwermende bijen zullen haar daar gewoonlijk niet ontdekken. Ziet men een zwerm lang dralen met zich aan te leggen, dan moet men omzien of men de koningin ook op den grond vindt. Zij is daar spoedig te ontdekken, omdat zij steeds door enkele bijen zal omringd zijn, die haar geheel zullen bedekken. Doet men deze met een houtje of iets dergelijks wat op zijde, dan zal men de moederbij in het gezigt krijgen. Vindt men haar spoedig genoeg, om haar aan de zich hier of daar reeds aangelegd hebbende bijen te geven, dan zullen de nog omzwervende zich ook spoedig om haar heen verzamelen, en de zwerm zal geslaagd zijn. Ook kan men de moederbij, in een moederhuisje geplaatst, in de voor den zwerm bestemde woning zetten, waarna men deze op de plaats van den moederstok stelt. De bijen, hare koningin missende, zullen weder op den moederstok willen vliegen, en in plaats van dezen zullen zij eene ledige woning vinden, die zij, nu zij er hare koningin in ontdekken, met vreugde zullen aannemen. Men moet met deze handelwijze vlug te werk gaan, en zal dan zelfs van het opvangen van den zwerm ontslagen zijn.

Hoe men ook met eene gebrekkige moederbij handelen moge, men moet haar nooit aan den moederstok terug geven; want den volgenden dag zou zij weder afkomen. Haar te dooden zou ongeraden zijn; want voor de eijerlage is zij even goed als eene geheel gezonde. Men moet haar dan liever voor een kunstzwerm bezigen, en in den herfst door eene jonge vervangen.

Er zijn gewoonlijk verscheidene moederbijen in die zwermen, die met jonge moederbijen afgaan. Deze komen dan niet geregeld, maar verstrooid, uit de woning; nu eens bij het begin, dan weder in het midden, soms zelfs op het einde van den zwerm. Men mag dus wel aannemen dat de werkbijen en niet de koninginnen de eerste aanleiding tot het zwermen geven. De laatste, bij de verwarring van het zwermen, door de werkbijen niet meer bewaakt wordende en geene thu-toonen hoorende, verlaten hare cel en worden door de zwermende bijen voortgestuwd. Daar de eene nu wat vroeger, de andere wat later uit de cel komt, zoo zijn zij ongeregeld in den zwerm verstrooid.

Gewoonlijk vliegen de uit de woning stroomende bijen, onder het aanheffen van den zwermtoon, zoolang in den omtrek van den bijenstand rond, totdat de geheele zwerm den stok heeft verlaten. Bevindt de koningin zich in haar midden en hebben zij zich daarvan verzekerd, dan trekken de bijen zich meer en meer zamen en leggen zich hier of daar aan. Meestal geschiedt dit aan een boomtak of struik. Aanvankelijk zetten slechts enkelen zich neêr, welke door anderen gevolgd worden; daarbij voegt zich de koningin en eindelijk ook al de overige bijen, zoodat zij ten slotte in een belangrijken tros, veel op een druiventros gelijkende, aanhangen. De zwerm legt zich altijd dáár aan, waar zich de koningin bevindt; daar deze echter het vliegen niet gewoon is, zet zij zich soms op het eerste het beste rustpunt neder, of wordt ook wel eens door eene windvlaag neêrgeworpen, waardoor de zwermen veeltijds op die plaatsen aanleggen, die het ongeschiktst zijn om hen op te vangen. Soms verzamelen zij zich op een dak, in eene haag of op andere lastige plaatsen. Het is mij eens gebeurd dat een zwerm zich op mijn hoed verzamelde!

Zwermen, met jonge koninginnen, leggen zich ook veelal in verscheidene trossen aan; want, waar zich eene moederbij nederzet, daar zullen de haar omringende bijen zich ook plaatsen. Deze verschillende trossen voegt men in ééne woning bij elkander, sluit haar met een doek, die de lucht gemakkelijk doorlaat en zet haar aldus op eene koele, donkere plaats. Gedurende den nacht zullen dan de bijen de overtollige koninginnen dooden. Zet men de woning den volgenden morgen op hare plaats, dan zullen zij haar zelden meer verlaten. De aldus opgevangen bijen moet men zoo spoedig mogelijk van de zwermplaats verwijderen, daar er anders te veel aan die plaats gewennen en er blijven hangen. Heeft men den zwerm spoedig weggenomen, dan zullen de achtergebleven bijen, die hare moederbij niet vinden kunnen, op den moederstok terug vliegen. Velen zullen deze handelwijze afkeuren, en de woning liever tot den avond op de zwermplaats laten staan, omdat de verspreide bijen er zich dan meer in verzameld zullen hebben. Dit is echter slechts een schijnbaar voordeel; want den volgenden morgen zullen zij, die den vorigen dag daar de vlugt leerden, weder naar de zwermplaats terug keeren. Deze verstrooide bijen kunnen als verloren beschouwd worden; want haar eigen stok weten zij niet te vinden, en indien zij op andere vliegen, dan worden zij afgestoken. Haar getal zal kleiner zijn, naarmate men den zwerm spoediger van de zwermplaats heeft verwijderd; want die bijen, die weder op den moederstok terug vliegen, zijn wel voor den zwerm, maar niet voor den eigenaar verloren.

Wil men den zwerm in eene Dzierzon'sche woning plaatsen, dan vangt men hem in een gewonen korf en zet hem op eene koele, donkere plaats tot het vallen van den avond; dan doet men hem in de voor hem bestemde woning. Dit geschiedt het best door een gedeelte der bijen, met een blank ijzeren vuurlepel, voorzigtig uit den korf in de woning te scheppen. Zij zullen zich dadelijk naar het voorste gedeelte daarvan begeven, en daar een vrolijken loktoon aanheffen. Nu behoeft men de opening van den korf slechts voor de woning te houden, en spoedig zullen allen er in overgaan. Men behoeft hierbij niet de minste vrees te koesteren; veeleer zal men zich vermaken bij het zien der vrolijke dieren.

Een zwerm verlaat soms plotseling zijne aanlegplaats, verheft zich in de lucht, en gaat de ruimte in. Hij is dan gewoonlijk verloren; want hij vliegt soms in een digten drom zoo snel heen, dat men hem moeijelijk volgen kan; dit wordt ook soms onmogelijk, door dat hij over water gaat of een uur en langer vliegende blijft. Eindelijk hangt hij zich van vermoeidheid hier of daar aan, en wordt hij door anderen niet opgevangen, dan komt hij gewoonlijk om. Als mij een zwerm ontvliegt, dan ga ik hem niet lang na, denkende: "zijt gij met mij niet tevreden, zoek dan een beteren meester!"

De oorzaak van het wegvliegen van een zwerm moet meestal daarin gezocht worden, dat men te lang gewacht heeft met hem op te vangen. Wanneer hij zich ergens heeft aangehangen, waar hij aan de brandende zonnestralen is blootgesteld, zoodat de hitte in den opeengepakten klomp bijen weldra ondragelijk wordt, of indien er verscheidene koninginnen in zijn, die elkander trachten af te steken, waardoor onrust in den zwerm ontstaat, dan vliegt hij spoedig het luchtruim in.

Het doel, van het eerste aanleggen van een zwerm, is voorzeker het verzamelen van alle bijen, die mede uitgetrokken zijn, ten einde een weinig uit te rusten, en dan de door de spoorbijen opgezochte woning gezamenlijk in bezit te nemen, of er op goed geluk eene te gaan zoeken.

Indien een zwerm zich zoodanig aan een boomtak heeft gehangen, dat men er een korf onmiddellijk onder kan houden, dan behoeft men tegen den tak slechts een stoot te geven, om hem grootendeels in den ondergehouden korf te doen vallen. Men stelt nu den korf zoo digt mogelijk bij de plaats, waar den zwerm heeft gehangen, en zet er aan een kant iets onder, zoodat er eene opening, van eene hand breed, overblijft. Is de koningin reeds in den korf, dan trekt zij, met de bij haar zijnde bijen, naar het bovenste gedeelte; daar verzamelen zij zich tot een digten tros, en de nog rond vliegende bijen zullen zich bij haar voegen. Was de moederbij echter niet mede in den korf gevangen, dan trekken al de bijen er weder uit en zetten zich daar aan, waar zij zich bevindt; men moet haar dan op nieuw opvangen en dit herhalen, tot men ook de moederbij heeft, dat echter meestal den eersten keer het geval zal zijn, wanneer men ten minste niet te voorbarig is geweest bij het opvangen, maar daarmede zoolang gewacht heeft, tot de zwerm zich behoorlijk had aangelegd en verzameld.

Men moet er wel op letten den korf, waar de zwerm in gevangen is, in de schaduw te plaatsen, en is daar bij de zwermplaats geene gelegenheid toe, dan brengt men schaduw aan, door eene plank tegen den korf te zetten of hem met groene takken te bedekken. Verzuimde men dit, de zwerm zou den korf weder spoedig verlaten, voortgejaagd door de brandende hitte, die de zonnestralen spoedig in den korf zouden doen ontstaan.

Om het wegvliegen der bijen, bij het opvangen van een zwerm, te voorkomen, is het goed haar nat te maken. Men doet dit het best door haar met een handvegertje te besproeijen, maar moet er niet te vlug mede zijn, doch wachten tot het grootste gedeelte van den zwerm zich heeft aangehangen; want deed men het voor dat de moederbij zich had neêrgezet, dan zouden zij weder wegvliegen en zich elders aanleggen. Met het nat maken kan men nooit kwaad doen en, wanneer de bijen al te oproerig zijn en men er geen meester over kan worden, dan kan men haar gerust druipnat maken: zijn zij weder opgedroogd, dan hebben zij er niet het minste letsel van.

Hebben de bijen zich tegen een zwaren boomtak, tegen den stam of elders zoodanig aangelegd, dat zij niet afgeschud kunnen worden, dan moet men haar met een blank ijzeren vuurlepel opscheppen, en aldus bij gedeelten in den korf brengen. Men moet daarbij in acht nemen haar langzaam, van onderaf, te scheppen, zij zullen dit gewillig toelaten en slechts weinigen zullen op den grond vallen. Men wachte zich wel van boven naar beneden te scheppen, om haar als het ware in den korf te strijken, dat oogenschijnlijk in vele gevallen gemakkelijker zou zijn; de bijen kunnen dit niet verdragen: men zou haar meest altijd in toorn brengen en er ook meer kwetsen, dan van onderaf scheppende.

Indien een zwerm zich hoog in een boom heeft gehangen, zoodat men er niet gemakkelijk bij kan klimmen, dan neemt men een ligten korf, die in den top eene opening heeft, steekt hierin een stok en houdt hem aldus onder den zwerm, terwijl een ander, met een aan een stok bevestigden haak, den tak een ruk geeft, die den zwerm in den korf doet vallen. Men zet dezen nu op den grond neder, opdat de bijen er zich in verzamelen.

Heeft een zwerm zich aldus geplaatst, dat het niet mogelijk is hem op te vangen, dan moet men trachten hem, door het aanbrengen van rook, van die plaats te verdrijven, in de hoop dat hij zich op eene meer geschikte zal aanleggen. Wanneer hij voor den rook van lappen zijne plaats niet spoedig wil verlaten, dan maakt men eene soort van lont van lappen, en doet daar wat haar tusschen; voor den rook daarvan zal hij meest altijd wijken; mogt het echter nog niet helpen, voor den rook van brandenden duivelsdrek zal hij zeker uit den weg gaan.

Is de plaats, waar de zwerm zich heeft aangelegd, zelfs niet met rook te bereiken, zonder zich zelven aan gevaar bloot te stellen, dan doet men best hem maar verloren te laten gaan, zich troostende met de gedachte, dat het beter is een zwerm te missen, dan om zijn bezit den hals te breken.

Over het algemeen kan men aannemen, dat een zwerm de hem aangewezen woning aanneemt, wanneer de bijen, tot een digten tros vereenigd, een aanvang met den wasbouw maken; terwijl er eenigen aan het vlieggat staan, die, met den kop naar hetzelve en het achterlijf naar boven gerigt, vrolijk met de vleugels slaan; dit is het gewone teeken dat de moederbij in den stok is. Men ziet dan ook reeds eenige bijen uitvliegen, en met voorraad beladen te huis komen. Andere zijn weder bezig met de woning van onzuiverheden te ontdoen, en oneffenheden weg te bijten. Dit laatste is wel als het zekerste bewijs te beschouwen, dat de zwerm de woning niet meer zal verlaten.

II. DE BIJENTEELT.

DE WONINGEN.

Deze tweede afdeeling, waarin meer bepaald de teelt der bijen zal behandeld worden, wil ik aanvangen met het beschrijven der woningen. Ik zal mij daarbij bepalen tot de Dzierzon'sche; want wilde ik, van alle vroeger en thans nog in gebruik zijnde woningen, de inrigting opgeven, dan zou ik mijn bestek ver te buiten gaan; daarenboven zou dit nutteloos zijn, daar er in onze taal verscheidene werken zijn, waarin zij goed beschreven worden. [11]

Men heeft reeds sedert eeuwen ingezien, dat de gewone bijenkorven veel te wenschen overlaten: in den bouw kan men niet zien en meest alles is van het toeval afhankelijk; de willekeur der bijen kan men niet behoorlijk tegengaan en aan zijn wil onderwerpen. Men trachtte daarom steeds betere en meer geschikte woningen uit te denken, maar die, welke men te voorschijn bragt, beantwoordden niet aan het oogmerk. Zij waren zeer zamengesteld, hoog in prijs en moeijelijk en omslagtig in de behandeling: men stelde haar daarom ter zijde en gebruikte weder strookorven.

De oude Grieken gebruikten reeds woningen met lossen bouw, doch zij waren ondoelmatig en vonden geene navolging. De eerste, die er in geslaagd is om de bijenteelt met eenig goed gevolg in zulke woningen te beoefenen, was Frans Huber, een Fransch bijenvriend, die in de tweede helft der vorige eeuw leefde. Hij werd op eene zeer eenvoudige wijze tot hare zamenstelling gebragt. Voor zijne waarnemingen omtrent het leven der bijen, gebruikte hij zeer ondiepe kasten, die slechts eene tafel konden bevatten, en waarin hij dus de bijen aan beide kanten, in al haar doen kon bespieden. Van deze kasten, welke ieder een los raampje bevatteden, waarin de tafels gebouwd moesten worden, plaatste hij er eenige tegen elkander, vereenigde die door ijzeren stangen met schroeven, en verkreeg daardoor eene woning, uit kleinere te zamen gevoegd, die naar willekeur kon worden uit elkander genomen. Hij noemde haar blad- of boek-woning, omdat men haar, even als een boek, kon openen en bezien. Al gaf zij gelegenheid om den bouw uiteen te nemen en weder zamen te voegen, waarvan men het nut erkende, voor algemeen gebruik was zij te kostbaar en te omslagtig, en werd daarom bijna geheel der vergetelheid prijs gegeven.

Aan Dzierzon komt de eer toe de teelt der bijen, in woningen met lossen bouw, gemakkelijk en voor iedereen uitvoerbaar gemaakt te hebben, en hoewel zijne woningen nog wel voor verbetering vatbaar zullen zijn, vergeten zullen zij nooit worden. Het eerst maakte hij die bekend in de Bienenzeitung voor 1845, No. 12, na haar reeds geruimen tijd, onder toepassing van zijne theorie, op zijn stand gebruikt te hebben. Later maakte hij haar, door verscheidene afzonderlijke werken, meer algemeen, zooals in zijne: "Theorie und Praxis," "Nachtrage zur Theorie und Praxis" en "Bienenfreund aus Schlesiën."

Bij de vervaardiging zijner woningen, ging hij van het beginsel uit, dat zij slechts uit ééne kast moesten bestaan, waarin de bouw gemakkelijk uiteen genomen, en zonder hem te beschadigen, weder in elkander gevoegd of in eene andere woning overgeplaatst kon worden. Dit doel heeft hij volkomen bereikt, en zijne woningen bevelen zich als van zelven aan, aan allen, die slechts willen zien en met oordeel nadenken. Zij vinden dan ook, niet slechts in geheel Duitschland, maar ook in vele andere landen, meer en meer navolging, en op vele bijenstanden hebben zij alle andere woningen geheel verdrongen.

Deze woningen en de toevallige invoering der Italiaansche bijen, hebben in de laatste tien jaren meer omtrent de huishouding der bijen aan het licht gebragt, dan alle vroegere eeuwen te zamen, en tevens doen zien, dat een aantal der vroeger als goed erkende leerstellingen, slechts fabels waren.

Dzierzon geeft twee soorten van woningen op, te weten: liggende, waarbij de lengte grooter is dan de hoogte, en staande, waarbij in tegendeel de hoogte de lengte overtreft. De ondervinding heeft geleerd dat de liggende het honigwinnen meer bevorderen, terwijl de staande het broedaanzetten meer begunstigen, daar er eene meer gelijkmatige warmte in heerscht.

Wegens de ruimere honigopbrengst zou dus de liggende woning te verkiezen zijn; doch in eene andere, zeer belangrijke zaak, staan zij weder ver achter de staande: de overwintering is toch in deze veel gemakkelijker; want in de liggende woningen hebben de bijen te weinig honig boven zich, zoodat zij in strenge winters de meer afgelegen tafels niet kunnen bereiken. Thans geeft men vrij algemeen de voorkeur aan woningen, die tusschen de liggende en de staande invallen.

Voor ik tot de beschrijving der woningen, van welke thans reeds zoo vele soorten bestaan, dat ik slechts de voornaamste behandelen kan, overga, moet ik de opmerking maken dat, welke afmetingen men zijne woningen ook geven wil, de breedte van allen volkomen dezelfde moet zijn. Voor den inwendigen afstand der zijwanden moet men dus eene bestendige maat kiezen. Deed men dit niet, men zou woningen met lossen bouw hebben, en de voornaamste van hare voordeelen missen! De staafjes, waaraan de bouw hangt, zouden verschillende lengten moeten hebben, en konden dus niet uit de eene woning in de andere geplaatst worden.

De ondervinding heeft mij geleerd, dat breede woningen moeijelijk te behandelen zijn. Den inwendigen afstand der zijwanden van allen, die ik beschrijven zal, stel ik op 9 1/2 Rhijnl. duim. De staafjes, waaraan de tafels gebouwd moeten worden, zullen dan 9 7/8 duim lang moeten zijn, omdat zij in de zijwanden in groeven, van 1/4 duim diep, gemakkelijk geschoven moeten kunnen worden, zonder dat zij daarin kunnen klemmen of er uit vallen. Eene afbeelding van een staafje ziet men in fig. 1.