Part 9
80. Met een aantal varianten vindt men dit lied in het H.S. dat vermeld wordt Le Jeune, Proeven v.d. Nederl. Volksz. 1828, bladz. 37, J. Tideman, Gedichten van S. van Beaumont, Inl. XXXVIII, Kalff, Lied in de Middeleeuwen, 653: nu op de Koninkl. Bibliotheek. Le Jeune deelt het mede, blz. 133, maar vol fouten--zoo onbetrouwbaar mogelijk; hij maakt b.v. "Wijst mijn brak toch op het wild" van "Weest mijn brack, doet op het wilt". Sommige bladen van dit H.S., dat de amoureuze ontboezemingen van H. Beaumont bevat en verder poëzie-album is (ook b.v. Hoofts Vluchtighe nimph en het Liedeken van Tobias in Van Manders Gulde Harpe en het Tweede Amoureus Liedtboeck 1605, 111-113 komen er beide met varianten in voor)--hebben een jaartal: b.v. 32 r: 1593; 35 v: 1604; 74 r: 1593; 147 r: 1606; 153 v: 1601; voor de chronologie van de gedichten van Hooft is hier niets uit op te maken. Er is meer dan eene hand in. Met dezelfde hand geschreven zijn fol. 117-118 Vluchtighe nimph, 118-119 Windeken daer dit bos af drilt, 119-121 Snelle gedachten staet wat stil dat à la Hooft ook is; nog de drie liedekens die er op volgen, en het lied fol. 100-103. Met deze hand heeft veel overeenkomst die van fol. 152-153, gedateerd 1601. Noch uit schrift noch uit zinspreuken ook is iets te concludeeren. Le Jeune dateert het "Windeken" zoo maar met 1593 (zie boven).
85. Nú súldy hier met ghéén een kúsjen óf rákèn: een soort chooljámbe (d.i. hinkende jambe), 't helsch makende jambische spotvers van 12 syllaben uitloopend op trochee of spondee.
't Schema: \=/ -- \_/ -- | \=/ -- \_/ -- | \=/ -- -- \=/).
Men stelle zich voor 't gebaar van Daifilo of hoe een moderne Daifilo dat zeggen zou, ook in zijn gewoon, ons aller proza: in niet te vlugge, eer langzame kadans, vinger-dreigend, hoofd-nikkend, eindigend in langzaam: óf-rá-kèn; kèn met bij-toon. Hooft kende de chooljambe uit zijn studie en lektuur van de Klassieken (Hipponax, Horatius!). In de Duitsche Litteratuur zijn er bekende aardige voorbeelden van (bij Rückert).
100. schuw = schu, in rijm op nu, 98. De echte Hollandsche vorm nog altijd: u vader, zwalu, ru. Vgl. 96-97.
101. groen: Kil. recens; juvenis; groen visch recens piscis fluviatilis, groen vleesch caro recens; non salita, Lat. viridis. Fr. la verte jeunesse: vert se dit du jeune âge que l'on compare à la verdure du printemps. (Littré.)
129. gnorten: Noord-Hollandsche, eigenlijk Westfriesche woordvorm (gn!) als gnap (netjes, mooi; = knap) e.d. Noord-Hollandsche tongval (de taal van 't oude Noorderkwartier, boven 't IJ) is een element van de taal van Hooft en andere schrijvers.
134. In 't volgende, ook elders in Granida, mooie verzen met trochaeïsche en daktylische elementen.--In het rythme verdwijnt meermalen de laatste syllabe van Daifilo en Granida, maar de apostrofe die de elisie (uitstooting) van den klinker aanduidt, is dikwijls vergeten: Daifilo ick is = Daifil'ick. Vgl. 270: Ick ben Granida indien. Verder: 727, 887, 932.
135. bevijnen: eig. na ervaring, na overlegging of onderzoek tot een uitkomst geraken, een opvatting, beschouwing, overtuiging. Vgl. vonnis (oordeel) uit vondnisse; ondervinden (Gloss. op Cats, Spaens Heydinnetje, Zw. Herdr. I), bevinden, bevinding, en ons gebruik van "vinden", waarin het voorafgaand zoeken ook op den achtergrond treedt gelijk in Gr. 135 het vinden.
145. heuvels blondt: vgl. de variant. In 't voorjaar is de natuur in den blonden. Maar zoo vind ik het in de XVIIde eeuw niet gebruikt (daarvoor bij Spieghel, Hartsp. II, 10: Vrolikbleek; bij Sannazario, Arcadia, heet de olijf zoowel "bleek" als "blond"; zie Vlamings vertaling, 1730, passim, en ze heet bij Vergilius zoowel "flava" Aeneis V, 309 als "pallens" Ecloga V). Het landschap van de Granida is een Zuidelijk, het Italiaansche, en hetzelfde als dat van Vergilius' Eclogae en Sannazario's Arcadia. Zouden we hier dan niet aan de olijf moeten denken? of aan den wijnstok, die in de litteratuur ook wel blond heet? Toch wel niet aan rijpend koren hier. Men zie, voor een aantal gegevens, het, overigens mislukte, betoog in Noord en Zuid 1890.
193. Afkeerigheid van de zijde van den verkoren beminde.
210. natuyren: "Ze begint al te natuure; ze moet na'er Bruigom toe, ja ze gaat" wordt van een jongedochter gezegd in de klucht De Besteedster van meisjes en minnemoers, of School voor de Dienstmeiden, 1692, Amst., bladz. 27; de natuur (-drift bij uitnemendheid) in zich voelen werken, die aan den dag leggen, en daar "tierig" en dartel van worden. Vgl. Bilderdijk, Leendertz, Kollewijn, Slothouwer. Vgl. nature (Mnl. Wdb., IV, 2202) in den zin van geslachtsdrift: "Die man verliest [door onmatigheid] sine nature"; en nature in den zin van "de genitaliën" (nog in de volkstaal).
217. maar wel: al kan het niet uitspreken, hoezeer het verlangt.
237. Een gebruik van "ander" dat wel aan de Romaansche talen ontleend is.
283. "Noch" 282 is = "en ook niet", Lat. neque: en al strekken onze zorgen zich niet uit buiten den kring van het landelijk leven, waarin wij geboren zijn. Zie het Glossarium.
288. Zoo hij alles niet met wijsheid wist te verborgen, dan ...
292. De genitief "minders" hangt af van list: genitief "niemandts" van minder. Niet = geen minders list, maar = niemands mindere ontruck hem, zijn meerdere, iets door list.
301. "Beleefd" zegt in XVIde-en XVIIde-eeuwsch meer dan tegenwoordig. Het beteekent vaak die echte wellevendheid die uit een fijn opmerkend en onderscheidend en edel hart voortkomt. Het is dan = fair, gentlemanlike. Daifilo is, voor Granida, als een gentleman. Vgl. b.v. uit van Manders Gulden Harpe (Ed. 1607, bladz. 369): "Al wat wij hebben, 't is--Van Godt, die seer beleeft--Sonder verwijten gheeft". Het kan voorts op velerlei manier omschreven: vriendelijk, minzaam, goed, billijk, royaal, netjes, humaan etc. Beleefd is ook het echt oud-Hollandsche woord voor "beschaafd". Tegenover de "courtosy", de Zuidelijke Hofbeschaving, stelt Roemer Visscher de volksaardige "beleefdheid".
305. wiens = wier; slaat op sielen 303. Wiens als 2de n. val enkelv. vrouwl. en als meerv. is niet ongewoon: vgl. 1412.
306. om beslommert: "met moeyten" is voorzetselbepaling bij beslommeren: zich met iets beslommeren.
307. is voor u bekommert: bekommert is partic. van "hem bekommeren", zich met iets bezig houden. Voor heeft hier, zooals ook uit het verband met 306 blijkt, de nuance van "in de plaats van".
355. als grootachtbaar geëerd.
357. om lieffelijck de Werelt te verbasen: tegenstelling tot 351-352.
365. heeft zich ooit zoo vernuftig getoond.
373. lodderlijck: vgl. bij Vondel in 't gedicht op Konstantijntje lodderoog (lodder oog?) van 't lieve kinderoog. Lodderlijk kan ook, min gunstig, verleidelijk beteekenen.
378. "ty" is getij, seizoen "gheset" is het vastgestelde, het gezette, de wet (vgl. 't groote Wdb., Verdam, Mnl. Wdb., Kiliaen de Woordenboeken op Hooft): "tygheset" is wat afhangt van het seizoen, "Uw loncken" behoeft niet opgevat als derde naamval: Uw lonken is een van het seizoen afhankelijk iets (en dat seizoen is de Lente, vgl. in den dialoog van Daifilo en Dorilea, 205 en vervolgens), terwijl de menschen die eenmaal buiten de natuur gegaan zijn, ten allen tijde door verliefdheid gekweld worden: dààrom ook mag hun lusten hun een wet zijn: de natuur zelf regelt al hun behoeften nog (zie 313).
384. schaduthroons: Woordspel--het woord moet hier ongetwijfeld in dubbele beteekenis genomen uit het verband van vers 384 tot 381 volgt de beteekenis baldakijn, maar de dichter denkt er bij aan de tegenstelling die geschilderd is in 436-467: "schaduwtroon" is ook = "troon die geen wezenlijke waarde heeft", "geen geluk waarborgt". Tn dezen zin is het een woord van Spieghel (van wien Hooft mogelijk ook de menigvuldigheid van adjectieven met -rijk en -ziek heeft), die in zijn beschrijving van het Hol van Plato, Hertspieghel III, 70-118, de aardsche dingen, omdat ze niet dan de schaduwbeelden van werkelijkheid (zie de voorstelling op zijn prent van het "Antrum Platonicum" van 1604, te vinden in de uitgaven van den Hertspieghel van H. Wetstein 1694 en Pieter Vlaming 1723) en dus ijdel, onreëel zijn, schaduw-dingen, "schaduw-goed" noemt en de liefde tot deze dingen "schaduw-min": zoo zegt hij van den gastronoom, dat hij "ghuwt na schaduw-taart en vla met open mond": de overdrachtelijke en de eigenlijke beteekenis zijn hier één, en de prent geeft de etymologie van het woord: men ziet de schaduwen op den muur. Het begrip van de onwaarde van dingen die maar vleien met wezenlijkheid, wordt elders, ook bij Spieghel, uitgedrukt met woorden als "valsch", "ijdel", "schijn", "waan". Let voor de beteekenis van "schaduthroon" in 384 op de tegenstellingen in de vier laatste koepletten van het lied.
392. In het gezongen minnelied vindt de Herderin haar eigen gewaarwordingen, het "schalcke Lietje" treft de waarheid, en zij bloost: maar wat kan dit schelen, wanneer ook de beminde bloost en zijn wederkeerige liefde verraadt? vgl. 401. 393 is het antwoord op deze vraag. Zie A. 397.
396. dunne slaep: vgl. b.v. Palamedes 407; nog in Drente dun-slaoperig: die onrustig en ieder oogenblik wakker is; Kil. dun-slaepigh, levisomnus.
397. Bij vele volken (Slaven, Germanen, Grieken en Romeinen) is de appel een symbool van liefde. Appels schenken, met appels werpen, een appel met elkaar eten was liefdesbetuiging; van appelen droomen, liefdesgeluk. Verliefde vrouwen zenden, volgens Lucianus, aangebeten appels aan hun beminden. Bij de Atheners beval een wet van Solon de pasgehuwde vóór den bruidsnacht een kweeappel te eten. Aphrodite werd wel met een appel op de hand voorgesteld. In de Idyllen van Theocritus is dikwijls van de gebruiken sprake, die Hooft in zijn lied te pas brengt; vgl. vooral Ecl. III, 64.
402. 't uwaerts: voor t'uwaerts. De drukfout (schrijffout) 't voor t' (te), en t' voor 't (onzijdig lidw.) komt veel voor in deze tijd: maar t' kan ook wel aanduiden proklisis van 't lidwoord: t'onderste, t'arme kind, dus de nauwe verbinding. Vgl. 493, 1011.
411b. Elk een anderen kant uit.
421. Palemon: herdersnaam uit de Eclogae van Vergilius.
425. d.i. zoete heuschheid van zede. Heusheid = humane welwillendheid.
435. Liete voor liet: als wierde, werde voor werd, hielde, krege, grepe, stonde, scholde etc.: Indicatieven; waarover, bij de oudere schrijvers als in hedendaagsche tongvallen, van Helten, Vondel's Taal I, 45-47.--Men vergelijke in Granida 1377 ick rees', 1516 ick coos'.
449a. Argeloosheid die niemand belaagt, bij wie het veilig is.
488. Als zoo menige andere plaats in Granida is ook deze proverbiaal: zie de Litteratuur bij Harrebomée, Spreekwdb i.v. hoveling. Bij Roemer Visscher, Sinnepoppen 1614, LIX van het Tweede Schock, wordt onder het opschrift "Jong Hoveling, out schoveling" door een prentje met een weggeworpen ruiker naast een ruiknr in zijn vaas, aangewezen hoe 't met oude dienaars pleegt te gaan.
493. Deze en de voorgaande regel zijn platonisch op te vatten: "goetheyt" en "schoonheyt" als de hoogste schoonheid en goedheid, nl. God.
495. Daifilo vergelijkt zijn leven bij een slaap, waarin de droombeelden de dingen rondom hem en zijn eigen handelen zijn; wat ons dag schijnt is een nacht; de zon aan den hemel is slechts een somber nachtlicht. Doch in de ideale verschijning van Granida heeft het Goddelijk licht hem toegeschenen en heeft het Hoogste zich aan hem geopenbaard. Voortaan leeft hij een hooger, het eenig ware leven. De Liefde wordt hier voor Daifilo godsdienst. Hier en ook verder is Hooft platonisch en in den geest van Spieghel. Ook in beelden en woorden is er overeenkomst met het derde Boek van den Hertspieghel, waarin het hol geschilderd wordt: vgl. b.v. de "lamplichts schaduw-beelds" Hertsp. III, 111 met Gran. 498; "van die schaduwbeelden moet de mensch bij Spieghel zich in het Godlick Zonnen-licht" laten leiden; zie ook Aant. 502.
500. De "schoonheyt' is in Granida het ideale in de verschijning der vrouw, de afspiegeling van den edelen geest in het uiterlijk, die niet slechts als het stoffelijk lichaam waarin de schoonheid zich vertoont (d.i. schoonheyts lichaam), op de zinnen werkt, maar den geest verheft.
501-502. De accenten die men in Granida hier en daar nog aantreft op de teekens oo en o (zie b.v. nog 1347-48, 1368-69, 483-84, 629-30, 1569-71, 1581-83) herinneren aan de manier om een bestaand verschil in de o-klanken ook in de letters aan te geven: 't klinkergeluid van ooghe, droom (uit au) zweemde (als nog in b.v. Zeeuwsche tongvallen) eenigszins naar donker aa-geluid en deed eenigszins aan als tweeklank; 't geluid van koning, komen had dat niet (niet uit au). Nu gaf men in 't eerste geval het o-teeken een accent. En zoo deed men ook bij 't nog bekende, in Holland (overal?), verdwenen; in 't Oosten welbewaarde en door de dichters meest gehandhaafde verschil dat bij op - top, vol - tol, wol - mol zich voordoet, dat vroeger evengoed Hollandsch was en van zeer ouden oorsprong is. Bij top, tol, mol gaat de mond verder open (de kaakhoek is grooter), 't geluid is anders dan bij op, vol, wol, (Hollanders hebben altijd den klank van op, vol, ze hooren het verschil niet). Rondom 1600 nu duidden sommige schrijvers 't geluid van tol, top aan met het accent. Spieghel had zoo te doen vóórgesteld, maar 't werd geen algemeen gebruik. Nu en dan komt het in Hooft's schrijven nog te voorschijn. Zie over die verschillende o-klinkers en die onderscheiding het voortreffelijke proefschrift van Dr. K. Kooiman, De Twe-spraeck vande Nederduitsche Letterkunst uitgegeven en toegelicht 1913, alwaar de verdere litteratuur opgegeven; 130-135)
502. dickheyt der ooghen: vgl. 497: eigenlijk grauwe staar? Vgl. iemand "de schillen van de oogen lichten"; de "schellen vallen" iemand "van de oogen". Kil: Schelle in d'ooghe: nervosa quaedam in oculis adnatae membrane excrescentia: onyx, albugo. Vgl. Hertsp. III, 48: "dwaalbaar ewigh blijven zij, die sporen ..., in laat-dunks schaduw-licht, Zo uyt als hoogh te zien, met perl (Kil. perle in d'oogge = argema, albugo) of schil-gezicht".
511. 511-512 bevat de toelichting tot "dat sy niet kan" in 510. "Dat" in "dat kan zy niet" 511b slaat op "sy wil al willen dat ghy wilt". 511a; "het" in "soo langh ghy 't haer verbiedt" 512b slaat op het één willen zijn, waarvan in deze regels sprake is: "dat sy niet kan" 510 is dus aan te vullen met: zonder te sterven. Vgl. Kollewijn, Slothouwer.
517-518. vgl. voor rijm en rythme 256-57.--Iets anders 177-78 483-84.
523. Gij vliegt te hoog met uw gedachten.--Houdt = halt! zie 1463. Halt is de later Nederlandsch geworden Duitsche vorm.
524. Namelijk de naam van Heer: "want vroeger was ik een vrij man". Vgl. 526 (se: dien naam; "met dienstbaarheid": tegelijk met de dienstbaarheid)'
534. "U" is accusatiefvorm in Nominativo. Vgl. "als ik hem was". Zin: kan ik niet één zijn met u, dan zal ik tenminste uw eigendom zijn. Vgl. 504, 507-508.
541. 't Rythme is niet: van haere schóónheytsstrael, alsof we hier met de samenstelling schoonheidsstraal te doen hadden. Hare schoonheyts is hier vooropgebrachte tweede naamval: dus = van den straal van hare schoonheid; 't rythme is dus: van haere schóónheyts stráél, gelijk accent op schoonheid en straal. Vgl. 913: niet: van bey de, Véchterssielen, maar: van bey de Véchters sielen. En 679 waar in Uw groove lichaems kracht niet het woord lichaamskracht bedoeld is: 't rythme is: Uw gróóve líchaems krácht, evenzwaar accent op de drie syllaben. In 803 is niet te lezen Vriéndenkeur, maar: Vriénden kéúr; vrienden is de vooropgebrachte tweede naamval van 't meervoud.
543. eyndelijck bescheyt: afdoend (definitief) antwoord.
644. Van 's Conings mogentheyt: evenals in de titels Zijne Majesteit, Zijne Hoogheid (vgl. hoogh in 't Gloss.), Zijne Edelheid, Uwe Genade e.d. wordt hier de essentieele eigenschap voor den persoon genomen. Vgl. 1835.
546. Blijde Goden: vgl. theoi makaoes rheia zoontes, bij Homerus; vgl. Schiller, Das Ideal und das Leben, strophe I.
548. De Wispelturige Fortuin, uitdeelster van geluk en ongeluk is hier voorgesteld met duizend aangezichten. De Goden zullen bewerken dat zij haar lachendst aangezicht tot hem keert.
560. Dat ik voor aanzienlijk en onaanzienlijk, het gansche volk, heb doorstaan.
561. Zoo als de dingen, die ik verricht heb, het eischen: "uytgherecht" behoort bij "saken": vgl. "ghenakende" 829, "uytghestaan" 1453, "ghedaen" 1454, "gheleden" 1455 en verder passim; "opghehoopt" 614 kan op twee wijzen worden opgevat.
653. Een zeer merkwaardige afwijking in het rijm begint hier, loopend tot 691, waarmee Tisiphernes rede een kunstig cachet krijgt: aaba--bbcb. Hierover is te lezen Dr. A. Zijderveld in Nieuwe Taalgids XII, 1913.
569. De boden der ziel zijn de zinnen, zintuigen 568. De zinnen zendt zij uit om voor haar te zien en te hooren; het vernomene deelen de zintuigen haar mede. "Dat" in 568 slaat op het "verheughen" 567.
571. Hemelsche Venus: Hooft denkt hier waarschijnlijk aan de Aphrodite Ourania, die Grieksche wijsbegeerte later als de zuivere, geestelijke liefde tegenover de zinnelijke stelde. Vgl. 501-505, 774-794, 1428-1445.
574. haer verwonderen: zich verwonderen, met sterker en vaak edeler beteekenis dan nu: een en al genietende bewondering zijn.--572. het minst: iets, al is het ook nog maar zoo weinig.
578. heerschappie: viersilbig, 't zij heerschappië, 't zij heer schappije waarover Aant. 970.
605. Arsaces, grondvester van het Parthisch rijk.--Wiens slaat terug op mij. 's Werelts vrees is bijstelling bij Parthen.
623b. Wat staat gij naar 't geen ik eisch voor mij?
629. roosen: kransen van mirte en rozen waren onafscheidelijk van de gastmalen der Ouden. Bij hun drinkgelagen bestrooide men ook vloer en rustbedden met rozen.
630. Wilt gij den koning vervangen? Het is alsof S. (de verwijfde laatste koning van Assyrië) A. (den geweldigen titan der Grieksche Mythologie die den hemel op zijn schouders torst) wil aflossen.--631: "Goden past op uw hals, straks stort heel uw Hemel in!"
635a. Dul staat hier met de kracht van "dol makend" d.i. aanvurend; vgl. Baeto (Leendertz 360): "de woestmaeckende trom, d'aenschennende trompet"; vgl. droge dorst 275: die droog maakt; bleeke dood 702; "gezonde kost" e.d. "Opstekend" is eveneens aanwakkerend; zie de varianten.
657. De buien van de hartstocht (653) zijn als de wind, die zijn kracht breekt op de klippen; zoo breekt uw razernij haar kracht op den koning en ons, die u niet vreezen.
665. verbluft: Herman van Woerden vraagt in den Geeraert van Velsen (IIde Bedr., 3de Toon.: "Daer toe gheboren wy,--Dat wy, in dienstbaerheidt verbluffet, zouden teelen Voor beulen onze zoons, onz' dochters voor bordeelen?": hier in de sterke beteekenis die verbluffen nog in Overijselsch heeft: nl. een kind, een jongen, een jongmensch voortdurend zoodanig slecht behandelen, dat alle besef van zelfstandigheid, gevoel v. eigenwaarde en behoefte aan vrijheid en daarmee alle lust en wakkerheid weggaat; van een zoodanig onderdrukt en geestelijk uitgedoofd schepsel zegt men, dat het "verbluft", "totaal verbluft" is, dat ze 't heelemaal "verbluft hebben".--Maakt het in de oudere taal zooveel sterkere verbazen, in Lucifer 847 (vgl. de Aant. in de Editie van Cramer, Zw. Herdr. IV) niet een dergelijken overgang van beteekenis als verbluffen? Hier een ander etymon voor aan te nemen is wel onnoodig; Overijs. verbluffen is een sterk woord! Vgl. hiertoe Hooft Ed. Leendertz, I 38 koepl. 2, I 187; Lucifer 784; en verder vele plaatsen; Asselijn, Stiefmoer 1684, bladz. 13: "Ik laat my zo licht niet oversnorken en verbaasen" = overdonderen; vgl. Noah 47-50 IIde Bedr., en Gulden Harpe (1607) 125, "Ghy die Christum bemint, Ghesint, hem nae te volghen, Bedroeft u niet verbaest, Al schijnt by naest Dat op u raest De werelt etc.
670. De volken, waar wij als stadhouder, ieder in 't bijzonder over gesteld zijn.
679. sonder belul: behoort bij kracht; "groove" bij lichaam.
684. ken ick haer: met eenigen klemtoon op "ick" en mèèr klemtoon op "haer" (let op het woordspel)'
690. oordelaers: de tweede syllabe is toonloos, evenals in "oordlen" 1286 en Hgd. urthel en urtheln. Vgl. vordel, leisel, achtel e.a.
697. my is datief; teghenstaen heeft hier zijn oorspr. beteekenis: "die zich tegenover mij durft stellen".
722. van dien: "dien" is datief van dat; slaat op "het schoone" 720.
727-30. Constructie, daaruit ontstaan dat twèè constructies door elkaar gedacht worden (contaminatie): maer leyden moet etc." doet onderstellen een voorafgaand: waartoe dient het den Herder zoo hoog te staan, daar gij hem toch niet tot Heer moogt kiezen (--maar uw leven leiden moet etc). Met dien u etc.: met een dien anderen voor u kiezen zullen, uit de weinigen die men voor u geschikt acht.--andren is vooropgebrachte tweede naamval, vgl. de Aant. bij 541.--Voor Granida, houdt zie Aant. 134.
731. wat leyder boodtschap: deze adjectiefvorm (evenals aenghenamer in dit vers) is van oorsprong een genitief na wat, in de Middeleeuwen reeds niet meer als zoodanig gevoeld: v. Helten, Vondel's Taal 131-135. In het oud-Germaansch staat na wat de genitief meervoud en in de latere taal komt die constructie nog voor: in gevallen als wat manne dat hi es is manne meervoud maar de genitief kan niet blijken, in gevallen als wat feldere manne dat Bave was (met adjektief!) is er nog een genitief-vorm maar de verbinding werd zeker niet meer als genitief gevoeld. Later kwam na wat het enkelvoud waarbij dan het adjektief nog in den vorm met -er (van oorsprong de meervoudsvorm) kon staan, ook bij manlijke en onzijdige woorden: wat sonderlingher volck (Spaensche Brab.), wat aerdiger quant (Geestige Liedekens, in Kuisheidskamp); wat schoonder Hoy hebt gy gewonnen (Paschier de Fijne). Leyder in Granida 731 is genitief van 't adjektief leid, leed. In dialekten zijn van dit gebruik nog sporen: in 't boeren-Overijselsch wat schoonder kind. Vgl. in Starings Hoofdige Boer: "Wat raarder kuur!"--
753. Het braef --ghespeel van windt: het krachtig geluid der blaas-instrumenten in tegenstelling met de zachte tonen der teedere d.i. gevoelige, licht bewogen snaren van het strijk-instrument. Vgl. Pels, Horatius' Dichtkunst (Ed. van de Werken van N. V. A. 1707, bladz. 17): De plicht der Reije was, het zy ze zong, óf speelde Op wind-, of snaartuig.
757. In regel 757 vormt spel en sang-menging één enkel woord: spel-en-sang-menging == 't edele mengen van spel-en-sang. Spel en sang zijn samen het eerste lid van de samenstelling.--Eenigszins anders is het met 756. Gerythmeerd moet: Van ménsch of vógels kéél; niet: Van mensch of vógelskeel. Fr is hier niet een samengesteld woord; mensch of vogels is vooropgeplaatste tweede naamval, vgl. Aant. 541. Rondom 1600 kon mensch wel gelden als genitief, zooals ook vleesch (des vleesch). gras ("een bloem des gras"), maar waarschijnlijker is misschien dat de tweede naamvals-s hier bij mensch of vogel sámen behoort (naar Hooft's bedoelen), m. of v. als eenheid genomen; of is hier vrijwel gelijkwaardig met en.
761. plach heeft hier zooals meermalen, vooral bij Cats, duratieve functie == ons pleegt: zie Spaens Heydinnetje, Zw. Herdr. I, Aant. 94 en Gloss.
766. In de Rey zijn de genietingen bezongen, die de wereld 's menschen vijf zinnen biedt, de "gaven" van strophe I: str. II aan het gezicht; str. III aan het gehoor; str. IV aan den reuk; str. V aan den smaak; str. VI aan het gevoel. Str. IV noemt de voornaamste reukwerken: W. Myrrhe en A. zijn welriekende harsen; C. en Musc dierlijke stoffen met scherpen reuk. De ambre is hier de "grijze amber", wel te onderscheiden van den "gelen amber" == barnsteen, en den "witten amber" == spermaceti. Zie Verdam, Mnl. Wdb. i. v. "ammer". "Onbesmet" behoort bij "reucken".
772. Maar gebruikt hij er meer van, dan de honger eischt.