Grashalmen

Part 2

Chapter 2 4,020 words Public domain Markdown

Zeker als de onwankelbare zekerheid, lood in de rechtstandigheid, goed doorvoegd, gesteund in de balken, Moedig als een paard, vol kracht van liefde, onbevangen, electrisch, Staan wij hier in het leven, ik en dit mysterie.

Zuiver en zoet is mijn ziel, en zuiver en zoet is alles wat niet is mijn ziel. Waar een ontbreekt ontbreken beiden, en het ongeziene wordt door het zichtbare bewezen, Totdat ook dit onzichtbaar wordt en bewezen wordt op zijn tijd.

3.

Heeft iemand ooit gemeend, dat het gelukkig was geboren te zijn? Ik haast mij hem of haar te zeggen, dat 't even gelukkig is te sterven, en ik weet dat.

Ik ga den dood door met den stervende en het leven door met het zoo-even ontbonden kind, en wat gij daar van mij ziet tusschen laarzen en hoed is niet mijn geheele Ikheid. Mijn leven is het leven der menigvuldigheid en in die menigvuldigheid zijn daar niet twee eveneens en allen zijn goed, De aarde goed, de sterren goed en alles wat daarop of omheen leeft goed.

Ik ben geen aarde, ook geen satelliet van een aarde, Ik ben de maat en gezel van menschen die allen even onsterflijk en vademloos zijn als ik-zelf ben, (Zij weten niet hoe onsterflijk, maar ik weet 't).

Iedere mensch leeft voor zichzelf en voor wat zijn leven is, ik leef voor mij en weet wat mijn is, mannelijk en vrouwelijk, Zij zijn mijn die knapen geweest zijn en vrouwen begeeren, Hij is mijn de man, de fiere, die het steken voelt der geringschatting, Zij is mijn de verloofde, en de oude maagd is mijn, zij zijn mijn de moeders en de moeders van moeders, Mijn zijn de lippen die glimlachen en de oogen die tranen storten, Mijn zijn de kinderen en die kinderen gewinnen.

Naakt! Voor mij hebt gij geen schuld, door mij wondt gij niet uitgeworpen, door mij niet geminacht, Ik zie U door kleed en hemd in de ziel, Ik omgeef U, ik laat niet af voor ik U gewonnen heb, ik ben onvermoeid, gij kunt mij niet afschudden.

4.

Ik kom met luide muziek, met trompetten en trommen, Ik speel niet enkel de marschen ter eere van de overwinnaars die ieder toejuicht, ik speel ook de marschen voor overwonnenen en verslagenen. Heeft men U gezegd, dat het goed was het pleit te winnen? Dan zeg ik U daarbij, dat 't goed is de nederlaag te lijden: veldslagen worden in denzelfden geest verloren als zij worden gewonnen.

Ik trommel en trompet voor den dood, Mijn luidste en blijdste muziek is voor de dooden.

Vivats voor hen die verloren hebben! En voor hen wier oorlogsschepen in de zee zijn ondergegaan! En voor hen-zelf die in zee zijn ondergegaan! En voor alle veldheeren wier leger verslagen werd en voor alle overwonnen helden! En vivats voor de tallooze onbekende helden, zoo luid als voor de grootste helden wier naam beroemd is.

5.

Denkt gij, dat ik eenig diep verborgen doel hebbe? Nu dan, ik heb dat doel, want de zaaiers der Vierde-maand hebben dat doel en het mica aan de rotshellingen heeft het ook.

Houdt gij 't er voor, dat ik verwonderen wil? Wil het daglicht verwonderen? Wil het roodborstje, dat vroeg in den morgen kwinkeleert, het doen? Wil ik 't dan doen eenigermate meer dan zij? Dit uur wil ik U in vertrouwen iets meedeelen. Ik zou 't niet gaarne iedereen vertellen, maar U wil ik 't vertellen.

6.

Ik ben de poëet van het Lijf en ik ben de poëet van de Ziel, De vreugden des hemels zijn met mij en de pijnen der hel zijn met mij, De eersten ent en kweek ik op mij-zelf, de laatsten spreek ik uit in een nieuwe taal.

Ik ben de poëet van de vrouw dezelfde als van den man, En ik zeg: groot is 't vrouw te zijn, groot is 't man te zijn, En ik zeg: niets is er grooter dan de moeder te zijn van menschen.

Ik zing den zang van hoogheid en hoogmoed, Wij hebben nu tamelijk wel genoeg gehad van nederigheid en verlaging, Ik toon aan dat gesteldheid ontwikkeling beteekent.

Zijt gij de anderen voorbijgestreefd? Zijt gij de President? 't Beteekent niet veel, iedereen zal verder dan zoover komen en toch altijd voortgaan. Ik ben de man die met den teederen, klimmenden nacht wandelt, Ik spreek tot aarde en zee, door den nacht half-beschemerd.

Druk mij vast tegen u aan, blootborstige nacht--druk mij vast tegen u aan, nacht die mij magnetisch doorvloeit! Nacht van Zuider winden--nacht van enkele groote sterren! Nacht die mij toeknikt--genotnaakte zomernacht Glimlach, o wellustige, koel-ademende aarde! Aarde van de sluimerende, smeltende boomen! Aarde van den weggeduisterden zonsondergang--aarde van de nevelbetopte bergen! Aarde van den glas-schijnenden maanstraal, ietwat met blauw doortrokken! Aarde van licht en duister spranklend in den riviervloed! Aarde van het doorzichtige wolkengrijs, dat om mijnentwil klaarder en helderder wordt! Aarde die op de breed-neergestreken elbogen rust--rijke appelbloesem aarde! Glimlach, glimlach, want hij die u liefheeft is op weg.

Liefde hebt gij mij overvloediglijk gegeven--daarvoor geef ik U liefde weer! O, onuitsprekelijke, onuitbluschbare liefde.

7.

Ik ben niet enkel de dichter van goedheid, ik versmaad niet de dichter te zijn van slechtheid tevens. Wat is er al gebabbel over deugd en ondeugd? Het kwaad drijft mij voort, de strijd tegen kwaad drijft mij voort, ik blijf onaangedaan.

Mijn levensdoel is niet onkruid te zoeken hier, te verwerpen daar, Ik besproei de wortels van al wat groei heeft.

Hebt gij vrees voor wat scrofula dat uit levenskrachtige vruchtbaarheid voortkomt? Denkt gij, dat de goddelijke wetten nog te herzien en te verbeteren zijn?

Ik vind evenwicht aan deze zijde en evenwicht aan den tegenkant, De leer der zwakheid helpt zoo goed als de leer van kracht, Daden en gedachten des Levens verrijzen met ons en tijgen vroeg aan den arbeid.

De minuut die nu volgt en over mij heen gaat komt uit een verleden van eonen, Er was geen betere dan deze en er zal geen betere zijn.

Wat schoon was in 't verleden en schoon is nu is geen wonder, Een wonder is altijd en altijd hoe daar een mensch kan zijn die zich-zelven ontrouw is en die niet gelooft.

8.

Walt Whitman, een kosmos, zoon van Manhattan, Onstuimig, vleezig, zinnelijk, etende, drinkende, leven verwekkende, Geen sentimentalist, zich niet verheffende boven mannen en vrouwen, zich niet van hen afscheidende, Niet bescheidener dan onbescheiden.

Ontschroef de deursloten! Ontschroef de deuren zelven van de scharnieren!

Wie ooit een ander vernedert, vernedert mij! En wat ooit gedaan of gezegd wordt komt ten slotte tot mij.

Door mij gaat de stroom der goddelijke wijsheid, in mij de verklaring van leven en toekomst

Ik spreek het oer-wachtwoord, ik geef het teeken der Democratie, Bij God! Niets zal ik aanvaarden waaraan niet allen op dezelfde voorwaarden deel kunnen hebben.

Door mij spreken verboden stemmen, Stemmen van seksen en van begeerten, stemmen heesch nog en ik verwijder die heeschheid, Stemmen die laag worden geacht en die ik zal verluiden en verklaren

Ik leg mij de vingers niet op de lippen, Voor mij zijn de ingewanden even schoon en even hoog als hoofd en hart, De paring is mij niet minder schoon dan mij de dood is.

Ik geloof in den vleeze en in de begeerten, Zien, hooren, voelen zijn wonderen, en elk deel en elke vezel van mij is een wonder.

9.

Ik denk ik zou met de dieren kunnen omgaan en leven, zij zijn zoo vreedzaam en zelf-voldaan, Ik sta langen tijd stil om hen te bespieden. Zij maken zich niet warm en schreien niet over hun leven, Zij zijn niet slapeloos in den nacht en beweenen hunne zonden, Zij maken mij niet wee met den praat over hunne plichten tot God, Niet een hunner is onbevredigd, niet een geslagen met de manie van eigendomsbegeerte, Niet een knielt voor den ander, niet voor zijns gelijke die duizenden jaren vroeger leefde, Niet een is achtenswaardig of ongelukkig over de geheele wereld.

Aldus toonen zij hun betrekking tot mij en ik erken die, Ik vind eigenschappen van mij zelf in hen terug, die zij duidelijk toonen te bezitten

Ik verwonder mij hoe zij aan die eigenschappen zijn gekomen, Heb ik hun weg in den oer-tijd bewandeld en heb ik ze onachtzaam verloren, Ik-zelf toen, nu en altijd voortgaande, Verzamelende en bewijzende altijd meer en altijd sneller, Oneindig en alsoortig en dus de gelijken van dezen daarbij, Niet laag neerziende op hen, die mij mijn vroeger bestaan herinneren, Zoek ik uit allen een dien ik liefheb en met wien ik als een broeder zal leven.

10.

Eenzaam te middernacht in mijn tuin, mijne gedachten gaan een lange wijl van mij uit, Daar wandel ik over de oude heuvels van Judea met den schoonen, zachtmoedigen God aan mijn zijde, En snel op door de ruimte, snel op door hemelen en sterrengroepen, Snel op tusschen de zeven satellieten door den breeden ring en den diameter van tachtig duizend mijlen, Snel op met de staartmeteoren, vuurkloten afwerpende als zij, Dragende het groeiende kind dat zijn eigen zwangere moeder in de buik draagt, Stormend, genietend, ontwerpend, liefhebbend, waarschuwend, Steunend en tevredenstellend, verschijnend en verdwijnend Aldus betreed ik deze paden dag en nacht.

Ik bezoek de gaarden der sferen en zie wat zij voortbrengen, En zie quintillioenen rijpe en quintillioenen onrijpe vruchten.

Ik vlieg de vlucht eener vloeiende, zwelgende ziel, Mijn loop gaat dieper dan het dieplood peilt.

Ik help mij-zelf aan wat ik stoffelijks of onstoffelijks behoef, Geen wacht kan mij buitenhouden, geen wet kan mij verhinderen.

11.

Ik hoorde wat daar over het Universum werd gezegd, Heb 't gehoord en weer gehoord vele duizenden jaren lang; 't Is tamelijk goed, voor zoover 't gaat--maar 't is niet alles.

Ik kom en van mij gaat de Heerlijkheid uit en de Kracht, Eerst van al overbied ik alle oude waarborgventers der Alleen-Zaligmaking, Ik leg mij de zelfde afmetingen als Jehova aan, Maak een prentje van Kronos, van Zeus zijn zoon, van Hercules zijn kleinzoon, Koop plaatjes van Osiris, Isis, Belus, Brahma, Boeddha, Leg Manitoe los in mijn portefeuille, Allah op een blad papier, heb een ets van den gekruisigde, Ik reken af met Odin en met den afzichtelijk grijnzenden Mexitli en met ieder afgods- en heiligenbeeld. Ik neem allen voor wat zij waard zijn, maar niet voor een cent meer, Erken dat zij geleefd hebben en in hun tijd hun werk deden, (Zij droegen wormpjes aan als voor ongevederde vogels, maar dezen zullen nu opstaan en uitvliegen en zingen in eigen kracht.) Ik aanvaard de ruwe Godsbegrippen, maar verbeter en verfijn ze in mij-zelf en deel er gulhartig van mee aan iederen man en iedere vrouw die ik ontmoet, Ontdek evenveel van hun godheid of meer zelfs in den bouwer die een huis bouwt, Eisch hoogere rechten voor hem daar met zijne opgerolde hemdsmouwen en hamer of beitel ter hand, Weiger niet de bijzondere openbaringen aan te hooren, maar beschouw een rookwenteling of een haar op den rug mijner hand even gewichtig als welke openbaring ook Jonge kerels bij de brandspuiten en op de reddingsladders zijn voor mij niet minder dan de goden in den antieken krijg. Ik luister naar den galm hunner stemmen, die het vlammengieren der verdelging doorsnijdt, Terwijl hunne gespierde lichamen ongedeerd over de verkoolde balken gaan, hunne bleeke voorhoofden ongedeerd en boven het vuur uit; Ik vergelijk die goden bij de smidsvrouw, met haar zuigeling aan de borst, die genadig is voor iederen pasgeborene; Drie gierende seizen ter oogst in een rij van drie sterke engelen met hemden om hunne lendenen opgerold; De roodharige staljongen met puntige tanden, verlosser van verleden en toekomstige zonden, Die al wat hij bezit verkoopt en een verre voetreis maakt om een advocaat te betalen voor zijn broêr, die voor vervalsching terechtstaat en om dien broêr bij te staan; Wat werd ooit in de mildste rooiing op de vierkante roede om mij heen gerooid, waarvan die vierkante roede niet vervuld was? De stier en het insect werden nimmer genoeg verheerlijkt; Drek en vuil zijn bewonderenswaardiger dan ooit werd gedroomd; Het bovennatuurlijke is voor ons van geen belang: ik zelf wacht mijn tijd uit om eens een der allerhoogsten te worden; De dag zal weldra daar zijn, dat ik evenveel goed zal doen als de beste en even wonderbaarlijk zal zijn. Bij mijn lichaam! Ik word reeds een schepper, En leg de kracht van mijn leven in den omwikkelden schoot der duisternis.

12.

Dit mijn lied is niet het lied van den sleur, Het vraagt onverwacht, het snelt op en daalt af, maar brengt altijd nader; Dat is een gedrukt en gebonden boek--maar wat is de drukker, wat is de drukkersjongen? Een welgeslaagde fotografie--maar uw vriend of meisje teeder en vast in uw armen? Het zwarte schip met ijzer gepantserd, zijn vreeselijke kanonnen in de torens--maar de zeemanschap van kapitein en machinisten? In de huizen de gevulde schalen en het maal en de meubels-- maar de gastheer en de gastvrouw en de blik hunner oogen? De hemel daar omhoog--maar hier, of naast de deur of over den weg? De heiligen en wijsgeeren in de geschiedenis--maar gij-zelf? Preeken, credo's, godgeleerdheid,--maar het onnaspeurlijk menschelijk denken? En wat is rede? en wat is liefde? en wat is leven?

13.

Ik ben een toppunt van verleden dingen en bevat alle dingen der toekomst.

Mijne voeten raken een trede van de treden der trap, En iedere trede draagt bundels eeuwen en grooter bundels eeuwen liggen tusschen twee treden, Al wat onder mij is ben ik opmerkzaam doorgegaan en steeds klim ik en klim ik.

Geslacht na geslacht buigen de geesten zich achter mij neer, In de verre verte zie ik het geweldige Oer, ik weet dat ik dààr zelfs was, Ongezien wachtte ik alomtegenwoordig en sliep in den lethargischen nevel, En wachtte mijn tijd af, zonder geschaad te worden door de stinkende koolstof.

Lang werd ik door krachtige armen omhelsd--lang en lang.

Onberekenbaar zijn de voorbereidingen voor mij geweest, Trouw en liefdevol waren de armen die mij droegen, Door de kringloopen werd mijn wieg voortbewogen, zij roeiden en roeiden als vroolijke roeiers, Om mij ruimte te geven stelden de sterren zich in hare ringen ter zij, Zij zonden mij hare invloeden om zorg voor mij te dragen.

Voor ik uit mijn moeder geboren werd baanden vele menschengeslachten mijn weg, Nooit is mijn embryo in zijn groei vertraagd, niets kon den glans er van verduisteren.

Nevelen formeerden zich er voor tot werelden, De lange, langzame melkweg werd vast om het te doen rusten, Reuzengewassen gaven het levenssap, Monsterachtige sauroïden droegen het in den muil en legden het voorzichtiglijk neer.

Alle krachten van het Heelal zijn eeuwig voor mij ingespannen om mij te volmaken en te bekoren, Nu sta ik hier op deze plek met mijn sterke ziel.

14.

Ik open mijn dakvenster in den nacht en zie de ver-uitgestrooide sterrengroepen, En allen die ik zie, zooveel vermenigvuldigd als ik kan becijferen, geven slechts een som die de nog verdere sterrengroepen bezoomt.

Zij verspreiden zich verder en verder, wijden zich uit en wijden zich altijd uit, Dieper en dieper en eeuwig dieper in de eeuwigheid. Mijn zon heeft haar zon die gehoorzaam om haar rondwentelt, Deze vereenigt zich met hare makkers tot een groep van nog verhevener omgang, En dichtere rijen volgen, die van de grootsten in haar midden stippen maken.

Er is geen stilstand en nimmer kan er stilstand zijn, Indien ik, gij en de werelden en alles beneden en op haar oppervlak zouden worden herleid tot een bleek gedobber in het Al, 't zou niets hinderen op den duur, Wij zouden zeker opnieuw komen waar wij nu staan, En zeker zoover komen als wij gekomen zijn en dan verder gaan en verder.

Enkele quadrillioenen tijdperken, enkele octillioenen kubieke mijlen brengen het Verband niet in gevaar of doen er ongeduld binnensluipen, Zij zijn maar deelen, en alles is maar een deel.

Zie zoover gij kunt, verder nog is onbegrensde ruimte, Reken zooveel gij kunt, daar is oneindige tijd omheen.

Mijn samentreffen is bepaald, is zeker, De Heer zal mij wachten tot ik in volmaaktheid kom, De verheven Camerado, de ware liefdegever naar wien ik smacht, zal ik ontmoeten.

15.

Ik weet mij behoort het beste van tijd en ruimte, en nooit werd ik gemeten en nimmer zal ik gemeten worden.

Ik voeteer een altijddurende reis (komt, luistert allen!) Mijn kenteekenen zijn een waterdichte mantel, sterke schoenen en een boomtak tot staf, Geen mijner vrienden kan zijn rust in mijn stoel nemen, Ik heb geen stoel, geen kerk, geen filosofie, Ik leid niemand ten maaltijd, of naar de bibliotheek of naar de Beurs, Maar ieder uwer, man of vrouw, leid ik op een bergtop, Mijn linkerhand kromt zich rond uw middel, En mijn rechterhand wijst op de landschappen der werelddeelen en op den open heirweg.

Noch ik, noch iemand anders kan dien weg voor U opgaan, Gij-zelf moet dien weg opgaan.

Die weg is niet ver, die weg is licht te bereiken, Misschien bewandelt gij dien weg reeds van het oogenblik uwer geboorte af, zonder het te weten, Misschien is die weg overal, te water en te land.

Schouder uw ransel, lieve zoon, en ook ik zal mijn ransel schouderen en laten wij haast maken om voort te komen, Wondervolle steden en vrije volken zullen wij op onze reis bezoeken.

Indien gij vermoeid zijt, geef mij dan beide lasten te dragen en laat uw hand op mijn heup rusten, Ter zijner tijd zult gij mij denzelfden dienst bewijzen, Want als wij eenmaal dien weg zijn opgegaan zullen wij niet weder rusten.

Voor 't hedenmorgen daagde ben ik een heuvel opgegaan en keek op naar den sterrenhemel, En ik zei tot mijn geest: _Wanneer wij een zullen geworden zijn met gindsche werelden en één met het genot en de kennis van alle dingen die zij bevatten, zullen wij dan zalig zijn en voldaan?_ En mijn geest zeide: _Neen, wij dringen enkel tot hunne hoogste hoogten door om, daar voorbij, verder te streven._

Ook gij stelt mij vragen en ik hoor U aan, Ik antwoord dat ik niet kan antwoorden, gij moet U-zelf de verklaring geven.

Zet U neer een poos lieve zoon, Hier is brood om te eten en hier is melk om te drinken, Maar zoodra gij slaapt en U-zelf dus vernieuwt in een zoet kleed, kus ik U met een vaarwel-kus en open de deur voor uw later vertrek.

Lang genoeg hebt gij verachtelijke droomen gedroomd, Nu wasch ik U den slaap uit de oogen, En moet gij U gewennen aan den glans van het daglicht en van elk uwer levensoogenblikken.

Gij hebt lang genoeg schroomvallig gewaad en de plank vastgehouden, die U met het land verbond, Nu begeer ik dat gij een kloek zwemmer zijt, Dat gij U midden in de golvende baren werpt, dan weer opkomt, mij toeknikt, schatert en lachend het water uit uwe haren doet spatten.

16.

Ik heb gezegd, dat de ziel niet meer is dan het lijf, En ik heb gezegd, dat het lijf niet meer is dan de ziel. En niets, God niet, is gewichtiger voor iemand dan zijn eigen ik voor hem is, En wie ook een honderd meter vèr gaat zonder sympathie, loopt in een doodskleed in zijn eigen begrafenisstoet, En ik en gij, zonder een cent op zak, wij mogen het beste der aarde koopen, En die zijne oogen op U richt, of een boon in haar schel laat zien maakt het onderwijs van alle tijden beschaamd, En daar is noch handel noch ambt of de jongeling die er zich in begeeft kan er een held in worden, En daar is geen ding zoo klein of 't is een naaf voor de wielen des Heelals, En ik zeg tot iederen man of vrouw; richt uw ziel onverschillig en rustig op tegenover een millioen Heelallen.

En ik zeg tot de Menschheid: stel geen vragen ten opzichte van God, Want ik die vragen stel ten opzichte van alles, stel geen vragen ten opzichte van God, (Niet een enkele woordschikking kan zeggen hoe gerust ik ben ten opzichte van God en van den Dood).

Ik hoor en zie God in ieder ding, toch begrijp ik God in 't geheel niet, Noch begrijp ik hoe daar een grooter wonder kan zijn dan ik-zelf ben.

Waarom zou ik wenschen God beter te zien dan ik Hem dezen dag zie? Ik zie iets van God elk uur van een etmaal en elk oogenblik van een uur, In de gezichten van mannen en vrouwen zie ik God en in mijn eigen gezicht in den spiegel, Ik vind brieven van God in de straten en elke brief is geteekend met Gods naam, En ik laat hen waar zij zijn, want ik weet dat waar ik ook ga, Ik anderen zal vinden eeuwiglijk en eeuwiglijk.

17.

En wat U betreft, Dood, en U bittere kus der sterflijkheid, vergeefs tracht gij mij ongerust te maken.

Zonder zich op zijn weg op te houden snelt de vroedmeester naar zijn werk, Ik zie hoe de ervaren hand drukt, ontvangt, ondersteunt, Ik zie aandachtig toe aan de drempels dier uitnemend gewillige deuren, En zie het uitlaten en merk op hoe verlichting wordt gegeven en hoe het leven uitbreekt.

En wat U betreft, Lijk, ik denk gij zijt een voortreffelijke mest, maar hinderen doet dit mij niet, Ik ruik den zoeten geur der bloeiende witte rozen, Ik strek mij uit naar de gebladerde lippen, ik strek mij uit naar de gladde borsten der meloenen.

En wat U betreft, Leven, ik denk gij zijt de erfenis van velerlei dood, (En zonder twijfel ben ik-zelf vroeger reeds tienduizenden malen gestorven.) Ik hoor uw gefluister o hemelsche sterren, O zon--o gras van graven--o eindeloos overbrengen en bevorderen, Indien gij niets zegt, hoe kan ik dan iets zeggen?

Van de troebele poel in het herfstbosch, Van de maan die steile schachten in de suizende schemering doet glanzen, Valt vonkels van dag en duister--valt op de zwarte stammen die in de drab vergaan, Verlicht het klagelijk gefluister der verdorde rompen.

Ik stijg hooger dan de maan, hooger dan de nacht, Ik ontdek dat de doodsbleeke schemer een weerschijn is van de middagzonnestralen, En goed doet aan het hechtste en middenste van alle leven, groot of klein.

18.

Verleden en heden wijken naar achteren--ik heb er aan gegeven, ik heb er aan ontleend, Nu arbeid ik door en vervul den arbeid van de toekomst.

Gij daar die naar mij luistert! Wat hebt gij mij toe te vertrouwen? Zie mij in het gezicht, terwijl ik de avondlucht inadem, (Spreek eerlijk, niemand anders luistert, en ik wil een minuut langer toeven.)

Spreek ik mij-zelf tegen? Zeer goed, dan spreek ik mij-zelf tegen. Ik ben breed, ik omvat veelheden.

Ik richt mij tot hen die mij na zijn, ik wacht op den dorpel.

Wie heeft zijn dagtaak verricht? Wie zal 't eerste klaar zijn met zijn avondmaal? Wie wenscht met mij te gaan?

Wilt gij spreken voor ik zal vertrokken zijn? Wilt gij zeggen dat 't reeds te laat is?

19.

De gevlekte valk strijkt neer en beschuldigt mij, hij beklaagt zich over mijn gesnap en getalm.

Ook ik ben niet in 't minste getemd, ook ik ben onverklaarbaar, Ik doe mijn wilde kreten galmen over de daken der wereld.

De laatste wolkenvlucht van den dag houdt zich voor mij op, Zij is een beeld van mij zoo gelijkend als eenig beeld kan zijn, Het vleit mij dat ik damp ben en stof.

Ik ga heen als lucht, ik schud mijn witte lokken bij het wegsnellen van de zon, Mijn vleesch wordt damp en drijft weg in sierlijk-gewaaide vlokken.

Ik vermaak mij-zelf aan het slijk om er het gras uit te laten groeien dat ik liefheb, Indien gij mij opnieuw mocht wenschen te zien, zie dan naar mij uit onder uwe voeten.

Gij zult nauwelijks kunnen weten wie ik ben of wat ik bedoel, Maar niettemin zal ik U welzijn schenken, En uw bloed zuiveren en krachtig maken. En indien gij mij aanvankelijk niet mocht kunnen vinden, verlies den moed niet, Onderzoek dan, na de eene, de andere plaats, Ergens toef ik en ergens wacht ik op U.

UIT: ADAMSKINDEREN

EEN UUR VAN WOEST GENOT