Guy Mannering of de Sterrewichelaar

Part 7

Chapter 73,871 wordsPublic domain

De heer Bertram had intusschen besloten, de Heidenen van Derncleugh met wortel en tak uit te roeien. De oude bedienden schudden het hoofd over zijn voornemen en ook Sampson waagde, hoewelk niet rechtstreeks, eene tegenvoorstelling. Daar die echter in de orakeltaal: „Ne moveas Camerinam,” ingekleed was, en noch de zinspeling, noch de taal, waarin zij vervat was, voor Bertram berekend was, gingen de zaken tegen de Heidenen haren wettelijken gang. Op iedere deur in het dorpje werd door een’ gerechtsdienaar een teeken met krijt gemaakt, als eene plechtige waarschuwing, om binnen den bepaalden tijd te vertrekken. De Heidenen schenen nochtans niet geneigd, zich hieraan te onderwerpen. Eindelijk verscheen de bepaalde tijd, de ongelukkige Sint-Maartensdag, en men ging tot gewelddadige maatregelen over, om hen te verdrijven. Eene groote menigte gerechtsdienaars, sterk genoeg om allen wederstand te verijdelen, gelastte den inwoners voor de laatste maal, om vóor den middag te vertrekken, en begonnen, toen deze niet gehoorzaamden, volgens hunne bevelen, de daken van de hutten af te breken en de deuren en vensters er uit te nemen, zoo als tegenwoordig nog in eenige afgelegen streken van Schotland gebruikelijk is, wanneer een pachter niet goedwillig vertrekken wil. De Heidenen aanschouwden dit werk der vernieling eene poos werkeloos, onder een somber stilzwijgen, begonnen toen hunne ezels op te zadelen en te pakken en zich gereed te maken om te vertrekken. Hiermede waren zij, even als zwervende Tartaren, spoedig gereed en begaven zich op weg, om nieuwe woonplaatsen te zoeken op een grond, welks eigenaar geen vrederechter was.

Een gevoel van medelijden had den heer Bertram bewogen, geen getuige van het verdrijven zijner oude huurlingen te zijn. Hij liet de uitvoering zijner bevelen over aan de gerechtsdienaars, onder het toezicht van Frans Kennedy, een ambtenaar bij het tolwezen, die sedert eenigen tijd dikwijls op het slot kwam en van wien wij later meer te vertellen zullen hebben. Bertram bezocht op dezen dag een oud, niet ver van hem afwonenden vriend; maar, niettegenstaande zijne voorzorgen, wilde het toeval, dat hij de Heidenen op hun aftocht van zijn grondgebied niet vermijden kon. Hij ontmoette den troep in een hollen weg tusschen steile hoogten, op de grenzen van het grondgebied van Ellangowan. Vier of vijf mannen, in wijde jassen gekleed, welke hunne hooge en tengere gestalten bedekten, terwijl groote hoeden met breede neergeslagen randen, diep in de oogen gedrukt, hunne woeste trekken, hun bruin gelaat en hunne zwarte oogen verborgen, maakten de voorhoede uit. Twee van hen droegen lange jachtgeweren, één had een groot zwaard zonder schede, en allen waren van den Hooglandschen dolk voorzien, ofschoon zij niet openlijk met dit wapen praalden. Hierachter volgden de beladene ezels en kleine karren, waarop de zwakken en hulpeloozen, de grijsaards en kinderen van de verdreven gemeente geplaatst waren. De vrouwen, met hare roode rokken en stroohoeden, en de oudere kinderen, die blootshoofds, barrevoets en bijna geheel naakt liepen, waren belast met het toezicht op den stoet. De weg was smal en liep tusschen twee afgegraven zandheuvels door. Bertram’s rijknecht reed voor zijn heer uit, klapte gebiedend met zijne zweep en beval den drijvers, om voor hunne meerderen plaats te maken. Hierop werd geen acht gegeven, en nu riep hij de mannen, die langzaam voortgingen, met eene forsche stem toe: „Houdt toch stil met uwe beesten en maakt plaats voor den heer.”

„Hij zal zijn deel van den weg hebben,” antwoordde een Heiden van onder zijn grooten neergeslagen hoed, zonder op te zien, „en meer zal hij ook niet hebben; de straatweg is even vrij voor onze ezels, als voor zijn klepper.”

Daar de toon van den man norsch, ja zelfs dreigend was, vond Bertram het geraden, zijne waardigheid te vergeten, den trein bedaard voorbij te gaan en zich met de ruimte, die zij hem gunnen wilden, en die waarlijk klein genoeg was, tevreden te stellen. Om zijne gevoeligheid over het gebrek aan achting, waarmede men hem behandelde, te verbergen, sprak hij een van de mannen, die zonder groeten of zonder hem aan te zien voorbijging, aan, en zeide: „Gilles Baillie! hebt gij al gehoord of uw zoon Gabriel,” – dus heette de jonge man, die geprest was – „het goed maakt?”

„Indien ik iets anders gehoord had,” antwoordde de oude man met een norschen en dreigenden blik, „zoudt gij er ook van vernomen hebben,” en hij vervolgde zijn weg, zonder verdere vragen af te wachten [6]. In het gedrang, waardoor Bertram heen worstelen moest, ontdekte hij overal bekende gezichten, waarop hij thans niets dan haat en verachting las, ofschoon zij hem voorheen, zoo dikwijls hij in hunne nabijheid kwam, een eerbied welke alleen hoogere wezens toekomt, betoond hadden. Toen hij eindelijk het gewoel voorbij was, kon hij zich niet weerhouden, zijn paard te wenden en den stoet achterna te zien. Eene heerlijke groep voor het penseel van een Callot. Reeds had de voorhoede een klein dicht kreupelbosch aan den voet van den heuvel bereikt, hetwelk den trein langzamerhand verborg, tot dat eindelijk de laatste achterblijvers ook verdwenen.

Nu welde een smartelijk gevoel in zijne ziel op. De menschen, welke hij uit hun oud toevluchtsoord verdreven had, waren zeker lui en slecht; maar had hij wel ooit iets gedaan, om hen beter te maken? Zij waren niet slechter, dan toen zij zich als onderhoorigen van het huis van Ellangowan beschouwen mochten; en moest juist zijne benoeming tot vrederechter zulk eene verandering in zijn gedrag jegens hen te weeg gebracht hebben? Hij had ten minste iets tot hunne verbetering moeten beproeven, vóór dat hij zoo op eens zeven huisgezinnen in de wijde wereld joeg, en hen van eene soort van bescherming beroofde, die hen ten minste van groote misdaden terughield. Ook smartte het hem, van zoo veel bekende gezichten te scheiden; een gevoel, waarvoor Godfried Bertram bijzonder vatbaar was, daar zijn beperkte geest zich alleen met de voorwerpen, die hem van nabij omringden, bemoeide. Toen hij zijn paard weder omwenden wilde om zijn weg te vervolgen, trad Meg Merrilies, die achter den stoet aankwam, onverwacht vóór hem.

Zij stond op eene van de hoogten, welke over den hollen weg heen gingen, zoo dat zij veel hooger was dan Ellangowan, ofschoon deze te paard zat, en hare lange gestalte, welke tegen den helderen blauwen hemel nog grooter scheen, dan ze wezenlijk was, hem van bijna meer dan menschelijke grootte voorkwam. Hare kleeding, of liever hare wijze van die te schikken, was eenigszins vreemd. Zij had die opzettelijk gekozen, hetzij om aan hare tooverspreuken en voorspellingen meer klem te geven, hetzij uit gehechtheid aan eene oude overlevering betreffende de kleeding harer voorouders. Bij deze gelegenheid droeg zij een grooten lap rood katoen, als een tulband, om het hoofd gewonden, waaronder hare oogen met een buitengewoon vuur schitterden. Hare lange zwarte haren hingen in verwarde lokken van onder de plooien van dit zonderling hoofdsieraad naar beneden. Zij stond in de houding van eene bezielde waarzegster, en hield in hare uitgestrekte rechterhand een takje, hetwelk zij juist scheen afgebroken te hebben.

„Ik mag verd...d zijn,” zei de rijknecht, „indien zij dit takje niet van de jonge esschenboomen in het Dunkit-park afgesneden heeft.”

De heer antwoordde niet, en staarde onophoudelijk op de gestalte, die boven den weg stond.

„Vervolg uw weg,” sprak de Heidin, „vervolg uw weg, heer van Ellangowan! vervolg uw weg, Godfried Bertram! Heden hebt gij zeven rookende haarden uitgedoofd; zie, of het vuur in uwe eigen woning daarom helderder brandt. Van zeven hutten hebt gij het dak afgescheurd; zie, of uw eigen dak des te vaster staat. Gij kunt uw vee in de verwoeste woningen van Derncleugh stallen; zie toe, dat de haas zich geen leger op de haardstede van Ellangowan maakt! Vervolg uw weg Godfried Bertram! Waarom ziet gij ons volk achterna? Er zijn dertig menschen; liever zouden zij honger geleden hebben, dan het u aan eene lekkernij laten ontbreken; om u voor eene schram aan den vinger te bewaren, zouden zij hun bloed vergoten hebben. Ja, dertig zijn er, van het oude honderdjarige moedertje tot aan het knaapje, dat in de vorige week geboren werd; en gij hebt ze van hunne woning beroofd, zoo dat zij met de dieren des velds onder den blauwen hemel moeten slapen. Vervolg uw weg, Ellangowan! onze kinderen hangen zwaar op onze moede ruggen; zie toe, of het bed in uwe prachtige wieg daarom zachter is! Maar denk niet, dat ik den jongen Hendrik, of het kind, dat nog geboren zal worden, iets kwaads toewensch; daarvoor beware mij God en make uwe kinderen liefderijk jegens de armen, en beter dan hun vader! En nu, vervolg nu uw weg: want dit zijn de laatste woorden, welke gij ooit van Meg Merrilies zult hooren, en dit is het laatste takje, dat ik ooit in de beminde bosschen van Ellangowan snijden zal.”

Met deze woorden brak zij het takje, dat zij in de hand hield, smeet het van zich op den weg, en wendde zich met de trotsche houding van een Margaretha van Anjou, die hare vijanden verwenschte, van Bertram af. Deze wilde spreken en tastte in den zak, om eenig geld te zoeken: maar de Heidin wachtte noch op zijn antwoord, noch op zijne gift, en ging den heuvel af, om hare tochtgenooten in te halen.

Ellangowan reed peinzend naar huis en, hetgeen opmerkelijk was, sprak tegen niemand zijner huisgenooten van deze ontmoeting. De rijknecht was echter niet zoo achterhoudend; hij verhaalde de geheele geschiedenis aan zijne talrijke toehoorders in de keuken en eindigde met de betuiging, dat, als de duivel ooit uit den mond van een wijf gesproken had, hij het op dezen dag door den mond van Meg Merrilies gedaan had.

NEGENDE HOOFDSTUK.

„Men schildre Schotland weenend Over haar onteerde wapenschild. –”

Burns.

Onder het ijverig waarnemen van zijn ambt, behartigde Bertram het voordeel van ’s lands inkomsten. Langs de geheele zuidwestkust van Schotland werd, uithoofde der nabijheid van het eiland Man, dat hiertoe zeer gelegen lag, een drukke sluikhandel gedreven. De geringere volksklasse nam bijna algemeen deel daaraan; de hoogere standen zagen het oogluikend toe, en de tolbedienden werden dikwijls in de uitoefening van hunnen dienst gedwarsboomd door diegenen, die hen eigenlijk hadden moeten ondersteunen.

Op dit tijdstip was Frans Kennedy, die in dit verhaal reeds genoemd is, als bereden tolbediende of opzichter in dit oord aangesteld; hij was een moedig, ondernemend, werkzaam man, die reeds vele sluikgoederen aangehaald had, en door allen, die bij dezen eerlijken handel, zooals zij die er belang bij hadden het heetten, niet weinig gehaat werd. Hij was de onwettige zoon van een aanzienlijk man, en deze omstandigheid, gepaard met eene altijd vroolijke stemming en eene groote bekwaamheid in het zingen, verschafte hem vrijen toegang tot alle fatsoenlijke gezelschappen in den omtrek.

Kennedy kwam dikwijls te Ellangowan en was altijd welkom. Zijne levendigheid bespaarde Bertram de moeite van te denken en zijne gedachten uitvoerig mede te deelen. De stoute en gevaarlijke ondernemingen, die hij in zijn dienst uitgevoerd had, leverden heerlijke stof tot onderhoud op. De heer vond veel smaak in deze verhalen, en het genoegen, dat Kennedy’s gezelschap hem schonk, was voor hem eene reden te meer, om den verhaler in het uitoefenen van zijn hatelijken en gevaarlijken dienst te handhaven en te ondersteunen.

„Frans Kennedy,” zeide hij, „was een fatsoenlijk man, hoewel niet in den echt geboren en door het geslacht van Glengubble met dat van Ellangowan verwant. De laatste spruit uit het huis van Glengubble zou zijn landerijen aan de familie Ellangowan hebben nagelaten; maar bij ongeluk ging hij eens naar Harrowgate, waar hij zekere juffrouw Jane Hadaway ontmoette en, terloops gezegd, de groene Draak te Harrowgate in het beste logement dàar te vinden; – maar wat Frans Kennedy betreft, hij is in zekeren zin een edelman van geboorte en het zou schande zijn, hem niet te helpen tegen dit gemeene smokkelaarsvolk.”

Nadat dit verbond gesloten was, gebeurde het, dat kapitein Dirk Hatteraick eene lading sterke dranken en andere verboden waren niet ver van Ellangowan aan land bracht. Vertrouwende op de onverschilligheid, waarmede de heer voorheen zulke inbreuken op de wetten aanzag, deed hij geene moeite, om zijne zaken te verbergen of te bespoedigen. Het gevolg was, dat Frans Kennedy, voorzien van eene volmacht van Ellangowan en ondersteund door eenige met de omstreken bekende volgelingen van Bertram, benevens eene afdeeling soldaten, de vaten en balen overviel en, na een wanhopig, bloedig gevecht, de in beslag genomen goederen in triumf naar het naaste tolkantoor bracht. Dirk Hatteraick zwoer in het Hollandsch, Duitsch en Engelsch eene verschrikkelijke wraak aan den tolbediende en zijne helpers en bondgenooten, en ieder, die hem kende, twijfelde in het minste niet, of hij zou woord houden.

Weinige dagen na het vertrek der Heidenen vroeg Bertram zijne echtgenoote onder het ontbijt, of het niet juist de geboortedag van den kleinen Hendrik was.

„Hij is heden juist vijf jaar oud,” antwoordde zij. „Nu mogen wij immers ook het papier van den Engelschen heer inzien?”

„Neen, mijn lieve!” hernam Bertram, die gaarne zijn gezag in kleinigheden toonde, „niet vóor morgen. Onlangs, in onze laatste vergadering, verklaarde de sheriff, dat dies, dat dies inceptus – maar gij verstaat geen Latijn; ik wil zeggen, dat een termijndag niet begint voor dat die ten einde is.”

„Dat klinkt immers als wartaal, mijn waarde!”

„Dat kan wel zijn, mijn schat! maar het is toch zoo in rechten,” antwoordde Bertram, „en van vervaldagen gesproken, ik zou wel willen, dat die elkaâr doodsloegen, zoo als Frans Kennedy zegt, want dan zou er een einde aan zijn, want ik heb een brief gekregen om de vervallen interesten van Jaantje Cairn, en geen een der pachters heeft zijn huur betaald, en zal dat ook in de eerste drie maanden niet doen, – maar, wat Frans Kennedy betreft, die zal denkelijk heden wel komen, want hij is naar Wigton gegaan om den kruiser te waarschuwen die daar voor anker ligt, dat de logger van Dirk Hatteraick wèèr aan de kust is, en als hij terugkomt, zullen we een flesch wijn op de gezondheid van den kleinen Hendrik leegen.”

„Ik wenschte wel,” hernam de dame, „dat Frans Kennedy zich niet met Dirk Hatteraick bemoeide. Waarom doet hij meer moeite dan anderen? Kan hij zijn liedje niet zingen, zijn glaasje drinken en zijne bezoldiging ontvangen even als andere eerlijke lieden, die niemand hinderen? En het verwondert mij, Bertram, dat gij u ook in deze zaken mengt. Behoefden wij ooit om thee of brandewijn naar het naburig vlek te zenden, toen Dirk Hatteraick hier gerust landen kon?”

„Gij begrijpt dit niet,” antwoordde haar echtgenoot. „Meent gij dan, dat het een ambtenaar past, zijn eigen huis tot eene bergplaats van sluikgoederen te maken? Laat Frans Kennedy u de strafwetten dienaangaande eens toonen! Gij weet immers zelve, dat zij hunne verboden waren in het oude slot Ellangowan pleegden te bergen.”

„Maar, waarde Bertram, wat kwaad stak er dan ook in, dat er nu en dan eenige vaatjes brandewijn in de gewelven van het oude slot lagen? Gij behoefdet er immers niets van te weten. En wat schaadt het den Koning, dat de heeren hier een goed glaasje en hunne vrouwen een kopje thee tegen eenen matigen prijs bekomen? Het is zonde en schande, dat er zulken hooge rechten op gelegd zijn. En voer ik er niet veel beter bij, toen Dirk Hatteraick mij een kapsel en eene muts met Brabantsche kanten van Antwerpen zond? Ik kan lang wachten voor dat de Koning, of Frans Kennedy mij iets zendt. En dan ook nog uw twist met de Heidenen! Ik verwacht elken dag, dat onze schuren in brand gestoken zullen worden.”

„Ik zeg u nog eens, liefste, dat gij dit niet begrijpt. Maar zie, daar komt Kennedy de laan al oprijden.”

„Goed, goed,” riep zijne echtgenoote, de stem verheffende, terwijl hij naar buiten liep; „ik wenschte wel, dat gij het zelf begreept.”

Bertram snelde zijn vriend te gemoet, die hem vroolijk ontving. „Kom, kom toch,” riep Kennedy, „naar het oude slot! Die oude vos, Dirk Hatteraick, wordt door des Konings honden nagejaagd, dat het een lust is om te zien.” Met deze woorden gaf hij zijn paard aan een knaap over, en liep naar de hoogte, waarop het oude slot lag. De heer volgde hem met verscheiden der huisgenooten, verschrikt door het donderen van het geschut, dat zij nu duidelijk uit zee hoorden.

Toen zij dat gedeelte der bouwvallen, vanwaar zij het ruimste uitzicht hadden, bereikten, zagen zij een logger met volle zeilen in de baai, die van nabij door eene oorlogssloep vervolgd werd. Beide schepen vuurden reeds op elkander.

„Zij kunnen elkaâr nog maar eventjes raken” riep Kennedy vol vuur; „maar zij zullen aanstonds wel nader komen. Vervloekt! hij werpt zijne lading over boord, – vat op vat in zee. Dat is eene leelijke poets van Hatteraick! maar ik zal het hem straks laten gevoelen. Ha! nu hebben zij hem de loef afgewonnen. Zoo moet het zijn! Nu opgepast! nu frisch op hem los!”

„Ik houd het er voor,” zei de oude tuinman, tot een der dienstmeiden, „dat die Kennedy geestdronken is,” hetgeen zooveel wil zeggen bij het volk als dat iemand spoedig sterven zal.

De jacht duurde intusschen voort. Kapitein Hatteraick, die zijn schip meesterlijk bestuurde en alle mogelijke middelen aanwendde om te ontsnappen, had reeds de kaap aan de linkerzijde van de baai bereikt en zou juist omzeilen, toen een kogel de touwen van de ra trof en het groote zeil op het dek neerbracht. Dit ongeval scheen den strijd te zullen beslissen; maar de aanschouwers konden den uitslag niet zien: want het schip, dat de kaap juist voorbij gezeild was, kon niet meer bestuurd worden en verdween nu achter het voorgebergte uit hun gezicht. De oorlogssloep zette alle zeilen bij, om het schip te bereiken; doch was te dicht aan de kust gekomen, zoo dat zij, uit vrees van te stranden, wenden en eenen langen gang in de baai terug maken moest, vóor dat zij de kaap omzeilen kon.

„Vervloekt!” riep Kennedy. „Zij verliezen lading of schip, of misschien beiden. Ik moet naar de kaap van Warroch rijden, om hun een teeken te geven, waar het schip aan de andere zijde heengedreven is. Vaarwel voor een uurtje Ellangowan! Zet de groote punchkom gereed, met eene menigte citroenen. Voor den cognac zal ik zorgen als ik terugkom, en dan drinken wij op de gezondheid van den jongenheer uit eene kom, waarin eene boot zeilen kan.”

Dit zeggende steeg hij te paard en snelde heen. Omstreeks een mijl van het slot, bij den ingang van het bosch, dat het voorgebergte, waarvan de kaap van Warroch de uiterste spits uitmaakte, bedekte, ontmoette Kennedy den kleinen Hendrik Bertram, door zijn leermeester Sampson vergezeld. Hij had den knaap, die den vroolijken huisvriend, welke dikwijls met hem speelde, zeer genegen was, reeds dikwijls een ridje op zijn paard beloofd. Hendrik zag hem nauwelijks aankomen of hij drong luidkeels op het vervullen van zijne belofte aan. Kennedy, die er geen gevaar in zag, om den knaap dit vermaak te gunnen, en ook den ernstigen leermeester, op wiens gelaat hij eene weigering las, een weinig plagen wilde, hief den kleinen op zijn paard, zette hem voor zich en reed verder. Sampson’s roepen: „Mijnheer Kennedy! wat ik u bidden mag” – was te vergeefs, en werd onhoorbaar onder de hoefslagen van het paard. De leermeester overlegde eene poos of hij hen volgen zou; maar daar Kennedy een vertrouwde vriend des huizes was, en hij zich niet gaarne met iemand inliet, die zich te buiten ging aan „lichtzinnige en profane aardigheden,” vervolgde hij eindelijk bedaard zijn weg en keerde naar Ellangowan terug.

De toeschouwers op het oude slot zagen nog steeds naar de oorlogssloep, welke eindelijk, na veel tijdverlies, de kaap van Warroch omzeilde en spoedig achter het boschrijke voorgebergte uit hun gezicht verdween. Kort daarop werden er weder verscheiden kanonschoten in de verte gehoord, en eenige oogenblikken later een verschrikkelijke slag, alsof er een schip in de lucht vloog, terwijl eene dikke rookwolk achter de boomen naar boven steeg in de blauwe lucht. Nu verlieten allen het oude slot en keerden naar huis. Hun oordeel over het lot van den smokkelaar was verschillend; de meesten dachten echter, dat het schip zonder twijfel genomen moest worden, als het niet reeds gezonken was.

„Het is bijna tijd voor het middagmaal,” zeide mevrouw Bertram tegen haren gemaal; „zou de heer Kennedy spoedig terug komen?”

„Ik verwacht hem ieder oogenblik,” antwoordde Bertram; „misschien brengt hij wel een paar officieren van de sloep mede.”

„Maar, lieve hemel! waarom hebt gij dat niet eerder gezegd? dan had ik de groote ronde tafel laten dekken. Buitendien eten die menschen elken dag pekelvleesch, en, om de waarheid te zeggen, is een stuk gezouten vleesch heden onze voornaamste schotel. En dan had ik ook een andere japon aangetrokken, en gij hadt ook wel een’ schoonen das mogen omdoen. Maar gij schept er behagen in, mij in verlegenheid te brengen. Neen, dat houd ik niet uit! Maar eerst als iemand dood en begraven is, leert men hem waardeeren.”

„Kom, kom! de drommel hale uw rundvleesch, uw kleed, uwe tafel en uwen halsdoek! Het zal zoo ook wel gaan! Maar,” (zich tot eenen bediende, die bij de tafel bezig was, wendende) „waar is mijnheer Sampson, Johan? waar ìs mijnheer Sampson met den kleinen Hendrik?”

„Mijnheer Sampson is reeds meer dan twee uren te huis geweest,” antwoordde de bediende; „maar ik geloof niet, dat de jongeheer met hem meê gekomen is.”

„Hendrik niet met hem?” vroeg mevrouw Bertram. „Zeg aan mijnheer Sampson, dat hij oogenblikkelijk bij mij komen moet.”

„Sampson,” zeide zij, toen hij binnentrad, „is het niet vreemd, dat gij, die hier vrije huisvesting, vrije tafel, vrij bed en vrije wasch en bovendien jaarlijksch twaalf pond sterling hebt, alleen om op Hendrik te passen, – dat gij den knaap twee of drie uren achtereen uit uwe oogen laat gaan?”

Sampson maakte bij het noemen van ieder der onderscheidene voordeelen, aan zijnen post verbonden, welke de vergramde dame één voor één optelde om hare berisping meer gewicht bij te zetten, eene dankbare, nederige buiging, en verhaalde toen, dat Kennedy eigenmachtig, in spijt van zijne tegenvoorstellingen, den kleinen Hendrik onder zijn opzicht genomen had.

„Ik dank den Heer Kennedy in het geheel niet voor zijne genomen moeite,” hernam zij gemelijk. „Indien hij Hendrik nu eens van het paard liet vallen en de knaap kreupel werd, of als een kogel van het schip hem trof, of –”

Hier viel Ellangowan haar in de rede: „of, mijne waarde, en dit is toch waarschijnlijker dan al het andere, voorondersteld, dat zij aan boord van de sloep of van het prijsgemaakte schip gegaan zijn en met den vloed om de kaap komen –”

„En dan kunnen zij verdrinken,” hernam de dame.

„Waarlijk,” bracht Samson in het midden, „ik dacht, dat Kennedy reeds een uur geleden terug gekomen was. Mij dunkt, ik heb zijn paard het plein hooren opdraven.”

„O neen,” zei de huisknecht grijnzende; „het was de veemaagd, die de koe naar buiten dreef”

Sampson werd rood tot over de ooren, niet over den spottenden toon van den knecht, welken hij nooit had opgemerkt, of al had hij dat, nooit kwalijk genomen zou hebben, maar over eene gedachte, die bij hem opkwam.

„Hoe dit zij, ik heb niet wèl gedaan,” zeide hij; „ik had op het kind moeten wachten.”

Met deze woorden nam hij hoed en stok, en snelde met ongewonen spoed naar het bosch van Warroch.