Part 12
De kap wordt vervaardigd van eene lap grof linnen, aa' bb' (zie fig. 12), die 26 duim lang en 30 duim breed is. Bij d en d', 12 duim van b en b' verwijderd, begint men de stukken deb en d'e'b' rond uit te snijden, zoodat be en b'e' 1 duim breed zijn; 6 1/2 duim van het midden h, maakt men aan weêrskanten de insnijdingen gi en g'i', die 12 duim diep zijn, en van c, 19 duim boven h, snijdt men naar a en a' het linnen rond weg. Wordt de lap nu om de lijn ch toegevouwen, dan komt a op a', d op d' enz., te liggen, omdat de figuur aan weêrskanten der lijn ch symetriek is; ac wordt nu op a'c' en de op d'e' genaaid. Bij ad blijft er nu eene opening, waarin een ovaal draadwerk k, dat minstens 9 spijlen op elken duim bevat, van 9 duim hoog en 7 1/2 duim breed, wordt genaaid. Van i, langs g en g' tot i' wordt de rand gezoomd; evenzoo van i langs f en f' (die bij e aaneengenaaid zijn) tot i'. Aan de hoeken f en f' worden koperen ringen, en aan de hoeken g en g' sterke banden genaaid. Wordt deze kap nu, met het draadwerk voor het gezigt, op het hoofd gezet, dan valt het stuk ighg'i' op den rug, terwijl dat ifef'i' de borst bedekt en de hoeken i en i' op de schouders komen te liggen. Voor het aansluiten en het inscheuren worden daar kleine, driehoekige stukjes ingezet. De banden van het achterste stuk worden nu, onder de armen door, in de ringen van het voorste gedeelte gestoken, en dan weder onder de armen door naar achter gebragt en om het lijf gebonden. Men kan, door het aanhalen der banden, de kap nu zoo doen sluiten, dat er nergens eene bij door kan. Begeeft men zich, aldus gewapend, naar de stokken, dan is men verzekerd niet het minste letsel van de steken der bijen te kunnen hebben.
De opening in het draadwerk is bestemd om er het mondstuk van de rookpijp door te steken; de wijdte moet daarnaar geregeld worden. Naar verkiezing maakt men haar regts of links. Voor het uitwijken zijn de traliën daar tusschen twee koperen plaatjes gesoldeerd. Wanneer men de rookpijp niet gebruikt, moet men deze opening digt stoppen; kroop er toch eene bij door, dan zou men van haar nog veel meer last hebben, dan als men zonder kap was.
MESSEN.
Wanneer men de tafels uit de woning nemen wil, dan moet men beginnen met haar aan den kant los te maken, want de bijen bevestigen haar na elke uitneming weder. Hiervoor moet men twee messen hebben. Het eene met een dun, buigzaam lemmet (zie fig. 13), van 6 of 7 duim lang en 1 duim breed, met ronde punt en tot 4 duim van de punt aan beide kanten scherp, dient om de tafel van den wand der woning los te maken, waartoe men het vlak tegen den wand drukt en van onder naar boven snijdende, de tafel voorzigtig los maakt; is de tafel ook aan een daar onder liggend staafje bevestigd, dan wordt zij ook daaraf gesneden, met het mes zoo vlak mogelijk langs het staafje gaande.
Het tweede mes moet een lemmet van dezelfde lengte en breedte hebben, doch dat dikker, niet buigzaam en slechts aan eene zijde scherp is, en in eene spitse punt eindigt (zie fig. 14). Met dit mes wordt het staafje, waaraan de tafel hangt, in de groef, waar het door de bijen vastgemaakt is, losgestoken.
Eindelijk moet men nog een mesje hebben, om moederwiegen uit de tafels te snijden, indien men die op andere plaatsen wil gebruiken; een klein puntig knipmesje kan hiervoor dienen.
DE GAFFEL.
Om de staafjes, met de daaraan hangende wastafels, nadat zij van de wanden der woning losgemaakt zijn, naar zich toe te halen, bedient men zich van het werktuig, in fig. 15 afgebeeld; men noemt het gaffel. Het wordt van ijzer vervaardigd, dat slechts zoo zwaar behoeft genomen te worden, dat er geen gevaar voor buigen bestaat. De lengte, het handvatsel mede gerekend, is ongeveer 10 duim. De beide punten zijn bij a en b regthoekig omgebogen, en bij c en d zijn blokjes bevestigd, zoodat de ruimten tusschen a en c en tusschen b en d juist 1 duim bedragen. De buitenafstand dezer klaauwen moet zoo groot genomen worden, dat het gedeelte der staafjes, dat 1 duim breed is, er juist in past. Hunne diepte moet gelijk zijn aan de dikte der staafjes. Men legt deze gaffel boven op het staafje, zoodat dit juist tusschen de klaauwen gevat wordt, en haalt het dan naar zich toe; voor in de groef gekomen, neemt men het met de hand uit de woning. Wil men de tafels weder in de woning hangen, dan schuift men het staafje voor in de groef, en duwt het eveneens met de gaffel verder in de woning.
Het voordeel, dat men van dit werktuig heeft, bestaat daarin, dat beide uiteinden van het staafje gelijkmatig voortbewogen worden, terwijl men het daarentegen met de hand al ligt een weinig scheef voortschuift, waardoor het in de groef geklemd zou worden; daarenboven loopt men veel minder gevaar om de tafels te beschadigen.
DE STOMMEKNECHT.
De uit de woning genomen tafels, voor beschadiging bewaard moetende blijven, zoo bezigt men een opzettelijk daartoe vervaardigd kastje, om haar tijdelijk daarin te hangen; het wordt stommeknecht genoemd. Dit kastje moet zoo lang zijn, dat alle tafels, die in eene woning voorhanden zijn, daarin kunnen hangen. De breedte moet 1/4 duim grooter zijn dan de lengte der staafjes, en de hoogte dient 2 duim meer te bedragen, dan de diepte, waartoe de tafels gebouwd worden. Aan den binnenkant der zijwanden wordt, 1 duim van den bovenrand, een latje van 1/2 duim dik gespijkerd. Tusschen deze latjes hangt de tafel, wanneer het staafje met de uiteinden er op rust. Op dit kastje wordt een deksel gemaakt, waarin een gat van 6 duim in het vierkant gezaagd is; dat gat wordt gesloten met een ijzeren traliewerk, dat minstens 9 traliën op elken duim bevat; er wordt eene schuif over gemaakt, waarin een plankje geschoven kan worden, om het te sluiten.
Wanneer men nu den bouw uit eene woning neemt, dan hangt men de uitgenomen tafels, waar honderden bijen opzitten, een voor een in dit kastje; ontdekt men dat vreemde bijen er op willen rooven, dan legt men er het deksel op, en geeft de opgesloten bijen lucht, door het schuifje een weinig te openen. Mogt het noodzakelijk zijn haar lang in dit kastje besloten te houden, dan zet men het op eene koele, donkere plaats en opent de schuif geheel.
Des noods kan deze stommeknecht ook dienen, om de bijen naar een anderen stand over te brengen, doch men doet beter zich daartoe van de later te beschrijven transportkastjes te bedienen.
Indien men de tafels weder in de woning hangen wil, dan moet men opletten dat dit in dezelfde volgorde geschiedt, als waarin zij gehangen hebben. De bijen, welke, nadat alle tafels zijn ingehangen, op den bodem van het kastje terugblijven, worden op een hoop gestooten, door het een schok te geven; daarna schept men haar in de woning. Het is niet goed om, gelijk sommigen doen, deze bijen in de zon op een doek te storten, in de veronderstelling dat zij weder op haar stok zullen terugvliegen. Met velen zal dit het geval niet zijn, omdat er zich vele jongen onder bevinden, die, nog nooit hare woning verlaten hebbende, haar niet kennen. Ook de moederbij kon aldus wel eens verloren gaan, wanneer zij zich onder de van de tafels gevallen bijen bevond. Met het opscheppen moet men dan ook altijd zeer voorzigtig zijn om haar, in geval zij in het kastje teruggebleven was, niet te kwetsen.
DE BOK.
De stommeknecht kan alleen dienen om de tafels, die men uit eene woning neemt, te dragen; om haar naauwkeurig te kunnen bezien, moet men nog een bok hebben, waarop de tafels een voor een gehangen, en dan aan beide zijden beschouwd kunnen worden. Dezen bok, die een der onmisbaarste gereedschappen is, ziet men afgebeeld in fig. 16. Het gedeelte ab is lang 15, breed 3 en dik 1 1/4 duim. De latjes cd en ef, die er met pen en gat in bevestigd zijn, worden 2 duim breed, 1 1/4 duim dik en ongeveer 8 duim lang genomen. Aan den binnenkant is in deze latjes eene groef geschaafd, van ruim 1/4 duim breed en diep, en zij worden zoo ver van elkander geplaatst, dat de staafjes gemakkelijk in deze groeven geschoven kunnen worden, zonder daaruit te kunnen vallen. Zij mogen daarom niet zwakker genomen worden, dan ik hier opgaf, anders liep men gevaar dat zij van een weken; zij moeten ook zuiver evenwijdig en volkomen onbewegelijk in het stuk ab bevestigd zijn. In het midden van ab en aan de uiteinden der stukken cd en ef, worden aan de onderzijde gaten geboord, waarin de drie pooten h, i en k gestoken worden, die minstens 10 duim hoog zijn.
Bij het gebruik stelt men den bok in een zinken bak, waarin de van de tafels vallende bijen worden opgevangen, die men dan later in de woning schept.
TRANSPORTKASTJES.
De naam transportkastjes duidt de bestemming reeds aan van de voorwerpen, die dien naam dragen. Zij zijn slechts geschikt om er de bijen een korten tijd in te doen verblijven, maar zij maken haar vervoer naar elders zeer gemakkelijk. Men maakt deze kastjes van plankjes, van 1/2 duim dik, die eenvoudig op elkander gespijkerd worden. De breedte ab en de hoogte ac (zie fig. 17) neemt men 10 à 12 duim, terwijl men het 16 à 20 duim lang maakt. Het deksel bestaat uit twee deelen d en e, die in groeven schuiven. Deze groeven verkrijgt men, door boven op den kant van elken zijwand, en aan de binnenzijde daartegen, latjes te spijkeren. Het hout is te dun om er eene groef in te schaven, en door het dikker te nemen, zou men het gewigt der kastjes noodeloos vergrooten. De voorwand wordt niet van hout gemaakt; het strookje fg, dat men 1 duim breed neemt, dient alleen om het uitwijken der zijwanden te beletten; de ruimte, tusschen dit strookje, de zijwanden en den bodem, wordt met ijzergaas of met een fijn traliewerk gesloten. Men zou het gaas of traliewerk ook in een los raampje kunnen plaatsen, en dit dan voor in het kastje bevestigen.
Om den zwerm, dien men met dit kastje vervoeren wil, daarin te doen loopen, zet men het op den achterwand, dus met het draadwerk naar boven, doch bedekt dit, om het invallen van het licht te voorkomen. De schuif e, die dan de onderste zijn zal, neemt men weg, doch laat d gesloten. Om in dien stand het doorschieten van de schuif te beletten, neemt men haar een weinig langer, dan de halve lengte van het kastje, en tegen den onderkant van het buiten uitstekend gedeelte spijkert men een dun latje, dat, tegen den wand stuitende, het doorschuiven belet. Zoodra de zwerm, door de hem voorgehouden opening, in het kastje is getrokken, sluit men het met de tweede schuif en laat het, met de schuiven naar boven, tot het vallen van den avond rustig staan; dan brengt men den zwerm naar de verlangde plaats, en schept hem daar in de voor hem bestemde woning.
Voor het opvangen en transporteren van natuurlijke zwermen, kan men zich ook van gewone strookorven bedienen; doch de transportkastjes zijn onmisbaar, wanneer men kunstzwermen wil maken, door bijen, uit onderscheidene stokken genomen, aan eene moederbij toe te voegen. Later komen wij daarop terug. Ook zijn deze kastjes zeer gemakkelijk, wanneer men stokken, die op een verwijderden stand geplaatst zijn, bijen ter versterking wil geven.
Behalve de reeds beschrevene, moet men zich nog eenige kastjes aanschaffen, welke buitenwerks zoo lang en breed zijn, dat zij juist in de woningen passen; de hoogte moet zoo genomen worden dat zij, na het wegnemen der dekplankjes, op de staafjes kunnen worden geplaatst. Voor het deksel maakt men uit vier latten een raam, dat juist in het kastje past, en bespant dit met ijzergaas of bijendoek. Om de bijen, die de randen van het kastje soms sterk bezetten, niet te kwetsen, maakt men voor den aanslag van het deksel geene sponningen in de zijwanden, doch slaat in deze vier stiften, waarop het rust.
Men zet deze kastjes, met den open kant onder, op de staafjes der woning, waaruit men de bijen vangen wil, en drijft haar daarin. De geheele zwerm kan nu in eens uit de woning genomen worden, waarna het kastje terstond met het deksel wordt gesloten. Onder in de nieuwe woning, die door den zwerm bevolkt moet worden, schuift men nu het kastje en neemt er het deksel af, waarna de bijen er spoedig uit zullen opklimmen.
Zulk een kastje is ook zeer geschikt om de bijen, die in eene woning, waar de bouw uitgenomen is, nog achtergebleven zijn, daar in eens uit te nemen: men zet het dan op den bodem der woning, en veegt er de bijen met eene penneveêr in. Ook kan men er een zwerm in laten trekken, wanneer men aan eene der zijden, vlak boven den bodem, eene reet, even als een vlieggat maakt, waarvoor dan ook een schuifje moet worden aangebragt: de moederbij wordt er dan, in een moederhuisje besloten, ingezet, waarna het, met het vlieggat geopend, op een doek wordt geplaatst, waarop men de bijen uitstort; daarbij moet op het deksel nog een plankje gelegd worden, opdat de bijen alleen door het vlieggat, gemeenschap met de moederbij kunnen hebben.
Bij alle kastjes, waarin de bijen eenigen tijd opgesloten worden, moet men onder in de zijwanden twee of drie zaagsneden maken, waardoor er versche lucht indringt, die de verwarmde lucht doet ontwijken.
DE STORTBAK.
Voor men de tafels uit eene woning neemt, moet men in deze een stortbak plaatsen, om de daaraf vallende bijen op te vangen. Men neemt daarvoor een zinken bak (zie fig. 18), waarvan de breedte ab iets kleiner is dan de binnenwijdte der woningen, zoodat hij er gemakkelijk in geschoven kan worden. De lengte ce neemt men 7 of 8 duim. Aan de beide zijkanten en vooraan, moeten de staande wanden 3 duim hoog zijn, achteraan is hij open; op den voorkant is een handvatsel gesoldeerd. De zijwanden moeten bovenaan den achterkant, bij e en f wat buitenuit gebogen zijn, zoodat de bak, gedeeltelijk in eene woning geschoven wordende, daarin klemt en dus blijft hangen.
Wil men de tafels uit eene woning nemen, dan schuift men er eerst dezen bak in, doch laat er hem een eind buiten uitsteken. De bijen, die van de tafels vallen, zullen er dan in blijven liggen. Na afloop der bewerking, worden zij met eene penneveêr in de woning geveegd. Ook kan men dezen bak, bij het uitnemen der tafels, daaronder houden om, wanneer het ongeluk wilde dat eene zware honigtafel afbrak, haar daarin op te vangen.
DE SCHEPPER.
De schepper wordt gebruikt om de bijen, uit of in de woning en overal waar zulks verder noodig is, te scheppen. Hij wordt, even als de stortbak, van zink gemaakt. Hem van blik te maken is minder goed, omdat dit ligt roest; de bijen zouden er dan aan blijven hangen. Men geeft hem eene breedte van 6 en eene lengte van 7 duim (zie fig. 19); de opstaande rand moet 2 1/2 duim hoog en naar den voorkant afgerond zijn; aan het achtereind is een steel bevestigd, die het behandelen gemakkelijk maakt.
EEN IJZEREN HAAK.
Om de dooden en de onreinheden, die zich op den bodem der woning verzamelen, daaruit te verwijderen, maakt men gebruik van een ijzeren haak, bestaande in een plat vierkant stuk ijzer, van 1/2 duim breed en 1/8 duim dik, waarvan het eene einde regthoekig omgebogen is. Het omgebogen gedeelte is 1 1/2 duim lang. Aan het andere uiteinde wordt een handvatsel bevestigd. De lengte moet, met het handvatsel, ongeveer 16 duim zijn, men kan dan met den haak den geheelen bodem zuiveren.
MOEDERHUISJES. [13]
Reeds meermalen is het gebruik maken van een moederhuisje aanbevolen; thans zullen wij er nader kennis mede maken. Zijne bestemming is eene moederbij van de overige bijen afgezonderd te houden, maar deze toch gelegenheid te geven om haar voedsel toe te reiken. Wanneer het nu maar zoo ingerigt is, dat dit mogelijk is en dat de gevangen moederbij versche lucht bekomt, en er zich in kan omdraaijen, dan is het overigens onverschillig hoe en waarvan men het maakt. Het traliewerk, dat er voorgemaakt wordt, mag niet zoo wijd zijn, dat de bijen er den kop door kunden steken; bij het terug halen konden zij hem aftrekken; toch moeten zij er de koningin door kunnen voêren. De wijdte zal goed zijn als men, op eene lengte van 1 duim, negen stijltjes zet, die de dikte van eene dunne breinaald hebben.
Men maakt wel moederhuisjes van een stukje vlierhout, door er het merg uit te doen, er in de lengte eenige sneden in te geven en de uiteinden met kurken te sluiten. Beter is het echter een rond stukje wilgenhout te nemen, van 1 duim dik en 5 duim lang; daarin worden 1/2 en 2 duim van het eene uiteinde, zaagsneden gemaakt, die even voorbij het midden gaan; tusschen deze zaagsneden steekt men het hout weg. Men neemt nu stukjes ijzerdraad, van 2 1/4 duim lang, en buigt de beide uiteinden daarvan 1/4 duim regthoekig om. Met eene els worden nu, 1/8 duim boven en onder het weggestoken gedeelte (zie fig. 20), gaatjes in het hout gemaakt, waarin de omgebogen einden der ijzerdraadjes worden geslagen. Het langste gedeelte van het hout wordt nu tot eene punt gesneden, welke dient om in de strookorven gestoken te worden. In plaats van deze punt, zou men ook een spijker in het hout kunnen slaan. Boven wordt nu een gat, van ruim 1/4 duim doorsnede geboord, waardoor de moederbij uit en in het huisje gelaten wordt. Dit gat wordt met eene kurk gesloten.
Voor Dzierzon's woningen is het beter de moederhuisjes zoo in te rigten, als fig. 21 dat voorstelt. Men neemt er een stukje zacht hout voor (linden-, wilgen- of populierhout) van 2 1/2 duim lang, 1 duim breed en 3/4 duim dik; 1/2 duim van de uiteinden van eene der breedte-zijden worden zaagsneden, van ruim 1/2 duim diep gemaakt, waartusschen het hout wordt weggestoken. Over de voor- en de bovenzijde worden nu, zooals boven gezegd is, ijzeren traliën gemaakt; de onderkant wordt gesloten met een houten klosje, dat weggenomen kan worden, om door de opening de moederbij uit en in het huisje te laten.
Dit huisje kan overal in den stok geplaatst worden, waar de bijen er bij kunnen. Men kan het op de staafjes leggen of het aan de staafjes, midden in het broednest hangen, door er een ijzerdraad door te steken, en dien boven het staafje om te buigen; het kan tusschen de staafjes gestoken, ja zelfs in de tafels zelven geplaatst worden, door hierin eene opening te snijden, waarin het past.
Wanneer men zijn bijenstand door afleggers wil vermeerderen, of koninginnen in voorraad wenscht te hebben, om daarover bij voorkomende gevallen te kunnen beschikken, dan is het goed eenige moederhuisjes te hebben, die zooveel grooter zijn, dat er moedercellen, zonder haar te beschadigen, in gelegd kunnen worden. Aldus worden zij, in een warm gedeelte van den stok geplaatst, waar de koninginnen dan uitgebroeid zullen worden, zonder dat de bijen haar kunnen uitbijten. In den zwermtijd heeft men soms den eenen dag verscheidene moedercellen te veel, terwijl men haar op een anderen dag gaarne zou hebben, zonder haar evenwel te kunnen bekomen. Het is dan goed er eenigen in voorraad te hebben.
Om de bijen zelven de in een huisje besloten moederbij in vrijheid te doen stellen, sluit men de opening slechts voor de helft met een houten klosje, en maakt het open gebleven gedeelte met een wasplaatje digt, waartoe men een stukje wastafel plat drukt, dat nu met de punt van een warm mes, gemakkelijk wordt bevestigd. De bijen bijten dit plaatje door, en nemen de moederbij dan het zekerst aan.
In enkele gevallen kan men zich, voor de opsluiting van eene koningin, ook van een langen pijpedop bedienen; inzonderheid wanneer men haar in de tafel zelve wil plaatsen.
VOEDERBAKJES.
De voederbakjes kunnen van potaarde gebakken, of van dunne plankjes of blik gemaakt worden. Aan blikken geef ik de voorkeur, wanneer zij tegen het roesten, binnen en buiten geverwd zijn. De lengte ab (zie fig. 22), wordt 1/4 duim kleiner genomen dan de breedte der woningen: nadat het deksel er opgelegd is, kan het dan gemakkelijk daarin geschoven worden, en op de staafjes staande, de plaats van een dekplankje vervangen. Het wordt 3 à 4 duim breed en 2 duim hoog gemaakt. In het midden van den bodem moet een buisje c, van 1 1/2 duim hoog en 1 duim wijd, worden gesoldeerd, waardoor de bijen, van den onderkant, in het bakje kunnen komen, zonder dat het voedsel er uit kan vloeijen. In dit bakje wordt een plankje de gelegd, dat er gemakkelijk in op en neder bewegen kan, en in welks midden een gat f is, waardoor het buisje c heengaat. Dit plankje moet op het voedsel drijven, opdat de bijen daarin niet zouden verongelukken. Er moeten of zaagsneden, zoo als in onze figuur, in gemaakt worden, of het moet zooveel mogelijk doorboord zijn met gaatjes, van omtrent 3/16 duim middellijn. Door de zaagsneden of de gaatjes kunnen dan de bijen het voedsel opnemen, zonder het minste gevaar te loopen daarin om te komen.
Het deksel gh moet gemakkelijk op het bakje gelegd en daaraf genomen kunnen worden, zonder evenwel reten te laten, waar bijen door kunnen kruipen. In het midden maakt men eene opening i, van 3 duim lang en 2 duim breed, waarin een stuk glas wordt bevestigd, waardoor men, zonder er het deksel af te nemen, zien kan of er nog voedsel in het bakje is. Dit glaasje moet goed bedekt worden; want zagen de bijen er licht door vallen, dan zouden zij het met was bekleeden. Aan het eene einde van het deksel kan men een pijpje k laten maken, dat met eene kurk gesloten wordt, en waardoor men, met behulp van een trechter, het voedsel in het bakje kan brengen, zonder dit te openen. Het plankje de moet nog voorzien zijn van twee touwtjes l en m, die door de reten n en o van het deksel heengaan en waarmede men, het bakje gesloten latende, nadat het voedsel er in gedaan is, het plankje opligt; anders kon het op den bodem blijven liggen, en dus zijne bestemming missen.
Om in het geheel niet door de bijen gehinderd te worden, kan men, bij het vullen van het bakje, het buisje c sluiten. Daarvoor moeten in de zijwanden van het bakje gaatjes p en q gemaakt worden, waardoor een ijzerdraad rs geschoven kan worden, aan welks midden een blikken plaatje t bevestigd is, dat vlak langs den bovenrand van het pijpje c beweegt. In het deksel moeten voor dezen ijzerdraad ook openingen gemaakt worden, waarvan er hier eene bij u gezien wordt. Ziet men door het glaasje dat er nog bijen in het voederbakje zijn, dan blaast men door het pijpje k daarin eenigen rook; zij zullen het dan spoedig verlaten, waarna men het buisje c sluit. Het deksel kan nu van het bakje genomen worden. Na het met voedsel gevuld te hebben, sluit men het weder en trekt het plaatje t van de opening c weg.
Het voêren geschiedt met deze bakjes zeer gemakkelijk; men kan het gerust zonder kap doen. Ook in strookorven kan men er de bijen mede voêren, wanneer in den top van den korf een gat is. Op alle uren van den dag kan men het voedsel geven, zonder dat er vrees voor rooverij behoeft te zijn, indien men de bakjes bedekt, en de opening, tusschen den bodem en den korf, goed met klei digt smeert. Moeten de bakjes alléén voor strookorven dienen, dan is het beter hen rond te maken, en voor het vaststaan, het pijpje c 1 duim onder door den bodem te doen uitsteken. In het gat van den korf wordt nu een houten stop gezet, met eene opening, waarin dit pijpje juist past. Over het bakje zet men een bloempot en smeert de reet, tusschen dezen en den korf, met klei digt.