Granida

Part 11

Chapter 113,312 wordsPublic domain

1727. Bet--waerdich = waardiger: de zin is aan te vullen met "dan iemand": gij zijt waardiger dan iemand (dan ik zelf ook!) met elkander te bezitten, dat wat gij bereid zijt, òm elkander, te ontberen: 't is recht dat etc. Vgl. 1502.

1761. dit huwelijck maken: Inifinitief zonder "te". Vgl. 212, 411, 1125, 1325, 1595, 1759. 1694, 1841 kunnen ook anders opgevat worden.

1767. van gouwe. Vgl. Nieuwe verbeterde Lusthof 1607, pag. 20: Gheen croon soo schoon van Gouwe; ibid. 50: Met zijnen pijl van gouwe.

1770. "Waerdich" is dierbaar en hoort bij "roem"; de dierbare, waar uw hart op roemt. (1636 heeft: uw waerdigh'.) De staf van goud 1767 is de scepter. 1767-1770 slaat op 1765-1766. De Rey prijst hem gelukkig om zijn verheffing: doch niet daarom prijzen zij hem gelukkig, dat een koninklijke staat hem te beurt valt, zij weten te goed, dat ook Daifilo zelve niet daarin het hemelhoog verheven zoekt (1767-1768 voorkomt een tegenwerping: wij weten zeer goed dat gij u den scepter niet aangenamer dan etc.): maar dìt is het, dat gij in onverbrekelijke trouw één wordt met etc.

1772. Uitverkoren eigendom.

1804. Constr.: (Het) blijckt, de Goden te begeeren dat ghy twee vereenicht blijft = het blijkt, dat de G. begeeren, dat: accusatief cum infinitivo als subject.

1807. Reeds genoeg doorgestaan.

1814. De Ouden reeds kenden het rad als teeken van het wisselvallig, het omslaande geluk (zie voor plaatsen Dr. Montijn, Spreekw. en spreekw. uitdr. der Romeinen) en de middeleeuwen namen deze voorstelling over (zie voor de Litteratuur daarover 't Leidsche Tijdschrift XIV, 136), die juist door de plaats bij Hooft voldoende wordt toegelicht.

1846a. In teghendeel van dit: van zijn kant en in overeenstemming hier-mede: alles is nu ten goede beschikt, dat nu ook het geluk etc. Vgl. uit Cats: Daar staat de jongelingh en biet zijn rechterhant,--En krijght in tegendeel een gunstigh wederpant.

1861a. Soon v. Persen: Jacoba v. Beieren noemt zich, tijdens het leven van haar eersten man, Jan v. Touraine, den zoon van Karel VI, Koning v. Frankrijk: "Dochter van Vrancryck" (v. Mieris, Charterboek van H. en Z., IV, 394: charter v. 24 Dec. 1416). In een charter v. 13 Febr. 1418 heet Jan v. Beieren: Sone v. Henegouwe, v. Hollandt, ende v. Zeeland (v. Mieris, IV, 521; e.a.). "Sone" is Mnl. prins; vgl. Infante.

GLOSSARIUM.

A. verwijst naar de aantekeningen. I. = inhoudt.

Achtbaer, 592. aelwaricheyt, gemelijkheid, 128. aen, op, 1644.--nemen aen, 1250. aenbieden, 445. aendienen, 1380. aendoen, 107. aengaen, beginnen, 937, 943. aengheboren, 283. aenghesien, 355, A. aenhòren, 1287. aenhouden, 1423. aencleven, 1541. aenprijsen, 726. aenroepen, 1697. aenschijn, het geheele uiterlijke voorkomen, 349, 438, 1071. aensien voor, 19. aensien (ten--van). 676: ten opzichte van, vergeleken bij. aenslaen, bij de hand nemen, beginnen, 478. aenstaend, 161, 1301. aentasten, 696, 1202. aentrecken, aannemen, 1361. aerdigh, sierlijk, elegant, smaakvol, 367. aesemen, verlangen of streven, 783, A. aspiro, suspiro. 1584. afgheronnen, 1062: moegeloopen. afgunstich, vijandig, 105. afkeerich, 75, 89. afkomen, 1110. afpijnen (hem), zich afsloven, afzwoegen, 1584. afscheydt (zijn--) nemen, 337. ayme, 556, 843, 733, 1610, 1100, A.--ay my, 1076. ay spijt, 1545. al, geheel, 1432; wel, 1580. als; alsof 505, 672, 685, 1748; allegaer, 781, 694. allensjens, 1376. als, na comp. passim: 186 etc. als, alles, 1329. als die, 180. alwaerdigh, 329. ameloos, 1583. ander, 237: Vgl. Fr. vous autres. A. ander-ick, 1578. anders, althans, 267. angelhoeck, 443. arbeyden, zich inspannen, 1655. arbeydt, moeite, 560, 1453. A. armen (m. open-), 372. asch (in d'-) leggen, 1449. avondtspel, serenade, 394.

Banket, 147: maaltijd. beblaedt, 748. bedaeren, tot den vorigen staat, den normalen toestand terugkomen, 1375, 1524, 60. I. bedampt, bedwelmd, 629. bedaren, 1375, A. bedauwen, 326. begeeren, hebben, 1110. begeerte, 1749. beginsel, begin, 1242. begraesd, grazig, 145. beguychelen, bespotten, 453. behaecht = (mij) behaagd hebbend, 724. behaghen, 724, 816. behaghen (zijn-) doen, 1390. behoeden, c. gen.: verhoeden, 915. behoeven, 978. behouwen, 331, 1475. beydts (van-) 1272. bejaghen, 1098. bekennen, herkennen, 79. I beknellen, 53. bekomen, komen tot? 18. I. bekommert, steeds druk bezig, 307. 28. bekoren, 423. bekrijten, 106. beladen, 1650. beladen in, verlegen met, 29. beleefd, 301. A. beleydt, beschikking, 1508. 1690. A. beleydt 1508: partic. van "beleiden", besturen. belonken, verliefd v. ter zij aankijken, 175. beloop, 1698. beloven, verzekeren, I. 85. belul, verstand, oordeel, 679. A. beraeden, 1211. bereden, gereedmaken, 1259. bereyden (den wech-), 1730. bereyt tot, 1106. berijden, 820. beroer, 519. beroert: in oorspr. beteekenis: in beweging raken, 1624. berste (te-) vallen, 1496. besadighen, tot rust brengen, 1527. 67, I. 1338. besaedicht, kalm, rustig, 338. beschadighen, krenken, leed doen, 1528. beschaeuwen, 1784. bescheydelijck, verstandig, "wijs en goed", 291. bescheyden, duidelijk, 1411. A. bescheydenheyt, wijze goedheid, 671; tact, fijngevoeligheid, 1132. bescheyt, antwoord, 543. beschelden, beschuldigen, 191, 1683. beseten landen, 1499. A. besich zijn, 1840. besien, zien, waarnemen, 1377. besinnen, beminnen, 1409. beslommeren (sich-) om, 306. A. besloten zijn, 81, I. besloten helm, 900. besneden, 1330. besond, van de zon bestraald, 1439. bespeuren, 1703. bespooren, onderzoeken, 1382. best dat, 30. bestaen, beproeven, 1860. 1707, 1714. besteden, 101, 892. besteken, afgepaald 702. bestellen, gereed maken, in orde brengen, 701, 1217, 1232, 1258. bestorten, 1764. beswaer, 1101. beswaeren, 994, 1523. besweren met, door tooverkracht voorzien met, 932. bet, eer, beter, meer, 97, 935, 1213, 1708; veeleer, 1727. betaelen, 1159, 1847. bevest, vast, met muren en grachten, 1095. bevinden, 122. bevynen, nagaan, 135. A. beweghen, 1751. bewaeren, beschermen, 580. bewindt, besturing, 1840. bewust, bekend, 776. bidden, verzoeken, 277, 1029, 1513. bieden, 345, 370, 1031. biggelen, 1585. bijen (ruischende-), 147. bij zijn bedde, 1238. binden, 1834. bitter, 969. bitterheden, 1587. bygheleghen, 1007. bysonder, afzonderlijk, verschillend, 411, A. 685, 670. blaecken, 248, 1323, 1349. blasen, 358. bleeck, 183. bleeck-gheschonden, 1553. bleeckheyt, 1332, A. blickeren, 1334. blijcken, 599. blijcklijck, 1409. blijschap, concr., 1592. gaudium, deliciae. blijven, het leven laten, 915. Mnl. Wb. I, 1305-1306. bly, zalig, 546, A.--123, 750. blygeestich, 206. blindt, 1839. blondt, 145, A.--A. 1331b. boelage, minnespel, 28. A. boelen, minnen 1629. A. boeten, stillen, 771, 1243; lesschen, 1547. boôn, A. 569. bootseren, 366. bouwen, 815. bouwliên, landlieden, 154. boven (te-) gaan, 1277. braecken, 1324. braef, krachtig, 753, A.: vol groote gebeurtenissen, 1175; strijdbaar, 1539; voortreffelijk, 658, 1219. brageeren, pralen, 1249. brandt, 274, 243, 715. braveeren, zich verheffen op, 1076; snorken, trotsen 667. breydeloos, 260, 577. breyen, veroorzaken, berokkenen, 1573. A. bruycken, 1337, 1687. bruydegoom, 1798. bruyn, donker, zwartachtig, 30, 819, 1234, 30. A. buyrt, buurtschap, 435. buyten (van-) kennen, 237.

Dael, 540.

daer, waar, 320, 804; terwijl, 491, 858, 1020; wanneer? 810; = daarin 180. daet (opter-), dadelijk, terstond, 1705. dagh, plur. 1200. dan, maar 265, 369: passim. dapperlijcken, 1087: wèl goed. dat, zóó, dat, 219, 667, 1318; wanneer dat, 386. deel (een-), gedeeltelijk, 410. deelen, toedeelen, schenken, 1194. deftich, waardig, imponeerend door overtuiging, 1411. defticheyt, distinctie, 360. delven, 980. dencken, 57, 201, 1056. dencken op, 1629. dertel, 119. derven, durven, 1607; 697, 1128; darf. derf: praet., praes. deucht, alle voortreffelijke, met name manlijke eigenschappen, niet in uitsluitend moreelen zin, 591; weldadige kracht, 795; innerlijke waardij, gehalte, 1157; goede en schoone daden, 1738. deucht-vruchtbaer, 591. deurgaen met, 419. deurkruipen, 1451. dewijl, terwijl, 543. dieden, uitleggen, verklaren, 1286, 1477. dienen, 1568, 1810, 1869. dienen (sich-) van, 1104. dienst nemen van, 1695 dienst (gheboden--), 37. dienstboo, 1208. dienstigh, 285. dier, 1160, 1193. diets maecken, 249. dickheyt der ooghen, 502. A. dickwils, 58. dinghen, 1522. dobbel, 234, 791, 932. doe, doen, passim: 872-873, 875: 966, 971, 1120 etc. doen, maken, 788, 1149, 1613; 1520. A. dom, 21. dompen, 987. doogen, verdragen, 1195. -doom, 130. doorschynigh, 1354. doorwaden, doorstróómen, 748. Kil. waeden, vetus. Fland. fluere, effluere. draelen, 1160. draghen, toedragen, 1123, 1473; voortbrengen, 591, 294, 873, 959, 982, 1099, 1391, 1595, 1636. dracht, opbrengst van 't land, 297. drang, plur., 't gedrang v. 't handgemeen zijn; of drom? 1660. 619. dreyghement, 622. drijven, 391, 539, 571; willen en bewerken, 1806. drillen, trillen, 39. dromich, in droombeelden bestaande, 498. druck, verdriet, 1170. drucken in, 1344. druckich, droef, 1763. duyden, zie dieden. dul, zonder verstand, blind, 1457; dol, 635, A., 653. dun, 396. A. dwerrelen, 1560: spelen. dwingen, 604. dwingend, knellend, belemmerend, 1571.

Echt, 1732. echte-man, 532. echte-vrouw, 890. eedel, 1061. eedelhartig, 82. I. eelman, 342. eenemael (t'-), 207. eensaem, 1512. eerbieden, eer bewijzen, 300. eere biên, salueeren, 927. eere (hoog in-) houden, 672. eerst, 720. eerstmael, de eerste maal, 1120. eerwaerd (-ich), vereerenswaard, aanbiddelijk, 363, 747, 1600; edel, 1330, 1590. (vgl. eedel). eeuw, tijd, 1053. eeuwelijck, 1277, 1205. effen, 115, 1582. eyghen, eigendom, 974, 1772. eyndelijck, bijvnw., 22, I. 543 eynden, 705. eyndt, 1516. eyndt maecken, 1307. eyst (my-) van, 1570. eng, smal, 886. erkentenis, 1326. ernst, hoogheid? 1132. erven, 919, 956.

Feest, vreugde, 962. fijn goudt, 121. flucx, 937. fontein, bron, 138. fresch, 274.

Gaede slaen, zorg dragen voor, 66. I. gaerne, 528: bijw. als bijvnw. gail, vroolijk, zwierig, 119. gangh, 46, 1747. gans, 868, 908. gapend, 1554. gauwicheydt, schalksche bij-de-handheid, 127. gave, 1515. ghebeten, 704. ghebieden, 84. I. ghebiedt, macht, gezag, 639. 735, 1499. gheboren zijn, 1124. ghebreck, ongemak, 773. ghebreken, ontbreken, niet in orde zijn, 1270. ghedacht, n., de gedachten, geest, 495, 723, 1204, 1307, 1344, 1712, 1552. ghedaent, 1332. A.--723, 1614. gheduyrich, altoosdurend, onafgebroken, 327. ghedult, 1287. gheen, 85. gef, imperat. v. geven, 1657. ghegrondt, 600, 1086. ghehouden in, verplicht aan, 586. ghekrijs, 1660. ghelaet, de wijze waarop men zich voordoet, 440, 455;--waarop men uiterlijk het innerlijke openbaart, 1823. gheleghen (een-) plaats, 1558. gheluck, noodlot en toeval, de Fortuin, 620, 824, 1467, 1486, 1530, 1672, 1764. gheluckicheyden, 1242. ghemeen, 1799. ghemeente, volk, 666. ghemetst, gemetseld, 1370 ghemoe (van-), 1085.--uit gemoede. ghemoedt, zin, verlangen, wensch, 616, 1302. 350, 439, 466, 897, 1085, 1291, 1700, 1735, 1738, 1751. ghenadelijck, 1608. ghenegenheyt, bereidwilligheid, gedienstigh. 9, I. 349. plur., 845. gheneychtheyt, 1061. ghenieten, bezitten, 1075, 1192, 1405, 1728. Vgl. Gloss. Sp. Heydinn. 176, 287. ghenoechjens, 382. ghenot, 919. gheraeckt worden, 226. gheraken, 20. I. gherucht, pl., 1151, gheschal, rumoer, lawaai, 155. gheschiedenis, gebeurtenis, 1285. ghesicht, de oogen, 1331, 1554. 503, 1373. ghesin, de hovelingen, 1237, 1538. ghespickelt, 159. ghespreck, het spreken, 1288. ghestelt zijn, 1396. ghetroost, goedsmoeds, gelaten, 1533, 1733; tevreden met, 48, I. 1164. gheswint, 1188. ghevelt liggen, 1544. geven (sich-), 16, I. ghevoecht (fraey-), 1328. ghevoelen, meening, 1713. ghewach, gemoedsbeweging, 1243. gewaegen, 1128. gheweldt (groot-), 157; macht, 607. ghewenscht, uitverkoren, dierbaar, 949. ghewinnen, 24. ghewrocht, bewerkt, 367. gissen, oordeelen, 1005. glas (het-), 1151, 1696. gloeyen, 112. gnorten, knorren, 129. godt, 897, 1133. Vgl. Ovid. Fasti VI, 5. godtheyt, 1252. Vgl. A. 1245. goed, n. pl., vruchten, 982. Kil. fruges, fructus terrae, annona. goedich, zachtmoedig, 688. goedicheyt, minzaamheid, 1131; meegevendheid, 450; genade, 571. gouwe (van-), 1767. A. gram, 1684. gras, 1340. A. grijns, masker, 1234. groen, jong, frisch, 101. A.; onervaren, 434. grof, 642. grof (te-) maken, 86. grondeloos, 1311, 1625. grondt, het diepste van het hart, 1128, passim, groot, 923;--(van geluid) 1315; 1611. grootachtbaerheyt, 1835; A. 544. 355. grootachting, eerbied, 1139. grootmoedich, edel, van verheven aard, 585, 947. grootsch, 351. grouwelijck, 1479. guyr, 149. gulde, 871, 1370. gunnen, schenken, 103.

Haest, spoedig, 1388, 1780. haghen, pl., 42. haylich, rein, onschuldig, "integer", 405; ook "gelukkig"? halve-vrouw, 625. hantering, het doen, 632. handtghebaer, dat waarmee men zich bezig houdt, 785. A. hardicheydt, plur., 932. harte (in zijn-), 901. hartje, 13. hartseer, 1167. hartsen, genit. v. hart, 1621, 1770. heerlijck, prachtig, feestelijk, 1259. 493. heerschappie, A. 578. 1862. heet, 1053. heften op, vat krijgen op, 1198. hei, 1540, 1547, 1555. heylsaem, heilaanbrengend, 1129. hel, 1323, 1365. helas, 732, 734, 882. 1670: las. helen, verbergen, 381. hellen, 596. hen, van hier, 991. henenvaren, 1780. hersien, 724. het = er, 243. heusheyt, edelmoedigheid, 1736: minzaamheid, 490, 278;--(van zede): humane wellevendheid, 426. 348, 350. hielen (de-) lichten, 608. hippelen, 214. hoe wel, 1144 A. hoofsch, 1516. hooft (op iemants-) iets keeren, 953;--(over 't-) sien, 313. hooch, aanzienlijk, hooggezeten, 1113, 1544. hooch setten, 728. hoochaerdich, stout, fier, 540. hoonen, 1678. hoop, plur., 1452. houden, 1409. houdt, halt! 523, 1463, 1464. houwelijck, 1478. huwlijck (het-) maken, 1350.

Indien, 1251, A.--1592. ingheboren, 1058. inghesoghen, 1088. in midden, 1195. innebrengen, opleveren, 792, 1185. innemen met, 962. innerijden, inhalen, 266. innerlijck, 1155. inplanten, 1089. inprenten, 621.

yder (: wyder), ieder, 987. yet wat, 1115. yl, ijdel: nietswaardig, 452, 678, 1928. yverich, vurig, 553, 1303.

Jacht, span, 1062. jaer, plur., 971. jaghen, 80. I. jeughde, 177. jeuckeringh, 231. jonst, 252, 397, 1155. 1478: jonnen. Juppijn, 853: Juppiter.

Kallen, praten, 421. kanten ('s werelts-), 588. kars, 112. keeren, 953, 1532, 1805; (de straf-) op, 1645. kennen, leeren kennen, 504; erkennen, 684; onderkennen, 1495. kenner, 690. kennis draeghen, ingelicht zijn, 1636;--ontfangen van, 1615. keur van wapenen, 699. keurich, met zorg kiezend, 1801. klaer, 1316, 1336, 1365;--goudt, 436. klaer (een huwelijck-) maken, 822. klateren, 621. kleen, 505, 507, 1709, 1857. kleynmoedicheyt, kleingeestigheid, bekrompenh., 451. klem, 642. cloeckmoedigh, 1132, 1654. knaghen, 1040. knoopen, 1631. koelen (zijn moedt-), 1684. coets, slaapstede, 1378. komen, c. Inf., 73, 156. komen (over eenen-), 141. komen (te vooren-), ontmoeten, te beurt vallen, 194. commerlijck, bezwarend, drukkend, 1855. kort (te-), doen, 108. korten (in stukken-), 557;--: de vleugels, 132. corts daer op, 1308;--nae, 1779. crachten, A. 1434, 1612. crachtich, 1224. krackeel, 705. cranck, krachteloos: gebroken (v.h. oog), 1554. krencken, letsel toebrengen, 1628. 169, 180. cristallinigh, 280. croon, 18; de groote--, 564. kroonen, 1321. kruydt, 1061. quaedt, 59, I., 70. qualijck, 388, 519. qualijckvaert, 1109. quam = ging, 1698. queelen, 214, 1775. quel, 553. quellen, 1218. quetsen, 1101.

Lachen (er om-), 669. laech, 282, 300, 1520, 1577;--gheboren, 356;--gheseten, 1187. laeuw, 1586. land (op 't-), 62, 71. I. las, helaas, 1670. last, moeielijkheid, nood, 1669, 1763. laster, schande, 1547. laten, verlaten, 1509, 1724; nalaten, 688. 1704. laurentack, 1321, 1371. leedt, 162. leedt zijn, 329. leyd, onaangenaam, 731. A; 878. leyden (hem), zich laten leiden, 1743. leyden (ten strijde-), 1011. leydstar, poolster, 1591. A. lecker, kwajongen, 691. lenten, 713. lesen, uitzoeken, 1802. leur, beuzelingen, 801. Vgl. Bilderd., Oudem. leur (te-) stellen, 57, I. 1452. leven, 1319. leven, (met iemand-), 1604. levend, 716. levendich, 1498, 1630. leveren, 1500, 1501. licht, wuft, lichtvaardig, 255. 1487. lichtvaerdich, onstandvastig, 25. lieftallicheyt, 582. lieven, 887, 1446, 1480, 1800. lijden, 39, I. lijden (hem), genoegen nemen met, 866, 1164. lijf, lichaam, 1298. lijckewel, evenwel, 284. lodderlijck, verleidelijk, 125; aanvallïg, 373. lofgeklanck, 588. loflijck, 575. lock, 160. loncken, 378. loom, langzaam, 131. loopen, c. Inf., 47, 60. loos, ijdel, 1574. lot, deel, 1347. luycken ('t ooch), 1686. luym, plur., neigingen, aard, 1333. lusteloos, 1526. lustigh, 141.

Machten (van-), 879. maeght, 21. maecken, 171; strijdt-, 1624*: huwlijck-, 1350; rekeninghe-, 109. maer, 1199; blijde-, 958. maer, 258. maet, plur., 1799. matighen, op de juiste maat brengen. 291. matten, 1049. meebrengen, 1412. meeghesel, 597. meenen (sonder-), 5. meerder, 725, 1671. melden, verraden, 4, 28, 401. menghen, 360, 757, 1796. merch, 't binnenste, 1088. mercken, goed zien, 522; opmaken, 1275; 365. A. mercklijck, klaarblijkelijk, 1806. middel (door wat-), 19. I. midden in, 1327. mijden (sich), zich ontzien, sparen, 1012. mijnen, zich toeëigenen, 991. mild, 1449. min, 1518, 1750: nog minder. min (in-) als een oogenblick, 1228. minnen, 16: plur. van min. minste (niet de-), 1220. missen, 21: het mist mij: ik vergis mij. misvallen, 1479: plur. van "misval", ramp, of Infinit. mits, met dat, zoodra als, 1050. moedich, fier, 683. moedt, hartstocht, 653; verlangen, 553; overmoedige gezindheid, 667. 1684. moedeloosheyt, gebrek aan zelfgevoel, 675. moeyelijck, afmattend, 553. moeyen, lastig vallen ergens mee, 1598. moeyte, verdriet, lijden, 1866. moeten: ik moest: 1271. moghen, kunnen, 81, 89, 235, 324, 490, 729, 1577, 1860. moghentheyt, 544. A. momme-vollick, 437. moordich, 1325. morgeliedt, aubade, 394. mortel, gruis, 692.

Naecken, 958, 1192. naeckt, 1090. naer, somber, donker, zwart, 1060, 1126. naer en nae, passim: 852, 1067, 1068, 1088 (naer ligghen), 1144. naeren, 1104. naesaet, 1015. naest, adj., 532. naevertellen (iets niet-), 680. natuyre, 307, 313, 356. natuyren, 210, A. nauilijcx, bijna nooit, 12, I. nauw, 1023. nauwt (als 't-), 636: desnoods. nechtig, ijverig, 1208. nederich, 1178: laech gheseten (1187). neyghen, 1121. nemen aen = nemen van, 1250. nemmermeer, nooit, 15, 1602. 1758; nooit meer, 1489. net, zuiver gevormd, 115, 763, 1330. nevens, 1038. niet, niets, 369, 574, 801, 1077. nieu, 29, I., 1356. nieuwers, nergens, 1417. nieuwicheydt, plur., 1414. nijt noch spijt, 304. nygend, 1590. nymphe, 54. noch, en niet, 282, 612, 1153, 1154, 1252. 1054? noemen (hooren-), 271. nood (van-), noodig, 960. noodich, 876. nooddruft, 't noodigste, 873. nootdrufticheydt, plur., 986. nu (hoe-)?, 1078. nut, 163. nutheydt, 1185.

Oeffenen, bedrijven, uitoefenen, 627; zich inspannen, 783, A. oefening, uitoefening, 625. of, indien: passim;--schoon, 244. of, af, 85. offeren, 1644. oft, 21, 25. oyt, wel eens, 442. olykleurt, olijfkleurig, 1331. A. omkeeren, 1416. ommekomen, 486: nu 't omme komt: nu het te laat is. onbeproefd, 857. onbescheyden, redeloos, 1457. onbesuyst, 655. onbevleckt, 448, 803, 1683. onbeweecht, 177, 656. ondanck weten, euvel duiden, 662. ondergaen, vleiend overhalen, 714. onderling, 794. onderrechten, met verstandige redenen troosten, 60, I.--1217, 1483, 1713. ondersoeck doen, 1231. ondertasten, onderzoeken, 735. ongaerne, 528. Zie gaarne. onghelijck, 1667. ongheluck, plur., 1034. onghemeten, 1161. onlijdsaem van, ongeduldig, 569. Impatiens c. gen. onnoselheyt, argeloosheid, 449. A. onnut, 133. ontbeeren, 152, 1726. ontdecken, 1127, 1700. onthaelen, inhalen, 87, I.--752. ontydich, buitensporig, onmatig, 710. Kil. intemperans, intemperatus, immoderatus. ontkennen, niet weten? 585. ontladen, bevrijden, 278. ontlasken (sich), van elkaar gaan, zich openen, 1369. ontmoeten, gebeuren, 691. ontrusten, 1594. ontsegghen, uitdagen, 25, I. 908; weigeren, 1744. ontsich, ontzag, 582. ontsmeken, 550. ontslaen, laten varen, 608; verlossen, 945. ontslaen (hem), c. accus., zich bevrijden van, 1359, 1498. ontslechten, van gladheid berooven, 117. ontspringhen, op-, losspringen, 1322; (: vreugde), 788. ontsteken, aanvangen, 1357. 236. ontsteken, part. v. ontsteken, 236. ontstellen, buiten den normalen toestand brengen, 1314. ontucht, buitensporige handelingen, 1019. ontwapenen (sich-), 950. onvernoechelijck, 143. onvrede (t'-), in onrust, 1301. onwaert, verachtelijk, 370. oorbaer, nuttig, dienstig, 1406. oordeel, uitspraak, 1004. oordelaers, 690. A. oord'len, 1286. oorkonden, verklaren, 1710. oorloochsvolck, 634. oorlof, verlof om te vertrekken, 1513. oorsake, 38. I. op, open, 1322; 4, 17, 30, I. opdoen, voor den dag brengen, opsporen, 40. opghetooghen, 1318. opheffen, aanheffen, 1368. opofferen, 73, I. oppervoocht, 661. oppervriendtschap, 1797. oprecht, goed, juist, 1005, 1017; 1128: òprecht? oprekenen, oprakelen, 711. opset, voornemen, plan, 470, 703. opsichtich, wat de oogen tot zich trekt, schitterend, 1175. opsteken, aanwakkeren, 635. Vgl. opstoken. opstutsen, aanporren, 70. I. ouderdom (dorre-), 152. oudtheyt, 178. outs-bekent, 715. overdaad, plur., 400. overdwaelsch, buitensporig, verwaten, 676, 922. overeenkomen, 598. overgaen, 17. overgevenheyt tot, 573. overgoten (: v.d. slaap), 1309. overigh, overmatig, 962. overkijcken, 1377. overkomen, 168. overladend, met zorgen overstelpend, 1854. overlast, geweld, heftigheid, 1201; te zware last, 736. 74, I. 1459. overleden, gepasseerd, 1809. overleveren, 64, I. overvloed, plur.?, 984. overweghen, 1184.

Pack, 639. passen op, letten, acht slaan, op, 547. peynsachtich, 1510. Persen, Perzië, 1861, passim. persoon: pronominaal: 856. pijn, plur., 989. plaats geven, 1466. plach, pleegt, 761, A; vgl. 1070. plaghen, 162, 1038. pleecht, praet., placht, 1541. pleghen, 1122. pleck, pl., 1024; plaats, 1364. porren, 1599. praetjens, 237. pratery, 644. preken, 1226. prenten, 1091. prijs, 1427, 1612. prins, vorst, 1113, 1501. prinslijck, vorstelijk, 1531, 1651. proef, bewijs, 644, 1196. proeven, ondervinden, smaken, 430, 1180, 1253; ondergaan, 979; ondernemen, 909. puffen, lachen om, niet geven om, 622. puinbergh, 614.

Raedt, besluit, 1422, 1720; overleg, plan, overleggingen, 1162, 1221, 1229, 1717. raeu, ruw, 922. raken, 1759: peilen. 226;--aan, 531, 1147. ramen, vermoeden, 900. ras, 197, 251. rasen, krankzinnig zijn, 1383. rasery, 657. recht, 444, 1297;--anders, 182. rechten (hem), zich regelen, 993. rechtuytheyt, 449. rechtvaardich, rechtschapen, 1013. reddeloos, verward, ontsteld, 1538. rede, plur., reden: de woorden, redeneering, 923, 928, 1342, 1411, 1674;--1707; aanspraak, 599? Vgl. Aant. 1470. redelijck, 165, 1091. reden, 653, 864, 894, 1086, 1466;--599, 861. 1707. Vgl. Aant. 1470. ree, 1509. regenen (: jonste), 1072. rekeninghe maken dat, 109. recken, 1026. reppen, 74. rest, 1848. --rijck, 364. rijck, machtig, 1720. rijcke, 1014. rijcklijck, 1130. rijsen, opstaan ('s morgens), 1237, 1255. ritseling, minnedrift, 716. rock, kleed, gewaad, 120, 159. roo corale, 1332. roof, het buit maken, nemen, 706. roosenhoedt, rozenkrans, 374. rootse, rots, 1138, 1226. rouw, verdriet, 1809. rouwen (laten-) 1474. ruymte, (met-), 558.