Part 3
Een uur van woest genot, O geweldig! O laat mij bandeloos wezen! (Hoe komt 't toch dat ik mij in stormen zoo vrij gevoel? Wat beteekent toch mijn gejuich onder het lichten des bliksems en het woeden der winden?) O laat mij meer van de mystieke deliria drinken dan eenig ander man! O wilde en teedere pijnen! (Ik vermaak ze U mijn kinderen, Ik deel ze gaarne aan U mede o bruidegom en bruid.) O laat me mij aan U overgeven wie gij ook zijt en gij geef U over aan mij ten trots van de wereld! O laat ik teruggaan naar het Paradijs! O schaamte en Vrouw! O laat ik U tegen mij aandrukken om op uwe lippen voor 't eerst de kussen te planten van een zelfbewusten man.
O, het raadsel, de drievoudig-gelegde knoop, de diepe, duistere afgrond, alles ontbonden en verlicht! O ik wil heensnellen waar ik eindelijk ruimte en lucht genoeg vind! Ik wil vrijgemaakt zijn van vroegere banden en vooroordeelen, ik van de mijnen zoo goed als gij van de uwen! Ik begeer een nieuw en ongekend vrijmoedig omgaan met het beste van natuur! Ik wil de beklemming van onzen mond losgemaakt hebben! Heden of morgen het gevoel bezitten: ik ben genoegzaam zooals ik ben.
O geef mij iets nog onbewezens! iets in een verrukking des geestes! Laat mij geheel ontsnappen aan de ankers en de grepen van anderen! Vrij te drijven! vrij te leven! zorgeloos gevaarvol door te slaan!
Verdelging aan te zien met hoon en haar te lokken! Op te stijgen tegen de hemelen der liefde waarvan ik droom, er tegen op te tuimelen! En steeds hooger te klimmen met mijn liefdedronken ziel! Verloren te gaan indien dat zijn moet! Het geheele verdere leven te voeden met een uur van volkomen zaligheid en vrijheid! Met een kort uur van woest genot.
OER-MOMENTEN
Oer-momenten--wanneer gij over mij heen gaat--o reeds komt gij weer, Geeft mij nu enkel het genot van wellust, Geeft mij den drank mijner hartstochten, geeft mij welig, wild leven, Heden ben ik de metgezel van de lievelingen der natuur, hedennacht tevens, Ik behoor tot hen die gelooven in den vrijen wellust, ik neem deel aan de nachtelijke orgieën van jonge mannen, Ik dans met wie dansen en drink met wie drinken, De echo's weergalmen ons ontuchtig gezang, ik neem een diepgevallene tot liefsten vriend, Hij moet een wetschender zijn, ruw, ongeletterd, hij moet iemand zijn door anderen veroordeeld om bedreven daden, Ik wil niet langer veinzen, waarom zou ik vèr blijven van hen die mijn ware makkers zijn? O gij geschuwden, ik ten minste houd mij niet verre van U, Ik begeef mij oogenblikkelijk in uw midden, ik zal uw dichter zijn. Voor U zal ik meer zijn dan voor een der anderen.
UIT: CALAMUS
OP ONBETREDEN PADEN
Op onbetreden paden, In het gewas der poelzoomen, Ontsnapt aan het leven dat zich bloot geeft, Aan alle standaardmaten, die tot nu algemeen golden, aan de genoegens, voordeelen, gelijkvormigheid, Waarmee ik te lang mijn ziel heb trachten te voeden, Duidelijk nu voor mij dat er een eerlijke maat is nog niet algemeen aanvaard, duidelijk mij nu dat mijn ziel, Dat de ziel van den man voor wien ik spreek welbehagen vindt in zijne gezellen, Hier in eenzaamheid, weg van het gedruisch der wereld, Leg ik den kerfstok aan en hoor ik mij toespreken door welgeurende lippen, Niet langer beschaamd (want op deze afgelegen plek kan ik antwoorden wat ik elders niet zou hebben durven zeggen.) Krachtig in mij het leven dat zich niet vertoont en toch al het andere omvat, Vast besloten heden geen andere zangen te zingen dan die van mannelijke gehechtheid, En neem mij voor ze door geheel mijn aardsche leven te doen hooren, Voortaan zal ik het voorbeeld geven van athletische liefde, Op den namiddag van deze lieflijke Negende Maand van mijn een en veertigste jaar, Begin ik mijn arbeid voor allen die jonge mannen zijn of geweest zijn, Ik zal het geheim vertellen van mijne nachten en dagen,... Ik zal de noodzaak van makkers loven.
WIE GIJ OOK ZIJT DIE MIJ NU VASTHOUDT
Wie gij ook zijt die mij nu vasthoudt, Indien gij mist wat gij boven alles behoeft is al wat gij doet nutteloos, Ernstig waarschuw ik U voor gij dieper in mij doordringt, Ik ben niet zooals gij mij dacht maar heel anders.
Wie is hij die mijn volgeling wilde worden? Wie wilde mij toonen naar mijn liefde te dingen?
De weg is gevaarlijk, het einde onzeker, misschien ondergang, Gij zult al 't andere moeten opgeven, ik alleen zal eenig en alleen den standaard moeten zijn waaraan gij U meet, Ook dan zal uw discipelschap lang duren en uwe krachten uitputten, Al wat er in uw leven aan leer is en al wat uw leven gelijk maakt aan de levens om U heen zult gij moeten opgeven, Daarom laat nu van mij af voor dat uw leven nog erger door mij wordt verontrust, laat uw hand vallen van mijne schouders, Laat mij mijn weg gaan en ga gij den uwe.
Zoo niet, kom ga dan stil met mij in de woudeenzaamheid, waar ik U zal beproeven, Of achter een rots in de open lucht, (Want in geen bedekte ruimte van eenig huis verschijn ik U, noch zult gij mij in gezelschappen zien, En in bibliotheken ben ik als een stomme, als een zot, of een ongeborene of een gestorvene), Of mogelijk met U op een hoogen heuvel, waar wij eerst zullen uitturen dat niemand voor mijlen in 't rond ons onbemerkt kan naderen, Of te zeilen met U, of met U van het zeestrand af op een stil eiland, Daar veroorloof ik U uwe lippen op de mijne te drukken, Met de langbezielde kus van den makker of met de kus van den jongen echtgenoot, Want ik ben de jonge echtgenoot en ik ben de makker. Of zoo gij wilt, en mij vertrouwt onder uw kleed, Waar ik het kloppen van uw hart mag voelen of rusten mag op uw heup, Neem mij dan met U als gij landen en zeeën oversteekt; Want U aldus enkel te beroeren is mij goed, is mij lief, En dus U beroerende wenschte ik zachtekens in te slapen en gedragen te worden eeuwiglijk.
Maar indien gij U drenkt met het levenssap dezer halmen, zal er gevaar voor U zijn, Want noch deze halmen noch mij zult gij verstaan, De geest dezer halmen zal U bij het begin ontsnappen en steeds meer en meer ontsnappen, ik zal U zekerlijk ontgaan, Zelfs terwijl gij zult denken, dat gij mij twijfelloos gevat haddet, zie dan toe! Reeds dadelijk merkt gij dat ik U ontgaan ben.
Want 't is niet ter wille van wat ik er in heb nedergelegd, dat ik dit boek heb geschreven, Evenmin zult gij het bezitten terwijl gij mij leest, Evenmin kennen zij mij 't best die mij bewonderen en mij hoogdravend prijzen, Evenmin zullen zij die dingen naar mijn liefde (tenzij op zijn best een zeer gering getal) die liefde winnen, Evenmin zullen mijne gedichten enkel goed doen, zij zullen even veel kwaad doen als goed en meer nog misschien, Want alles is te vergeefs zonder dat waarop ik zinspeel en waarnaar gij menigmaal kunt raden zonder het te vatten; Daarom verlaat mij nu het nog tijd is en ga uw weg.
NIET ENKEL IN WAT IK MIJ VAN DE BORST WERP
Niet enkel in wat ik mij van de borst werp, Niet in mijn zuchten, in mijn wanhoop 's nachts, als ik in strijd ben met mijzelf, Niet in die lange, kwalijk onderdrukte bange zuchten, Niet in de vele eeden en beloften die ik brak, Niet in het krachtige en ontembare willen van mijn ziel, Niet in de ijle levenskracht der lucht, Niet in dit kloppen em bonzen van mijne slapen en polsen, Niet in dat wonderbare samentrekken en uitzetten in mijn binnenste, dat eenmaal zal ophouden, Niet in de vele wellustige wenschen die ik enkel aan de wolken heb toevertrouwd, Niet in de kreten, het gelach, de verwenschingen door mij uitgestooten als ik diep in de wildernissen alleen was, Niet in het schor gehijg door vastgeklemde tanden, Niet in klinkende en weêrklinkende woorden, kakelwoorden, echo's daarvan, doode woorden, Niet in het gemurmer mijner droomen terwijl ik slaap, Noch in dat andere gemurmer dier ongelooflijke droomen van elken dag, Noch in de leden en zinnen van mijn lijf, die U voortdurend aannemen en verstooten--niet dààrin, Niet in een hunner noch in allen, O aantrekkingskracht! O mijns levens polsslag! Wensch ik dat gij meer wordt gevonden of meer U-zelf bewijst dan in deze zangen.
DE VREESELIJKE TWIJFEL VAN DEN SCHIJN
De vreeselijke twijfel van den schijn, De onzekerheid ten slotte dat wij misschien misleid worden, Dat misschien vertrouwen en hoop slechts hersenschimmen zijn, Dat misschien het identieke leven aan gene zijde des grafs slechts een mooie fabel is. Misschien de dingen die ik waarneem, dieren, planten, menschen, heuvelen, weerspiegelende en vloeiende wateren, De luchten van dag en nacht, kleuren, het vaste, en de vormen slechts verschijningen (zooals ook zonder twijfel het geval is) en wat zij werkelijk zijn nog onbekend, (Hoe vaak treden zij uit zich-zelven naar voren als wilden zij mij verlegen maken en mij bespotten! Hoe vaak denk ik, dat ik noch iemand het geringste van hen weet,) Dat misschien hun schijn dien ik van mijn tegenwoordig standpunt zie (en die schijn tenminste is zeker) indien ik op een geheel ander standpunt naar hen uitzie zal blijken anders te wezen (zooals die schijn dan ook even zeker anders zal zijn) en niets gemeen te hebben met den schijn van nu of in 't geheel niets is; Deze en dergelijke vragen worden wonderbaar beantwoord door hen die mij liefhebben, mijn lieve vrienden, Wanneer hij die mij liefheeft met mij reist of langen tijd naast mij zit, terwijl hij mijn hand in de zijne houdt, Als de ijle lucht, de ontastbaarheid, de zin dien woorden en redenen niet bevatten ons omringt en in ons doordringt, Dan ben ik zalig van ongezegde en niet te zeggen wijsheid, ik ben stil en vraag niets meer, Wel kan ik de vraag van zijn en schijnen of die van het identieke leven aan gene zijde des grafs niet beantwoorden, Maar ik ga voort of zit neder en stoor er mij niet verder aan, ik ben tevreden, Hij die mijn hand in de zijne houdt heeft mij volkomen bevredigd.
GIJ DIE GETUIGEN ZULT IN DE VOLGENDE EEUWEN
Gij die getuigen zult in de volgende eeuwen, Komt, ik wil U vertrouwen in het innigste onder dit onlijdelijk uiterlijk, ik zal U zeggen hoe gij mij heeten moet, Noem mijn naam en hang mijn beeltenis op als van den man die de teederste minnaar was, Het portret van den vriend, den liefdezoeker, die door zijn vriend, zijn liefdezoeker zeer teeder werd bemind, Die zich niet verhief op zijne zangen maar wel op de onmetelijke zee van liefde in zijn ziel, die hij mildelijk uitstortte, Die vaak in groote verlatenheid waarde en dan dacht aan zijne lieve vrienden, aan die hem lief hadden, Die vèr verwijderd van hem dien hij liefhad peinsde in slapelooze nachten, vol onvoldaanheid, Die maar al te goed de pijnlijke, pijnlijke vrees kende, dat hij hem dien hij liefhad toch heimelijk onverschillig was, Wiens gelukkigste dagen die waren als, in de verte van alles, in velden, wouden en op heuvels, hij en een ander wandelden hand in hand, zij tweeën alleen, van andere menschen verwijderd, Die vaak in de straten drentelde zijn arm gebogen over den schouder van zijn vriend, terwijl de arm van zijn vriend op zijn schouder rustte.
TOEN IK DEN AVONDSTOND HOORDE
Toen ik in den avondstond hoorde dat mijn naam in het Capitool met toejuichingen was ontvangen, was voor mij de nacht die volgde toch geen nacht van geluk, En later in welslagen of wanneer mijn voornemens verwerkelijkt waren, was ik toch niet gelukkig, Maar de dag dat ik mij met zonsopgang van mijn bed verhief volkomen gezond, verfrischt, zingende, ademende den rijpen herfstadem, Toen ik ten Westen de volle maan zag verbleeken en in het morgenlicht verdwijnen, Toen ik alleen over het strand wandelde en, ontkleed, baadde, dartelend met de koele wateren en de zon zag opstijgen, En toen ik dacht dat mijn lieve vriend, die mij teeder liefheeft, op weg was naar mij toe, o toen was ik gelukkig, O toen smaakte elke bete mij zoeter en dien geheelen dag voedde mijn brood mij beter en die heerlijke dag ging heerlijk voorbij, En de volgende kwam met gelijke vreugd en met den volgende, 's avonds, kwam mijn vriend, En dien nacht, toen alles rondom stil was, hoorde ik de wateren langzaam rollen, rollen op het strand, Ik hoorde het gierend ruischen van water en zand die fluisterend op mij toekwamen, om mij geluk te wenschen, Want hij dien ik boven alles liefheb lag slapend aan mijn zijde onder hetzelfde dek in den koelen nacht, In de nachtstilte, in den herfstmaneschijn was zijn gezicht naar mij toegekeerd, En zijn arm lag zachtkens over mijn borst--en die nacht was een nacht van geluk.
VIND IK IN U OPNIEUW EEN HART DAT ZICH DOOR MIJ VOELT AANGETROKKEN?
Vind ik in U opnieuw een hart dat zich door mij voelt aangetrokken? Laat ik U dan dadelijk waarschuwen, ik ben zeker heel anders dan gij denkt; Denkt gij dat gij in mij uw ideaal zult vinden? Denkt gij dat 't zoo gemakkelijk is mijn liefde te winnen? Denkt gij dat mijn vriendschap U onvermengde voldoening zou schenken? Denkt gij dat ik geloofwaardig ben en getrouw? Ziet gij dan niet dieper dan den schijn, niet beneden mijne zachte en verdraagzame woorden? Gelooft gij dat ge met uwe voeten op de werkelijkheid voortschrijdt naar een werkelijken held? Is niet wel eens de gedachte in U op gekomen, o Droomer, dat dit alles misschien niets is dan maya, illusie.
IK ZAG IN LOUISIANA EEN LEVENSEIK
Ik zag in Louisiana een levenseik, Hij stond ganschelijk alleen en het mos hing neer van zijne takken, Hij leefde daar zonder een enkelen kameraad, toch uitte hij zich in blijde donkergroene bladen, En zijn uitzien ruw, vrij en krachtig deed mij denken aan mij-zelf, Toch verwonderde ik mij hoe hij zich in blijde bladen kon uiten, daar in de eenzaamheid zonder een makker aan zijn zijde, ik wist wel dat ik dit niet zou kunnen, En ik brak een twijg af met wat bladeren er aan en wond er wat mos om, En nam haar mee en hing haar in mijn kamer op, zoodat ik er altijd het oog op heb, 't Was niet noodig om mij steeds aan mijne lieve vrienden te doen denken, (Want in den laatsten tijd, geloof ik, denk ik aan weinig anders dan aan hen,) Toch blijft die twijg mij een wonderbaar zinnebeeld en doet me aan mannelijke liefde denken; Hoe dan ook, die levenseik moge daar in Louisiana vroolijk gedijen, alleenig in een groot vlak land, Hij moge zich kunnen uiten in blijde bladeren, terwijl hem heel zijn leven lang geen vriend, geen die zijn liefde zoekt nabij is, Ik weet maar al te goed dat ik 't niet zou kunnen.
AAN EEN VREEMDE
Voorbijgaande vreemdeling! gij weet niet hoe innig verlangend ik U aanzie, Gij moet zijn hem dien ik zoek, of haar die ik zoek ('t komt in mij als een droom) Ergens heb ik zeker een vreugdevol leven met U geleefd, Terwijl wij elkaar voorbijgaan fluïdisch, liefdedorstend, rein en volwassen, herinner ik mij alles weer duidelijk, Gij groeidet met mij op, waart een knaap met mij of een meisje met mij, Ik at met U en sliep met U, uw lichaam is niet enkel het uwe gebleven noch heeft het mijne enkel het mijne laten blijven, Gij geeft mij de vreugde van uwe oogen, gezicht, lijf, als wij elkaar voorbijgaan, gij neemt in keer van mijn baard, borst, handen, Het is mij niet vergund tot U te spreken, het is mij enkel vergund aan U te denken als ik alleen ben of waak in den eenzamen nacht, Ik moet op U wachten, ik twijfel er niet aan, dat 't mij vergund zal zijn U eens opnieuw te ontmoeten, Ik moet oppassen dat ik U niet verlieze.
IK HOOR DAAR WERD TEGEN MIJ GETUIGD
Ik hoor daar werd tegen mij getuigd, dat ik instellingen door de eeuwen gewijd zocht te vernietigen, Maar waarlijk ik ben noch voor noch tegen die door de eeuwen gewijde instellingen, (Wat toch heb ik met ze gemeen of met de vernietiging er van?) Ik wil slechts vestigen in de Mannahatta en in elke stad dezer Staten, 't zij diep in het land of aan de zee, En in de velden en wouden en boven elke kiel klein of groot die op de wateren dobbert, Zonder gebouwen of wetten of besturen of eenige belijdenis, De instelling van trouwe liefde tusschen kameraden.
ALS IK EENS NAGA WAT ROEM IS
Als ik eens naga wat roem is, roem van heldendaden, roem van overwinningen door groote veldheeren bevochten, dan benijd ik die veldheeren niet, En ik benijd evenmin den President in zijn presidentschap, noch den rijkaard in zijn paleis, Maar wanneer ik hoor spreken over de broederschap van hen die elkaar liefhebben, hoe zij leefden, Hoe zij zijde aan zijde gingen door het leven, door gevaren, den blaam trotseerende, altijd vol liefde voor elkaar, heel den langen weg, Van jeugd tot manzijn en van manzijn tot grijsheid, hoe fier zij waren in hun liefde, hoezeer elkaar genegen en getrouw, Dan word' ik stil--ik ga haastig voort vervuld van den bittersten nijd.
SOMS, IN MIJN LIEFDE
Soms, in mijn liefde, word ik vervuld van wanhoop, uit vrees liefde uit te storten over een die mijn liefde niet beantwoordt, Maar nu denk ik, dat elke liefde beantwoord wordt, en dat op een of andere wijs het loon zeker is, (Eens had ik vurig lief en werd mijn liefde niet beantwoord, Nu, door die liefde heb ik deze zangen geschreven.)
UIT: HET LIED VAN DEN OPEN HEIRWEG
1.
Te voet en blijmoedig neem ik den open heirweg, Gezond, vrij, heel de wereld voor mij uit, De onafzienbare bruine weg voor mij uit, die mij brengt overal waar ik wensch te gaan.
Voortaan zal ik nimmer naar geluk vragen, ik heb geluk in mijzelf, Voortaan zal ik niet meer klagen, niets meer verdagen, voortaan zal ik mij niets voelen ontbreken, 't Is gedaan met in huiszitten en klagen, met boekenwijsheid, met het nutteloos oordeel over anderen, Sterk en tevreden ga ik den open heirweg op.
De aarde is mij voldoende, Ik begeer mij de sterren niet nader, Ik weet, wáár zij zijn is 't goed dat zij zijn, Ik weet, dat zij genoegzaam zijn hun wier leven van hun leven is.
Maar ook hier draag ik mijne oude lieve lasten met mij, Ik draag ze mee, mannen en vrouwen, ik draag ze mee overal waar ik ga, Ik zweer U: 't is onmogelijk ze van mij af te schudden, Zij leven in mijn leven, en ik wil hun leven vervullen van het mijne.
2.
Gij heirweg, dien ik nu betreed en waarover ik mijn oog laat ronddwalen, ik geloof dat hier meer is dan het zichtbare, Ik geloof dat hier ook veel onzichtbaars is. Gij leert de moeilijke les van Al-ontvankelijkheid, gij kent voorkeur noch uitzondering; De zwarte met zijn wollig hoofdhaar, de uitgestootene, de melaatsche, de ongeletterde worden door U niet geweigerd; De geboorte, het haastig halen van den doctor, de strompelende bedelaar, de waggelende dronkaard, de vroolijke troep werklieden, De uitgelaten jeugd, de karos van den rijkaard, de pronker, het vluchtende paar, De vroeg ter markt gaande man, de lijkwagen, de verhuiskar naar stad, de wagen die uit de stad terugkomt, Zij gaan voort, aldus ga ook ik voort, geweerd wordt er geen, Allen deelen in dezelfde ontvangst en mij zijn allen lief.
3.
Links en rechts wijdt de aarde zich uit, Een levend beeld van leven, alles in zijn beste licht, Natuurmuziek gehoord waar men haar wenscht te hooren en onhoorbaar als de ziel aanschouwen wil, De blijde stem van den open heirweg en de blijmoedige, frissche ziel van dien weg.
O, heirweg dien ik nu heb ingeslagen, zegt gij mij: _verlaat mij niet?_ Zegt gij mij: _Waag U niet--gij zijt verloren indien gij mij verlaat?_ Zegt gij mij: _Reeds ben ik welgebaand en drukbeloopen, geen die mij niet roemt, houd U aan mij?_ O heirweg, ik antwoord U: niet bevreesd ben ik U te verlaten, maar ik heb U lief, Gij, beter dan ik 't doen kan, verklaart wat in mij is, Gij zult mij meer zijn dan mijn gedicht.
Ik denk: alle heldendaden en alle vrije gedachten hebben hun bezieling gevonden in de open lucht, Ik denk: hier toevende zou ik wonderen kunnen doen, Ik denk: wat ik ook op den heirweg ontmoete zal mij welkom zijn en ieder die mij ziet zal mij liefhebben, Ik denk: ieder dien ik zie moet gelukkig zijn.
4.
Van dezen stond af verklaar ik mij los van limieten en gedachte grenzen, Ik ga waar 't mij lijkt, geheel en volkomen mijn eigen meester, Luister naar anderen, overweeg wat zij zeggen, Denk na, onderzoek, neem in mij op, bepeins, Maar ik maak mij vriendelijk doch met onwrikbaren wil los uit den greep die mij zou willen vasthouden.
Ik adem de ruimte met lange teugen in, Ik bezit Oost en West en ik bezit Noord en Zuid.
Ik ben grooter, beter dan ik dacht, Ik wist niet, dat ik zoo rijk aan goedheid was.
Alles lijkt mij schoon, Ik kan tot mannen en vrouwen zeggen en herhalen: gij hebt mij zooveel goed gedaan, ik woû U hetzelfde doen, Wat ik op mijn weg zal vinden zal gelijkelijk voor U en voor mij zijn, Op mijn weg zal ik aan mannen en vrouwen geven van mij-zelf, Ik zal nieuwe vreugde en onstuimigheid in hen werpen, Wie mij verloochene, het zal mij niet bedroeven, Wie mij aanvaarde, hij of zij zal gezegend zijn en mij zegenen.
5.
Indien thans een duizendtal volmaakte mannen verscheen zou mij dat niet verbazen, Indien thans een duizendtal schoone vrouwengestalten verscheen zou dat mij niet verwonderen.
Thans ken ik het geheim om voortreffelijke menschen te gewinnen: Het is te leven in de open lucht en te eten en te slapen met de aarde.
Hier heeft een groote persoonlijke daad ruimte, (Zulk een daad legt beslag op de harten van heel het menschelijk geslacht, De uitvloeiing van haar kracht en wil breekt de wet en bespot alle gezag en redenen die zich tegen haar mochten willen kanten).
Hier is de toetssteen der wijsheid, Wijsheid wordt niet in de scholen getoetst, Wijsheid kan niet worden overgedragen van den een die haar bezit op den ander die haar niet bezit, Wijsheid is ziel, wijsheid laat zich niet toetsen, maar toetst zelf, Zij doordringt zich van alle tijden, dingen, eigenschappen en is voldaan, Zij is de zekerheid van wat waar en onvergankelijk is in 't leven en van wat volkomen is in 't leven, Er is iets in de veelheid der zichtbare dingen dat haar oproept uit de ziel.
Nu onderzoek ik opnieuw de religiën en de wijsbegeerten, Zij kunnen voortreffelijk zijn in collegiezalen en toch niets bewijzen onder de uitgestrekte wolken en langs het landschap en de vloeiende stroomen.
Hier is werkelijkheid, Hier is een mensch--hier openbaart hij wat er in hem is, Het verleden, de toekomst, majesteit, liefde--indien zij niet van U zijn vervuld, zijt gij niet van hen vervuld.
6.
Hier is de uitvloeiing der Ziel, Wat uit de ziel vloeit komt uit het binnenste door bloembekranste poorten en stelt vragen steeds. Waarom toch dat smachten? Waarom toch dat gepeins in stikdonkeren nacht? Waarom toch zijn er mannen en vrouwen, die als zij dicht bij mij zijn zonnelicht en zonnewarmte in mijn bloed doen vloeien, waardoor het zich uitzet? Waarom toch, wanneer zij mij verlaten, hangen mijne vreugdevanen slap en plat neer? Waarom toch zijn er boomen onder wier gebladert ik nooit wandel of verheven en melodieuze gedachten dalen in mij neer! (Ik denk, dat zij daar winter en zomer aan die boomen bloeien en als rijpe vruchten afvallen als ik voorbijkom;) Wat ruil ik toch zoo plotseling met vreemden? Wat met dien koetsier als ik op den bok aan zijn zijde zit? Wat met dien visscher die aan de kust zijn zegen uitwerpt, terwijl ik in 't voorbijgaan een oogenblik blijf kijken? Wat geeft mij een zoo vrij beroep op de welwillendheid van die vrouw of dien man? Wat geeft hun een zoo vrij beroep op de mijne?
7.
Wat uit de ziel vloeit is geluk, hier is geluk, Ik denk het vervult de open lucht en is van allen tijde, Nu vloeit het op ons aan en zijn wij er welzalig van.