Part 6
O, gij knapen, Westerknapen, Krachten-ziedend, strijdbegeerig, rijk aan mannentrots en vriendschap, 'k Zie U duidelijk, Westerknapen, 'k zie U der beschaving voorgaan, Pioniers! O Pioniers!
Rusten thans de oude volken, Laten zij het hoofd nu hangen na een half-volbrachte taak, zijn zij moê daar ginds over de wijde zeeën? De eeuwige taak dan vatten wij op, en haar lasten en haar wijsheid, Pioniers! O Pioniers!
Wat verleën is moeit ons niet, Nieùw een wereld, groòtsch een wereld, dat is de wereld van ons streven, Ons is frisch en kloek de wereld, en zij roept ons aan den arbeid Pioniers! O Pioniers!
Rotsen rukken we uit de voegen, Over afgrond, door valleien, langs de hooge bergenklippen, Waar wij gaan, wij overwinnen, moedig, wagend en vermetel, langs nog onbetreden paden, Pioniers! O Pioniers!
't Dichte oerwoud wordt geveld, Stroomen stuiten we en doen wij keeren, wij dringen door in de aderen der moeder en brengen haar onrust, Delvend in den maagd-grond brengen wij er weeldevollen waschdom, Pioniers! O Pioniers!
Colorado-mannen zijn we, Ons het land der hooge bergen, òns het land der breede sierra's en der hooge bergenvlakten, Van de mijnen, van de stroomen komen wij langs jagersporen, Pioniers! O Pioniers!
Van Nebraska, Van Arkansas, Van het midden dezer Staten, van Missouri zijn wij zonen, zonen van Amerika, Handslag geven we allen broeder, òf van 't Zuiden, òf van 't Noorden, Pioniers! O Pioniers!
Onweerstaanbaar--wak're mannen, Lieve broeders, kameraden! In mijn borst gloeit voor U allen wonderteêre, sterke liefde! O ik treur, en nochtans juich ik! Voor U allen gloei ik van liefde, Pioniers! O Pioniers!
Heft dan hoog de moeder-liefste Wapp're hoog de lieve liefste, de beste en de schoone liefste, wuiv' beheerschend boven alles (buig Uw hoofd) Hoog de vreesbre-sterke liefste, majesteitelijk rein die liefste, Pioniers! O Pioniers!
Ziet dan kinderen, onvertsaagde kinderen, Bij den strijd van onze vaadren, nimmer weif'len wij of wijken, Uit het schimmenrijk voorheen dringen ons millioenen voorwaarts, Pioniers! O Pioniers!
Voorwaarts, voorwaarts trekt ons leger, Jonge kracht brengt ons versterking, zij die in den veldtocht vallen worden spoedig weer vervangen, Somtijds in den strijd de neerlaag, maar toch voorwaarts, altijd voorwaarts, Pioniers! O Pioniers!
Al der wereld levenspolsen Slaan voor ons den opmarschroffel in den kracht'gen Westermaat, Maar wij, enkel of tezamen, dringen, werken ons vooruit. Pioniers! O Pioniers!
't Is àl voor ons ideaal, Al wat is bereikt in 't leven, al wie denkt of doet in 't leven, al de werkers, al hun werk, Die ter zee zijn, die te land zijn, al de meesters, al de slaven, Pioniers! O Pioniers!
Al die liefde's helvuur kennen, De gevangnen in 't gevang, al de braven, al de boeven, Al de blijden, al de droeven, al de levenden en dooden, Pioniers! O Pioniers!
En ook ik met lijf en ziele, Wij, aldus een trio vreemd, saamlend al wat wij ervaren, gaan ge-drieën onzen weg, Door de landen, over zeeën, door het licht en door den schemer, door verledens spokenheiren, Pioniers! O Pioniers!
Zie deez' wentelenden aardbol! Zie in 't rond de broeder-bollen, al de zonnen, de planeten, samenhangende als trossen, In de schit'rend-lichte dagen, in de droom-mystieke nachten, Pioniers! O Pioniers!
Al die werelden zijn ons, Zijn voor 't groot ontginningswerk, wijl de volgers ongeboren in die werelden ons wachten, Wij gaan slechts aan 't hoofd des hedens en bereiden hun den weg, Pioniers! O Pioniers!
O gij dochters van het Westen! O gij jonge en oud're dochters! O gij moeders en gij vrouwen! Nimmer moet gij van ons wijken! Uwe plaats is in ons leger Pioniers! O Pioniers!
Prairiedichters ongeboren! (Dichters van de oude landen, gij moogt rusten in Uw doodskleed, want ook gij deedt eens uw arbeid,) Spoedig zal 'k Uw krijgslied hooren, spoedig trekt gij met ons op, Pioniers! O Pioniers!
Niet de zoete minneliedjes, Niet op kussens, niet op muilen, niet het vredige, niet het lieve, Niet de vadse rust der rijkaards, niet voor ons het tam vermaak, Pioniers! O Pioniers!
Laat dan anderen gulzig fuiven, Laat de dikke slapers slapen, laat hen in hun rust verroesten, Karig, spaarzaam, zij ons voedsel, hard ons bed en zwaar de arbeid, Pioniers! O Pioniers!
Is de nacht voor ons gekomen? Was de weg ons heden moeilijk? Vielen wij soms moedloos neder? Laat ons dan een wijle rusten, voor een uur den strijd vergeten, Pioniers! O Pioniers!
Op! met schaat'rend een trompetschal, Roept ons de ochtendstond--hoort!-- Luide en gebiedend klinkt zijn: "ontwaakt!" Op! Op! naar de voorhoede des legers! Op! Dat ieder naar zijn plaats snelle, Pioniers! O Pioniers!
AAN U
Wie gij ook zijt, ik vrees gij gaat den weg der droomen, Ik weet, dat de werkelijkheid waarop gij meent te rusten sneeuw is, die U onder handen en voeten wegsmelt, Zelfs op dit oogenblik zie ik alles wat gij 't Uwe meent verdwijnen: Uw gezicht, Uw vreugden, woorden, huis, handel, wandel, verdriet, dwaasheden, gewoonten, misdaden, Uw ware ziel, Uw ware lichaam verschijnt mij, Verschijnt mij, opkomende uit Uw bedrijf, Uw zaken, Uw winkel, arbeid, hofsteê, kleed, uit uw koop en verkoop, eten, drinken, lijden en doodgaan.
Wie gij ook zijt, ik leg nu de hand op Uw hoofd, opdat gij mijn gedicht moogt zijn, En met mijne lippen dicht aan Uwe ooren fluister ik: Ik heb vele vrouwen en mannen innig liefgehad, maar voor geen hunner was mijn liefde inniger dan voor U.
O, wel traag en wel dom ben ik geweest, Reeds veel vroeger had ik zonder omwegen mijn weg recht op U toe moeten nemen, Wat ik tot nu heb gezegd was gebabbel omdat ik 't niet tot U zei; wat ik tot dusver heb gezongen was het lied der zotheid, omdat ik U niet bezong.
Nu wil ik alles wegwerpen en tot U komen en de hymnen zingen van U, Niemand heeft U ooit begrepen, maar ik begrijp U, Niemand heeft U ooit recht laten wedervaren, ook gij deedt U zelf onrecht, Niemand, of hij zag gebreken in U, ik alleen vind in U geen gebrek, Niemand, of hij wilde èèn boven U stellen, _ik_ ben de man, die nimmer zal toestaan, dat er èèn boven U worde gesteld, Ik ben de eenige, die noch heer, meester, betere, noch zelfs God, hooger stel dan wat in U leeft. Schilders hebben zwevende engelen geschilderd en in hun midden het godsbeeld, En om het hoofd van het godsbeeld deden zij een nimbus stralen van goudzonnig licht. Maar ik schilder myriaden hoofden en schilder geen hoofd zonder dien nimbus van goud-zonnig licht, Uit mijn vingertoppen, uit het brein van iederen man en vrouw stroomt dat licht voor eeuwig zijn stralen uit.
O, ik zou zulke verheven roemzangen van U kunnen zingen! Gij kendet U-zelf niet, heel U leven hebt gij in U-zelf liggen slapen, Uw oogen zijn heel Uw leven zoo goed als gesloten geweest, Al uw daden komen reeds nu tot U terug en zij bespotten U, (Uw streven, weten, bidden, indien zij niet terugkomen om U te bespotten, hoe zullen zij dan tot U terug komen?)
Die spot geldt niet Uw ware leven, Achter dien spot en er doorheen zie ik Uw ziel onbevredigd staren, Ik volg U in Uw geheimste schuilhoeken, waar nog nooit iemand U volgde, Indien Uw zwijgen, Uw voorovergebogen zitten aan Uw lessenaar, Uw onverschillig doen, de nacht, het wijde kleed der gewoonte U verhullen voor anderen, zij verhullen U niet voor mij, Indien Uw glad geschoren gelaat, Uw dwalend oog, Uw puistig voorhoofd anderen afstooten, mij doen zij dat niet, Uw bemorst kleed, lichaamseuvel, dronkenschap, gulzigheid, of vroegtijdige onmatigheidsdood, dat alles wordt door mij ter zijde geschoven.
Daar wordt geen talent of gave in eenigen man of vrouw gevonden, of in U kan gelijkwaardigs gevonden worden. Daar is geen deugd, geen schoonheid in eenigen man of vrouw, of het even goede is in U, Daar is geen zaligheid bereid voor anderen, of gelijke zaligheid wacht U,
Wat mij betreft: ik zal niemand beschenken, tenzij ik volkomen hetzelfde U schenken kan, Niet eerder zal ik Gods of iemand glorie zingen dan ik Uw glorie zing. Wie gij ook zijt! Gij hebt recht aanspraak te maken op alles! De heerlijke landen van Oost en West zijn erbarmelijk een schouwspel, vergeleken bij U, Zie deze onmetelijke weiden, deze eindelooze rivieren, gij zijt onmetelijk en eindeloos als zij, Deze furiën, elementen, stormen, het geweld der ontketende natuur, weeën van schijnbare ontbinding: gij zijt de man, gij zijt de vrouw die hen kan bedwingen, In Uw eigen recht zijt gij gebieder over de natuur, de elementen, pijnen, passiën, ontbinding.
Uw kluisters vallen van Uw enkels, er is in U een nooit falend vermogen, Oud of jong, man of vrouw, ongeschoold en laag, door anderen uitgebannen, wat er in U is openbaart zich, Door geboorte, leven, dood, aardlegging heen zijn Uw wegen gebaand en niets is veronachtzaamd, Door bittere ervaring, verlies, eerzucht, onwetendheid, verdriet heen, volgt wat in U is zijn weg.
TERWIJL IK WEGDREEF MET DE EB VAN 'S LEVENS OCEAAN
1.
Terwijl ik wegdreef met de eb van 's levens Oceaan, Terwijl ik terug ging langs de kust, die ik zoo goed ken, Terwijl ik wandelde in Uw vochtig rimpel-zand, Paumanok, door de golven bespoeld, Waar het sissend en dreigend geruisch der baren wordt gehoord, Waar de woeste oude moeder eindeloos krijt om haar verloren telgen, Ik, op den laten herfstdag, ging peinzend, zuidwaarts starende, Door mijn electrische Ikheid-zelve vervreemd van den hoogmoed, die mij mijn poëmen doet zeggen, Ik ging, en was vervuld van den geest, die onder mijn voeten in het zand zijn lijnen had getrokken, Ik dacht aan het bezinksel op den bodem van alles, ook op den bodem van alle zee, alle land, alle leven der wereld.
Mijn aandacht geboeid, mijn oogen afgedwaald van het zuiden, aangetrokken door die rimpels in het zand, volgden het spoor der ebbegolven, Kaf, stroo, houtsplinters, zeegras en kwallen, Schuim, schilvers van glimmende rotsen, zeegras, dit alles had de vloed achtergelaten op het strand, Mijlen ver wandelde ik, steeds met het geruisch der brekende golven naast mij, Daar op Paumanok's kust, en in mij de oude gedachte, dat alles buiten mij wordt weerspiegeld door alles in mijn binnenste, Die gedachte kwam door U opnieuw in mij op, gij vischvormig eiland, Terwijl ik terugging langs de kust, die ik zoo goed ken, Terwijl mijn electrische Ik-heid mij deed zoeken naar mijn evenbeeld.
2.
Terwijl ik de kusten van het onbekende zoek, Terwijl ik luister naar het lijklied, de stemmen van mannen en vrouwen, die schipbreuk leden, Terwijl ik de invloeden adem, die als windstroomen op mij instormen, Terwijl de geheimzinnige Oceaan dichter en dichter op mij aanvloeit, Komt de gedachte in mij, dat ook ik ten hoogste een nietig aanspoelsel ben van d'Oceaan, Een handvol zand en doode zeegrassen, die men kan oprapen, Die wòrden opgeraapt, of misschien wel straks weêr worden weggespoeld.
O, teleurgesteld, vernietigd, het hoofd op de borst, de oogen zoekende diep in de aarde, Gedrukt door het weten, dat ik heb dùrven openen mijn mond, Nu wetende, dat te midden van allen die hun niet uitklappen en mij de holle echo's hunner woorden in het oor blazen, ik zelf nièt het geringste denkbeeld heb gehad van het wat en wie mijner Ik-heid, Dat uit al mijn verwaten poëemen nu mijn werkelijke Ik-heid opstaat, nog altijd ongezegd, onbegrepen, onverklaard, onbereikt, Ik zie haar voor mij uit, mij bespottende met spot-beleefde groeten en buigingen, Met de galmen van uit de verte gehoord spotgelach, om elk woord dat ik heb geschreven, Zwijgend wijzen naar deze zangen èèrst, dan naar het zand onder mijn voeten. Nu wordt het mij duidelijk, dat ik niets in zijn echten zin heb kunnen bevatten, niet het geringste, en dat niemand dit vermag, Hier, in het gezicht van d'Oceaan, neemt de Natuur de gelegenheid waar om mij neer te vellen tot mijn Niets, Omdat ik gewaagd heb ooit den mond te openen om te spreken.
3.
Gij Oceanen beide, gij en ik, wij dicht bijeen, Wij murmelen beiden het zelfde droeve lied, en spoelen zand en slib aan, en weten niet waarom, Gij, ik en allen hebben in onze ziel, gelijk dit zand de dunne kerven van het weggespoelde leven. Gij, broze kust bedekt met wrakhout, Gij, visch-vormig eiland, ik aanvaard wat nu aan mijn voeten ligt, Wat het Uwe is, is het mijne òok, vader. Paumanok, ook ik, Ook ik blies mij op als waterbellen in mijn najagen van hersenschimmen, dobberde op de onmetelijke golven des levens, werd aangespoeld op Uw kusten, Ook ik ben niet anders dan een op het zand geslingerd wrak, Ook ik laat mijn splinters op U achter, gij visch-vormig eiland. Ik werp mij aan Uw borst, vader, Ik omklem U zoo, dat gij U niet uit mijn omarming kunt losmaken, Ik houd innig vast, zoolang tot gij mij het antwoord geeft, dat ik begeer. Kus mij, kus mij, vader, Beroer mij met Uw lippen, zooals ik hen beroer, die ik liefheb, Laat, terwijl ik U aan mijn borst klem, Uw adem mij het lieflijk geheim influisteren van dat murmelen, waar ik naar smacht.
4.
Eb, Oceaan des Levens, (de vloed zal terugkomen) Staak niet Uw gejammer, woeste moeder oud, Krijt eindeloos om Uw verloren telgen, doch vrees niet en verloochen mij niet, Ook ik ben Uw zoon, ruìsch niet zoo heesch en toornig aan mijn voeten als ik U beroer, of wat gij wegwerpt, verzamel, U en allen heb ik teeder lief, Wat ik verzamel is zoowel voor mij-zelf als voor dien geest, die op ons neerziet waar wij gaan, en mij en wat het mijne is volgt, Ik en het mijne, ebberimpels in het zand, wat waardelooze wrakhout, Sneeuwwit schuim, ledige waterbellen, (Zie, hoe eindelijk door mijn doode lippen den stervensdroesem wordt uitgeworpen, Zie, de prismatieke kleuren glinsteren en bewegen,) Stroohalmen, spoelzand, splinters, Op het doodstrand gespoeld uit velerlei Niets van 's levens droefheid en vreugd. Niets altijd Niets, en toch het een in strijd met het ander, Uit stroomen, kalmten, duisternis en deining, Uit gepeins en nadenken, altijd Niets, ten hoogste een ademtocht, een traan, een spat waters of modders, En Niets altijd uit ons bodemloos gestreef, dat opgist en wegvloeit, Niets, ten hoogste een of twee teedere maar geschonden bloesembladeren dobberende op de golven en lichtelijk aangespoeld, Niets! en ook om ònzentwil die snikkende lijkzang der natuur, Ook voor ons, wat ook onze oorsprong zij, dat geloei der wolkbazuinen, Wij, als nietswaardig aangespoeld, vanwaar is ons onbekend, en neergeworpen aan Uw voeten, Gij die daar zit of gaat, aan Uw voeten, Wie gij ook zijt, ook wij liggen als wrakken aan Uw voeten.
ZEKERHEID
Ik heb geen zekerheid noodig, ik ben een mensch wiens ziel zijn geheele aandacht vraagt; Ik twijfel niet of van onder de voeten en naast de handen en het gezicht, die ik van mij ken, zien nu reeds andere gezichten uìt, die ik niet ken, schoone tastbare gezichten, Ik twijfel niet of de majesteit en schoonheid der wereld zijn verborgen in iedere iota der wereld, Ik twijfel niet of ik ben oneindig en het Universum is oneindig, vergeefs tracht ik mij voor te stellen hoe oneindig, Ik twijfel niet of de werelden en hun zonnestelsels snellen met een goddelijk doel zoo harmonisch door het ruim, en dat ik eenmaal in staat zal zijn te doen als zij, en mèèr dan zij, Ik twijfel niet of het tijdelijke heeft een duur van millioenen jaren, Ik twijfel niet of het binnenste heeft zijn binnenste en het buitenste zijn buitenste en het oogenlicht heeft een ander oogenlicht en het gehoor heeft een ander gehoor en de stem een andere stem, Ik twijfel niet of de dood van de jonge mannen, die zoo innig wordt beweend, heeft zijn levensbloei, en de dood van jonge vrouwen en de dood van kindertjes heeft zijn levensbloei, (Of denkt gij, dat het leven kan bloeien, en dat de dood, het doel des levens, niet zijn bloei heeft?) Ik twijfel niet of de wrakken in de zee ('t doet er niet toe welke verschrikkingen zij gezien hebben, 't doet er niet toe wiens vrouw, kind, man, vader, vriend er ook mede is onder gegaan) bloeien dààr, des levens vol, Ik twijfel niet of wat daar ooit en ergens gebeurt, heeft in den samenhang der dingen zijn levensbloei, Ik denk niet, dat Leven de bloeitijd is van het Al, van Tijd en Ruimte, maar ik geloof, dat Zalige Dood die bloeitijd is.
EEN STILLE GEDULDIGE SPIN
Een stille geduldige spin, Zag ik, waar zij op een kleinen vooruitspringenden hoek alleen zat, En ik zag, hoe zij, om de ledige groote ruimte rond zich heen te onderzoeken, Zich spinnende, spinnende, spinnende langzaam liet afzakken aan onzichtbare draden, Die zij steeds effende, die zij onvermoeid verlengde. En gij, o mijn ziel, waar zijt gij, Omgeven, los, in matelooze oceanen van Ruimte, Eindeloos peinzend, wagend, spinnend zoekt gij de sferen om U er mee te verbinden, Tot de tijd, tot de brug, die gij behoeft, zal gelegd zijn, tot het slepende anker vasthoudt, Tot de herfstdraad, die gij uitlaat, ergens aan vastblijft, o ziel.
AAN EEN, DIE SPOEDIG ZAL STERVEN
Te midden van alle anderen richt ik mij tot U: ik heb U iets te zeggen, Gij zult sterven--Laat anderen U vertellen wat zij willen, ik zoek geen uitvluchten, Zonder genade zeg ik U de waarheid, want ik heb U lief, en daarom zeg ik, dat geen ontkomen U mogelijk is. Zachtkens leg ik op U mijn rechterhand, als een liefkoozing voelt gij 't, Ik praat niet met U, ik buig mijn hoofd zoo dicht over het Uwe, dat gij enkel mijn oogen ziet. Rustig zit ik aan Uw zijde, ik blijf U trouw, Ik ben U meer dan verpleegster, meer dan verwant of buur, Ik ontbind U van alles en allen behalve van Uw eigen ziel, Uw eeuwige ziel, Uw echte ik, dat zekerlijk den dood ontkomt, Het lijk, dat gij achter zult laten, zal de droesem zijn van het echte goud Uwer ziel. Nu breekt de zon door de wolken, die gij den dood-zelf waandet, Fiere gedachten vervullen U, vertrouwen vervult U, gij glimlacht, Gij vergeet, dat gij ziek zijt, zooals ik vergeet, dat gij ziek zijt, Gij ziet Uw geneesmiddelen niet meer, gij let niet meer op Uw weenende vrienden, ik zit aan Uw zijde, Anderen weer ik van U af, daar valt niet te weeklagen, daar is niemand te beklagen, Ik beklaag U niet, ik benijd U, want meer dan het geluk, dat wij kennen is U bereid.
GEZICHTEN
1.
Drentelende door de straten of rijdende op den rijweg buiten, o wat al gezichten! Gezichten van vriendschap, stelligheid, borgtocht, lieflijkheid, ideaal, Het gezicht van den toekomst-droomer, het overal welkome alledaags-vriendelijke gezicht, Het gezicht van een die zingt, de indrukwekkende gezichten van natuurwetkenners, en van rechters met breede jukbeenderen, Het gezicht van jagers en visschers met knobbels van opmerkzaamheid boven de wenkbrauwen, de geschoren witte gezichten van vrome burgers, De nobele, ongewone, verlangende, vragende kunstenaarsgezichten, Het leelijke gezicht, dat een majesteitelijke ziel soms bedekt, het mooie gezicht van een, die verfoeid of veracht wordt, De heilige gezichten van kleine kinderen, het lichtstralende gezicht van de moeder van vele kinderen, Het gezicht van een mignon, het gezicht van vereering, Het gezicht vaag als een droom, het gezicht streng als een eeuwig verstijfde rots, Het gezicht ontdaan van zijn goed of zijn kwaad, het gezicht van den ontmande, Een wilde valk, zijn vleugels door den snoeier gekortwiekt. Een hengst, overgegeven aan riemen en mes van den snijder. Dus, drentelende door de straten of overstekende met de steeds heen en weer varende veerboot, gezichten en gezichten en gezichten, Ik zie hen, klaag niet, en ben tevreden met allen.
2.
Denkt gij, dat ik tevreden ben, zou kunnen zijn, indien ik dacht, dat deze gezichten d'eindvorm des levens waren? Dit gezicht is te jammerlijk om van een man te kunnen zijn, Een verworpen luis, die kruipend soebat om te leven, Een witgemuilde made, blij als zij in haar gat mag wegkruipen. Dit gezicht is een hondensnuit, snuffelend naar afval, Adders nestelen in dien muil, ik hoor de sissende bedreiging. Dit gezicht is mist, kouder dan de Poolzee, De slaperige en waggelende ijsbergen kreunen onder het voortdrijven. Dit is een gezicht van bittere kruiden, dàt van een laxeermiddel: zij hebben geen etiket noodig, En nog meer van den apotheker: een gezicht van laudanum, caoutchouc, duveltjesdrek, Dit gezicht is een toeval: de sprakelooze tong uit een onmenschelijken kreet, De aderen aan den nek zwellen op, de oogen rollen tot enkel hun wit wordt gezien, De tanden knarsen, de handpalmen zijn opengereten door de ingedrukte nagels, De man valt strijdende tegen zijn ziekte schuimbekkend neer, terwijl zijn oogen staren. Dit gezicht is opgevreten van ongedierte en wormen, En dit is het mes van een moordenaar, half uit de schede. Dit gezicht is den doodgraver zijn vreeselijk loon schuldig, Een nooit-stille doodsklok wordt daarin geluid.
3.
Gelaatstrekken van mijn evennaasten, wildet gij mij misleiden in Uw kronkelenden doodendans? O, misleiden kunt gij mij niet! Ik zie Uw bochtigen nimmer afgebroken stoet, Ik zie beneden het oppervlak van Uw woeste en lage mommen. Vertrekt en verdraait Uw gezicht, zooveel gij wilt, tast met het fijne voel-instituut van visschen of ratten, Eenmaal zult gij zekerlijk Uw ware gezicht moeten toonen.
Ik zag het gezicht van den smerigsten, slobberendsten idioot in het gesticht, En ik wist tot mijn troost wat de doctors daar niet wisten, Ik kende de krachten, die het denken van mijn broeder hadden verlamd en gebroken, En diezelfde krachten zullen eens het vuil voor het vervallen huis opruimen, En ik zal opnieuw uitzien, als wij twee geslachten verder zijn, Dan zal ik den echten huisheer ontmoeten, volkomen en ongedeerd, elke atoom van hem zoo goed als een van de mijne.
4.
De Heer komt nader en steeds nader, Overal strijdende tegen de duisternis, de tragen meevoerende met krachtigen arm. Uit dit gezicht dagen banieren en ruiterij op--O, heerlijk! Ik zie wat verschijnt, Ik zie de hooge mutsen van pioniers, ik zie de staven der voorloopers ruim baan maken, Ik hoor het tromgeroffel der overwinning. Dit gezicht is een reddingsboot, Dit is het gebaarde gezicht, dat het bevel geeft, het ontleent gezag aan zich-zelf; Dit gezicht is een geurige vrucht, rijp om genoten te worden, Dit gezicht van een gezonden, eerlijken knaap is de belofte van al wat goed is. Deze gezichten getuigen of zij slapen of waken, Zij bewijzen hun afkomst van den Meester zelf. Het woord, dat ik sprak, kome in vervulling, niet èèn sluit ik uit--rood, wit, zwart, allen zijn goddelijk, In elk huis is het Ovum, na duizenden jaren zal het bewezen worden. Vlekken of barsten in de vensters schrikken mij niet af, Verheven en volkomen menschen staan daar achter, en wenken mij toe, Ik hoor de belofte en heb tijd om te wachten. Dit is het gezicht van een volbloeide lelie, Zij spreekt tot den hinkenden man dicht aan het tuinhek, _Kom hier_, roept zij blozend, _kom heel dicht bij me, hinkende man,_ _Blijf naast mij staan tot ik zoo hoog ik maar kan tegen U kan aanleunen,_ _Vervul mij met witten honig, buig U over mij heen,_ _Beroer mij met Uw baard, beroer mij aan borst en schouders._
5.