Part 7
Een belangrijk voordeel bezitten deze zwermen ook in de bevruchte moederbij. Zoodra er toch cellen gereed zijn, kan zij die met eijeren bezetten en na drie weken begint het broed alweder uit te loopen, waardoor nieuwe inzamelaars in den gunstigsten tijd worden geboren, terwijl ook het dagelijksch verlies van volk, door den natuurlijken dood of door toevallige omstandigheden veroorzaakt, wordt hersteld.
Het moet ieder in het oog vallen, dat het van zeer veel belang is, dat nieuwe zwermen nog in tijds een behoorlijken wasbouw kunnen optrekken. Zonder cellen kan er toch geen broed worden aangezet, en honig noch bloemenstof worden opgelegd.
Volgens de oude leerwijze schatte men daarom de voorzwermen bijzonder hoog. Men kon toch den zwerm geen reeds bestaanden bouw toevoegen dan door hem, in het gunstigste geval, in een korf te plaatsen, waar men het vorige jaar de bijen had uitgedreven, nadat hij door haar gedeeltelijk bebouwd was. Zulk een bouw is echter in de meeste gevallen, door de daarin aanwezige wasmotmaden, geheel of gedeeltelijk bedorven, hetgeen men, omdat de bouw onbewegelijk is, niet altijd kan ontdekken. Men loopt dus gevaar meer na- dan voordeel van deze handelwijze te bekomen: ik heb er ten minste nooit het beoogde doel mede bereikt. Veeleer scheen het mij toe dat er aan de bijen de moed door benomen werd, omdat zij meestal eene vervuilde, met wasmot verontreinigde, woning ontvingen, welke te zuiveren haar meer tijd kostte, dan het optrekken van een geheel nieuwen bouw. Had men geene gedeeltelijk bebouwde korven, dan bevestigde men boven in de woning eenige stukjes van wastafels, waaraan de bijen haar bouw konden beginnen en voortzetten.
Bij de Dzierzon'sche woningen, waarin de bouw geheel aan losse staafjes hangt, zoodat men elke tafel afzonderlijk kan uitnemen, kan men de geheel ledige tafels wegnemen en zorgvuldig bewaren. Men kan dan elken zwerm een goeden bouw aanbieden; want heeft men geene ledige tafels voorhanden, dan neemt men uit andere woningen de misbare tafels, die alleen werkbijencellen bevatten, en geeft er hem zooveel, als men naar zijne sterkte noodig oordeelt. Hij kan dan terstond den medegebragten honig opleggen en dadelijk honig en bloemenstof inzamelen en bergen. De bijen behoeven nu haar tijd en hare krachten niet aan de wasbereiding op te offeren; de groote hoeveelheid honig, daartoe vereischt, blijft gespaard, en eindelijk behoeft de moederbij, voor de eijerlage, geen oogenblik naar cellen te wachten.
Het is ook zeer nuttig om bij de in te hangen wastafels er eene met honig en eene met bloemenstof te voegen. Men hangt dan eerst die met bloemenstof, daarna de ledige en eindelijk de met honig gevulde in de woning. Bij onverhoopt invallend ongunstig weder, behoedt men de bijen hierdoor voor gebrek.
Dat men de bijen de zorg voor de wasbereiding bespaart, kan ten gevolge hebben, dat zulk een zwerm zijn wintervoorraad heeft ingedragen, wanneer andere nog niets dan ledige tafels hebben. Wil men deze dan door den winter brengen, dan moet men hen sterk voeren of met anderen vereenigen.
Den kleinsten zwerm kan men ook in weinige dagen tot den sterksten maken, door tafels met broed, dat op het uitloopen is, in de woning te hangen. Men ontneemt dat aan die stokken, die er overvloed van hebben en die hun verlies, door de vruchtbare moederbij, spoedig hersteld zien. In vele gevallen is het zelfs eene nuttige berooving, omdat men er soms volkrijke stokken de gelegenheid door aanbiedt, om de ledige tafels, die de plaats van het uitgenomen broed innemen, terstond met honig te vullen, en er hun tevens verkoeling door geeft.
Het voordeel, dat de voorzwerm van de oude, bevruchte koningin heeft, en dat wij reeds opgaven, heeft slechts betrekking op den loopenden zomer; want jonge moederbijen zijn veel beter dan oude, omdat in het derde jaar hare vruchtbaarheid sterk afneemt. Wilde men nu jaarlijks den voorzwerm als zoo voordeelig blijven beschouwen, men zou zich, in het derde jaar minder en in het vierde weinig over zijn voorspoed behoeven te verheugen, maar zelfs moederloosheid kunnen verwachten, door het sterven der afgeleefde koningin. Het is dan ook voor den bijenhouder van het grootste belang, om bekend te zijn met den ouderdom der moederbijen; want het intreden van moederloosheid, in het najaar of vroeg in het voorjaar, is toch meestal daaraan toe te schrijven, dat men te weinig acht slaat op haar ouderdom. Men moet haar niet ouder dan drie jaar laten worden, doch haar dan, tegen het najaar, uit den stok nemen en vervangen door eene bevruchte, van hetzelfde jaar. Het zijn de Dzierzon'sche woningen alweder, die dit gemakkelijk maken, terwijl het in de oude moeijelijk, of in het geheel niet kan worden verrigt.
NAZWERMEN.
Alle zwermen, die na het af vliegen van den voorzwerm afkomen, worden nazwermen genoemd en naar de volgorde, waarin zij afvliegen, heeten zij de eerste nazwerm, de tweede enz. Zij zijn gewoonlijk minder sterk dan de voorzwermen en worden steeds zwakker, zoodat ten laatste zwermen afvliegen, die naauwelijks 1000 werkbijen tellen. Naar evenredigheid is het aantal hommels altijd grooter dan bij de voorzwermen.
Wanneer men het thuten der jonge moederbijen 's morgens of 's avonds in een stok gehoord heeft, dan kan men, denzelfden of den volgenden dag, bijna met zekerheid een nazwerm verwachten, wanneer het weder niet al te ongunstig is. Soms komen zij zelfs af bij koud regenachtig weder, dat men geheel ongeschikt voor het zwermen zou rekenen; wanneer de zon maar een oogenblik doorbreekt, dan maken zij van die gelegenheid gebruik om de woning te verlaten. Men moet dus in den tijd van het nazwermen, ook bij minder gunstig weder, en van 's morgens tot 's avonds, de stokken blijven bewaken.
Er is reeds opgemerkt dat de nazwermen altijd van mindere waarde zijn dan de voorzwermen; het kleiner getal bijen, het later afkomen, en het onbevrucht zijn der moederbij zijn daar oorzaak van. Het laatste is vooral van beteekenis, omdat de koningin op hare bevruchtings-uitvlugt aan vele gevaren is blootgesteld: een vogel kan haar verslinden, de wind kan haar in het water slaan, of zij kan op een vreemden stok verdwalen en daar terstond gedood worden. Komt zij om, dan moet ook de zwerm te gronde gaan. In het gunstigste geval, dat is, wanneer de koningin behoorlijk bevrucht tot haar stok terugkeert, duurt het toch nog ruim drie weken, eer dat in dezen stok jonge bijen kunnen uitloopen, terwijl het reeds klein getal dergene, die in den zwerm aanwezig waren, gedurende dien tijd nog veel verminderd is. De voornaamste honigoogst is dan ook veelal reeds geëindigd, zoodat het niet zelden gebeurt, dat zij haar wasbouw niet behoorlijk kunnen optrekken, noch haar wintervoorraad verzamelen.
Het nazwermen is eene der redenen, waarom de bijenteelt soms zoo weinig voordeel aanbrengt, en kan meestal als eene plaag voor den eigenaar beschouwd worden. Wanneer de bijen zeer zwermlustig zijn, is het gewoonlijk een slecht honigjaar; want zoolang de moederstok het zwermen niet heeft opgegeven, dat hij niet doet, voordat er maar ééne moederbij in teruggebleven is, wordt er weinig ingezameld en ook geen broed aangezet, omdat geene koningin hare bevruchtings-uitvlugt houdt, voordat zij van de alleenheerschappij verzekerd is. Gedurende dien tusschentijd, die gewoonlijk veertien dagen duurt, is meest al het aanwezige broed uitgeloopen en grootendeels met de nazwermen afgevlogen, zoodat, wanneer het zwermen eindelijk ophoudt, de moederstok overblijft, met weinig volk en van zijn grootsten voorraad beroofd; want elke zwerm neemt hiervan een gedeelte mede. Dan moet de jonge moederbij hare bevruchtings-uitvlugt houden en, zoo deze gelukkig afloopt, duurt het toch nog ruim drie weken voordat het eerste broed de cel verlaat. Men kan aannemen dat er gewoonlijk zes weken verloopen zullen, tusschen het afvliegen van den voorzwerm en het uitloopen der eerste bijen, van de jonge koningin. In dit tijdsverloop zijn, op weinige uitzonderingen na, de hoofddragten voorbij, zoodat de moederstok, zoowel als de nazwermen, wel vermeerdering van volk konden aanbrengen, doch zonder zich van leeftogt te hebben voorzien, en dus allen den hongerdood moeten sterven of gevoêrd worden.
Den moederstok het veel nazwermen te beletten werd door de bijenhouders steeds beproefd, doch men trof zelden het beoogde doel. Men zette den afgevlogen voorzwerm op de plaats van den moederstok en plaatste dezen elders, na er het koninklijke broed en het hommelbroed te hebben uitgesneden. Het volk van den moederstok gaat, bij zijne eerste uitvlugt, naar zijne oude plaats terug en versterkt den voorzwerm. De moederstok daarentegen wordt er bijna geheel door ontvolkt; want hij verliest al die bijen, die reeds van de vroegere standplaats waren uitgevlogen, zoodat het broed, bij ongunstig weder, gevaar loopt geheel af te sterven, omdat het noodige volk, ter verzorging daarvan, ontbreekt: de geheele ondergang van den stok kon hiervan het gevolg zijn.
Beter zou het zijn om den voorzwerm op de plaats van een moederstok te zetten, waarvan de voorzwerm reeds eene week te voren is afgevlogen. De vrees voor het afsterven van het broed behoeft dan zoo groot niet te zijn, omdat het hierin reeds bedekt zal zijn en gewoonlijk zonder eenige zorg zal uitkomen. Hoewel de bij den zwerm vliegende bijen vreemd zijn, zoo zal de moederbij nu geen gevaar loopen door haar aangevallen te worden; want, daar zij eene onbevruchte moederbij of slechts koninklijk broed achter lieten, zijn zij zeer verheugd nu eene bevruchte moederbij te vinden. De zwerm zal ook de vreemde bijen niet aanvallen; want in den zwermtijd zijn de bijen het verdraagzaamst jegens vreemde, ja zij nemen dan zelfs gaarne hulp aan, om den bouw des te spoediger te kunnen optrekken.
Eene andere handelwijze, om het nazwermen tegen te gaan, bestaat daarin, dat men den moederstok, na het afvliegen van den voorzwerm, omkeert en er de moederwiegen op eene na en het hommelbroed geheel uitsnijdt, en hem dan weder op zijne plaats stelt. Tien dagen later moet men dan nog eens zien of de bijen, om aan haar zwermlust te voldoen, ook hulpcellen hebben aangezet en ook deze vernietigen. Nu kunnen zij die niet meer aanzetten; want tien dagen na het afvliegen van den voorzwerm, is al het broed reeds gedekt en dus ongeschikt om er moederbijen uit aan te kweeken. Aldus handelende zal men het nazwermen geheel beletten, wanneer men maar zorgt geene moederwiegen over het hoofd te zien, hetgeen in gewone korven en alle andere woningen met vasten bouw, bijna altijd geschiedt, omdat de moederwiegen veeltijds op de onzigtbaarste en ongenaakbaarste plaatsen hangen. De schrijvers over de bijenteelt, die zeggen: "men moet de korven niet laten zwermen", alsof men dit geheel in zijne magt had, bewijzen daardoor dat zij zich niet aan de bijenstokken zelve geoefend hebben; zij zouden anders toch inzien dat dit bijna onmogelijk is. Bij woningen met lossen bouw daarentegen, zal het altijd aan de onoplettendheid van den bijenhouder zijn toe te schrijven, indien hij het nazwermen niet geheel belet, en hij is daardoor in staat gesteld om, ook in ongunstige jaren, nog eenigen honig te winnen. Den dag, na dien waarop de voorzwerm is afgevlogen, neemt hij alle tafels uit de woningen, vernietigt, zoo er nog geene jonge moederbij was uitgeloopen, alle moederwiegen tot op eene na, (had echter reeds eene jonge koningin de cel verlaten, dan vernietigt hij haar allen) en hangt den geheelen bouw weder zoo als hij gehangen heeft. Of er reeds eene moederbij is uitgeloopen kan ontdekt worden, hetzij door dat men haar gedurende de behandeling in den stok ziet, hetzij door al de moederwiegen zorgvuldig te bezien: is er eene bij, die van haar wasdeksel beroofd is, dan wordt daardoor aangetoond dat er reeds eene koningin is uitgeloopen. Had men door deze bewerking den stok soms moederloos gemaakt, dan heeft dit, in het hier gestelde geval, niet het minste bezwaar. De bijen zullen haar toestand terstond bemerken, zich onrustig betoonen, maar zich ook in haar lot schikken, den eerstvolgenden nacht hulpcellen uit het voorhanden broed aanzetten en weder aan hare gewone bezigheden gaan. Tien dagen later moet men den bouw nogmaals uiteen nemen. Ontdekt men nu geene hulpcellen, dan kan men verzekerd wezen dat er, bij de eerste uitneming, reeds eene koningin was uitgeloopen, (soms wordt dit bewezen, door dat men reeds eijeren van haar ziet) of dat de bijen, uit de haar gelaten moedercel, eene koningin bekomen hadden. Vindt men integendeel hulpcellen, dan laat men eene der grootste hangen en neemt alle andere weg. De stok zal nu weder eene moederbij bekomen, en loopt hare bevruchtings-uitvlugt gelukkig af, dan zal hij in allen deele gezond, en tegen den winter meestal ruim van voorraad voorzien zijn, en dus een goede stok wezen, met eene jonge moederbij. Mogt door deze behandeling een stok geheel moederloos worden, dan helpt men hem, door uit eene andere woning eene tafel, met eene gesloten moederwieg of met ongedekt werkbijenbroed, in te hangen.
Had men tegen alle verwachting nog eene uitgeloopen moederbij of eene moedercel over het hoofd gezien, zoodat er nog een zwerm afvloog, dan behoeft men dezen slechts op te vangen en, met een weinig water besprenkeld, op een witten doek uit te storten en in een ledigen korf te laten trekken, intusschen acht gevende op de koningin, en deze ziende, haar met een glas te bedekken en te dooden, of haar, in een moederhuisje besloten, tusschen de staafjes te hangen, waar de bijen haar gewoonlijk voedsel zullen toereiken. Men kan haar aldus tot een ander doel bewaren. De bijen, in den ledigen korf hare moederloosheid ontdekkende, zullen hem weder verlaten en op den moederstok terugvliegen.
De hier beschreven handelwijze volgt men ook wel, om in gewone strookorven de afgevlogen zwermen weder te doen terugkeeren. Men kan er dan echter lang mede aan den gang blijven; want de zwerm komt bij herhaling, wanneer weder eene moederbij is uitgeloopen, terug. Op een goed bezetten bijenstand kan men haar dan ook in het geheel niet ten uitvoer brengen.
Met een afgevlogen zwerm, dien men weder met den moederstok vereenigen wil, kan men nog op de volgende wijze te werk gaan. Men stelt den zwerm, in een ledigen korf, op de plaats van den moederstok en zet dezen, op een paar voet afstands er voor. De meeste bijen van den moederstok vliegen nu bij den zwerm, waardoor gene zóó ontvolkt wordt, dat hij verder allen lust tot zwermen zal opgeven, en de overtollige moederwiegen vernietigen. Indien er nog te veel bijen in waren gebleven, dan moet men hem bij het verzetten nog wat uitkloppen, opdat hij zooveel mogelijk verzwakt zou worden. Zoodra men bespeurt dat hij de moederwiegen vernietigd heeft, hetgeen gewoonlijk den tweeden dag reeds zal geschied zijn, stoot men er den zwerm weder op en zet hem weder op zijne oude plaats.--Op deze wijze bereikt men veelal zijn doel, hoewel er niet met zekerheid op gerekend kan worden.
Nog beter zou het zijn den zwerm niet aan zijn eigen moederstok, maar aan een anderen, dien men ook het zwermen beletten wil, te geven; hij komt dan in eene onbekende vlugt en in eene vreemde woning en, eene eigene huishouding willende beginnen, valt hij de in den stok aanwezige moedercellen vijandelijk aan, vernietigt haar, en doodt ook de overtollige moederbij, waardoor dus het zwermen van dezen stok wordt verhinderd.
Het is mij steeds voorgekomen dat men, volgens de oude leerwijze werkende, met de laatste behandeling er het best in slaagt om het zwermen te voorkomen. Met zekerheid kan men er echter niet op rekenen, maar ziet soms nog wel eens een zwerm afkomen.
Ik moet hier nog doen opmerken dat, bij het gebruik van Dzierzon'sche woningen, het verschijnen van enkele nazwermen niet als zoo nadeelig beschouwd moet worden. Door het inhangen van wastafels en tafels met broed, kan men de zwakste zwermen tot sterke maken. Men komt in het bezit van jonge, bevruchte moederbijen, die in den herfst kunnen dienen om de oude, in voorzwermen, te vervangen, en van wastafels met enkel werkbijencellen; zulke wastafels hebben, bij het volgen der nieuwe methode, eene groote waarde om haar andere stokken toe te voegen.
Wenscht men van een stok verschillende nazwermen te trekken, en wil men hem daarbij voor ontvolking bewaren, dan hangt men er aanhoudend tafels met broed in, die men ontneemt aan sterke stokken, die niet willen zwermen, hun ledige tafels in de plaats gevende. Voor deze is die berooving veeltijds eene weldaad, daar er eene veel te groote warmte in kan heerschen, en het wegnemen van het broed hun eenige verkoeling schenkt.
Heeft men in het najaar eenige zwermen, welker bouw te klein is of die te weinig voorraad hebben ingezameld, dan maakt men van twee, drie of meer stokken er een, naarmate zij sterk bevolkt zijn. Men verdeelt de tafels dan zoo, dat elke goed bevolkte stok 12 Ned. pond bedekten honig heeft, dien hij zal behoeven om de voorjaarsweide te kunnen bereiken. Men moet bij de vereeniging van stokken altijd wel in aanmerking nemen, dat het slechts geschieden kan met die, welke onmiddellijk naast elkander hebben gestaan. Den vereenigden stok zet men dan op de plaats, die het midden houdt tusschen hunne vroegere standplaatsen; want werden zij in een ander gedeelte van den bijenstand geplaatst, dan zouden de bijen hare oude plaats weder opzoeken en, daar geene woning vindende, omkomen of bij anderen ingaan en daar soms verwarring veroorzaken. Wanneer men er gelegenheid toe heeft, dan is het echter nog beter den vereenigden stok op een anderen stand te plaatsen, die ten minste een half uur van hunne oude plaats verwijderd is; vereenigt men meer dan twee zwermen met elkander, dan moet dit, om goed te slagen, altijd geschieden. De bijen komen dan in eene onbekende vlugt, die zij allen moeten leeren en vervliegen dan niet. Wanneer men de stokken in hun winterverblijf wil plaatsen, haalt men hen terug, en in het volgende jaar zullen slechts enkele bijen de vroegere standplaats opzoeken.
De jonge, bevruchte moederbijen, die men door de vereeniging van nazwermen verkrijgt, kunnen, zoo als reeds vroeger is opgemerkt, met vrucht worden gebruikt om te oud geworden koninginnen te vervangen.
ZINGENDE VOORZWERMEN.
De zingende voorzwermen zou men als eene tusschensoort, tusschen de voor- en nazwermen, kunnen beschouwen. Zij komen toch als eerste zwermen van de stokken, en zijn gewoonlijk zoo volkrijk als de voorzwermen, terwijl zij, even als de nazwermen, eene onbevruchte moederbij hebben. Zij ontstaan meestal doordat de oude moederbij is gestorven, of op eenige andere wijze verloren gegaan. Gewoonlijk is uitputting door de overmatige eijerlage, of hoogen ouderdom de oorzaak van haar dood. Zij kon echter ook door vreemde bijen zijn afgestoken of op eene andere wijze zijn omgekomen. Welke ook de oorzaak van haar verlies zijn mag, de bijen zijn er moederloos door geworden en zetten, wanneer zij haar toestand ontdekt hebben, hulpcellen aan uit het voorhanden, ongedekt broed. De nu eerst uitloopende, jonge moederbij beantwoordt het qua! qua! der nog in de cellen beslotene, met de gewone thu-toonen en verlaat de woning, met den bereids verkregen aanhang. Somtijds verkrijgt men ook zulke zwermen, wanneer het ongunstige weder het afvliegen van den voorzwerm eenige dagen verhindert en de bijen de in de cellen besloten, jonge koninginnen niet willen vernietigen. Verlaat nu eene jonge moederbij de cel, terwijl de oude nog in den stok aanwezig is, dan zal, in den strijd die nu volgen moet, gewoonlijk de oude vallen; want door haar met eijeren bezwangerd ligchaam, is zij veel trager in hare bewegingen dan hare tegenpartij. De stok heeft nu eene jonge koningin en de eerste zwerm, die van dezen afkomt, is dus, zoowel als die van een in het boven beschreven geval verkeerenden stok, een voorzwerm, met eene onbevruchte moederbij en wordt daarom zingende of thutende voorzwerm genoemd.
De ophanden zijnde verschijning van deze zwermen kondigt zich, even als die der nazwermen, het zekerst aan, door het thuten der jonge moederbij. Hoort men het 's morgens of 's avonds in een stok, dan kan men er bijna zeker op rekenen dat hij of dien, of den volgenden dag, wanneer het weder niet al te ongunstig is, zwermen zal.
Omdat deze zwermen gewoonlijk eenige dagen later komen dan de voorzwermen, en het onbevrucht zijn der moederbij het broedaanzetten nog eenige dagen vertraagt, zou men hen van mindere waarde moeten beschouwen dan de voorzwermen; komt de bevruchting echter gelukkig tot stand dan hebben zij, wegens de jonge koningin, weder eene grootere waarde.
MAAGDEZWERMEN.
Bij gunstig weder en ruime honigdragt, kan het gebeuren dat een vroege en volkrijke voorzwerm zooveel gebouwd heeft, en door de vruchtbare moederbij zoo volkrijk wordt, dat de woning te klein en te warm voor hem wordt, en hij dus behoefte gevoelt om zich te deelen. Hij zet dan moedercellen aan en geeft een, soms meer zwermen.
Men noemt deze zwermen oneigenlijk maagdezwermen; want, hoewel zij van een zwerm van hetzelfde jaar afkomen, toch komt de oude moederbij weder het eerst af.
Hier te lande komen deze zwermen in het algemeen minder voor, en bijna nooit komt er een nazwerm van een stok van hetzelfde jaar. Er zijn intusschen enkele voorbeelden van.
Deze zwermen komen altijd laat in het jaar, wanneer meest alle honigdragt voorbij is en de stok, waarvan zij afkomen, wordt er gewoonlijk door ontvolkt en verliest een groot gedeelte van zijn voorraad. Van beiden komt dan ook gewoonlijk niets teregt; zoodat men dit zwermen zoo mogelijk moet tegengaan, door dergelijke stokken tegen minder bevolkte over te zetten, en te trachten er de moedercellen uit te nemen.
Bij woningen met lossen bouw vangt men de moederbij uit den stok, en vernietigt daarna al de moederwiegen op eene na. Deze blijven de bijen bebroeijen, en men zal dus in den stok eene jonge moederbij verkrijgen, waarna hij niet meer zwermen kan. Tien dagen na het wegnemen der moederbij, moet men den bouw nogmaals uiteen nemen, om te zien of er ook hulpcellen zijn aangezet; zoo ja, dan neemt men die op eene na weg; het aanzetten van hulpcellen zou toch een bewijs zijn, dat de vroeger gespaarde moederwieg was verongelukt.
DUBBELZWERMEN.
Dubbelzwermen noemt men die, welke door vereeniging van twee of meer zwermen zijn ontstaan. Die vereeniging kan vrijwillig zijn; want op een sterk bezetten bijenstand kan het dikwijls gebeuren, dat van twee of meer stokken gelijktijdig zwermen afvliegen, en dat deze afzonderlijke zwermen zich, al vliegende, bij elkander voegen en zich als één zwerm aanleggen.
Heeft er eene vereeniging van nazwermen plaats, dan is dat eene gewenschte zaak; zijn het daarentegen voorzwermen, die zich bij elkander voegen, dan moet men hen weder van elkander scheiden, omdat elke moederbij met haar volk dan een goeden stok kan vormen.