Part 12
Sachten, 1395. sadt, 1811. saken, 1757. salich-makend, 1176. salighen, 795, 1798. saluw, taankleurig, leelijk, 182. samenghegroeyt, 641, 1553. concretus. samenspannen (sich-), vereenigen, 154. schael (in juste-). 1184. schade, jammer, 7. schaduw-mildt, 1589. schaduthroon, 384: zie Aant. schalck, 386. scharp, 1235. scheyden, 1660. schennen, bederven, 296. scheuren, 656. schichtich, overhaast, 1284. schielijck, op eens, 1315; plotseling, 1523. schim, schaduw, 818. schoon, al, ook, 244. schoonpratich, 1450. schoveling, verschoveling, 488. A. schulp, 368. schutten, tegenhouden, 1814. schuwen, 1191. zede, 426. seechbaer, de overwinning verleenend, 1424. nikephoros. zeên, de wijze van spreken en handelen, manier v. zijn, gezindheid, karakter, 676, 1341. mores. segghen (te-) hebben in, 884. selfs, zelf, 1518: passim. selsaem, 84, I. 1130. selschap, 1512. senden (ter hellen-), 914. seynden aen, 21. I. setten (het ooghe-) op, 1435. -sieck, 1530. siel, 913. sien (van binnen-), 22. sin, plur., verstand. 1277; neiging, 1289: zintuigen, 1310. 1026, 1139, 955. sin (uyt den) stellen, 833;--(in den-) ligghen, 723. sint, 935. slachten, 268. slaen, vechten, 698, 942; treffen, 1315. slaepen (v.d. maan), 1065. slaven, slaaf zijn, 1576;--aen: dienen, 1602, A. slecht, gering, 1522, 1546; eenvoudig, 281; onnoozel, 254. slechten, verijdelen, 1482. slechtheyt, ordinairheid, 452. sleep, gevolg, 2. I. slippen, 581, 653. slissen, 1004. slooven om, 312. smaecken, ondervinden, 227. 1849. smalen, 1403. smijten, 1491. sneuvel, ongeluk, 434. soen, 86. soet, lief, 435; aangenaam, 426; 1338, 1584 etc. sonderlingh, bijzonder, 1840. soo, als--dan, 389-393, A.; toen, 1696: conj. temp.; zoodanig, 291, daar, 1565. sorgh draghen, 873. sorghvaerdich, 854. sorgvuldich, 580. spaeren, 1392. speelsieck, 1530. spijsen, 1572. spijt, verdriet, 55. spoeyen (sich-), 925, 1241. spook, collect., 55, I.: geheimzinnige, buitengewone vertooningen. spraeck (sonder-), 927. spreecken, c. acc., 551. spreken met, 72, I. staedich, 466. staegh, 533. 540, 1852. staek, grenspaal, 996. staeken, een eind maken aan, 1815, 1827. staen (lustich-), 141. staen aen, 549. staessy, feestpraal, 1258. staet, toestand, 1626; maatschappelijke stand, 36, I. 1802; waardigheid, rang, stand, 1725, 1861; ambt, post, 1507, 1714 331, 344. staetdochters, 321. stam, afkomst, 1156. stee (blijvend-), 1510. steecken (de trompette-), 937. stellen (in rust-), 1538; (in vrede-), 1838; (ten toon-), 1130, 1832. steuren, dwarsboomen, 1477. 1001. steuren (hem), 1404; ontevreden morren. stieren, 582, 1126. stijf, 703. stick, stuk, ontwerp, plan, 1227. stil, 139. stof, 1530. stom, 1065. stonden (van-) aen, 1255. straet, weg, 411. stram, 231. strang, hard, drukkend, 665 strecken, zich uitstrekken (naar), 555, 1026. tendere. strengh, strak, 1580; onwrikbaar, 619: hartstochtelijk, 963. strenghelijck, met geweld: regelrecht, 1494. strengher, strengelaar, 1797. strijdt (den-) alleen hebben, 1664:--maecken, 1642. strijcken, weggaan, wegtrekken, 1376. strick, 1579, 1580. stroocken, 113. stucken zijn, 1654. suf, 131. sulck, 639, 632. sulcx, 364. sus, sus, 81. suur, 257. swack, sterk aangedaan. 963. swaer, 559, 802, 811. swaerheydt, kommer, 189. swaeger, schoonzoon, 1746. swichten, 607. swijghen, 1616.
Talen, trachten, 517. tapissery, behangsel, 1324. Vgl. Palamedes, III, Rei, 81-83. te pas (wel-), adj. 1121. teder, verwijfd, 623; niet fleurig, 183; gevoelig, 754, A. 1588. teerbeweecht, lichtbewogen, 719. teghendeel (in-) van, 1846. teghen-reên, 1223: -sen, 1069; -teecken, 1339; -vryer, 25 I.; -wicht, 1186. tegenheyt, tegenzin, 1526. 350. teghenstaen, 697, A. telgh, 43. telle, telganger, 322. tempel, 1831. terghen, met geen rust laten, 1063. t'hans, zoodra als, 1783; terstond, dadelijk, 17. ty-gheset, 378: Zie de Aant. tijdt ('t is hoogh), 925;--, gelegenheid (tempus), 1103. tijdt (noch ter-), 1421. tijen, plur. = getijde, 205. tijts-ghelijcke, gelijke in leeftijd, "evenouder", 1781. tijtverlies, 1247. tyen, 1534. tyrannije, plur., 1037. toe (hoe nu-), wat nu? hoe nu? 1471 A., 1633. toe (nu-), 1628. A. toedenken, 1774. toeëyghenen, 1619. toeghesloten (v.d. zinnen), 1310. toekomen, 1689. toelegh, collect.: voornemens, 1482; toelegghen, 883. toghen, toonen, 1071. treden, (m. voeten-), 674. treffend, 1454 A. trecken uyt, 794;--(voetsel), 556. treken, plur., 714. troetel-kunste, 627. trony, 1330, 1554. throon des hemels, 1348, 1438. troonen, 257. troost, 1737, 1842. trouwe, echt, 1769. trouwen, 583. trouwen, waarlijk, zeker, 1870. tsamen, 641. tsidderen, 1319. t'sint, 1615.
vond, middel 245. voochdy, macht, 603. voocht, meester, heer, 1139. voor, 1509. A. voorganghen, voorafgegaan, 1092. voor heen, vooruit, 1595; vooruitgaande, 1747. voorhouden, 1706. voorjaghen, wegjagen, 311. voorsicht, wijsheid, 1212. voorsichtich, wijs, 579; met wijsh. vooruitziende, 1335, A. voorstaen, c. dat. pers., toelijken, 1768. vgl. 418. voorstandt, verdediging, handhaving, 641. voort, voorts, verder, 1482; aanstonds, 96, 1256. vorder, verder: 744: "die verder gaan", vgl. 873. vouw (sonder-), 449. vrede, genade, 1745. vreden (te-), met vree, 99. vreemdelingh, 295. vrees ('s werelts-), 606. vry, wel. versterk. partikel. vryage, 28, A. vrybuyten, 158. vryer, 1353. vroemoeder, vroedvrouw, 1244. vrolijck, 148, 150, 286, 339, 459. vrolijckheyt, plur., 359. vroom, rechtschapen, 1290; standvastig, 1458. vroomheyt, dapperheid, 645, 646. vrouw, gebiedster. 1256, 1299, 1600; mijn--, 415. vrundt, 104.
Waerd, kostbaar, 1515. 1143, 1194, 1729. waerden (hooch van-), onwaardeerbaar, 1398, 1736. waerdy, 643. waerheydt (buyten-), 190. waerheydt van woorden, 450 waernemen, belagen, 52; gebruiken, 1209. wachten, 631. wacker, 123. walghen van, 1497. walscher, buitenlander, 922. wanckelbaer, 1487. wanderen, reizen, trekken, 1512. wapen, interject.: wee! 1549. wapenen, harnas, "arma", 40, I. 923; collect., 1546. warrich, verdeeld, oneenig, 1579. wederpaer, gelijke. 1294. Kil. compar, consors. weeck, plur., 713. weeck, 624. weelde, genot, 427. weer, tegenstand, 1454: A. weere (te-) raken, 76, I. weg (zijn-) volghen, 78. weerlichten, schitteren, 1591. weerliefde, 514, 1351, A. wechdraghen, wegvoeren, 1647. weyden, 305 wel ongetwijfeld, 319, 376, 472, 474. wel, 1392, A, welfsel, 1324. weligh, 118. welcoom, 1583; wellekom, 144; wellekoom, 86, I. wellust, genoegen, genot, 107, 204, 408. Vgl. 376. wel lusten, 376. wellustich, heerlijk, 147; verrukkelijk, 1357. welvaert: ruimer dan nu, 1109: vgl. qualijckvaert. wel zijn, 473, 474. wenden (hem) om, 1230; -tot, 1341. wenschen (goe morgen-), 144. wenschen om, 38. wentelen (hem) in, 567. werelt, 151, 206.--werlt, 1497. werck maeken van, ophef maken van, 1676. A. Kil. magnifacere, magnipendere rem aliquam; Gheen werck maecken van parvifacere, parvipendere, nihilpendere, floccipendere, negligere rem aliquam. weten, wijsheid, 861, 1497. weten (ondanck-), 662. wetenschap, wijsheid, 1403. wijs worden, c. obj., 485. wijslijck, met wijsheid, 904, 1337. wil (om dies-), daarom, 161, 169. willen, 331, 924: conjunctief. willich, 1506, 1647. winnen, 53. I., 1144, 1216. wins, 584. winste, aandeel, 865. winter (de wreede-), 161. wispeltuyricheyt, 256. woeden op, 1648. woedich, 686, 439, 1656. woelend, 1307. wol, 1783. woon (metter-), 1206. worden: hij wordt 530, 1094, 1515, 1633, 1723, 1766 = hij wert 701, 844 (rijm), 1137 (rijm), 1718 = hij wart (: hart), 1618. worden (om rasende te-) zijn, 57. I. woudt ('t groene-), 141. wraeckrasende dorst, 1548. wrang, 664. wreedt, 161, 664. wrochten, 367. wuft, bewegelijk, 214. wullepsch, dartel, 9.
AANTEEKENINGEN
[1] Geschreven 1890.--Opmerking: Waar in het volgende de uitgaaf van Hooft's Gedichten door Leendertz wordt aangehaald, is de oorspronkelijke, niet de tweede, door Dr. F.A. Stoett herziene, druk bedoeld.
[2] Enkele namen althans mogen wij den lezer niet onthouden. Uit de XVe eeuw kennen wij enkel nog CORREGGIO'S Cefalo. In 1545 voerde CINTHIO, de schrijver van het beroemde novellenboek Hecatommithi zijn satyrdrama Egle op, dat niet ten onrechte èn als Land-, èn als Satyrspel tot de soort gerekend wordt. Tien jaar later volgde BECCARI'S Il Sagrifizio. Wederom na tien jaar verscheen LOLLIO'S L'Aretusa, daarop Lo Sfortunato van ARGENTI. ONGARO vormde Aminta tot een Visschersdrama: Alceo om. Tusschen Aminta en den Pastor fido liggen o.a. Il Pentimento amoroso van LUIGI GROTO en INGEGNERI'S La Danza di Venere. De XVIIe eeuw laten wij hier onaangeroerd. Alleen dit nog: in 1615 waren er al een 80 en voor het jaar 1700 al meer dan 200 herdersspelen ("aussi absurdes pour la plupart qu' insipides". Meegedeeld door Vict. Cherbuliez in zijn artikel Le Tasse, son centenaire et sa légende, [Revue des deux Mondes, 15 Mei 1895], uit Carducci, Teatro di Torgu. Tasso, edizione critica, 1895).
[3] Maar zie Cherbuliez in zijn aangehaald artikel (naar aanleiding van de (toen) nieuwste onderzoekingen omtrent Tasso): Aucun poète n'a mieux chanté l'amour idéal, tragique et souverain--; mais ce dévot n'était pas pratiquant. Les poètes de sa sorte sont ainsi faits que les passions qu'ils peignent le mieux, sont celles qu'ils ressentent le moins, et qu'ils voudraient pouvoir ressentir. Ce rêve les tourmente; ils s'en delivrent en le mettant en vers.--Le Tasse est convenu lui-même que sa jeunesse se passa tout entière dans les servitudes amoureuses; mais il a dit aussi que, "prompt à s'enflammer, excessif dans ses désirs, il était le plus changeant, le plus divers, le plus versatile des hommes". En zoo voorts. "Ce poète idéaliste n'a connu en réalité d'autre amour que celui qui est l'étoffe de la nature, brodée par l'imagination."
[4] Een eigenaardig verschijnsel in de Literatuurbeschouwing der XIXde eeuw is het onvermogen om Cats te begrijpen, te zien, te waardeeren. Hoe moeten wij dit beoordeelen bij Potgieter? Anders was het bij een man en letterkenner als wijlen J.A.F.L. Baron van Heeckeren, die 20 jaar geleden Cats zag en beoordeelde als men zien kan in zijn opstel Vader Cats, meegedeeld in Taal en Letteren V, 73-106. Een eigen oordeel, tègen Potgieter en Jonckbloet, handhaafde ook een ander man die meetelt: J.T. Oosterman in zijn Lezing Jacob Cats als Volksdichter verdedigd, 1877. En Halbertsma! Zie ook Dr. A. Kuyper, Het Calvinisme en de Kunst 31-39, 83-87. Duidelijk merkbaar is het, dat de opinie omtrent Cats verandert.--1890.--1906: Zie nu de opstellen over Cats van Koopmans, Kalff en Buitenrust Hettema.
[5] Jonckbl.
[6] Zie onze Bijlage.
[7] Maar vgl. Dr. Worp, Een onbekend Lofdichtje van Bredero in 't Leidsche Tijdschr. IX: uit C. Kina's opdracht van Heliodorus' Moorenlandsche Geschiedenissen aan Rodenburg, gedat. 22 Dec. 1609, blijkt, dat de Trouwe Batavier toen "onlangs", dus zeker nog in 1609 ten tooneele geweest is. Naar Kina's oordeel is er niemand geweest, "of hy en heeft de gedachtenis van dien met groote vernoegingh int binnenste van zijn herte behouden" etc.
[8] Men mag aannemen dat BREDERO'S vierde liefde, waartoe de Angeniet in betrekking staat, in 1616 en 1617 valt. In den winter van 1617 zette hij zijn hart op Madalena Stockmans, zijn vijfde. Dat de Angeniet een groot aantal plaatsen herhaalt uit de Lof vande Ryckdom (1613, 26 October) en de Lof vande Armoede (1614, 4 Januari), voorkomende in de Nederduytsche Rijmen, (door Dr. J. te Winkel aangewezen), kan wel geen reden zijn om het hekeldrama vroeger te stellen.
[9] Veel in het eerste bedrijf van Granida is ontleend aan den Pastor Fido,--een en ander aangewezen bij Leendertz.
[10] Huygens vertaalde 1623 een groot gedeelte van 't eerste Bedrijf. Dit was zijn bijdrage tot de komplete vertaling, die hij, met behulp van eenige "van onse kloeckste Jonge letterluyden", van plan was tot stand te brengen: zie bij Worp de oorspronkelijke en de latere "Voormaning" tot het fragment, I, 284-285. Vgl. Jorissen, Huygens, 153-156.
[11] Bredero's ingenomenheid met Granida bewijzen anders niet slechts zijn liederen op de wijze van "Windeken daer het Bosch af drilt" en "Ghy lodderlijcke Nymphen soet", maar ook een lied in De Groote Bron der Minnen, waar hij zijn beminde als Granida aanspreekt en zich-zelf als "slaaf en pagie" stelt. De inhoud en de toon van dit Amoreus Liedeken herinneren aan Hooft's spel. Zeker staat het in verband met zijn liefde voor Madalena Stockmans (1617 en 1618).
[12] Evenwel, Hooft is niet zoo'n uit den hemel gevallen wonder, als hij, bij onze gebrekkige historiekennis vroeger scheen. Verwey bracht (1895) Jonker Jan van der Noot aan 't licht en--"zonder hèm was er geen Hooft geweest": "Gedichten van Jonker Jan van der Noot, met Inleiding en Aanteekeningen. Vgl. Kalff in Gesch. v. d. Nederl. Letteren in de XVIe eeuw, II.--1906: Vermeylen, Leven en Werken van Jonker Jan van der Noot, 1899. Over den Nederduytschen Heticon van 1610: het voorloopige bij Kalff, XVIe Eeuw, II, en te Winkel's opstel in het Leidsche Tijdschrift, XVIII (1899).
[13] Het beste over Hooft als vertegenwoordiger der Renaissance, en over het karakter der Renaissanceletteren is Huet's Hooft's Poëzie (Litt. Fantasiën en Kritieken XVIII); Land van Rembrand II, 2; 3, XXX-XXXV; H.C. Poot (Litt. F. en Kr. I). Verder, Kalff, Gesch. v.d. Nederl. Letteren in de XVIe eeuw; J. te Winkel's Bladzijden; A.S. Kok, P.C. Hooft in Venetië en Florence; Verwey in de drie boekjes Hooft, Bredero, R. Visscher-Feitama en in zijn Inleiding tot Vondel en Gedichten van J. van der Noot; goede opmerkingen in Moltzer's opstel in Studiën en Schetsen.--1906: Kalff's Studiën over Nederlandsche dichters der 17e eeuw, Koopman's opstellen over Hooft, Vondel e.a. in Taal en Letteren, ten deele verzameld in zijn Letterkundige Studiën (Hooft als Allegorist; Vondel als Christen-synbolist), 1906; Vermeylen's Jan van der Noot; Kalff's opstellen over Vondel in het Leidsche Tijdschrift, en zijn Literatuur en Tooneel te Amsterdam in de XVIIe eeuw.
[14] Over den invloed van Italië op Hooft zie A. S. Kok, P.C. Hooft in Venetië en Florence, in Elsevier's Maandschr. 1893.
[15] Uit: Toeëigening aan mijn Vrouw. 1605. Leendertz, I 54.
[16] 1603.
[17] Leendertz I, 30: aan W. B. 1602 of 1603.
[18] Leendertz I, 21: aan C. B. 1602?
[19] Leendertz I, 37: 1603 of 1604.
[20] Leendertz I, 35: Weet yemant beter saus als honger tot de spijsen. Voor Ida Quekel 23 Nov. 1603. Vgl. Leendertz, I, 34: Voor Ida Quekel, strophe I, II. Vgl. met Granida 298-299, str. X van liet Lied op den Rijkdom.
[21] Vgl. vooral Granida's zang in bedrijf V.
[22] Vgl. Granida 363-368 met str. IX in het Lied op den Rijkdom, LEENDERTZ I, 36.
[23] Rey van Iofferen, bedrijf III; vers 279-300; etc.
[24] Zie Velsen en Baeto passim, met name den Rey van Iofferen in het IVe bedrijf van het eerste, en dien in het tweede bedrijf van het andere.
[25] Leendertz I, 53: aan A. S. 1605; Baeto, Rey van Nonnen, IIe bedrijf.
[26] Leendertz I, 54: Sang, aan A. J. S 1605; 58: Sang, aan A. J. S. 1606; 46-48: Op Brechje vande Spiegels graf, 1605. Vgl. ook de Liederen voor Ida Quekel, Leendertz, 34, 35: 1603.
[27] Huet.
[28] Vers 861-876, te vergelijken met den Rey van Iofferen, bedrijf III.
[29] Vs. 872.
[30] Vers 448-453, e.e.
[31] Zie de beschrijving van de taak des vorsten: vers 284-300; Reizang van de Gouden Eeuw, Bedrijf III.
[32] Vers 1392-1407; 1829.
[33] Vers 1289-1290.
[34] Vers 1531.
[35] Vers 618-622; 932-933.
[36] Miles gloriosus. Maar vlg. Graf, Der Miles gloriosus im Englischen Drama bis zur Zeit des Bürgerkrieges, 1892.
[37] I Samuel XVII. Vgl. ook aldaar 34-38 met Granida 938-940.
[38] Slot van het laatste tooneel.
[39] Vers 1730; 1834.
[40] Vers 1738-1739: Grandia.
[41] Vers 1088-1091.
[42] Vers 734-736.
[43] Vers 877-880; 802-824.
[44] 1187-1188; 1528-1530.
[45] 301-313; 339-372.
[46] = afkomst.
[47] Vers 1156-1157.
[48] Vers 1830-1833.
[49] Vers 489-515; 717-726; 1141-1142; 1205-1208; 1289-1298.
[50] lichaam.
[51] 1294-1298.
[52] 1600-1605.
[53] Herderskoor van de Gouden Eeuw, bedrijf 1 van Tasso's Aminta.
[54] Vers 377.
[55] Vers 1085-1087. Reden = de Rede.
[56] geheim voorbehoud.
[57] Vgl. vers 1718 met 1683-1687.
[58] beproefd, ervaren.
[59] Geniet het oogenblik.
[60] Zie hierna XLI-XLIII.
[61] Vgl. Kollewijn's Hooft en de meisjes Spiegel in Taal en Letteren, XIII (1903).
[62] Leendertz I, 16.--13-14.
[63] C.B.--M.V.S.--L.W.
[64] C.B.--M.V.S.--L.W.
[65] Wij lazen het boek-zelve niet, maar kennen het o.a. uit de dissertatie van SCHÖNHEER, Jorge de Montemayor und sein Schäferroman Die "Siete Libros de la Diana", 1886.
[66] Steunt hierop Leendertz vermoeden Dia = Chr. v. Erp? Vgl. Jonckbl. III, 348 noot--350.
In later tijd liet Hooft zich soms nog met het genre in. Zie Leendertz, Inleid. XXI. In 1625 de Harderskout van Bosman (Hooft) en Haeghenaer (Huygens) over Gloorroos (Suzanna v. Baerle). Het fragment uit den Pastor fido van Huygens (zie hiervoor XVI, noot) wordt door Jorissen (153-154) in verband gebracht met Machteld van Campen.
[67] De eerste druk van dezen Zwolschen Herdruk is van 1890.
[68] Mucedorus, ein englisches Drama aus Shaksperes Zeit, übersetzt von Ludwig Tieck, herausgeg. von Johannes Bolte, Berlin, 1893. In zijn oudsten vorm is het nog niet bekend. Er zijn 16 uitgaven, maar de oudste daarvan, van 1598, is niet de eerste.
[69] Zie Bolte, Inleiding V, X, XI.
[70] En in het uitgaafje van de Mucedorus-vertaling, èn in het Leidsche Tijdschrift X, 286 noemt Dr. Joh. Bolte de Spaansche Celestina (met den Pastor fido) als voorbeeld, wat den stijl betreft, van Granida. Dr. G. Kalff heeft Gesch. v. d. Nederl. Letteren in de XVIe eeuw, I doen opmerken, dat het lied van Granida in 't begin van 't Vijfde Bedrijf door stemming en schildering nauw annex is met het lied in een van de laatste boeken van de Celestina. Nog kan men Granida 825 en vervolgens aan den mooien maneschijn in Celestina en door Granida's onderworpenheid (1601-1605) aan Mellibea, de heldin in de Celestina herinnerd worden. Maar met de bewering van Dr. Bolte kunnen wij 't volstrekt niet eens zijn. Wat Mucedorus aangaat, kan nog opgemerkt, dat men hier en daar eenigen "ànklang" met Granida zou kunnen vinden. Niet, waar van Fortuna wordt gesproken of in 't beschrijven van de Gouden Eeuw (bladz. 44), want 't eene als 't andere is in Renaissance-poëzie zeer algemeen. Maar op bladz. 32 de monoloog van Amadine, op bladz. 34 die van Mucedorus (vgl. Granida 1716-1717), ook in het laatste tooneel (Segasto's optreden) van 't Vierde Bedrijf.
[71] Door Dr. Joh. Bolte is in het Leidsche Tijdschrift X (1891), 286-289 gepubliceerd een Engelschen dialoog van een vijftigtal verzen, die gevonden wordt in het, meestal aan Robert Cox toegeschreven, tweede deel van de door Francis Kirkman in 1672 uitgegeven dramatische collectie The Wits, or Sport upon Sport: een dialoog tusschen Diphilo and Granida, die ook door de situatie annex is met het laatste gedeelte van 't Eerste Bedrijf van ons drama. Diphilo, de herder, heeft zijn herderin verlaten, om zich in de eenzaamheid over te geven aan zijn zwaar verdriet. De oorzaak van zijn melancholie, die hij pathetisch genoeg uitspreekt, vernemen wij niet, maar wel dat hij geen gewone herder is, maar van prinselijke afkomst,--wat aan Mucedorus en de Arcadia herinnert. Nu verschijnt de herderin Granida. Zij is verdwaald en versmacht van dorst. Diphilo, die dadelijk geheel overmeesterd is door haar buitengewone schoonheid, verschaft haar water en betuigt zijn overgegeven dienstwilligheid. Granida is eveneens al in liefde ontbrand; zij verklaart hem dit en geeft ook te kennen dat zij Prinses is. Als Diphilo te verstaan geeft, dat ook hij niet is die hij schijnt, dan zegt zij, dat zij hem wil toebehooren, wie hij ook zijn mag. Dan verloven ze zich en Diphilo schenkt haar een ring. Granida eindigt met: Then lead on forwards to my fathers court, We'l grace our nuptials with some princely sport. Dit documentje lijkt ons nog al merkwaardig. Is het aan Hooft's Granida ontleend, dan is het niet meer dan een bijdrage tot de geschiedenis van de litterarische relaties tusschen Engeland en Nederland. Maar is 't niet iets heel bijzonders (ten zij het toeval hier zijn rol speelt en die scène uit het Hollandsche drama, toen het herdertje spelen onder de Engelsche grootheid zoo mode was, eenvoudig voor een of andere vorstelijke bruiloft àldus bewerkt is), dat, terwijl de nàmen van 't stuk van Hòòft zijn, de herder net als in Mucedòrus een vermomde prins is? Nu is The wits, or Sport upon Sport, een "zweibändige Sammlung von kurzen Theaterstücken oder vielmehr Einzelscenen aus beliebten Dramen". Aan zulk een Einzelzcene of aan een soort excerpt doet ook deze dialoog denken door 't geheel ongemotiveerd vreemd doen van Diphilo. Ziehier hoe het spel begint: "I once a shepherd was upon the plains, Courting my shepherdess among the swains. But now that courtly life I bid adieu And here a melancholy life pursue. This shade's my Covering, this bank my bed, These flowers my pillow, where I lay my head, My food the fruit, which grows about the field, My drink those tears, my eyes with sorrows yield. Though I was once a shepherd princely born, Yet now I take this course, and life forlorn". Denkt men hier niet onwillekeurig aan een fragment? aan een fragment van een stuk dat wel Granida is, maar niet Hòòfts Granida? En dan zou dit het stuk zijn, dat in staat tusschen den Mucedorus en Hooft.--Vgl.: Granida, uitgeg. door H. Beckering Vinckers (Nederl. Klass., Gulden-editie, Zaltbommel, Van de Garde en Co.), 1903, de Inleiding XII-XIII. 1906: Niets nieuws levert voor deze kwestie Josephine Laidler's A History of Pastoral Drama in England until 1700 in Englische Studien, 1905.
[72] Leendertz I, 37 en 39.
[73] Navorscher, 130-131.
[74] Leendertz, I, 22-27.--Leendertz merkt hier bij op, dat indien zijn betoog juist is, de chronologie van zijn editie onjuist is: want dan gaan de gedichten aan Diana vòòr die aan Chariclea.
[75] Vgl. hiervoor, Inleiding VIII, IX, XI, XIV, XXXVI tweede noot.
[76] Zie het soptasme 901-903;--dan 904-922.
[77] Hij heeft er het mes in gezet, dat het sap van alle zijden uit het roodgebraden rundvleesch stroomde; den malschen kalkoen heeft hij getroffen tusschen de vleugels en de borst; in breede strooken is onder zijne hand de schil gegleden der peer en der perzik; de droppelen van hun geurig nat hebben hem langs den baard gestroomd."
[78] Vgl. nog 1 Neophilologus 134, 135.
[79] Overtuigend toont de Schrijver aan, dat een voorstelling als deze in een drama van rondom 1600 "iets vreemds" genoemd moet worden.
[80] Een nieuw handschrift van eenige van Hooft's vroegste werken, daaronder van Granida, werd in Berlijn ontdekt. Zie hierover Dr. Kalff in het Leidsche Tijdschrift XI, 261. Iets nieuws levert dit voor Granida niet op, behalve dat het stuk daar onderteekend is met: Verandren Candt; maar deze spreuk gebruikt de dichter meermalen.--Zie over de beide H.S. in 't Leidsche Tijdschrift van 1917 Dr. F. Kossmann's verhandeling De varianten van Hoofts Granida.
[81] 16. A Tisaphernes. (alleen in den Inhoudt.)
[82] 30. A op avontuir of.
[83] 31-34. C verzachten moghte, ziende, zonder gezien te worden, door 't glas, ende hoorende hem verzuchten, neemt zy 't zelve op, voor.
[84] 72. C sprekende, van hem ende zyn volk, met haer gevangen wordt, om.
[85] 82. A den gentilen prince.
[86] 83-85. C. hen--hunne--haer--hun--hunne.
[87] 14. C dard'ik.
[88] 30. C Best dat ik my versteek in 't schemeren der blaeden,--En diepste van.
[89] 42. C haghe',
[90] 51. C Vreesje.
[91] 85. C zult ghy.
[92] 86. C Houdt, Daifilo, ghy zult het veel te.
[93] 87, 88, C Laet, Daifilo, my staen. Laet, Daifilo, my gaen.
[94] 99, 101. C te vrede.--bestede'?
[95] 114. C Van outheidt zullen eens verwelken, en.
[96] 115-120. C De diepe rimpel, met--Der tijdt, dit voorhoofdt net--En gladt heel zal ontslechten,--Deez' weelderighe vlechten,--Die met veel' strickjens nu zoo dartel zyn vertuyt,--Die zullen 't gulden kleedt allensjens trekken uit.
[97] 121. C hieldt, moghelijk, voor.