Part 2
Maar, zooals aan den vorm, ook aan den geest van zijn minnedicht heeft Italië deel,--ook van zijne geschriften in 't algemeen. Wat hij met de leermeesteressse gemeen heeft, onteert hem gelukkig niet en bewijst zijn soliditeit en zijn zelfstandig en stoutmoedig oordeel. Het maakt tevens dat lieden van moderne denkwijze hem verstaan en behagen in zijn omgang scheppen. Hij is zoo sceptisch aangaande de verhouding der onzienlijke en zienlijke dingen, dat men met recht beweren mag: Hooft is strikt genomen geen "Christen" geweest. De macht die het zichtbaar beloop van het aardsche regeert of stuurt, noemt hij bij voorkeur "Geluk", "Fortuin". Met de Oude Godheden, die hij in zijn gedichten zoo natuurlijk huldigt alsof het zijn voorouderlijke godheden waren, is ook de Antieke Fortuna tot hem ingekeerd. Maar de Ouden bracht zij veelal heil en zegen. Hooft stelt haar vaker als de vijandin der menschheid voor: de Grieksche Moira heeft den Romeinschen naam bij hem aangenomen. Het onverbiddelijk Determinisme, dat Hooft later belijdt, is buiten kijf reeds van ouden datum bij hem. Al met zijn eerste Latijn en Grieksch had hij het ingezogen. Het laat zich van vroeg af wel vermoeden, dat dit philosophisch hoofd eenmaal weigeren zal de noodwendigheid van al wat is, oordeel Gods in Christelijken zin te noemen. Fransche philosophie werkte er krachtig toe mee. Prediken doet hij zijn: "Wat weet ik?" niet. Het gevoelen dat de maatschappij met onchristelijken twijfel gebaat zou zijn, is hij niet toegedaan. Hij acht het nergens dienstig toe, er de rust van zijn kalm leven mee te verstoren. Ieder mag op eigen manier zalig worden. Geen belijdenis sluit het goede uit en dit vindt hij veel. Een goede Katholiek is niet slechts. Hooft is indifferent: niet tegen den godsdienst is hij, maar zelf (behoudens zijn eerbied voor het mysterie dat hem omgeeft en zijn vereering van het Goede), zonder uitgewerkt geloof en vurige aanbidding. Verdraagzaamheid vloeit hier uit voort. Niet Vondel's Roomsch-zijn, maar zijn onnationale gevolgtrekkingen in 't politieke veroorzaakten een omkeer in de gezindheid van den Drost. Doch--ook Vondel's ijveren was hem tegen de borst. Hij was niet vrij van Egoïsme, hij was verzot op het aangename, hij was Epicuristisch van aanleg en door studie. Het ideaal van een verstandig man achtte hij in volkomen rust gelegen. In zijn jeugd mag hij dit wel reeds van zijn ouden vriend Hendrik Spieghel vernomen hebben, en geen van beiden heeft Epicurus schande aangedaan. Noch in overvloed en rijkdom, noch in eer en macht stelt hij zijn geluk. Alle zinlijke genoegens en genietingen bemint hij, maar nadrukkelijk waarschuwt hij zich-zelven en anderen voor het Te Veel. Geestelijk genot gaat boven alles. En de middelen, die ons de vriendschap der gelijken en het goede aandenken der minderen verwerven, zijn, met een wel ingericht huis, onder de voorwaarden eener eerlijke gemoedsrust. Hij voor zich rekent nog een uitnemend echtgenoot daartoe.--Zijne denkbeelden over de Liefde zijn niet minder karakteristiek dan zijn vrije blik op de wereld. De Renaissance had over de Alpen een hoogeren stand in het leven geroepen, die zich, anders dan in de Middeleeuwen, door schitterende geestesbeschaving ver boven het gros verheven mocht rekenen. Zij had er de vrouw uit haar staat van afzondering en onmondigheid ontslagen, om haar voortaan te doen huldigen als richteres en handhaafster der schoone vormen. Hooft wederom zou zich op het Muiderslot de verfijning en veredeling van het gezellige leven ter harte nemen en van den beginne af ziet men hem boven het achtenswaardig Vaderlandsch Realisme verheven, dat in de wederhelft weinig meer dan de beminlijke moeder der kinderen en de aangename bestierster der huishouding behoeft. Want den vierentwintig-jarigen dichter van Granida was dit te weinig. In Florence had hij de kunst der Galanterie geleerd en zij was meer bij hem dan vernissen van in hartelijkheid of reinheid te kort schietende gezindheid en neiging. Zoo er conventie en manier in steekt, zij staan hier in dienst der echte poëzie. De uitheemsche taal der vereering werd hem het natuurlijke middel om zijn eigen vereering van de begaafde vrouw te uiten: bewonderenswaardig is de gemakkelijkheid waarmede hij zich deze taal heeft eigen gemaakt. Hij aanbidt in de Geliefde de Bella Donna der Italiaansche sonnetisten: het volkomene Ideaal der Goedheid in Schoonheid zichtbaar geworden, de zuiverste openbaring van het Goddelijke. Ongeveinsd is zijn deelnemen aan hun eeredienst van het Hoogste Schoon, waarin de stoffelijke vorm zinnebeeld is van koninklijke eigenschappen. Uit echte verwondering komt zijn religieus-getinte natuurverheerlijking voort, maar het is voor zijn "Vrouw" dat de vergode Zon schijnt. Ongedwongen neemt zijn spreken den toon aan van het gebed, wanneer hij haar Godin noemt en knielt voor haar altaar. Alle kleinheid en zwakheid is haar vreemd. Zij vereenigt goedheid met waardigheid, met beraden wijsheid teedere lieflijkheid. Heilig zijn haar leden, heilig de gunsten die zij uit Goddelijke genade schenkt. Zoo Platonisch is Hooft wel niet, dat hij het zinlijke minacht. Integendeel. Maar hij wil geadelde zinlijkheid, die, wortelend in de betrekking der geslachten, uitloopt in Ideale Vriendschap:
Het lijf-omhelsen moet bij 't sielvermengen swichten; Voor overst ken jck Liefd', acht Mins vermeugen cleen. [15]
Men heeft Hooft, in zijn Minneliederen, van onhartelijkheid en gebrek aan hartstocht beschuldigd. Niemand echter die op de bepaalde en juiste uitdrukking zijner denkbeelden en op de vastheid zijner gevoelens let, met onverzwakten nadruk telkens weer uitgesproken, zal van onnatuur en onwaarheid spreken. In hooge mate bezat de dichter de gave der waardeering en het is niet te ontkennen, dat zijn verzen de zeer persoonlijke uiting zijn eener oprechte bewondering van het vrouwenkarakter.
Had de auteur der Granida van 1605 ons zijn naam onthouden, wij zouden dien zonder mistasten bepalen. Zelfs met den datum stonden wij niet verlegen. Duidelijk draagt het werk den stempel van zijn talent. Wij kennen hem aan zijn taal. En ondersteld dat Hooft een vreemd drama navolgde,--er ware grond voor het vermoeden, dat het den invloed van zijn eigen denken heeft ondergaan. Bleek het dat die invloed minder sterk was dan men geneigd was te onderstellen.--de keuze zou getuigenis van den vertaler afleggen. Zoo al de overeenkomst van ideeën tusschen Hooft's Liederen en zijn herdersspel nog niet de oorspronkelijkheid van het laatste kon bewijzen, uit den klauw zouden wij den leeuw toch kennen. Met zekerheid zouden wij zeggen: dit drama moet uit dien tijd dagteekenen, naar luid van zijn taal; van die taal de kracht nog daargelaten, van die liederen het accent niet eens meegerekend, kan niemand dan Hooft toenmaals zich met zooveel ingenomenheid en zoo gelukkigen uitslag aan de overbrenging hebben gezet. Een toevalligerwijze niet, had de zanger van Weet yemant beter saus als honger tot de spijsen [16] zijn hand dan op Granida gelegd. Het was voorkeur--en dit te gevoelen is een voorwaarde van genieten. De kenner van Hooft's Liederen vindt in zijn Pastorale een bekoring meer, die anderen moeten missen. Hij ontmoet er den wijsgeerigen minnezanger in levenden lijve. Het geestig pleidooi voor de rechten der jeugd herinnert hem aan de Ritornelles voor Diana. [17] Galathea uit het lied Vluchtige Nimph [18] heeft in Granida haar naam met Dorilea verwisseld; in den dialoog voor Ida Quekel [19], heet zij Amaryllis en koestert tegen Cephalus (d. i. Hooft--Daifilo niet ongelijk) hetzelfde wantrouwen reeds. De Epicuristische leer van 't vergenoegen, met woord en daad door de princes gepredikt, die lage rust boven verdrietige hoogheid kiest, brengt ons telkens het aantrekkelijk gedicht op den rijkdom [20] te binnen, waarvan het Herdersspel soms de illustratie wel schijnt. Hooft's fijne zinnelijkheid schijnt in de Reien der Iofferen, van de twee eerste bedrijven, door te stralen. Onmiskenbaar is in Granida ook zijn natuurzin. [21] Zelfs de tegenstelling van Kunst en Natuur ontbreekt er niet. [22] Dat de blinde Fortuin er een eerste viool speelt, heeft de dichter ongetwijfeld in orde gevonden. De philosophie over den Staat [23] komt hem die Geeraerdt van Velsen (1612 of 1613) of Baeto (1616 en 1617) heeft gelezen, niet vreemd voor: daar vond hij ook de tyrannenhaat van den Republikein uitgesproken en zijn opvatting van de taak der vorsten. [24] Eindelijk is in Granida als in de Liederen als in den Baeto de liefde een de geheele schepping doodringende, levenwekkende macht, [25] die in den mensch zich met het edelst menschelijke verbindt en hem tot dienaar van het Schoone bestemt. Beide Daifilo en Pieter Cornelisz. klimmen op van de begeerlijkheid die schoonheids lichaam meer dan lichaams schoonheid mint, tot vereering van vorstelijke vrouwendeugd. [26]
Ondanks al deze overeenstemming zou men toch kunnen probeeren, het waarschijnlijk te maken, dat Hooft niet de oorspronkelijke auteur van Granida is. Laten we het drama op den keper beschouwen. Niet de stelling dat alle menschen voor de rechtbank der Liefde gelijk zijn [27], maar de tegenstelling van Natuur en Onnatuur is er het thema. En dit thema wordt er in behandeld op een wijze, wordt er zoodanig in veraanschouwelijkt, als wij het nauwelijks van Hooft verwachten kunnen. Hem kan men de wijsgeerige gedachte, die aan het geheel ten grondslag ligt, niet toeëigenen: in de samenleving van Italië is zij opgekomen en was zij thuis; welk alleenloopend pessimist haar in de Hollandsche maatschappij gevoed mag hebben, Hooft zoomin als Cats, zoomin als Vondel of Huygens. Dit on-Hollandsche goed in 't oog vattende, ziet men het stuk in belangrijkheid verdubbelen.
Wat wordt er in Granida geschilderd? Een door en door bedorven aristocratie; een wereld, voor het oog nog pralend en pronkend, maar kracht- en vreugdeloos in al de zedelijke verdorvenheid en de ellende van haar ijdel, nietig bestaan. Te midden van deze samenleving, die heden nog staat, doch morgen in elkaar zal storten, treedt een dichter voor ons op, die naar bevrijding smacht, een pessimistisch dichter, die met de kracht der verontwaardiging den geesel zwaait. Zonder verschooning ontdekt hij de leugen waarop het wankelend gebouw rust. Zonder verschooning legt hij de innerlijke tweespalt bloot van dit leven zonder God noch gebod. Geen kunst vermag de ledige plaats te vervullen, nu natuur en eenvoud geweken, verjaagd zijn. Een minnelijk gelaat is het masker van een hart vol haat en nijd. Valschheid regeert hier. Geweken en verjaagd zijn alle menschelijke deugden. Er is godsvrucht noch vriendschap meer, oprechtheid noch trouw. Waar is de vergenoegde levenslust? Zoo zang en muziek nog weerklinken, het is niet van vreugde. In den roes van het vermaak, zoekt men zijn verdriet te vergeten,--vergeefs:
Wat 's al des werelts lust Als 't hart niet is gherust?
Men vergete niet dat de Hoveling hier een gansche aristocratie met haar aanhang omvat. Het Pessimisme van den dichter gaat verder. Maatschappelijke ontevredenheid kwelt hem. De geheele wereld is slecht; zij ligt geheel in het Booze, zonder goddelijke ordening. Men spreekt van recht en van wet, doch is dit rechtvaardigheid, is dit orde, dat de slechtaard in overvloed zwelgt en de deugdzame zich moet behelpen, gebrek lijdt? Aan allen gemeenschappelijk heeft de Natuur de aarde als een erfgoed nagelaten.
O rechten sonder reên! o wetten sonder weten!
De boosheid en snoodheid der menschen hebben u voortgebracht! Een blind en redeloos toeval beschikt over u. Er is een tijd geweest, de dagen van het menschdom in zijn vroege jeugd, dat niemand veel en niemand weinig, dat ieder zijn toereikend deel had. Wat wist men toen van recht en wet? Toen kende men geen eigendom, men kende dienen noch gebieden. Alles was allen gemeen. O, was een lust naar meer dan nooddruft, de winzucht niet ontwaakt! De gemeenschap werd verbroken: het eigendom, de diefstal kwam. Recht en wet gingen in haar gevolg: noodzakelijk kwaad helaas! om boozer te verhoeden [28].
Het is een gewoon verschijnsel, dat beschouwingen als deze opkomen in tijden als het Italië der XVIde eeuw beleefde. De verbeelding vormt zich een tegenbeeld van het bestaande. Uit een dichterlijk brein rijst een Utopia, een Nergenshuizen, bevolkt met ideale wezens, die de verpersoonlijking zijn van 't geen de dichter als goed en heilig vereert, van zijn wenschen en verlangens. Hij droomt van de voorbijgevloden eeuw,
Doen 's werelts kindtsheyt soet niet deed, dan sliep of loech, [29]
toen de Natuur-zelve, met volmaakte wijsheid de menschelijke behoeften bepaalde en ieder haar in ongestoorde gelukzaligheid volgde. Hij gelooft in een heilige menschheid, onbesmet van misdaad, rein van leven, die oorlogswapenen noch straffen kende; in een eeuwigen vrede, waarin eer- noch hebzucht op het leed van den naaste peinsde en de koningen als wijze patriarchen slechts herders hunner volken waren. De Renaissance had deze voorstellingen aan de mythologie en de poëzie der Oudheid ontleend. Ook elders in Europa aanvaardde men ze als geboekstaafde geschiedenis: de verhalen der Heilige Schrift werkten tot hun aannemelijkheid mede. In Italië was het, dat deze phantasieën deel gingen uitmaken van het innerlijk leven; poëtische gemoederen, die de werkelijkheid afstootte, spraken er van als van een Verloren Paradijs, waartoe men terug moest.
Zoo ook de dichter van Granida. Hij schept nieuwe menschen. In overeenstemming met zijn tijd, is hem de herder en de herdersstand de vertegenwoordiger van den oorspronkelijken "staat der Rechtheid". Die oude volken waren herdersvolken geweest: het land, niet de woelige steden, het tooneel huns levens. Blijde leefden zij als aan den boezem der groote, onveranderlijke Moeder Natuur, die steeds is die zij is en in schoonheid en onuitputtelijke goedheid zich openbaart. Maar de enkele persoon van Daifilo stelt des dichters Moraal nog niet voldoende in 't licht. Ook Granida is een belichaming van zijn Ideaal. Ook de Koning en Tisiphernes. Hij wil zijn tijdgenooten een spiegel voorhouden: zijn drama is half ontboezeming, half tendensstuk. Hij heeft een gewichtige waarheid, méér dan eene, te prediken. Doch hij spreekt tot dikke ooren en verharde harten. Hij roept de kunst te hulpe en plaatst de onbekeerlijken voor het levende toonbeeld. Hij overdrijft zelfs en vervalt tot de caricatuur, gelijk dit zoo dikwijls gebeurt met hem die de kunst in dienst der leering stelt. Typen te schilderen is zijn doel en dit is hem al te goed gelukt. Typen waarvan? Van oprechte vriendschap en Godsvrucht, van onbevlekte trouw en oprechtheid, van veilige onnoozelheid, van koninklijke zachtmoedigheid [30]: van die deugden, welke de voorwaarden van een aangenaam menschelijk samenleven zijn en door de toongevende hoogere menschheid als uitingen van bekrompen kleinzieligheid worden veracht. Tegenover het Hof staat Tisiphernes, staat de Koning-zelve, staat naast Daifilo Granida-zelve. Niet met den Herder kon de Hoveling zich meten, alleen met zijn gelijke Tisiphernes; de vorst en de prinses der werkelijkheid alleen met den Koning en zijn dochter.
Als de Renaissanceletteren in 't algemeen, als de Pastorale in 't bijzonder, is Granida door en door Hoflitteratuur. Men bemerkt niet, dat er buiten het Hof en de verdichte herders nog een volk is. Dit is door de herders vervangen: doch toonbaar gemaakt, geschikt om op de hoftheaters te figureeren; of, het wordt slechts nominaal, zonder nadere aanduiding vermeld. En evenwel is dit herdersspel een vorstenspiegel. Nooit is in Europa de vrijheid en het recht van den onderdaan zoo menschonteerend met voeten getreden als toenmaals in de Italiaansche staten. De schandelijkste tyrannie gaf het land aan de meest gewetenlooze politiek prijs. Italië was een chaos, ééne zee van onbeschrijflijke verwarring: het was de schuld van haar vorsten. Alles scheen overgeleverd aan een booze macht, aan de woeste Fortuin als aan den Tyran der Tyrannen. Die Fortuin heet de dichter: Geluk! het speelzieke, het redelooze en blinde, het dolle, bulderende Geluk! De vorsten zijn haar speelballen en zij vervolgt zelfs den geringe. Wel krijgt men in Granida, evenals bij de Ouden, nù den indruk dat de Goden en het Geluk samen regeeren, dan weer dat zij afhankelijk zijn, óf het Geluk van de Goden, óf de Goden van het Geluk, maar het is toch wel zeker dat de maker meer de Bulderende gevreesd dan op de Onsterfelijken vertrouwd heeft. Ostrobas is de Tyran: de Coningh is de monarch van echt koninklijke roeping, dien de dichter tegenover hem stelt, de dienaar van zijn volk. [31] De overdrijving in de karakteristiek des eenen is de satire, de onwaarheid in die des anderen is de tendens. De zachtmoedigheid, het geheele stuk door als vorstelijke eigenschap bij uitnemendheid geprezen, moet in den koning het toppunt bereiken: wreedheid kenmerkte de Italiaansche grooten. Ook is hij het type van vroomheid; met het gebed en den deemoed van een Christelijken Job, draagt hij zijn lot, als de troost van zijn ouderdom hem ontnomen is, en blijmoedig ontvangt hij den schoonzoon, die de wil der Goden hem toezendt [32]. Zeg niet, dat hij een idioot is: hij is de goedheid-zelve. In Daifilo heeft hij den natuurmensch zonder ondeugd ontdekt, dien hij-zelf ook voorstelt. Hij is het eens met de Voedster, dat een edel hart alle andere edele harten beminnen moet [33]; hij vraagt wat de mensch is, niet naar zijn afkomst en zijn bezittingen:
Dàts Prinslijck, Daifilo, geen prinslijckheyt begeeren. [34]
Geheel anders dan de Koning, braveert en tergt Ostrobas, de goddelooze geweldenaar, den nijd der Fortuin. [35] Hij is een verachter der Godheid. In zijn verwaten snorken (de geïdealiseerde Pyrgopolinices uit het blijspel van PLAUTUS) [36] verraadt zich de grenzenlooze ijdelheid van de menschen der Renaissance. Daifilo (die als een edel ridder de Goden vóór den strijd aanroept, wien zijn ideale liefde krachten verleent), is in zijn rustigen moed de aangewezen man om hem te vernederen: David en Goliath. [37]
Tegenstelling van den Parth is ook Tisiphernes. Hij is de Coningh dertig jaar jonger. Al de deugden die onze auteur tevergeefs in zijn tijd zoekt, heeft hij in hem willen doen schitteren. Tisiphernes is de menseh, in wien geen bedrog gevonden wordt. Ridderlijke en menschelijke volkomenheid hebben elkander in hem ontmoet en de bescheidenheid is toegetreden. Ondanks zijn heldendaden is hij de zachtzinnigste aller stervelingen. Zijn vijanden vergeeft hij. [38] De Renaissance leed aan manlijke ondeugden. De reactie vertoont zich in Tisiphernes' vrouwenaard. De diepe smart waarin zijn verloren liefde hem dompelt, de melancholie van zijn "peinsachtig gemoed" misstaan hem niet. Als de toedracht van het verdwijnen der bruid bekend wordt, onderwerpt hij zich met gelijke Christelijke gevoelens als de Koning [39], en doorstaat koninklijk mild de proef van het Noblesse oblige: hij zal niet scheiden het echtste paar. Zijn droefheid duurt voort, maar hij zal het gewis ondervinden:
Wie sal u deese deucht loonen, als uw ghemoedt? Dat sal u lof en loon nae deuchts waardije geven. [40]
"Recht Prinselijk, edel bloed!" roept Granida en daarmede spreekt zij de meening des dichters uit.
Granida en Daifilo! Met de beschaafde vrouwen van het tijdvak dat het herdersspel zag geboren worden, behoort de Princes tot de sekte der geëmancipeerden. Zij doet haar zin en bekommert zich niet om het oordeel der wereld. Zij is het kind eener eeuw, die met de overlevering heeft gebroken en ieder het recht geeft, op eigen hand naar het nieuwe te zoeken. Granida weet, wat vooroordeelen zijn, hun aard en oorsprong:
Dat inghesoghen waen, die 't merch en 't hart soo naer leyt, Door dien van kintsheyt af zy ons wort ingheplant, Niet met haer nevel deck de klaere naeckte waerheyt, Die de natuyre prent in 't redelijck verstandt. [41]
Zij beroept zich op de natuur. Hare natuur echter eischt geen afschaffing van den ernst des levens, zij ziet een lager en een hooger leven en kiest het hoogere. Zij is, idealistisch, de wijsgeerige overtuigingen van haar vader, van Tisiphernes,--van den schrijver toegedaan. In den oorspronkelijken aanleg des menschen erkent zij een onbedriegelijk onderscheidingsvermogen voor waar en onwaar, goed en slecht. Klare, naakte waarheid is het, dat het geluk niet in de hoogte gezocht moet worden. O, schijn in goud en zijde gehuld! Slavernij die heerschappij en heerlijkheid heet! [42] Ontbering is overvloed, van 't alleronontbeerlijkste! [43] Wat weet de Herder van "'t gezwind ramps overrompelen", van het speelzieke Geluk, dat met vorstengrootheid lacht? [44] Granida's scherp oordeel hangt een welsprekend tafereel van het hofleven op. Met de aangenaamste kleuren maalt haar gevoelig hart de zaligheid van het herdersbestaan [45]. Reeds lang heeft de lezer opgemerkt, welk een overeenkomst er is tusschen de ideeën die het thema van Hooft's Pastorale blijken en de denkbeelden die zich in de achttiende eeuw in Rousseau concentreerden. Gij verwondert u niet meer de stelling te vernemen:
'K en acht geen beuseling van onderscheyd der stammen, [46] De deucht maeckt eedel. [47]
Gij hoort haar uit den mond van 's Konings dochter. De Princessen van vleesch en bloed hebben zoo niet gedacht. De dichter schept ze als een hoogere werkelijkheid: vermaning en voorbeeld! Hier staan wij nu midden in de nieuwe, ideale wereld. Leg haar niet aan, den maatstaf van mogelijkheid waarmee wij gewoon zijn te meten. Hier is het natuurlijk, dat een "groote Coninginne", aan de inspraak des harten gehoor gevend, als de stem van een zèkere leidsvrouw, haar staat verwisselt en Harderinne wordt. Het is hier niet ongerijmd, dat de koning den herder, die om harentwille den prinselijken staat dien men hem aanbiedt, weigert, aanneemt als pair. Tisiphernes, die hem zijn landen òverlaat, behoort inderdaad tot deze wereld.
Die beweert, dat Granida zich in haar keus bedriegen zal, vergist zich. Daifilo zal een voortreffelijk vorst zijn en als echtgenoot de hooggestemde verwachtingen der gade niet teleurstellen. Zij zijn waarlijk de schoonste tempels die de Liefde zich verkiezen kon, om zijn heerlijkheid te ontvouwen. [48] Wederom heeft de dichter zijne opvatting der betrekking van man en vrouw in de Pastorale veraanschouwelijkt. Die opvatting maakt niet slechts deel uit van het stelsel zijner gedachten--zij kroont het; zonder haar is het meer dan onvolledig,--het is onvoltooid. Goed komt de mensch uit de hand des Scheppers, doch hij is nog niet wat hij worden zal. Hij is het in beginsel, maar hij moet worden òpgevoed, gròòt gebracht. Zoo hij gelukkig kan zijn in de betamelijke voldoening zijner begeerten,--er is zaligheid voor hem weggelegd in de kennis en het genot der Goddelijke Schoonheid. De Liefde nu is in ons drama de paedagogische kracht, die opleidt tot het Hoogste. Zij is er niet vleeschelijke begeerlijkheid, maar de onzelfzuchtige drang, met het Schoone en Goddelijke zich te vereenigen en één te zijn. Het is er mede als in den Godsdienst met de Liefde tot God. Als Daifilo door de stralen der Goedheid en der Schoonheid is getroffen, dan heeft er een plotselinge ommekeer plaats: hij ontdekt zich-zelven, de herderlijke deugden verdwijnen niet, maar met hen ontwikkelt zich de geheele rijkdom van zijn aanleg; dan openbaart het zich, dat hij Koning geboren is. Over geheel zijn zieleleven heerscht Granida. Voortaan wijdt hij zich aan den dienst van het Ideaal. In mystieke Platonische termen wordt deze verandering, het nieuwe leven en die eenheid uitgedrukt. [49] Het is een overgang van duisternis tot het licht, van droombeeld en afschaduwing tot aanschouwen. Het is een opgeven van zich-zelven, een versmelten, een opgaan van den een in den ander, mogelijk door de verwantschap der zielen: verwantschap die werkt in den geheimzinnigen trek die hen tezamenvoegt, in het zekere vinden, het snelle kennen: zeker en snel als een herkenning: