Part 13
De voederbakjes zijn bestemd voor vloeibaar voedsel. Voor verdikten honig kunnen zij echter ook dienen: men drukt er dezen in en laat het plankje weg. Wil men alleen met verzegelde honigtafels, of met kandij voêren, dan heeft men bij Dzierzon's woningen in het geheel geene bakjes noodig: de honigtafels worden op de gewone wijze ingehangen, en de stukken kandij legt men op de staafjes; er wordt dan een doek overgelegd en de ruimte, tusschen dezen en den bovenwand der woning, met stroo of mos gevuld. Om de bijen in korven met kandij te voêren, moet men vierkante raampjes, van 3 of 4 duim lang en breed en 4 duim hoog maken. Zulk een raampje wordt, na het gat van den korf geopend te hebben, er opgezet. Aan elke zijde er van steekt men in den korf een spijker, omdat het er niet af zou vallen, en smeert de reet, die aan den onderkant van het raampje open blijft, met klei digt. De door het raampje ingesloten ruimte wordt nu met kandij gevuld, waarover men een nat doekje legt; het raampje wordt nu met een plankje gesloten, waarop voor het afvallen een steen geplaatst wordt. Men bedekt het geheel met een bloempot. Deze wijze van voêren is voordeelig, goed en gemakkelijk. Reeds sedert jaren heb ik er de beste gevolgen van ondervonden, en ik kan haar daarom gerust aanbevelen. In het voorjaar, als de bijen zich behoorlijk uiteen kunnen begeven, kan men er met zekerheid op vertrouwen.
DE PERS.
Tot het persen van honig en was moet men eene doelmatig ingerigte pers hebben. Eene afbeelding er van ziet men in fig. 23. Op vier stevige pooten, van 16 duim hoog, rust eene plank ab, van 24 duim lang, 15 duim breed en 3 duim dik. Aan de beide uiteinden zijn hierin met pen en gat twee staanders cd en ef, van 10 duim breed en 2 duim dik, met eene tusschenruimte van 15 duim bevestigd, terwijl deze staanders bovenaan eveneens verbonden zijn door den legger gh, die ook 10 duim breed en ten minste 4 duim dik is. In het midden van dezen legger is eene moer, waardoor de ijzeren of houten schroef i beweegt. In de gaten k en l worden handboomen gestoken, om de schroef aan te draaijen. Onder aan de schroef is het blok m zoo bevestigd, dat zij gedraaid kan worden, terwijl het blok in den straks te vermelden persbak beweegt; dit blok dient ten minste 3 duim dik te zijn; de lengte en breedte wordt 10 3/4 duim genomen. De binnenafstand, tusschen de plank ab en den legger gh, is voldoende, wanneer de onderkant van het blok m 7 duim boven de plank ab kan gebragt worden. Wat meer ruimte te hebben is echter gemakkelijk. De lengte der staanders wijzigt men, naar de meerdere of mindere ruimte, die men verlangt.
De persbak (zie fig. 24) wordt van planken, van minstens 1 1/4 duim dik gemaakt. Hij is binnenwerks 12 duim lang en breed en 5 duim hoog. De bodem en de zijwanden zijn aan de binnenzijde van eene menigte groeven voorzien. In het midden van den bodem is een rond gat, van 1 1/2 duim wijd, waarmede al de groeven in verband staan, en waarin eene tinnen pijp wordt bevestigd, die omtrent 5 duim lang is. Tot het doorlaten van deze pijp, is midden in de plank ab een gat gemaakt. Op den bodem en tegen de zijwanden van den persbak, worden losse plankjes, van 1/2 duim dik gelegd, waarin kleine gaatjes zijn aangebragt, waardoor de honig of het was vloeijen kan, om zich daarna in de groeven te verzamelen, en door de tinnen pijp in een onder de pers geplaatst vat te loopen.
Het is gemakkelijker in losse doeken, die dan goed toegevouwen moeten worden, te persen, dan van zakken gebruik te maken; het uitnemen der koeken is bij zakken zeer lastig. Voor persdoeken neemt men koffijbalen, na die goed gezuiverd te hebben; zij kunnen eene groote drukking weêrstaan zonder te scheuren.
De persbak wordt gewoonlijk vast op de plank ab gebragt. Voor het honig persen heeft dit geen bezwaar, doch voor het was is het beter twee losse bakken te hebben, die in kokend water gelegd worden, waardoor zij zoo heet worden dat het was er gemakkelijk afvloeit; terwijl men dan den eenen bak gebruikt, wordt de andere weder gewarmd, zoodat het was er goed vloeibaar in blijft. Om de waskoeken goed uit te kunnen persen, moet men hen dun maken en liever een keer meer persen.
DE WAS-KETEL.
Tot het zuiveren van het was van den honig en de onreinheden, die nog in de koeken zijn teruggebleven, kan men zich, zoo de hoeveelheid gering is, van een ronden blikken ketel (zie fig. 25), van 11 duim wijd en 12 duim hoog, bedienen. Hij heeft twee handvatsels, waarvan er hier een bij a gezien wordt. Aan den binnenkant wordt, 7 duim boven den bodem, een rand van 1/8 duim breed gesoldeerd, waarop eene blikken schijf b komt te liggen, die juist in den ketel past en die zooveel mogelijk doorboord is, met gaatjes ter grootte van eene gierstkorrel. Op deze schijf worden twee stangen, van 1 duim breed en 4 1/2 duim lang gesoldeerd, waarvan er hier eene bij c wordt gezien. Aan de bovenzijde worden deze stangen door een legger de verbonden, die aan de uiteinden van ijzeren grendeltjes voorzien is, welke in gaatjes schuiven, die daartoe in den wand van den ketel zijn aangebragt. De doorboorde blikken plaat wordt daardoor vastgezet. De legger en de beide stangen worden van zwaar blik gemaakt, en daarenboven moeten voor de sterkte in de randen ijzerdraden gelegd worden. Om in den ketel te kunnen roeren, wordt regthoekig aan het uiteinde van een rond stokje, van 3/4 duim dik en 16 duim lang, een latje bevestigd, van 10 duim lang, 1 duim dik en bovenop 1 duim breed, doch naar de onderzijde schuins bijloopende. In het midden van den doorboorden bodem en van den daarop gebragten legger, worden ronde gaten gemaakt, welke ruim 3/4 duim wijd zijn, en waardoor de steel fg van het roerstokje gestoken wordt.
Er moet nu, 1 duim boven den doorboorden bodem, nog een rond pijpje h op den buitenkant van den ketel gesoldeerd worden. Het moet 1 1/2 duim lang en 3/4 duim wijd zijn, en wordt met eene kurk gesloten. Aan den buitenkant wordt om het pijpje een randje gelegd, om een touw te kunnen tegenhouden, waarmede men de kurk vastbindt, hetgeen ter voorkoming van ongelukken noodzakelijk is.
Bij het gebruik doet men onder in den ketel zoo veel waskoek, als men denkt dat 1 of 1 1/2 Ned. pond was zal opleveren; deed men er meer in, dan liep men gevaar van aanbranden. Nu wordt de roerstok door den doorboorden bodem gestoken, waarna deze in den ketel gelegd, en met de grendeltjes vastgezet wordt. In den ketel giet men nu zooveel kokend water, dat het ruim 1 duim boven het pijpje h staat. Op een zacht vuur wordt het water nu aan het koken gebragt; waarbij men beurtelings over den bodem, en door den roerstok op te ligten, vlak langs den doorboorden bodem roert. Na 1/2 uur koken, zal het was bijna zuiver bovenop drijven. De ketel wordt dan van het vuur genomen, en na een weinig stil gestaan te hebben, laat men het was door het pijpje h afloopen in een pot, die gedeeltelijk met heet water gevuld is. Na het pijpje gesloten en water in den ketel gedaan te hebben, laat men dit nog 1/4 uur koken en giet het boven drijvende was weder af. De nu nog overblijvende vezels kunnen gerust weggeworpen worden; zij zullen geen spoor van was meer bevatten.
Sedert drie jaar maak ik van dezen ketel gebruik, en hij bevalt mij uitmuntend. Het was wordt behoorlijk afgezonderd en men heeft niet het minste gemors. In de Bienen-Zeitung wordt hij bij herhaling aanbevolen. Eens heeft iemand daarin berigt dat hij er een ongeluk mede gehad heeft, daarin bestaande dat de ketel, toen hij te vuur stond, uit een sprong en de kokende massa in het rond spatte. Dit kan zeer ligt waar zijn, doch die persoon zal dan ook wel verzuimd hebben, langs den onderkant van den doorboorden bodem te roeren; misschien heeft hij daarenboven een sterk vuur gebruikt. Het laat zich goed hooren dat er, wanneer men door aanhoudend te roeren niet zorgt, dat de gaatjes in den doorboorden bodem open blijven, stoom gevormd wordt, welks spanning, zoo de hitte wat groot is, den ketel uit een doet slaan. Indien men maar aanhoudend, nu hooger, dan lager in den ketel roert, en het vuur niet te sterk neemt, zal men niet bevreesd voor ongelukken behoeven te zijn.
HET AANHOUDEN EN HET KOOPEN VAN STOKKEN.
De tweede der drie spreuken, waarmede ik de inleiding besloot, leerde, dat alleen gezonde en volkrijke stokken voordeel kunnen opleveren. Thans zal ik de waarheid van deze stelling betoogen, door het opsommen van eenige omstandigheden, die den stok meer winst kunnen doen aanbrengen, en die zich allen in eene voorwaarde laten zamenvatten, namelijk: "dat de stok volkrijk moet zijn."
1o. Zonder warmte kunnen de bijen niet bestaan. Vroeger zeide ik reeds dat zij, wanneer de warmtegraad minder dan 50° F. bedraagt, verstijven en zoo die toestand eenigen tijd aanhoudt, een wissen dood vinden. Om dus den winter te kunnen overleven, moeten zij warmte kunnen ontwikkelen. Dit geschiedt door het verterings-proces. De warmte, die daardoor vrij wordt, zou echter oogenblikkelijk verloren gaan, wanneer de bijen zich niet tot een digten tros vereenigden. Daarbij komt nog dat zij, tot een klomp vereenigd zijnde, door de aanhoudende trilling en wrijving van hare ledematen langs elkander, ook eenige warmte ontwikkelen. Bij sterk vriezend weder kan de thermometer, waarvan de kwikbal in het midden der bijenmassa is gebragt, nog meer dan 75° F. teekenen. En toch bevriezen, gedurende strenge en langdurige winters, soms geheele stokken, wanneer de buitenlucht te veel op hen kan werken; want daardoor verliest de bijenmassa de ontwikkelde warmte zeer spoedig: langzamerhand verstijven zij, en zijn dan niet meer in staat om den honig, die boven haar in de cellen hangt, te bereiken, zoodat zij dan van koude en gebrek tevens omkomen. Hoe volkrijker de stok is, hoe minder hij natuurlijk aan dit gevaar is blootgesteld; want naar die mate kan hij de warmte meer besloten houden. En al kwamen er in een stok, die b. v. 16000 bijen bevat, gedurende den winter eens 3000 à 4000 om, dan bleven er in het voorjaar toch nog meer dan 12000 over, zoodat het nog een goede stok zou zijn. Daarentegen zullen die stokken, die bij de inwintering zwak aan volk zijn, geheel bezwijken, of zoo er nog 2000 of 3000 bijen van overblijven, dan zullen deze toch weinig nut kunnen aanbrengen, omdat de beste tijd reeds voorbij zal zijn, tegen dat zij zich een weinig hersteld hebben.
Van hoeveel belang het is alleen sterke stokken in te winteren, bevestigt elke strenge winter. In het voorjaar zullen de sterke behouden, doch de zwakke stokken voor altijd ingeslapen zijn!
2o. Hoe minder honig de bijen als voedsel bezigen, des te meer voordeel zullen zij voor den eigenaar opleveren. Sterke stokken hebben werkelijk, naar evenredigheid, minder voedsel noodig dan zwakke. Dit moge vreemd schijnen, proeven hebben het evenwel bevestigd, en bij eenig nadenken zal men inzien, dat het een natuurlijk gevolg van het voorgaande is. De zwakke stok verliest toch, naar evenredigheid, meer warmte dan de sterke; hij moet dus ook meer warmte ontwikkelen. Dit kan hij echter niet dan door meer voedsel te verteren; zoodat hij door nood gedwongen wordt, om den voorraad sterker aan te spreken.
Men zou de proef hiervan kunnen nemen door, wanneer men b. v. zes stokken, elk van 5000 bijen had, drie derzelve tot één stok te vereenigen. Men zou dan bevinden dat deze, gedurende den winter, minder honig gebruikt had, dan de drie andere te zamen.
3o. Er zal meer ingezameld worden, naarmate er meer volk is, dat aan die inzameling deel neemt. Daarom is het van veel belang dat de stokken in het voorjaar veel broed aanzetten; want dan zijn er bij de eerste voorjaarsweide reeds vele bijen, die haar kunnen bevliegen.
Sterke stokken zetten, bij zachte winters, voortdurend eenig broed aan, terwijl zij, bij strenge winters, er stellig niet later dan in Februarij mede beginnen; de vereischte broeiwarmte is dan reeds aanwezig; (dat het broedaanzetten dan niet gewenscht is, zullen wij later zien, maar het kan niet belet worden). Het broednest zet zich daardoor meer en meer uit, en heeft op het einde van Maart reeds eene beduidende grootte bereikt. In April zijn in zulke stokken reeds duizende bijen geboren, die bij de eerste dragt dus veel voordeel kunnen aanbrengen.
Door gebrek aan de noodige warmte, kunnen zwakke stokken niet met de broedaanzetting beginnen, voor dat het weder warmer geworden is, zoodat de bijen zich meer uiteen kunnen begeven. Zij zullen in het laatst van April nog maar een beperkt broednest hebben, en het volk zal meer verminderd dan vermeerderd zijn; tegen dat zij volkrijker worden, is de beste dragt gewoonlijk voorbij.
4o. Wanneer in het voorjaar de woning en de bouw spoedig van het schimmel, dat zich in den winter heeft aangezet, worden gezuiverd, dan behoeven de bijen haar tijd daaraan niet meer te wijden, als er gunstig weder voor de inzameling invalt. Sterke stokken zijn met de zuivering in de eerste vliegbare dagen gereed, terwijl men er de zwakke soms in Mei en Junij nog mede bezig ziet, die daardoor den gunstigsten tijd voor de inzameling verzuimen.
5o. Het is van veel belang dat de stokken vroeg met de wasbereiding beginnen, opdat er spoedig een uitgebreiden bouw tot stand zou komen, om bij gunstige dragt, en ook voor de eijerlage der koningin, geen gebrek aan cellen te hebben. Om het was te kunnen bereiden, moeten de bijen ruim van honig en bloemenstof voorzien zijn, en veel warmte kunnen ontwikkelen. Sterke stokken kunnen, door de veelheid van volk, veel vroeger eene voldoende hoeveelheid honig en bloemenstof hebben ingezameld dan de zwakke. Zij kunnen ook den warmtegraad tot eene veel grootere hoogte brengen. Zwakke stokken dragen soms in Mei, wanneer de wasbouw in vollen gang moet zijn, met moeite zooveel in, als zij tot voedsel voor zich zelven en het weinige broed, dat is aangezet, behoeven; soms moeten zij zelfs, bij eenig ongunstig weder, nog geholpen worden. De weinige bijen worden vereischt, om het broed te bezetten, en zij beginnen veeltijds eerst in Junij of Julij eenig was te bouwen, dat, daar de dragt dan grootendeels voorbij is, meestal ledig blijft. In den herfst zijn zij dan wel tot eenig volk gekomen, doch zij hebben geen wintervoorraad en moeten dus gevoêrd worden.
Omgekeerd kan een sterke stok veel later met den wasbouw beginnen dan een zwakke. De reden daarvan is, dat de sterke stok nog een uitgebreiden, voorjarigen wasbouw heeft en daardoor over genoeg cellen kan beschikken, voor het opleggen van honig en de eijerlage der koningin. Hij zal dan niet bouwen, voordat er behoefte aan cellen gekomen is. Treedt deze behoefte later in, dan vergroot hij den bouw met spoed.
Heeft men een zwakken stok in het voorjaar te veel van zijn bouw beroofd, in den waan hem daardoor tot meer werkzaamheid aan te sporen, zoodat hij volstrekt geene ledige cellen beschikbaar heeft gehouden, dan is hij wel genoodzaakt om, wil hij later het broed en den honigvoorraad kunnen vermeerderen, nu alles aan den wasbouw op te offeren. Zijne vlijt zal echter niet zoo groot zijn, als wanneer men hem niet besneden had. Dan had hij den ingezamelden honig voor het broed kunnen behouden en als voorraad opleggen, wanneer de voorhanden wasbouw ten minste gedurende den winter niet te veel beschimmeld was.
6o. Wij zagen bij de behandeling van het zwermen reeds, dat late en zwakke zwermen weinig waarde hebben, ja veelal als nadeelig zijn te beschouwen. Nu ligt het in den aard der zaak, dat aan de voorwaarden tot het ontstaan van zwermen vereischt, in sterke stokken veel spoediger zal voldaan zijn dan in zwakke; terwijl de zwermen van de eerste, bij het voordeel, dat zij veel vroeger afkomen, nog dat zullen voegen, dat zij volkrijker zijn. Zwakke stokken kunnen den geheelen zomer niet aan zwermen denken, en middelmatige gaan er slechts laat toe over; deze kunnen dan gewoonlijk, evenmin als hunne zwermen, den vereischten wintervoorraad inzamelen.
7o. De beste honigdragt is gewoonlijk zeer kort, en het is dus van veel belang, dat er zoo vele bijen als mogelijk is aan deel nemen. Hoe volkrijker de stok is, hoe meer bijen zich naar evenredigheid aan de inzameling kunnen wijden. Van een stok met 30000 en meer bijen kan men aannemen dat er, bij goede dragt, hoogstens 1/3 te huis zullen blijven, om het broed te verzorgen en andere huisselijke bezigheden te verrigten, terwijl de overigen den geheelen dag door honig inzamelen, en wel 3 tot 5 Ned. pond kunnen inbrengen. Daarentegen zal van een zwakken stok, die niet meer dan 10000 bijen telt, stellig niet meer dan de helft kunnen uitvliegen, en hoe weinig zullen deze maar kunnen inzamelen!
Met den wasbouw ligt de zwakke stok ook veel ten achter bij den sterken. Deze kan in weinige dagen zijne woning half vol bouwen, terwijl gene nog slechts enkele tafels zal hebben voltooid.
8o. Om aan ongunstige toevallen weêrstand te kunnen bieden, moeten de stokken volkrijk zijn; zwakke gaan er gewoonlijk geheel door te niet.
Jaren, waarin de dragt slechts kort duurt, komen niet zelden voor. De laatst verloopene konden meest tot de onvoordeelige gerekend worden, daar het weder in het voorjaar, dikwijls tot in Junij, nat en koud, of dor en schraal was, terwijl het dan in den zomer werd afgewisseld door groote hitte en droogte of door veel regen, zoodat de beste tijd voor de honig-inzameling, onder ongunstige omstandigheden voorbijging. Het jaar 1856 leverde daarvan in mijne streken een treurig voorbeeld op: het voorjaar was langdurig koud, en later, toen de ruimst honigende gewassen bloeiden, regende het meest altijd, zoodat er slechts enkele dagen van elken dragttijd kon worden ingezameld. Sterke stokken kunnen in die enkele goede dagen zoo sterk vliegen, dat zij, zoo dan al geen overvloed, ten minste hun eigen wintervoorraad bekomen, terwijl zwakke stokken, veelal reeds eer de herfst ten einde is, den hongerdood sterven.
Wanneer het weder vroeg in het voorjaar gunstig is geweest, zoodat er veel broed is aangezet, en er valt daarop koud of nat weder in, dan zal een sterke stok zijn broed behoorlijk bedekken, en daardoor voor verkoelen en afsterven bewaren, wanneer de koude ten minste niet te streng is en niet te lang aanhoudt.
Sterke stokken zijn minder aan ziekten onderhevig dan zwakke, en in het algemeen kunnen zij ook elken schadelijken toestand beter te boven komen, hetzij dat die schade veroorzaakt is door eene verkeerde behandeling, hetzij dat andere omstandigheden er aanleiding toe hebben gegeven. Ook het volkverlies, dat soms ontzettend groot kan zijn, kan door een sterken stok uit den aard der zaak beter worden geleden dan door een zwakken. Hij heeft toch in zich zelven kracht genoeg, om zijn verlies te herstellen.
9o. De vijandelijke aanvallen, van welken aard die ook zijn, moeten de bijen behoorlijk kunnen afweren. Daar nu het volk van een sterken stok veel meer door de woning verspreid is, zoo zal het ook alle plaatsen meer kunnen bewaken, en dus het indringen van roofbijen en andere op honig en was azende dieren veel moeijelijker maken dan een zwakke, die er gewoonlijk door overwonnen wordt.
Naar aanleiding van het voorgaande kan men nu de volgende regels vaststellen, welker getrouwe nakoming den bijenkweeker niet dan voordeelig zijn kan:
1o. Koop bij den aanleg van een bijenstand vooral geene zwakke stokken: voor niet gekregen, komen zij nog te duur te staan! Men zal er nooit een goeden stand mede kunnen daarstellen, en het verdriet, dat men er van heeft, zal allen lust in den aanvang uitdooven. Door de slechte gevolgen van zijn aanleg afgeschrikt, zal men de zaak veelal laten varen, daar zij voordeel noch genoegen zal opleveren.
Wie een bijenstand wil aanleggen, koope minstens twee of drie gezonde, volkrijke stokken; al moet men hen ook wat duur betalen, zij zullen toch eene goede rente opleveren, want ging men den zomer met drie stokken te gemoet, wanneer hij niet al te ongunstig is geweest, zal men den winter met een grooter getal, misschien het dubbel ingaan.
Het aankoopen van stokken geschiedt het best in het voorjaar, doch niet voor dat zij uitvliegen en reeds bloemenstof indragen. Uit het indragen van vele en zware bloemenstof-balletjes kan men met zekerheid het besluit afleiden, dat de stok volkrijk en van eene koningin voorzien is. Ook lette men er op of er vele bijen rond het vlieggat staan, die, met den kop naar hetzelve gekeerd en het achterlijf naar boven gerigt, vrolijk met de vleugels slaan, hetgeen een zeker teeken is, dat de stok gezond en volkrijk is.
Men koope geene kleine korven, want in deze kan geen magtig volk ontstaan: het zwakke volk kan dan ook geene sterke zwermen afgeven en maar weinig inzamelen. Zulke stokken bezetten veeltijds uit plaatsgebrek den geheelen korf met broed; de bijen kunnen geen honig opleggen, daar zij hem voor zich en het broed behoeven; wordt er nog iets opgelegd, dan nemen de afvliegende zwermen het als uitzet mede, en bij het einde van de dragt heeft de stok wel eenig volk, maar geen voorraad, zoodat hij sterk gevoêrd moet worden, om den winter te boven te komen. Is hij, na er vele kosten aan besteed te hebben, gelukkig door den winter gebragt, dan heeft men er den aanstaanden zomer niet meer voordeel van te wachten dan den voorgaanden.
Een stok moet minstens één sterken zwerm kunnen afgeven, en zooveel honig behouden, dat hij den winter kan doorstaan; bij gunstige jaren moet hij daarenboven iets afleggen of anders, bij de uitbreking in het najaar, 10 à 15 Ned. pond honig en 5 à 7 ons was, opleveren. Strookorven, welke inwendig 18 duim hoog en 13 duim wijd zijn, kunnen als de beste beschouwd worden. Ik spreek hier alleen van strookorven, omdat men hier te lande vooralsnog geene bevolkte Dzierzon'sche woningen zal kunnen koopen.
Heeft men een korf naar het uitvliegen en het bezetten van het vlieggat uitgezocht, dan moet men hem omkeeren, om te zien of hij een goeden bouw heeft. Deze moet ten minste den halven korf vullen en bruingeel, niet zwart van kleur zijn. Een halfvolbouwde korf, met een zwerm van het vorige jaar, en eene moederbij van een of twee jaar, is gewoonlijk het beste. De bouw mag niet doorknaagd noch met wasmotten bezet, door de bijen bevuild noch beschimmeld zijn. Hij moet een aangenamen honigreuk, vooral geen stank verspreiden; deze kon ontstaan door dat er broed was afgestorven of door dat de bijen aan den loop leden.
Hoe meer bijen men tusschen de wastafels bijeen verzameld ziet, hoe boozer zij zijn en hoe spoediger zij te voorschijn komen, als men haar beademt, des te zekerder kan men den stok voor gezond en volkrijk houden. Men moet vooral opletten of de onderplank zuiver is: gezonde en volkrijke stokken ontdoen den bodem van hunne woning steeds van vuil en doode bijen. Ook moet er reeds broed zijn aangezet, anders zou de stok moederloos zijn; in het laatst van Maart en het begin van April, moet men zonder veel moeite in elken stok broed kunnen zien. Eindelijk moet men nog toezien dat er genoeg honig voorhanden is, opdat men, voor het beginnen der dragt, niet meer behoeve te voêren. Voor de maanden April en Mei dient een stok nog 4 à 5 Ned. pond honig te hebben. Het is echter zeer moeijelijk, om in gewone strookorven over den honigvoorraad te oordeelen, daar er alleen onderin gezien kan worden, terwijl de honig meest in het bovenste gedeelte zit. Het best is een puntig stokje in de bovenste tafels te steken; teruggetrokken zal het aangeven hoe diep de honig reikt. Het gewigt van den stok moet ook in aanmerking genomen worden; dit is echter zeer onbepaald, want het broed kan reeds eene aanzienlijke zwaarte verkregen hebben, waardoor men zich al ligt zou bedriegen.
In Dzierzon'sche woningen kan men zich, door het uitnemen van den bouw, in een oogopslag overtuigen, of aan al de voorwaarden voldaan is, welker vervulling wordt vereischt, om verzekerd te zijn dat de stok gezond en volkrijk is.
In ons land is de prijs van een goeden stok, met den korf, 3 à 7 gulden.