Part 4
Studie der taal is de eerste eisch, dien Granida ons overal stelt. Wij mogen niet eindigen voor de lezer het standpunt betreedt, dat hij hierbij heeft in te nemen. De historie weder moet ons leiden. Wij moeten ons herinneren, dat door de Renaissance de moderne schrijftalen ontstaan zijn der natiën, die toen deelnamen aan de moderne beschaving. In de middeleeuwen is er geen eigenlijke algemeene schrijf-, noch omgangstaal, die, in wijden kring, boven de dialecten staat. Al waren er voor enger kring toongevende centra (Brugge; Antwerpen). De dialekten waren nog talen. De Renaissance, die de samenleving in de twee klassen der ontwikkelden en on-ontwikkelden scheidde, scheidde daardoor de taal. In Nederland geschiedde dit in de laatste helft der XVIde, in den loop der XVIIde eeuw. Wel werden de dialektische verschillen nog niet uitgewischt, wel hangt de taal onzer groote auteurs op allerwijze met de volkstaal samen, wel zet Cats de overlevering der middeleeuwen voort en schrijft de taal des volks, maar ten zelfden dage als onze voorouders de onafhankelijke Republiek met haar wereldhandel stichten, vormt zich ook het Nederlandsch. Het verschijnsel wacht, bij de verschillende natiën, nog op nauwkeurig onderzoek; ook bij ons moet nog ontzaglijk veel arbeid voorafgaan, voor aan de geschiedenis van de wording onzer Litteratuurtaal gedacht kan worden. Met enkele voor de hand liggende punten hebben wij ons nu bezig te houden.
De Oudheid verwekte bij het Patriotisme een naijver, om in de moedertaal te doen, wat de Romeinen in het Latijn gedaan hadden: een letterkunde in 't leven te roepen, die zich met de Oude vergelijken mocht. De Romeinsche Letteren, die men als model beschouwde, kenmerken zich door buitengewone zorg aan den "stijl" besteed: deels door juistheid van observatie der gedachte en daardoor volkomenheid van vorm, deels door fijn oor voor rhythme, deels door overdrijving, spel met uiterlijke fraaiigheid. Doch zij vertegenwoordigen daarin niet de volkstaal: hier is zulk een kunsttaal, schepping van talentrijke geesten uit ruwe stof. De navolging der Klassieken werd dus van-zelve taalschepping in ruimen zin. Men vormde nieuwe woorden, nieuwe vormen, een nieuwen zinsbouw, nieuwe figuren, nieuwe tropen, nieuwe stijlversieringen. Het Latijn oefende hierop grooten invloed. Vooral ook door haar Rhetorische kunst had Rome geschitterd en heel haar Letteren droegen een rhetorisch karakter. Dit voerde de Renaissance tot de vlijtigste studie van figuren, tropen en epitheta. Men beeldde zich verkeerde begrippen omtrent den kunstvorm in. Deze moet één zijn met den inhoud. De Renaissance nam den vorm voor iets zelfstandigs. Het genie hield de groote dichters op den goeden weg. Doch er is ontzettend gezondigd. Dit formalisme had nog andere oorzaken. Het taalscheppen werd verleidelijk. Men ging scheppen om het genot van het scheppen. Zoo ontstond de Vernuftspoëzie, een internationaal verschijnsel. Naarmate de oorspronkelijke kracht uitgeput raakte, ontaarde dat spelen met de taal; het werd een krankheidssymptoom. In den goeden tijd echter was het de liefde, die overdreef, die vertroetelde, die uitspatte. Het was geen aardigheid, geen zoutelooze mode, het was de eigenaardigheid van het karakter des tijds. Dat karakter nu ook van die zijde te kennen, is de eerste voorwaarde, waarvan het genieten onzer vroeg-XVIIde-eeuwsche schrijvers afhangt. Wij moeten dat "taalgenot" kunnen meegevoelen. Men vindt het beeld soms leelijk, dat Vondel den tragedie-, den hekeldichter voorstelt aan het diner van het vaderlandsch idioom te gast gaand, met den hartstochtelijken eetlust van den gastronoom. [77] Maar het kan niet juister. Als wij den smaak eenmaal weg hebben, zullen wij uit ons-zelven van "lekker" gaan spreken. Men vergete niet, dat ons hedendaagsch Nederlandsch naar de driehonderd jaar gaat en toen geworden is: wat nu oud wordt, was toen jong, wat men nu napraat, werd toen gezegd omdat het juist, aanschouwelijk, weergeven van een aandoening was, wat nu gebondenheid is, was toen vrijheid. Eerst wanneer men in de taal dier groote eeuw de Republiek der Zeven Provinciën gaat voelen, zal men het rechte behagen scheppen in het treurspel van Vondel en Hooft. Dan worden wij een orgaan rijker, trekt een nieuwe werkelijkheid ons oog en gemoed binnen. Dan hooren wij den krachtigen, nationalen harteslag in de "Nederlandsche Klassieken". Wij zullen de bladzijden met genie geschreven zien. In Granida zult gij de worsteling vernemen, de ééne groote worsteling, hier om Geestelijk Eigendom d.i. de Taal, gelijk ginds om de Vrijheid, het Recht en de Eer.
Zwolle, 1890.
In 1916 deed Prof. Dr. A. Kluyver, in het tijdschrift Neophilologus, in meesterlijk betoog een zeer belangwekkende studie over Granida het licht zien. Om te beginnen toont de Schrijver aan dat men op grond van de naamvormen reeds (Tisiphernes, Ostrobas, Daifilo) 't waarschijnlijk zou kunnen achten, dat het stuk teruggaat op een ander waarin ook naast een minnaar Daifilo, een minnaar Tisiphernes en een minnaar Ostrobas optreden; ook de voorstelling dat gelijktijdig in Perzië en in 't Parthenrijk een machtig Koning regeert zou op onoorspronkelijkheid kunnen wijzen. [78] Eigenaardig is nu dat in Granida, in strijd met de in de Litteratuur der XVIe eeuw heersende opvattingen, een Koning zich en zijn geslacht gaat vernederen met zijn dochter te geven aan een gewonen Herder. [79] Mucedorus (men zie hiervóór pag. XXXVII-XXXVIII) is een herder in schijn, hij blijkt een prins te zijn. Indien Granida ontleend is, dan zou in het oorspronkelijke Daifilo wel eens een vermomde herder en man van hoogen staat geweest kunnen zijn. In de dramatische dialoog Diphilo and Granida (men zie hiervóór pag. XL de noot) is de herder inderdaad van vorstelijke afkomst. Ook Dr. Kluyver acht dezen dialoog gekonstrueerd uit het drama dat voorbeeld was voor Hooft's Granida. Er is geen reden dan nog een verband met de Mucedorus voor dit stuk aan te nemen. Mucedorus is anders dan Daifilo. Tisiphernes anders dan Segasto, Ostrobas anders dan de Wildeman. Wat in het eene stuk gebeurt, gelijkt maar zeer in het algemeen op de gebeurtenissen in het andere. "Men kan alleen zeggen, dat eenzelfde algemeen thema in twee Engelsche drama's op twee zeer verschillende manieren is uitgewerkt en dat thema is: de redding van een vrouw door iemand anders dan door haar aangewezen beschermer."
Van biezonder belang zijn het derde en het vierde Bedrijf. Dr. Kluyver toont aan (Neophilologus 129-131), dat indien Hooft het drama Mucedorus of een zeer daaropgelijkend stuk als voorbeeld heeft gehad, zijn derde Bedrijf dan in elk geval oorspronkelijk zijn moet; het kan, in karakteristiek en gebeuren, niet worden teruggebracht tot een Mucedorus-drama. Hooft's voorbeeld moet een ander geweest zijn. Het is niet waarschijnlijk dat hij-zelf recht heeft op dat dramatisch zoo uitnemende bedrijf. Het volgende vierde staat ver er bij ten achter en bederft den indruk van 't voorafgegane (Neophilologus 131-132). Nu is er aanleiding om te denken dat juist dit vierde Bedrijf eigen werk is. "Hij wilde hebben een drama in vijf bedrijven, met koren, van een classieke eenvoudigheid, zonder de heterogene bijmengselen zooals die in het zoogenaamde romantische drama voorkomen." Voor vijf bedrijven was de stof van zijn gegeven wel wat klein. Het eerste bedrijf geeft de ontmoeting van Daifilo en Granida; in het tweede is Daifilo aan het hof in dienst gekomen en ziet men de twee minnaars Ostrobas en Tisiphernes tegenover elkaar gesteld; in het derde heeft het gevecht plaats waarin Ostrobas wordt verslagen, en waarin ten slotte het plan van de vlucht wordt bepaald; in het vijfde ziet men de vlucht, de achterhaling en den afloop. Dit waren nu echter maar vier bedrijven, hij had er vijf noodig. Hoe is hij gekomen aan de hemelvaart van de Prinses? "Mij dunkt", zegt Dr. Kluyver, "hij heeft die ontleend aan zijn eigen drama Ariadne, dat een paar jaar vroeger geschreven is. Daarin komt Bacchus, volgens het mythologisch verhaal, op aarde om Ariadne naar den hemel weg te voeren; en de beschrijving van zulk een hemelvaart, voorgedragen door een nutrix in den stijl van Seneca kon in Granida een groot deel van een vierde Bedrijf vullen. Hooft heeft, dunkt mij, niet genoeg beseft, dat wat in het spel van Ariadne op zijn plaats was, in het spel van Granida volstrekt niet paste. De rest van het vierde Bedrijf is besteed aan de onnoodige en ongelukkige redeneeringen van Daifilo en Tisiphernes." Zooals Hooft hier het karakter van Daifilo verdraaide, zoo deed hij te voren in Achilles en Polyxena het karakter van Polyxena. Men zou nu mogen onderstellen, dat onze Dichter een drama gekend heeft dat in hoofdzaak bevatte wat hij geeft in het eerste, tweede, derde, en vijfde Bedrijf (Neophilologus, 131-134). Dat daarin een eenvoudig herder de gemaal der Prinses zou zijn geworden, dit is niet waarschijnlijk. "Kan men nu nagaan, vanwaar die tekst gekomen is?" Dr. Kluyver oordeelt dat het origineel ontstaan zal zijn uit een verhaal in den geest der Amadisromans (Neophilologus, 135). En nu herinnert hij nog eens aan den Dialoog Diphilo and Granida, waarin Diphilo een als herder vermomde Prins is. Dit kan restant zijn van dat oorspronkelik drama. Er is een stuk van Massinger van 1636, The bashful Lover, dat (pag. 136-137 Neophilologus) op verrassende wijze op Granida gelijkt. Men zou kunnen gissen, dat zoowel Massinger als Hooft op dat oudere drama van Diphilo and Granida teruggaan. Hooft heeft dan den Prins tot een werkelijken herder gemaakt. Zoo had hij gelegenheid om motieven van pastorale poëzie te pas te brengen, als de onschuld van het landleven en den lof van de vervlogen gulden eeuw der menschheid; hij kon nu ook in het eerste bedrijf het tooneel met Dorilea er bij maken, dat zoo geheel in zijn stijl is, en waarin hij zooveel aan Guarini heeft ontleend".
De herdruk is de tekst van 1615, met de varianten van 1605 (H.S., naar Ed. Leendertz) en 1636. A is 1605, B is 1615, C is 1636 [80]. Andere varianten zijn er niet (zie Leendertz, Inleiding).--De volgende drukfouten zijn verbeterd: 356 uatuyre; 734 straten; 868 gansljck; 1373 das' er; 1385 raetstse; 1823 verheueht. Veranderd is ook 1072: de punt achter "regenen" werd een komma; 1101: de punt achter "beswaer" werd een komma; 1180: achter "proeven" kwam een punt; 1196: achter "wat" een komma; 1260: de komma achter "weet" werd een punt; 1463 verdween de komma achter "besindt"; 1628: de punt achter "krenckt" werd een komma; 616: "nae staet" voor "naestaet"; 773: "uyt rijsen" voor "uytrijsen"; 1287: "aenhoore" voor "aen hoore"; 1628: "toe ghesellen" voor "toeghesellen". Veranderd is ook in 1625: "grondloose" in "grondeloose": in 929 werd "is" ingelascht, en in 1653 "een"; in 934 kwam een komma achter ver' (= Leendertz I, 174; vgl. 1636: punt achter niet en ver'. Niet veranderd: 1398 dancbaerlijck; 1418 goddeliicke; 1545 (ay spijt! (en cundy slapen?). 1593 vrooliicke. Ook bleef "welckeen" in 345; en de punt achter 627, die C ook heeft met een komma achter 629. Aan het teeken ' (Daifilo' u, 't, t', 't' etc.), het teeken ^ en het teeken ,, werd nergens geroerd; ook Daifiló voor Daifilo' bleef. Verbeterd werd: 183 'teedre; 270 u; 667 verheft'; 1497 wallecht'; 1745 ulie. 1173-1174 is in den tekst één doorloopende regel met hoofdletter in 't midden. Gelijk aan den tekst is 155, hoewel zeker wel voor "een groot"; 925 hoogh ('T = Et?), vgl. 1605, 1636. In 1450 is schoonprachtich veranderd in "schoonpratich" (zie varianten). In 221 plaatste ik voor; dubbele-punt; in 292 werd de punt een komma, in 1685 eveneens. Moet in 737 "hoopt" staan?
In 1615 en 1636 vormen 802-808 een enkele strofe met van het vorige afwijkend rijmschema. In het H.S. (Leendertz I, 170) zijn het er twee, waarvan de laatste met het rijmschema aansluit bij de volgende vierregelige; de drieregelige eerste een overgang vormt.
De asterisk achter 1463 en de Aanteekening daarbij moet vervallen.
De varianten in de leesteekens van 1636, in den eersten en tweeden druk te vinden, zijn daar-na niet weer opgenomen.
P. C. HOOFT'S
GRANIDA
SPEL
* * * * *
Tot AMSTERDAM,
By WILLEM IANSZ. op 't water, inde vergulde Sonnewyser.
Anno M D CXV.
* * * * *
In den tweeden druk, 1644, van HOOFTS Gedichten, uitgegeven door VAN DER BURGH, leest men: Tooneelspel. Behelzende de vryaadje van Tisiphernes en Daifilo.
INHOUDT
Granida eenighe dochter, en erf-Princesse van Persia, op de Iacht afgedwaelt van haren sleep*, komt ter plaetsen daer sy Daifilo Harder, met Dorilea die hy op minne vervolght, vindt koutende; de welcke 5. haer niet en kunnende onderrechten van het spoor der voorghereden Iagers, van haer ghevraeght worden nae eenige Fonteyne om den dorst te lesschen. Daifilo biedt de Princesse te drincken uyt een Schulp, met soo heussche ghenegenheydt*, dat de selve* 10. gehulpen van soo wel te passe dienst, oock nae haer verscheyden van daer, der Princesse welgevallende naulijcx uyt den sinne gaet. Daifilo ter ander zijden besluyt sich ten Hove te begeven, om de teghenwoordicheyt, en diensten wille van so waerdige 15. Prinssesse.
Daifilo sich ghegeven hebbende in dienst van Tisiphernes [81], op hoope, dat* die als een Prince van groote verdienste by de croon van Persia, bekomende het huwelijck van Granida, hy door dat middel aen 20. haeren dienst mocht geraken, quyt hem soo, dat sijn Heer hem grootlijcx vertrouwende, hem seyndt aen de Princesse om haer jonste te hebben, int eyndelijck versoeck, dat hy nae so langh vervolch* om haer ging doen aen haeren Vader: alwaer hy 25. ontseydt* wordt van sijn teghen-Vryer Ostrobas, Sone van den Koningh der Parthen, teghens de welcke hy aenneemt des anderen daechs te vechten. De Prinssesse soo bekommert over 't aenstaende huwelijck, als beweecht door het nieu sien van Daifilo, komt dien 30. avondt aen de venster, op gheluck oft [82] eenighe passerende Musijcke haer quellage wat versachten mochte, onder de welcke* sy door 't glas siende, sonder ghesien te wesen hem passeren, en hoorende versuchten, neemt het selve op voor [83] teecken van waerachtighe 35. liefde, haer daeromme beklaghende over d'onghelijckheydt der staten* des Werelts.
Daifilo verklaert aen sijn Heer zijn liefde, en d'oorsake waerom hy in sijnen dienst ghekomen is, hem biddende te lijden dat hy in zijn stede, ende met zijn 40. wapenen* bedeckt teghens den Parth moghe strijden, tot het welcke hy hem met redenen beweecht. Daifilo verwint en verslaet Ostrobas. Tisiphernes besluyt des anderen daechs de Princesse te besoecken: Maer Daifilo noch dien avondt onder haer venster passerende, wordt door 45. haer bevel gheroepen van haer Voester. Sy ontdecken elckander haer onderlinge liefde. Granida seydt gereedt om met hem te vertrecken, en een Harderinnen staet ghetroost* te zijn: welcke aenbiedinge hy, nae dat hy haer de swaericheden van sulcx voorgehouden 50. heeft, en verstaen de selve van haer al te voren overwoghen te zijn, met groote danckbaerheydt aenneemt.
De Voester van Granida, op haer sijde gewonnen zijnde, komt verklaren voor den Koning, ende Tisiphernes, 55. dat de Prinssesse met groot spoock*, voor eenen Godt gheschaeckt is. Tisiphernes siende op 't schoonste zijn hoop te leur ghestelt, is om rasende te worden: Maar Daifilo, die haestich ten Hoof wedergekeert was, om quaet vermoeden voor te komen, 60. hem onderrechtende*, doet zijn ghemoedt wat bedaeren. Hy nochtans, walghende van de werelt, besluyt met luttel gheselschaps voortaen door 't Landt te reysen, en verklaerende Daifilo waerachtighe verwinner van Ostrobas te wesen, levert hem sijnen staet over, de 65. welcke hy eerbiedelijck weygherende, belooft gaede* te slaen, totter tijdt toe, dat 's Prinssen ghemoedt wat besaedighe.
De Gheest van Ostrobas verschijnt aen sijnen vriendt Artabanus, die met hem in Persia was ghekomen, 70. hem opstutsende*, om wrake te nemen op Daifilo, de welcke den eersten morghen-stondt op 't Landt met de Prinssesse sprekende, van hem ende sijn volck, beyde gevangen worden,* om [84] opgheoffert te zijn aen het graf van Ostrobas; Maer Daifilo siende d'overlast 75. van banden diemen de Prinssesse aendede, breeckt de sijne, te weere rakende teghens sijn vyanden; op welck gherucht Tisiphernes, die by gheval niet verre van daer sijnen wech volchde, de Gelieven komt ontsetten, de welcke bekent* zijnde, beklaghen haer deerlijck 80. dat d'eene ramp d'ander jaghende, het gheluck wel hardneckelijck scheen besloten te zijn tot haer bederf. Maer d'eedelhartige Prinsse, [85] in plaets van hem tegens haer te verbitteren, verwondert sich over haer selsame liefde, en ghebiedende haer goeden moedt te 85. hebben, belooft* en vercrijcht haer haeren [86] soen van den Koningh, diese beyde met blijen wellekoom onthaelende*, te samen huwt.
PERSONAGIEN.
GRANIDA. DAIFILO. TISIPHERNES. DORILEA. KONINGH. OSTROBAS. ARTABANUS. VOESTER. Rey van Ioffrouwen. Rey van Harderinnen.
GRANIDA
SPEL
EERSTE DEEL
DORILEA.
Het vinnich stralen van de Son Ontschuyl ick in't Bosschage; Indien dit Bosje klappen kon, Wat melde't al vryage*!
5 Vryage? neen. vryage jae, Vryage sonder meenen; Van hondert Harders (ist niet schae*?) Vindtm'er ghetrouw niet eenen.
9 Een wullepsch Knaepjen altijdt stuyrt Nae nieuwe lust sijn sinnen, Niet langher als het weygheren duyrt, Niet langher duyrt het minnen.
13 Mijn hartje treckt my wel soo seer, Soo seer, dorst ick [87] het waeghen, Maer neen, ick waeg' het nemmermeer*, Haer minnen* zijn maer vlaeghen.
17 Maer vlaeghen, die t'hans* overgaen, En op een ander vallen; Nochtans ick sie mijn Vryer aen, Voor trouste van haer allen.
21 Maer oft't u miste* domme maeght, Ghy siet hem niet van binnen. Dan 'tschijnt wel die gheen rust en waeght, Kan qualijck lust ghewinnen.
25 Oft ick hem oock lichtvaerdich von,* En 'tbleef in dit Bosschage, Indien dit Bosje klappen kon, Wat melde't* al boelage!*
DORILEA. DAIFILO.
DORILEA.
Daer is hy. och hoe ben ick inde saeck beladen*! Best dat ick my versteeck onder de bruyne* bladen In't diepste van [88] het Bosch, al eer dat hy my siet. Best is het, best ist jae, maer vondt hy my dan niet?* Weet ick wel wat ick wil? ick ben vervaert voor't minnen, Ontschuyl mijn lief, en vrees dat hy my niet sal vinnen. Neen, beter blijfdy hier dan of ghy verder gingt, Hier komt hy doch voorby; maar luyster wat hy singt.
DAIFILO.
Die gheboden dienst versmaet, Wenscht'er wel om als 't is te laat.
39 Windeken daer het Bosch af drilt*, Weest mijn Brack, doet op* het Wilt Dat ick jaghe, Spreyt de haghen, [89] En de telghen van elckaêr, Moghelijck schuylt mijn Nymphe daer.
45 Nymphe soo ras als ghy vermoedt, Dat mijn gangh tot uwaerts spoedt, Loopt ghy schuylen, Inde Kuylen, En het diepste van het Woudt, Daer ghy met rêen vervaert zijn soudt.
51 Vreesdy [90] niet dat de Satyrs, daer V eens mochten nemen waer*, En beknellen, 'T zijn ghesellen, Die wel nemen t'uwer spijt* 'T geen daer een Harder langh om vrijt,
57 Sonder te dencken, dat in't kruydt, Dickwils Slanghen gladt van huydt, Zijn verholen, Loopt ghy dolen, Maer nochtans hoe seer ghy vliedt, Dat ghy mijn haet, en dunckt my niet.
63 Want doe wy laest van 's avonts laet Songhen tot den dagheraet, Met elck-ander, En uyt d'ander,* Tot den dans ick u verkoos, Bloosden u wanghen als een roos.
69 Mompelen hoord' ick op dat pas, Dat dat gheen quaedt teecken was, En wanneer ,,ick Heel begeerlijck Kussen quam u mondtje teer, Repten u lipges, dochtme, weer.
75 'T weygheren, en d'afkeericheydt, Voecht soo wel niet, alsmen seydt, Voor de Vrouwen, 'T kan haer rouwen, Die gheboden dienst versmaet, Wenschter wel om als 't is te laet.
Sus, sus, wat of ick daer mach hooren Ritselen inde haghedooren? Is zy't, zij sal my niet ontvlien. Neen Dorilea, al ghesien.
Nu suldy [91] hier met gheen een kusjen of ,,raken.*
DORILEA
Daifilo seg ick, ghy sult het te grof ,,maken. [92] Daifilo, laet my staen. Daifilo, laet my gaen. [93]
DAIFILO.
Maer Dorilea, moochdy* soo afkeerich ,,zijn
Van 't gheen daer alle menschen nae begeerich ,,zijn? En vlieden stuyrs van sin?
DORILEA.
Wat doch?
DAIFILO.
De soete Min.
DORILEA.
Ghy noemt het soete Min, en segt dat gene lieden Behalven ick alleen, de soete Minne vlieden, Voort* hoor ick van de Min soo veel quaets, dat ick gruw Van yder een, en die gheloof ick bet als u. Dus Daifilo, van nu, Laet my voortaen te vreden*.
DAIFILO.
Ach suldy dan dus schuw* U groene* jeucht besteden? [94] Dees teeder schoone leden En zijn u niet ghegunt*, Dat ghyse sonder vrundt Afgunstich* soudt verslijten, En eens te laet bekrijten, Dat ghy, om niemandt jonst, of wellust* te doen aen, Versuymelijcken* hebt u selfs te kort ghedaen. Wilt rekeninghe maken, Dat dese roose-kaken. En dese lippen varsch, Die gloeyen als een Kars, Die nu een yder wenscht te kussen en te stroocken, Sullen van ouderdom verwelcken, en verschroocken*. [95] Dit effen voorhooft net, [96] De diepe rimpels met Ter tijdt sullen ontslechten*; En dees welighe vlechten, Die met veel strickjens gail*, soo dertel zijn vertuyt*, Sullen haer gouden rock allensgens trecken uyt; En 'tgeen ghy voor fijn goudt moghelijck hielt voor desen, [97] Suldy bevinden maer silver vergult te wesen. [98] Dees wacker ooghen bly,* Veileeren sullen zy Haer lodderlijcke* treken, Die soo veel brandts ontsteken. Dees vlugghe gauwicheydt*, Daer grijse' aelwaricheydt*, Gaet sonder reên op gnorten*, Dien sal den ouderdoom [99] Die't al maeckt suf, en loom*, Zijn vleughels dapper korten. [100] Dan compt onnut berouw, als betrens tijdt ontbreeckt.
DORILEA.