Grashalmen

Part 7

Chapter 7 2,009 words Public domain Markdown

Het oude gezicht van de moeder van vele kinderen, Stil! Nu is 't mij zeer liefelijk. Laag en laat is de rook op den Eersten-dagmorgen, Hij hangt vlak boven de boomen-rijen aan de schuttingen, Hij hangt dun bij de sassafras en de wilde kers, en in de katstruiken omlaag. Ik zag de rijke dames prachtig gekleed op de soirée, Ik hoorde wat de zangers zoo lang zongen, Leerde wie in karmozijne jeugd opkwam uit het witte schuim en het waterblauw. Zie een vrouw! Haar gezicht komt half uit haar kwaker-muts, haar gezicht is reiner en schooner dan de hemel. Zij zit in een armstoel onder de beschaduwde deur van de boerderij, De zon streelt haar oude witte hoofd, Haar ruim gewaad is van roomkleurig linnen, Haar kleinzonen teelden het vlas en haar kleindochters sponnen 't met het rokken en het wiel. Het melodieuze karakter der aarde, Het einde waar voorbij het denken niet kan gaan, en ook niet wenscht te gaan, De gerechtvaardigde moeder der menschen.

LIED VAN ZONSONDERGANG

Pracht van den vallenden dag, die mij verheft en vervult, Uur van profetische kracht, uur dat het verleden doet herleven, Het leven stijgt op in mijn keel, U, goddelijke middenmensch, U, aarde en leven, zal ik bezingen tot den laatsten zonnegloor.

Open mond mijner ziel, die blijheid uit, Oogen mijner ziel, die volmaaktheid zien, Mijn grashalmen, die de dingen des levens trouwelijk roemen, En de triumf der dingen des levens bevestigen.

Schoon iedereen! Schoon, wat wij Ruimte noemen, sfeer van ongetelde geesten, Schoon het voortbrengings-mysterie van het Zijn zelfs in het onnaspeurlijke insect, Schoon het vermogen der spraak, de zinnen, het lijf, Schoon het verdwijnende licht, schoon de bleeke weerglans der nieuwe maan aan den Westerhemel, Schoon wat ik ook zie of hoor of voel tot het einde.

Grootheid, in alles, In de voldoening en de zekerheid der dieren, In den jaarlijkschen terugkeer der seizoenen, In de vreugden der jonkheid, In de kracht en den bloei des mannelijken levens, In de grandeur en de uitgelezenheid van den ouderdom, In het heerlijke uitzien op den Dood. Wonderbaarlijk, het heengaan! Wonderbaarlijk, het leven! Het hart, de drijfkracht van 't overal-gelijke en onschuldige bloed! Hoe liefelijk, de lucht te ademen! Te spreken--te gaan--iets met de hand aan te vatten! Zich voor te bereiden op den slaap, op het naar bed gaan, neer te zien op mijn rooskleurig lijf! Bewustzijn te bezitten van dit lijf, zoo voldaan, zoo grootsch! Deze ongelooflijke God te zijn, die ik ben! Te hebben gewandeld onder andere Goden, deze mannen en vrouwen, die ik liefheb. Wonderbaarlijk, hoe ik U en mij-zelf roem! Hoe mijn gedachten zachtkens spelen over de dingen, die ik zie om mij heen! Hoe de aarde op haar baan voort en voort schiet! Hoe de zon, maan, sterren voort en voort schieten op hun baan! Hoe het water wegsnelt en zingt! (Daar is leven overal en in alles!) Hoe de boomen oprijzen en opstaan met sterke stammen, met takken en bladeren! (Daar is meer dan wij zien in elk dier boomen, daar is een levende ziel!) O wonder van alle dingen--wonder van het kleinste atoom zelfs! O spiritualiteit der dingen! O levensaccoord, dat lieflijk vloeit door menschengeslachten, en nu mij en Amerika bezielt! Ik voel Uw sterke trilling, doe haar uit mij vloeien, en blijde van mij uitgaan in anderen. Ik ook bezing de zon, in opkomst of ter noen, of, gelijk nu, in haar ondergaan, Ik ook weerklop het brein en de schoonheid der aarde, en van heel het leven der aarde, Ik heb ook den onweerstaanbaren drang gevoeld van mijn Ik-heid.

Toen ik den Missisippi afdreef, Toen mijn gang ging over de prairiën, Toen ik volop leefde, toen ik uitkeek door mijn vensters, deze oogen, Toen ik uitging in den morgen, toen ik het licht in het Oosten zag doorbreken, Toen ik baadde aan het strand der Oosterzee en dan weer aan het strand der Westerzee, Toen ik zwierf in de straten van Chicago, diep-in-'t-land, of waar ik ook omzwierf in de straten, Of steden, of zwijgende wouden, of zelfs midden in het schouwspel van oorlog, Waar ik ook was, steeds heb ik mij vervuld van tevredenheid en overwinning.

Tot het einde bezing ik het twee-een-zijn, nieuw of oud, Ik bezing het eindeloos einde der dingen, Ik zeg de natuur blijft, licht blijft, Wat ik bezing, bezing ik met bezielende stem, Want niet één onvolmaaktheid zie ik in gansch het Heelal, En ik zie aan het Einde niet eenig ding, niet eenige uitkomst, die treuren doet in het Heelal.

O, ondergaande zon! hoewel Uw tijd is gekomen, Blijf ik voortgaan onder U te zingen, en zoo anderen niet, ik zing in onverzwakte aanbidding voor U!

TOT WEERZIENS!

Om te besluiten kondig ik aan wat na mij komt. Ik herinner U, dat ik, voor dit boek tot leven kwam, heb gezegd, Ik zou mijn stem blijde en krachtig doen getuigen, dat er volmaaktheid is in alles. Wanneer Amerika volbrengt wat beloofd is, Wanneer door deze Staten honderd-millioen voortreffelijke menschen gaan, Wanneer de overigen voor hen ter zijde gaan en voor hen leven, Wanneer de kinderen van de volmaakte moeders bewijzen wat Amerika is, Dan komt voor mij en het mijne d'echte blijdschap.

Ik ben doorgedrongen sterk in mijn eigen recht, Ik heb lijf en ziel, vrede en oorlog bezongen, en de zangen van leven en dood doen hooren, En de zangen van geboorte, en laten zien dat daar vele geboorten zijn. Ik heb mijn leer opengelegd voor ieder, met vasten tred ben ik het leven doorgegaan; Terwijl mijn levensvreugde nu volmaakt is, fluister ik: _Tot weerziens!_ En neem de hand van de jonge vrouw en de hand van den jongen man voor den laatsten keer.

Ik verkondig de opkomst van natuurlijke menschen, Ik verkondig de triomfantelijke rechtvaardigheid, Ik verkondig ongedeerde vrijheid en gelijkheid, Ik verkondig de rechtvaardiging van oprechtheid en de rechtvaardiging van zelfbewustheid, Ik verkondig, dat de identiteit dezer Staten een enkele identiteit is, Ik verkondig, dat de Unie steeds vaster en onverbrekelijker wordt, Ik verkondig zooveel heerlijkheid en zooveel Majesteit, dat al wat daar voorheen schoon was op aarde er bij verbleekt.

Ik verkondig verknochtheid, ik zeg: zij zal eindeloos en onoplosbaar zijn, Ik zeg: gij zult den vriend vinden naar wien gij gezocht hebt.

Ik verkondig de komst van een man of een vrouw, misschien zijt gij dat _(Tot ziens dan!)_ Ik verkondig den grooten Mensch, vloeizaam als de Natuur, kuisch, liefdevol, deelnemend, welgewapend.

Ik verkondig een leven, dat overvloedig, vurig, goddelijk, stoutmoedig zal zijn, Ik verkondig het Einde, dat lichtvol en blijde zich zal passen aan den overgang.

Ik verkondig myriaden van jeugd, schoonheid, kracht en lieflijk bloed, Ik verkondig een geslacht van heerlijke en wijze grijsheid.

O geweldiger en heviger--_(Tot ziens!)_ O myriaden, die te dicht mij omgeeft, Ik voorzie te veel, ik zie de goddelijke toekomst helderder dan ooit te voren, Dit is, geloof ik, de helderziendheid van het sterven.

Spoed U dan, o stem, klink op voor 't laatst, Groet, groet nog eens het licht, galm nog eens den ouden kreet uit.

Bezield schalt mijn roep, het luchtruim is mijn, Ik zie om mij heen vrijelijk, neem wat ik zie in mij op, Snel voorwaarts, maar nu een wijl afgestegen, Vreemd klinkend nieuws breng ik, Gloeiende vonken, hemelsche zaden werp ik neer in den droesem, Ik zelf, onkundig, vervul mijn opdracht, en verlies nooit den moed van het Waarom? En den groei en den bloei van het zaad laat ik over aan geslacht na geslacht, Aan troepen, die in den strijd-zelf opkomen, zij zullen de taak, die ik opgelegd heb, volbrengen, Aan vrouwen vermaak ik enkele fluisteringen van mijn Ikheid, haar liefde verklaar ik mij duidelijker, Aan jonge mannen geef ik de vragen des levens--geen zwetser, ik--en beproef de kracht van hun brein, Zoo ga ik voort, korten tijd sprekende, zichtbaar, vol tegenstrijdigheid, Hierna een welluidende echo, waar gretig naar zal geluisterd worden (sterven maakt mij waarlijk onsterflijk) Het beste van mijn leven, wanneer ik niet langer zichtbaar zal zijn, en waartoe ik mij onophoudelijk heb voorbereid.

Wat dan nog meer, dat ik draal en wijl en voortkruip met ongesloten mond? Is er wel eenig beslissend vaarwel?

Mijn zangen zijn hiermee geëindigd, ik laat hen na, Van achter het scherm, dat mij verborgen hield, kom ik nu naar voren, en ga regelrecht op U toe.

Camerado, dit is geen boek, Wie het aanraakt, raakt een mensch aan, (Is 't nacht? Zijn wij hier tezamen alleen?) Ik ben 't, dien gij vasthoudt en die U vasthoudt, Ik snel uit deze bladeren in Uw armen--de Dood roept mij weg.

O, hoe Uw handen mij verzaligen, Uw adem omringt mij als morgendauw, Uw hartslag zingt in mijne ooren, en doet mij sluimeren, Van hoofd tot voeten is 't mij lieflijk, Is 't mij wel--genoeg!

Genoeg van den wellust der toekomstmaking, toekomst plotseling en geheim, Genoeg, o wegglijdend heden--genoeg, o herinnerd verleden.

Lieve vriend, wie gij ook zijt, ontvang deze kus, In 't bijzonder U kus ik, vergeet mij niet, Ik voel mij als een, die zijn dagwerk gedaan heeft, en moede is, Ik ontvang nu opnieuw den heiligen geest van den Overgang, uit mijn mensch-gewordenheid vaar ik op, heenwaarts, waar anderen mij zekerlijk wachten, Een ongekende Sfeer, werkelijker nog dan ik waande, onmiddellijker nog, schiet oproepende dageraadstralen door mij heen. _Tot ziens!_ Herinner U mijn woorden: ik kan terug komen, Ik heb U lief, ik ga uit van de stof, Ik ben als een ontlichaamde, het is de Dood, het is de Overwinning.

VAARWEL DAN, FANCY!

Vaarwel dan, Fancy! Voortaan zij God met U, lieve droom, lieve lief! Ik ga heen, waarheen weet ik niet, Noch wat mijn lot zij, noch of ik U ooit terug zal zien, Vaarwel dus, mijn zoete droom, mijn Fancy.

Toch, voor 't laatst--laat m'een oogenblik nog terugzien; Langzamer en zwakker tikt in mij de klok, Exit, het vallen van den nacht, spoedig zal het hart zwijgen.

Langen tijd hebben wij te zamen geleefd, te zamen liefgehad, te zamen de vreugde des levens genoten; O Heerlijkheid!--Nu is de scheiding daar--Vaarwel dus, Fancy.

Maar niet te haastig toch, Ja waarlijk, langen tijd was ons leven èèn, ons slapen en ontwaken èèn, wij zijn samengevloeid tot èèn, in waarheid vermengeld tot èèn; Dus indien sterven moet zijn, sterven wij te zamen, ja, èèn zullen wij blijven, Indien wij ergens heengaan, zullen wij er samen heengaan, om samen het onbekende te gemoet te gaan, Misschien zullen wij een nog schooner, een nog blijder leven leven, misschien zullen wij iets leeren, Misschien zijt gij-zelf de onsterflijkheid wel, en leidt gij mij nu op om het Lied van onsterflijke schoonheid te zingen (Wie weet?) Misschien zijt gij 't zelf, die de banden, welke ons aan de aarde hechten, loswikkelt, ongeduldig om Uw ballingschap te ontvlieden--dan, nu voor 't laatst: Vaarwel--en wees gezegend, Fancy!

INHOUD

INLEIDING

Uit: INSCRIPTIES: Mijn lied is voor het Ik Toen ik het boek gelezen had Werpt voor mij niet uw deuren dicht VAN PAUMANOK UIT (fragmenten)

Uit: HET LIED VAN MIJN EIGEN IK

Uit: ADAMSKINDEREN: Een uur van woest genot Oer-momenten

Uit: CALAMUS: Op onbetreden paden Wie gij ook zijt die mij nu vasthoudt Niet enkel in wat ik mij van de borst werp De vreeselijke twijfel van den schijn Gij die getuigen zult in de volgende eeuwen Toen ik den avondstond hoorde Vind ik in u opnieuw een hart dat zich door mij voelt aangetrokken? Ik zag in Louisiana een levenseik Aan een vreemde Ik hoor daar werd tegen mij getuigd Als ik eens naga wat roem is Soms, in mijn liefde

Uit: HET LIED VAN DEN OPEN HEIRWEG

Uit: OVER NAAR BROOKLYN MET DE VEERBOOT

Uit: LIED VAN DE BREEDE BIJL

Uit: HET TENTOONSTELLINGSLIED

Uit: EEN LIED VOOR DEN ARBEID

Uit: LIED VAN DE WENTELENDE AARDE

LIED DES HEELALS

PIONIERS! O PIONIERS

AAN U

TERWIJL IK WEGDREEF MET DE EB VAN 's LEVENS OCEAAN

ZEKERHEID

EEN STILLE GEDULDIGE SPIN

AAN EEN, DIE SPOEDIG ZAL STERVEN

GEZICHTEN

LIED VAN ZONSONDERGANG

TOT WEERZIENS!

VAARWEL DAN, FANCY!

End of Project Gutenberg's Grashalmen (Leaves of Grass), by Walt Whitman