Granida

Part 3

Chapter 33,885 wordsPublic domain

Recht of die sielen met elckander onderlinghen Ghepaert hadden gheweest, al eer zij lijf [50] ontfinghen. [51]

In dit soort taal heeft men in de XVde en XVIde eeuw in het Zuiden tot de vrouwen gesproken, òf om edele voorstellingen en gevoelens in passende vormen te hullen, òf om galant en verheven te zijn. Van Daifilo gelooft Granida, moeten ook wij gelooven, dat zijn verhevenheid niet volslagen zinledig is, en haar offervaardigheid, zonder haar schande aan te doen, de zijne evenaren mag. [52]

Wij hebben thans het thema onzer Pastorale uiteengezet. Doch, nog van een andere zijde eischt zij toelichting. Negatief hebben wij den tijd van haar ontstaan gezien. Ook het positieve beeld ontbreekt niet; wij gaan het opmaken uit de handelingen der personen. Is zijn omgeving zóó verdorven geweest, hoe zal de auteur zichzelven onbesmet bewaard hebben! De Renaissance was bodemloos subjectief. Er was geen bewustzijn van goed en kwaad. Genot en bevrediging der ijdelheid stonden aan het einde van alle streven. Zijn doel te bereiken was deugd. Hieraan toetste men de waarde van doen en laten, aan géén zedelijk beginsel. Evenzeer subjectief en gevaarlijk echter, hoewel dan in tegengestelde richting werkend, was de leer der "Klare, naakte waarheid, door de Natuur in 't redelijk verstand geprent". Tasso sprak haar uit met het woord: Wat behaagt is geoorloofd, [53] en dit is de zin van den leefregel waarom de Rey van Iofferen de Nymphen benijdt in het eerste bedrijf van Granida: "Ons lusten is ons als een wet". [54] Doch wijsgeeren hebben geoordeeld, dat de verwezenlijking van dezen droom de eindpaal der geschiedenis is en Daifilo en Granida, als anticipatie's van deze toekomst, hebben den strijd van lust en plicht niet gekend. Met wat zekerheid besluiten zij, voor de gewichtigste beslissing. Zwakheid mag de Princes, de overweging van haar best den Herder een oogenblik hebben doen aarzelen,--geen twijfel aan de wettigheid hunner keuze. Zij is wettig, want--het hart beveelt; anders: "als het meest gegrondt in reden." [55] Op zich-zelve, moet de lezer, met hen, de schaking van hun standpunt billijken. Evenwel,--de schaakpartij is, als zedelijk feit, zeer samengesteld. Laten wij kortweg vragen: bevalt u die herder? Het antwoord mag als "bekend" verondersteld worden. Vanwaar dat wij tusschen ons en Daifilo geen gemeenschap wenschen, terwijl wij hem toch voor den edelsten en beminlijksten der menschen dienen te nemen? Er steekt in Daifilo, behalve de edelste en beminlijkste der menschen, nog iemand anders: hij weet het zelf niet, hij zou zich ontzetten, wanneer hij het wist, en toch, hij is een gewetenlooze schelm, een geveinsde huichelaar en verrader. Of is hij het niet? Want voor hem, voor Granida, valt het verbrijzelen van het ouderhart, valt het verderven van het levensgeluk van een edelen Tisiphernes, valt hem verraden niet onder de zedelijke beoordeeling. Zij kunnen niet dan goed zijn. Hem en haar mag men het niet aanwrijven: wel weten ze dat zij leed berokkenen: zoo dit in tegenspraak is met hun aangeboren goedheid, deze ongerijmde schepselen hebben zich-zelve niet gemaakt, het is de schuld van hun Schepper, den dichter. Hun Schepper drage de schuld. Hij is de schelm: het kind van zijn tijd. Hij laat de Voester, in wijsheid en deugd grijs geworden, liegen en bedriegen en de Goden onteeren. Hij emancipeert Granida van haar onbesproken dochterliefde. Het is prijselijke voorzichtigheid, die aan Daifilo de woorden in den mond legt:

Liefde ghy haer, mijn Heer, 't geen dat u is gheschiedt, Soud u, om haer gheluck, lief zijn, en rouwen niet.

Dat hij met deze verzekering in de waarheid blijft, eert Tisiphernes zelf. Immers de waarheid van dit zeggen wordt door den afloop bewezen. En toch blikt ons de listige reservatio mentalis [56] van een verraderlijke politiek hier aan. In de verantwoording van het ontdekte paar tegenover den bedrogene, ontdekt men zelfs geen flauw besef van schuld, geen spoor van berouw. [57] De wraak wordt er volmondig als een natuurlijk recht erkend, de gedachte aan zedelijke schuld komt bij geen der partijen op. Dit kan niet door den beugel. Men vergrijpt zich echter, met het op hun kerfstok te schrijven. Zullen wij Daifilo's zonden breed uitmeten? Maar hij is eerlijk terwijl hij zijn onbaatzuchtigheid betuigt en zich in de zuiverheid verheugt van zijn liefde. Met recht kan hij zeggen:

Een oprecht hart, mijn Vrouw, derf van zijn grondt gewaegen!

Wij meenen hem te zien meesmuilen, wanneer de "Coningh" zegt: "Daifilo, mijn Dochter is gheschaeckt van wijsheyt en versocht [58] verstandt". Meesmuilen, als het verzocht verstand den edelen armen Tisiphernes op zij komt met: "Mijnheer, u lust de deucht." Ja, het is uit de comedie gestolen, het is daar onbetaalbaar geweest. Daifilo echter hèèft niet gemeesmuild. Hij hàd niets te meesmuilen. Wij kunnen hem nog verwijten dat hij, de eenvoudige herder, van den beginne af een volleerd hoveling geweest is. Maar gij weet de oorzaak, lezer, gij weet dat het geheele herderdom der Pastorale een mommevolk is, en het is er u, voor de historie, te belangrijker om.

Hard en duidelijk wordt in Granida de stem des tijds vernomen. Er is noch wezenlijke Moraal, noch waardige Philosophie in. Het kind des tijds schept zijn nieuwen mensch in de eerste plaats om zichzelven, den mensch van wien hij niets te vreezen heeft. Als de zwaarste aanklacht tegen hem zal in den dag des oordeels de onderstelling der volkomenheid zijner helden gelden. De dichter en zijn werk zijn doodelijk krank van dezelfde verdeelde beginselloosheid. De dichter is een chaos. Zijn werk strijdt tegen zich-zelf, heft zich-zelve op. Beide zweven ze boven den afgrond.

Is Hooft die dichter? Wij meenen de vraag ontkennend te kunnen beantwoorden. Granida is een historische les. Het is het type van het herdersspel. Wel had Hooft een assimileerende natuur, maar wij kunnen moeielijk gelooven, dat HOOFT de Hollander een dichtstuk zou hebben voortgebracht, dat zoozeer de kenmerken der overbeschaving vertoont. Nabootsing kan het ver brengen. Wij twijfelen dan ook niet om allerlei kleine eigenaardigheden. Niet om het "Carpe diem!" [59], dat de herder Dorilea voorhoudt, niet om hun Zuidelijk sensualisme, noch om het schitterend vernuft hunner Hoofsche dialectiek, al de elegance eener hofconversatie, die roemen mocht op de fijnste geestesbeschaving: dit eerste bedrijf is trouwens grootendeels ontleend, maar Hooft heeft zich in die conversatie ook altijd zelf een meester getoond. Niet om kleine trekken als de reismanie van Tisiphernes, die aan het zenuwachtig Italië toen eigen was, ook niet om een bijzonderheid als de niet antieke, merkwaardige voorstelling der liefde als persoon in het verhaal der voedster, die aan Dante's Vita Nuova, aan zijn Canzones en Sonnetten herinnert. Dit alles en veel meer zou in een stuk van een belezen dichter als Hooft voor kunnen komen. Twijfelen doen we om het geraffineerd Italiaansche van de moraal en de philosophie--om het typische van de karakters. Kan Daifilo, vragen wij, de geestelijke zoon van Pieter Cornelisz wel zijn?

Het door Leendertsz. uitgegeven handschrift stelt Granida in 1605. Toen althans werd het voltooid, want het is mogelijk, dat het grootste gedeelte in 1602 en 1603 ligt. Hooft was toen nog kort uit Italië terug (1601) en er schijnt ons niet onbelangrijke overeenkomst van gedachten met de Liederen dier jaren te bestaan (vgl. XXII, XXIII boven). Granida valt dan samen met zijne liefde voor W.B. en Ida Quekel [60]. In het handschrift is het stuk 1 Maart gedateerd. Den 15den Januari 1605 was Brechje Spiegel gestorven. Tusschen 15 Januari en 3 April ligt, behalve het grafdicht, geen enkel vers. Naar allen schijn [61] heeft de Dichter afleiding gezocht in 't arbeiden aan zijn Pastorale. Dat Hooft zich veel met Herderspoëzie had ingelaten, blijkt uit zijn kennis aan MONTEMAYOR'S roman Diana, uit Don Diegoos clacht, [62] uit de namen van zijn schoonen. Zijn Galathea [63] is zonder twijfel de Galatea van den roman van CERVANTES, Chariclea [64] de heldin van HELIODORUS' Chariklea en Theagenes. W.B. heet Diana. Juliette [64] mag iets hebben uit te staan met MONTREUX' Bergeries de Juliette, navolging van de Diana. Deze alle liggen van 1601-1603. Dan kiest hij andere namen. Maar Brechje heet, in 1604, wederom Charife, de Xarifa uit de schoonste episode van Montemayor. Den "vondt-baren Montemayor" noemde Hooft hem in 1605, toen hij Felicia, de priesteres van den Dianatempel, liet optreden in een sonnet aan Electra, de zuster der gestorven geliefde. Het vermoeden dat het herdersspel iets aan den vermaarden Spaanschen roman kon te danken hebben, bevestigde zich echter niet [65]. In 1609 doet Granida zelve dienst. Mithra Granida wordt dan voor goed de zondagsnaam van Christina, de echtgenoote in spe. Een jaar te voren had Hooft reeds voor W. Dia een dialoog tusschen Granida en Daifilo gedicht. [66]

De Italiaansche Granida, die wij geneigd zijn te onderstellen dat bestaat, is tot nu toe niet voor den dag gehaald.

Ook den oorsprong van de fabel hebben wij niet kunnen vinden.

Ondertusschen [67] heeft Dr. Joh. Bolte Tieck's vertaling van het (in eersten druk waarschijnlijk tusschen 1590 en 1598 verschenen) Engelsche drama Mucedorus in 't licht gegeven. [68] Tusschen dit stuk en Granida vindt hij, bij alle verschil, zoo treffende overeenkomst, dat hij niet aarzelt het eene voor afhankelijk van het andere te verklaren. Dat Granida in zijn geheel een eigen werk van Hooft is, spreekt voor den Uitgever van Mucedorus van-zelf. Hooft moet den Mucedorus dus gekend hebben en hij kan hem hebben leeren kennen door de Engelsche Komedianten, die het vasteland aan zooveel dramastof geholpen hebben. Men zou anders aan een gemeenschappelijken oorsprong kunnen denken. Maar deze onderstelling zou buitendien toch vervallen, omdat Mucedòrus (zooals Bolte aanwijst) uit een episode in Philip Sidney's roman Arcadia (1590) ontstaan is, en Granida meer annex met Mucedorus is dan met de Arcadia [69]. De episode in de Arcadia is aldus: De Thessalische prins Musidorus is verliefd op de prinses Pamela. Hij wil haar in herderskleeren trachten te naderen. De herder-prins nu redt haar van een beer, terwijl de herder Dametas, aan wier zorg ze is toevertrouwd, haar in den steek liet. Musidorus biedt de prinses een bereklauw aan en van den Koning, haar vader, vraagt hij als gunst, dat hij bij Dametas in dienst mag treden, om altijd bij de prinses te zijn.

Het drama Mucedorus komt hierop neer: Mucedorus, prins van Valencia, heeft vernomen van de schoonheid van Amadine, prinses van Aragon, en gaat in herderskleeren zich daarvan overtuigen. Amadine is verloofd aan den edelman Segasto en het huwelijk is aanstaande.

Mucedorus, de herder-prins, komt Amadine redden van een beer, terwijl Segasto, die een groote lafaard is, is weggeloopen. Hij biedt haar den kop van den beer aan. Amadine maakt zich als de prinses en Segasto als haar bruidegom bekend, betuigt den herder haar dankbaarheid en verzoekt hem haar naar 't hof te volgen om zijn belooning daar te ontvangen.

Segasto zendt den kapitein Tremelio af om den herder te dooden. Tremelio zoekt Mucedorus op, maar Mucedorus doodt hèm. Segasto heeft het gevecht gezien en klaagt den herder bij den Koning aan.

Mucedorus wordt voor den Koning gebracht, die hem nog niet kent als den redder van zijn dochter. Amadine bepleit zijn zaak tegen Segasto. De Koning schenkt genade omtrent Tremelio en beloont hem met goud en zilver. Maar daarnà weet Segasto toch nog zijn verbanning te bewerken.

De herder-prins begeeft zich buiten het Hof. Amadine zoekt hem op. Zij bekend hem haar liefde; ook hij verklaart zich. Zij wil zijn verbanning met hem deelen en hij neemt dit aan. Een plaats van samenkomst wordt afgesproken. Dan keert zij naar het Hof terug om haar maatregelen te nemen.

Amadine is straks op de afgesproken plaats Mucedorus wachtende. Nu treedt de Wildeman Bremo op (hij heeft zich al eerder in het stuk vertoond) en maakt zich van Amadine meester. Hij wil haar dooden en opeten, maar haar schoonheid betoovert hem en hij spaart haar; zij moet zijn vrouw worden.

Mucedorus komt op; hij is te vergeefs wachtende. In het gewaad van een kluizenaar wil hij in het bosch blijven vertoeven, tot zij komen zal. Dwalende daar, ontmoet hij Bremo met Amadine, die hem in zijn vermomming niet herkent. Hij weet den Wildeman te belezen, dat hij hem in dienst neemt. Het eind van 't lied is, dat Mucedorus, die zich door den Wildeman in 't vechten laat onderrichten, hem daarbij van 't leven berooft. Dan maakt hij zich aan Amadine bekend.

Ondertusschen is Segasto met zijn dienaar het paar gaan zoeken, en zij worden gevonden. Mucedorus laat nu Amadine alsnog de keus, en zij kiest hèm. Hij laat nu zijn incognito varen: hij is de zoon des Konings van Valencia. Segasto begrijpt dat zijn kans verloren is en doet afstand van zijn bruid.

Gezamenlijk begeven ze zich naar den Koning, die vol droefheid over zijn dochter is, en die ook vernomen heeft, dat de prins van Valencia om haar hand dingt. Alles komt nu ten besten uit. Segasto doet, op 's Konings verzoek, andermaal edelmoedig afstand.

Wat de verhouding van de fabels betreft--moet men het ongetwijfeld met den Uitgever van Mucedorus eens zijn. Tusschen Granida en Mucedorus is een groot verschil. Ostrobas, de vreemde prins en mededinger van Tisiphemes (Segasto), is in Mucedorus zelf de herder en dit maakt het geheele verhaal tot een ander. Maar dit neemt niet weg, dat de overeenkomsten zoo treffend zijn, dat het verband onmogelijk is te loochenen. Blijkbaar nu is Mucedòrus uit de Arcàdia-episode ontstaan. Voor de Granida zijn wij dus gedwongen onmiddellijke afhankelijkheid van de Mucedorus-fabel aan te nemen. De prins heeft zich gesplitst: hij wordt een wezenlijke herder, maar hij blijft ook prins en mèdeminnaar in de figuur van Ostrobas, die aan Bremo herinnert, zooals Tisiphernes min of meer aan Segasto. Nu treedt de herder bij Segasto in dienst en verslaat niet Bremo, die immers ook een soort medeminnaar was, maar Ostrobas.

De fabel van Granida is een wijziging van de Mucedorus-fabel. Hemelsbreed verschillend zijn de stukken als drama's. Een heel andere is de karakteristiek. In Mucedorus ìs nauwelijks karakteristiek. Moraal en philosophie, in Granida zòò hoogst opmerkelijk, dat de twijfel van den een òf 't wel van Hooft zou zijn, door een ander misschien beantwoord wordt met een "'t Is juist van Hooft den philosoof!"--moraal en philosophie ontbreken er geheel: het is eenvoudig een tooneel-stuk,--een dichterziel, eens menschen geloof en zielsbegeerte is er niet in.

De twijfel aan Hooft's auteurschap van Granida is dus met het vinden van den oorsprong van de fabel niet opgelost. Voor den Uitgever van Mucedorus spreekt het van zelf, dat Hooft de auteur is van het stuk zooals het daar ligt (natuurlijk onder invloed van zijn lectuur van herders-drama's en herders-romans [70]; en Hooft is het, volgens hem, die de fabel van Mucedorus wijzigde. Wij voor ons gelooven alsnog in een, indien niet Italiaansch dan Engelsch of Fransch drama--uit den Mucedòrus ontstaan maar tegelijkertijd origineel van het drama Granida. [71]

Leendertz, de Uitgever van Hooft's Gedichten, heeft in den Navorscher van 1874 trachten aan te toonen, dat de Granida een bijzondere persoonlijke beteekenis voor Hooft heeft gehad. In het handschrift, waarnaar hij heeft uitgegeven, staat in vers 1081 voor Daer gaet Daifilo, treedt eens uyt: Daer gaet Cephalo. Hij houdt het er voor, dat oorspronkelijk de herder niet Daifilo maar Cephalo heeft geheeten. Het handschrift namelijk is een door den dichter zelf, waarschijnlijk niet lang na de voltooiing van 't stuk, vervaardigd afschrift. Bij 't overschrijven heeft Hooft dan dat Cephalo vervangen, maar op die eene plaats is 't bij ongeluk blijven staan. Met "Cephalo" nu duidt hij tweemaal in zijn Erotische Gedichten zichzelven aan: in den dialoog Ach Amarillis en in het daarmee annexe Amaryl de deken sacht [72]: Cephalo is zijn eigen naam in 't Grieksch. Beide die Zangen zijn aan zijn geliefde Ida Quekels. Wanneer zijn vrijerij met haar aanving en eindigde, zegt Leendertz (en wij gebruiken nu veel zijn eigen woorden), weten wij niet. Het eenige gedicht aan haar met een datum is van 23 Nov. 1603. Voor deze liefde (en na de terugkomst uit Italië, 8 Mei 1601) vallen nog de gedichten aan Galatea, Chariclea en Diana. De kennismaking met Brechje Spiegels begon na 16 Maart 1604. Wij zullen zeker niet verre van de waarheid zijn, indien wij het poëtisch vieren van Ida stellen in de laatste helft van 1603 en de eerste helft van 1604. In dezen tijd zal dan ook Granida grootendeels gedicht zijn en zooals "Cephalo" op hèm zag zoo zag, de naam Granida op Ida. Granida werd voltooid 1 Maart 1605. Die liefde was toen goed en wel voorbij en Ida Quekels ging in Juni 1605 met zijn neef Willem Jansz. Hooft trouwen: de naam Cephalo was nu al te duidelijk geworden, er moest een andere bedacht. En nu veranderde hij "ptalo" in "filo" (het Grieksche philos) en voor de eerste lettergreep zette hij "Ida" om in "Dai" en kreeg zoo "Daiphilo" d.i., naar dezen uitleg. "Ida's Vriend", een naam die in het rhythme van de verzen "Cephalo" overal kon vervangen en, voor hem zelven, zijn betrekking tot Ida aan bleef duiden.

Moet hieruit volgen, dat Granida wèl in zijn geheel het eigen werk van Hooft is? Leendertz zelf maakt bezwaar, dat Hooft zich geheel met den persoon van Daifilo zou vereenzelvigd hebben en ook hij verwondert zich over deze door en door immoreele schepping. [73] Hij besluit, dat niet het gansche drama, maar alleen het Eerste Bedrijf in dat intieme verband met 's dichters eigen leven staat. Dorilea is dan het meisje, dat hij voor Ida vaarwel zei. Misschien is ook deze naam oorspronkelijk een andere, misschien is het "Chariclea" geweest (een naam van even-veel lettergrepen, met gelijken klemtoon en ook eindigend op -lea), de naam waaronder Jafvrouw M.V.S. door Hooft in verzen gevierd is geworden. [74] Is dit vermoeden juist, dan verhaalt dit Eerste Bedrijf van Granida, hoe M.V.S. door Pieter Cornelisz. voor Ida Quekels verlaten werd. Het eigenlijke drama, in de vier volgende Bedrijven, blijft dan iets op zich-zelf staands.

Ons dunkt, dat die bijzonderheid in het handschrift inderdaad zeer bijzonder is en Leendertz zijn verklaring in hoofdzaak heel waarschijnlijk. Hoezeer het spelen met namen toen mode was, is algemeen uit de Litteratuur bekend. En om in Pastorale poëzie van zijn eigen lotgeval te dichten, was almee mode [75]. Op te merken valt nog, dat de dialoog van Cephalo en Amaryllis in argumentatie en in woorden met die van Daifilo en Dorilea zoo overeenkomt. Zoo zouden wij dan in Granida te onderscheiden en te scheiden hebben het hoofdzakelijk aan den Pastor fido ontleende Eerste Bedrijf en de gedramatiseerde Mucedorus-fabel, die in dat Eerste Bedrijf maar even zijn begin neemt. Om den dialoog van Daifilo en Dorilea, als vrije navolging van Guarini, dan geheel op Hoofts eigen rekening te zetten, daar kan niets tegen zijn.

IV.

De Lyrische poëzie der Renaissance schittert voor altijd. Het Epos kon haar bodem niet voortbrengen. Wel een Hoofsch kunstepos, niet het epos der middeleeuwen, dat uit het volk voortkomt. Ook voor het Drama zijn haar dichters bezweken. Zij volgden modellen die drama's heetten zonder drama te zijn, en zij waren Renaissance-menschen, die niets wisten van de zedelijke natuurwetten waarvan, voor individuen en maatschappijen, de uitkomst van den strijd om het bestaan afhangt. Het wezenlijke drama echter heeft een zedelijken grondslag, het is de voorstelling van de zedewet in het menschenleven, eener hoofdgedachte des dichters. Italië heeft nieuwe dramatische genres geschapen: de Opera, de Pastorale. Juist zij bewijzen haar onvermogen. Het ondramatische gaat er vergeefs in het lyrische schuil en de scheur door het hart van Hooft's Pastorale hebben wij aangewezen. In het Herdersspel maakt het Italiaansche drama zich los van het verkeerd klassiek model, en dit is aan de samenstelling van het geheel niet onvoordeelig geweest. Het schema van Velsen en Baeto, op die leest van Seneca geschoeid, ziet er wat anders uit dan dat van Granida. Inderdaad moet men de verdeeling der stof in bedrijven, der bedrijven in tooneelen hier prijzen: om het vroege jaar 1605, trekt men er zelfs nieuw wantrouwen uit tegen de oorspronkelijkheid. Maar het echte kunstwerk geraakt er niet door tot stand. De kranke hoofdgedachte, de nieuwe mensch, heft zich in dien mensch weer op. Het is alles zonder beginsel en innerlijke eenheid. Ook is er bij niemand een spoor van strijd. Men kende geen zedelijke conflicten. Alleen,--Tisiphernes aarzelt een oogenblik zijn helm te leenen: een punt van Eer! In overeenstemming met den tijd-zelven. En wat beslist het? Spitsvondige berekening. Ook Gij Tisiphernes! [76] Niet uit elkander, maar op elkander volgen de gemoedstoestanden der helden; zonder geschiedenis zijn hunne handelingen. Dit raakt het dramatische en de karakteristiek. Al de personen zijn onveranderlijke typen. Daifilo is de gewelddadige samenvoeging van den herder en den hoveling, de vaste figuur der Pastorale. Zullen wij een scherpe kritiek gaan oefenen? Zich boos op hen maken leidt niet tot de vruchtbare beoordeeling en de verzoenende verklaring van hun bestaan. Granida is van A tot Z zulk een typisch herdersdrama, dat het juist hierdoor genietbaar is. Alles werkt er in samen tot het volledig karakter der soort en dit behaagt ons. Voor elk der personen afzonderlijk geldt dit oordeel weer. Zij spreken verstaanbaar van hun geboorte-eeuw. Zij verklaren, hoe zij geworden zijn en hoe bij elkander gekomen. Daarbuiten merken wij nog op, dat Granida zich onderscheidt door een kloekheid, die al de mannen beschaamd maakt. Zij wint het zelfs van Daifilo. Zij en haar herder brengen de handeling te weeg. Granida is, Dorilea niet meegeteld, de bestgeslaagde. Dit teekent den poëet, die meer verstand van vrouwen dan van mannen had. Zwakke mannen behoeven krachtige vrouwen. Maar ook "Granida Schoon" is, helaas! niet volmaakt. Beter dan kritiek is het, te letten op het pathos en de innigheid waarmee de gelieven hun liefde vertolken. Hierop heeft de Renaissance zich inzonderheid verstaan en men sla b.v. BOCCACCIO'S Amorosa Fiametta. (De verliefde Fiametta. Tot Amsterdam, voor Abraham Latham, 1661) slechts op, om de verwantschap te gevoelen. Dit plaatst ons op het rechte standpunt. Zoo zich ontboezemen als de prinses en de herder, die nooit in 't gebruik der woorden te kort schieten; zoo als Tisiphernes nadrukkelijk, en toch niet onwaar, zijn smart en droefheid klagen; zoo echt snoeven als Ostrobas wien elk woord heilige ernst is, dàt verlangden de liefhebbers van litteraire kunst toenmaals. Zij waren hoegenaamd niet realistisch, ten minste niet als er in verzen of door herders gesproken werd. De vorm, de beoefende vorm die het bewijs der overwonnen moeielijkheid zelf was, die alles volledig zeide en toch gemakkelijk en sierlijk, dat heeft Hooft met zijn tijdgenooten in De Rojas' Celestina, Montemayor's Diana, in de Fiametta. in Sannazaro's Arcadia, in Granida bewonderd. In Granida praten allen goed. Ook de Voedster is van de partij. Zij verstaan het, het juiste, werkende woord op een goede plaats te zetten. Hoe de dichter zijn taal meester is, dat bewijzen de zangen en reien, die met de menigvuldige monologen het lyrische in den dialoog versterken; Dorilea's lied is een juweel onzer poëzie: er is geen woord te veel en alles is er in gezegd. Zijn er moeielijke plaatsen, men bedenke dat litterarische kunst niet als gesneden kòèk behoort genuttigd te worden. Ook Muziek en Schilderkunst bestudeert men, vooral als de kunstenaar boven ons staat, of ons, met of zonder tijd, vreemd is. Elk dichter van beteekenis, in verzen of proza, heeft het natuurlijk recht, niet voor iedereen en bij de eerste kennismaking amicaal te zijn. Elk vervlogen tijdvak eischt studie.