Granida

Part 10

Chapter 103,865 wordsPublic domain

783. "Dees lusten" slaat op str. 2-6; "al deze lusten en duizend dergelijke, zooveel er zich maar werkzaam toonen en (a.) bevrediging vragen (of, b.: zich zòèken te bevredigen), de tallooze manieren waarop wij ons trachten te vermaken en ons eenig geluk trachten te verzekeren--dat alles moet wijken voor de ideale liefde",--die nu beschreven wordt. De zin met "als" is hier relatief genomen (== "die er maar etc"). "Aesmen", ademen, is wel of == suspirare, sterk verlangen (vgl. stenen in Vondels Olyftack, koepl. 1), zie in de paraphrase boven, a.; of == aspirare [518], zie in de paraphrase boven. b.;--gesteund wordt deze opvatting wel door de navolgende plaats uit Paludanus' (Friesch dominee) Konst van Goddelijke Vernoeginge (Haringhouck, Bolsward, 1659) bladz. 63: "Jongelingen, nu amegtig door gulle loop, waar toese door hun ongeteugelde hartstochten aan geport worden, haken na meerder ruste, en beasemen de neersettinge door enig vorderlik beroep": dit is blijkbaar == trachten te bespoedigen == aspirare. "Oefenen" is hier zeker ook te vergelijken met en staat mogelijk onder den invloed v. Lat. exerceri; de overgang van het objectieve "zich druk maken met", "zich inspannen om" tot een subjectief "werkzaam, druk bezig, doende wezen", is zeker niet vreemd. Vgl. bij Cats, Twee-en-tachtigjarig Leven (Volksuitg. 745 kol. 2, onderaan), waar hij spreekt van zijn landbedijken in "Brittenland", oeffeningh, als blijkbaar synoniem van ongemak, met de beteekenis "inspanning", "moeite" (vgl. de oude beteekenissen van arbeid, die van moeien, bemoeien, van winnen, van labor en chamno). Vgl. nog Verdam, Mnl. Wdb. op oefenen. "Handtgebaer" is "bezigheid", "doen"; zóó vindt men het meermalen in de Nederl. Hist. en Hendrik de Grote; zie Oudemans, Wdb. op Hooft. Het is boven weergegeven als: bezig zijn (om zich te amuseeren). De kracht van "nochtans" 787 is: hoe te waardeeren onze genietingen ook zijn, toch etc.--Vgl. Bilderdijk, Kollewijn; Oudemans, Wdb. op Hooft ibid. Leendertz en Slothouwer verklaren niet.--Stoett in de nieuwe uitgaaf van Leendertz stelt oefenen == "operari", asemen = "leven" en geeft den regel aldus weer: "als er maar in ons mogen werken, leven".

803. Vrienden als vooropgebrachte tweede naamval. Niet te lezen: daer vriéndenkeur maar daer vriénden kéúr.--Vgl. hiervóór Aant. 541.

824. gheluck: de toevallige uitslag van het tweegevecht.

850. Kasteelen, zonder fundament in de lucht opgetrokken.

857. Achter "liefde" leze men een komma (vgl. 675) en vulle aldus aan: een onbeproefde smarte voor hem: hij heeft de liefdesmart nooit ondervonden: "daer hyse voedt in 't harte", 858, staat hiermede in tegenstelling, gelijk, "openbaert--niet" met "klaecht", waarop de nadruk valt. In 859 heeft "selfs" den nadruk.

895. Indien andere lieden het verzuimen, het is, etc.

909. Maar zoo ik nu, in geval hij u verslaat, toch tegen hem op zal treden, kan ik het dan niet evengoed het eerst ondernemen? Daifilo's antwoord is: neen, want die strijd tegen mij zal hem dan afgemat hebben en zoo lijdt hij meer gevaars van twee dan van een. "bey de vechters" 913: Ostrobas en zijn tegenpartij.

915. bleeft: Verdam, Mnl. Wdb., I, 1305-1306.

928b. leydt etc.: "ligt de moed voor hem in" = meent hij dat de moed in ijdele redeneeringen is gelegen?

932. Al verleende Vulcanus het door zijn tooverkunst dubbele hardheid.

934. Het is niet de zorg voor zijn wapenrusting, die hem ophoudt. Dàcht hij zoover (nl. aan zijn wapenrusting, om werkelijk tegen mij op te treden): als hij maar zoo ver dacht! maar dat dòèt hij niet: Ik acht veeleer etc.

949. ghewenscht: vgl. Lat. optatus, Fr. désiré, Hd. erwünscht.

963. 't Zal noodig zijn, dat ik u de blijde maar verberge, opdat de heftigheid der blijdschap niet te veel verge van uw, door overmatige vreugd ingenomen hart en uw verteederd gemoed niet te sterk aantaste. "Van nood" 960 = noodig. "Swack" = sterk aangedaan, week.

970. heerschappie: d.i. heerschappië, viersilbig, blijkens al de volgende vijfsilbige laatste regels. Dit heerschappie stelt de vraag aan de orde of het teeken ij in Granida de waarde ie heeft, wat het oorspronkelijk had. Regel 1045-1047 keeren zije--strijen--Heerschappije als rijmwoorden terug maar 't laatste staat hier met ij, derhalve zou 970 i drukfout kunnen zijn voor ij, maar blijkens het Handschrift (Leendertz II, 175) was het schrijf-afwijking, ouder nog niet verdwenen schrijfwijs; in 't toenmalige schrijven kan i voor ij staan. In de i van 970 hebben we geen steun voor de meening dat we zi-je, stri-je zouden te lezen hebben. Maar, ook ij hád eenmaal de waarde i (ie). Of echter rondom 1600 in Amsterdam nog met ie-klank gesproken werden de woorden die in 't schrijven ij hadden, dan wel reeds een ei-klank gehoord werd (de waarde van 't oude ij-teeken was dan metéén veranderd), daarover zijn de meeningen verdeeld, uitgemaakt is dit niet. In 't laatste geval zou 't eerste heerschappie, 970, eenvoudig gelijk 1047 en dus i = ei zijn; in 't eerste zou Hooft's ij-teeken de waarde hebben van i, ie.--Men zie hierover het Aant. 501 aangehaalde proefschrift van Dr. K. Kooiman, 120-130, en de daar aangehaalde litteratuur.--In het Handschrift staat volgens Leendertz II 177 ook in 1047 heerschappie, wat de oudere schrijfwijs bevestigt, terwijl de zaak dezelfde blijft. Regel 1135-36 staat ook bij Leendertz 180 waerdije, slavernije.

1013. Dese: nl. die eerste koningen, "d'ouden" van 1020. Vgl. van de constructie 1026 waar de plur. "haer" ook op een voorafgaand sing. slaat. "rechtvaerdich" is hier rechtschapen.

1029. De oude koningen beschouwden zich als de dienaren van het volk, het regeeren als een plicht (1020), waarvan zij zich gaarne ontheven zagen, hoewel de stem des volks hun die opgelegd had.--daer, 1028, = wanneer; in 't geval dat.

1049b. Het "trecken" van hoop en vrees: zij trekken hem a.h.w. elk naar een anderen kant.

1078. besluyt: Imperatief: Granida spreekt tot zich zelve, evenals 1085-1099, 1101-1104.

1096a. En al was dat niet zoo.

1100. Dit vers te lèzen: Daifil'. Hij keert.--Hy keert. Aym' Ayme! Wat beswaer: "Ayme" met toonlooze e.--Toch wel = ai mij.

1102. Geen leed zou mij dan kunnen krenken; tenzij het ook u trof.

1112. Oud-Hollandsch is aan 'n zijde gaan, met het lidw. van onbepaaldheid; wij zeggen het met het bepalende lidwoord: aan de kant gaan. Alzoo een niet = één.

1118. Daifilo roept de voester om bijstand: hij begrijpt niet wat haar scheelt; in haar uitroep is iets dat hem beangst maakt.

1136. u slavernije: u ootmoedig te dienen. Vgl. 1603, 1610.

1144a. Hoe wel: mogelijk niet te lezen als ons, "hoewel", maar hòè wèl = hòè zeer.

1160a. Zoo duur mogelijk.

1176. Dat door duizenden, als een zaligmakend leven gewenscht wordt.

1235. Vgl. 1243-1244: de Uchtend, Eos of Aurora, de godes van den dageraad bij de Ouden, de voorloopster van haar broeder Helios, de zon; hier voorgesteld met "gouden cruyn", d. i. het bovenste gedeelte van het blondgelokte hoofd komt uit--omkranst met rozen.

1239b. Zie, hoe hij mij daar reeds ontmoet.--[Heeft de Hollandsche jagers-uitroep (bij 't ontdekken van de haas) "waar'k'em weet!". ("werkenweet") 't zelfde gebruik van waar en zelfde zinsvorm?]

1245. Reeds de Ouden hielden morgenster (Lucifer) en avondster (Hesperus) voor één en dezelfde en noemden haar de ster van Venus. Hesperus werd in den Griekschen bruilofszang gevierd, als de geleider van den optocht, die de bruid 's avonds naar het huis van den bruidegom voerde; vgl. Vergilius, Ecloga VIII, 29, 30: vgl. 1247-1252: Zie vooral: Bruiloftsang op het Huwelijck v. W.J. Hooft en J.C. Quekels (Leendertz I, 49) evenals de Granida van 1605 (ook in den vertaalden Misogamos Leendertz I, 321, vers 23-25; vgl. Huygens Ed. Worp I, 189, 14-15); in den Bloemhof van de Nederl. Jeught, 1608, staat pag. 7 kol. II: Als die clare Maen gaet rusten Eer den rooden dach verschijnt, Staet soo schoonen sterr', en blinckt, Die de Goden al doet lusten, Nimphe laet ons met gheneught Slijten onse jonghe jeught.--1252 "d'uw" nl. Venus: de ster zelf heet dan 1249 "Godin". Doch mogelijk identificeert Hooft hier de ster met Venus zelf, en dan is "Godtheyt" op te vatten als in Aant. 1251 is uitgelegd.

1250. aen den avondt: òf "a. d. a." is "van avondt"; òf "aent" behoort bij nemen = "nemen van"; (de ww. van nemen, ontvangen, verzoeken, hebben Mnl. "aan" = "bij": nog in "ontleenen aan", "een voorbeeld nemen aan" e. d.; vgl. Mnl. Wdb. I, 68-69).

1251. Indien ick etc.: Tisiphernes bidt de morgenster, haar heerschappij nu te eindigen, opdat Granida spoedig rijze. Dezen dag zal het huwelijk voltrokken worden en hij verlangt reeds naar den avond. Keer dan van avond des te vroeger weer: de avond, waarop (wanneer) ik (met Gr.) mij willig onder uw heerschappij zal stellen en geen Godheid vuriger dan de uwe zal vereeren. Vgl. vooral den Bruiloftsang voor W.J. Hooft, waarin de Avondstar de Gelieven "te bedt comt wijsen", naar Oud-Grieksche opvatting.--"Godtheyt" is hier misschien = de eigenschappen van den God, i. d. beteekenis van de Godin zelve. Vgl. A. 1245.

1289b. van wythgenomen sinnen: van niet alledaagsche enigingen.

1313. 's Nachts rust het lichaam van de vermoeienissen van den dag: toch komen de droomen dan, buitentijds, den gèèst kwellen met het leed en de moeite (arbeid), die over dag het lichaam plagen.

1323. de volle kamer: waar de kamer vol van is en geheel blaakt.

1326. Maar opdat de tegenwoordigheid van de Godheid daaraan gekend mocht worden.

1331a. Oly-kleurt ghesicht: oogen met den glans der olijf; zie variant.--H. geeft met dit epitheton het glaukopis (Athene) van Homerus weer: welches einen eigenthümlichen leuchtenden Glanz der Augen ausdrückt, einen ahnlichen Glanz wie den des Mondes, der schimmernden Meeresflache, der Blätter des Oelbaums (Preller, I, 154; vgl. ald. de schildering van het uilenoog 155). Dit laatste helpt op weg: Inderdaad geldt glaukos ook van de elaa, den olijfboom en zijn vrucht en van het elaion, de olijvenolie. Glaukos staat ook bij chloe, oporha thalatta; de maan is bij Empedocles, Euripides e.a. glaukopis: de variant schijnt dus minder vreemd, groen en geel liggen dicht bij elkaar: echter treedt de voorstelling van het "schimmernde" "leuchtende" op den voorgrond. In den Brief aan de Kamer In Liefde Bloeiende 1600 spreekt Hooft van Thalia's "groen lieflijck ooch". Dat de Dichter juist op olijfkleurig komt, is begrijpelijk: Athene staat in de nauwste betrekking tot den olijfboom: op niet ongewone wijze wordt het attribuut der godes hier, per metonymiam, in verband gebracht met haar oogen. De jambische maat deed oly-kleurt voor olijf-kleurt kiezen; vgl. Six van Chandelier, Poësy 1657: Daar vaart Messias van de oliheuvels top (12); Het zy ontrent het dal van Josafat,--Of langs den bergh, naa 't blad--Van d'olipruim genoemt, (104); Hoe springht de bergh en 't olibosch? (Hemelvaartssangh 496); (God)--sondt synen vreedeboo, van booven,--Greep Engelands, en Hollands hand,--En bondt se, met den oliplant, (488): Tijdschr. III, 263.

1331b. vlechten blondt: blonde en rossige haren vinden wij door de Ouden op hoogen prijs gesteld, zoowel bij Goden en vrouwen als bij slaven en paarden. De dichters van den Renaissancetijd namen deze voorkeur over: blond haar was toen, internationaal, onafscheidelijk van de schoonheid der jeugd. Bij de Ouden zijn blond. Apollo, Demeter (Ceres), Bacchus, de Chariten, Ganymedes, Rhadamanthys, Hylas, Odysseus, Menelaus, Achilles xanthos, flavus), e.a., vgl. Verg. Aen. XII, 605; Hor. Carm. I, 5, 4; II, 4, 14; III, 9, 19; Theokr. Eid. II, 16, 78; Catull. LXIV, 98. Bij Hooft heeten blond: Apollo, Venus, Aurora, Thalia (Leendertz I, 7), Ganymedes, Ariadne, Helena; vgl. Leend. I, 15, 21, 31, 42, 45, 54, 65, e. e.); de Vrouw "Italia" in den Br. a.d. Kamer In L. Bl.; ook Granida: 1329a; vgl. 120, 184. Bij Vondel: Apollo, Venus, de Minne-goodjes en Urania in de Geboortklock, Joseph, Ifis, Hageroos, Ursula en Aethereus en de jongeling die Ursula verschijnt, e.a.

1332. bleeckheyt des ghedaents: Uit het verband blijkt wel, dat men aan de gelaatskleur moet denken. Vgl. in het Claechleidt van 1608 (Leendertz I, 66): "haer gedaente bleeck", van "bestorven wangen" gezegd; Geeraert van Velsen V begin (Leendertz II, 257): "bleeck ghedaene flaeuwt". "Ghedaente" is hier = uitzien, bepaaldelijk van de kleur. Vgl. Mnl. gedane, Nat. Bl. VII, 463, VIII, 224, Mor. 3563. Wat is bleeck nu? Bij Hooft noch bij andere dichters is bleek = blank. De Godin is Granida in alles gelijk (1329) en wat Granida betreft, moeten wij aan bleekheid door hartstochtelijke liefde (voor Daifilo) denken. Bleek is de kleur van het minnewee. Horae Belgicae X, No 48: "Dijn scone verwe is bleec gheworden-- Van overgroter minnen tot mi"; Cats, Spiegel v.d. Ouden en Nieuwen tijdt, deel I, Liefdes Kortsprake, staat van de jonge maagd: "Isse teer, swack, en bleyck? denckt datse bequamer is om het pack der liefden, als om meulesteenen te dragen; gelooft de Medecijnen en Natuyr-meesters, die hier in klaer spreken, en zijn gewoon te seggen: Pasles couleurs, désirs mal accomplis: Vrysters, 't bleyck van uwe wangen Koomt van eenigh soet verlangen; Fille pasle, Demande le masle: Pleycke verwen, Paren of sterven. Zie nog Taal en Letteren VII, 209. Granida verkeert in uiterste verliefdheid, Minerva vertoont zich "Granid'in als ghelijck", wat dan geschilderd wordt.

1335. Voorsichtigh: want "die den vrede wil, moet zich bereid houden voor den oorlog".

1340. Crijchsduyend gras: de speer van Minerva. Minerva is zoowel godes van den oorlog als des vredes. Hier echter is de Minerva Pacifica geschilderd. De olijftak is als zoodanig haar symbool en dus het tegenteeken van den bamboesstaf (die met of zonder spits een krijgswapen beteekent), waarmede zij anders wel werd voorgesteld: "die" slaat op "olyventack"; de Ouden hadden speren en lansen van bamboesriet.--Een gras dat oorlog beduidde, is er niet. Bilderdijk raadt: "glas" voor "gras", t.w. het kristallen schild. Maar 1605, 1615, 1636 hebben alle drie "gras". Buitendien, conjectuur is overbodig. "Gras" is hier = riet en een vertaling van "gramen" of van "graminea hasta". Facciolati-Forcellini (ed. 1831): Gramineae hastae sunt ex arudine Indica, Itali dicunt canna d'India, qua utebantur veteres pro hastis: de quibus ita Plinius 16, 36, 65. Arundini quidem Indicae arborea amplitudo, quales vulgo in templis videmus, h.i. in manibus simulacrorum, quemadmodum de Minerva Atheniensi ita refert Ampelius 8. Ipsa autem Dea habet hastam de gramine. Niet op deze plaats kan Hooft zijn "gras" geplukt hebben, daar Ampelius' Liber memorialis eerst in 1638 door Salmasius werd uitgegeven. Prof. J.C.G. Boot deed ons aan de hand Cicero, In Verr. act. sec. L. IV, 56, 125, ook bij Forcellini vermeld, en hier moeten we zeker wezen. Cicero spreekt hier van den Minervatempel te Syracuse, door Verres geplunderd, non ut ab hoste aliquo, qui tamen in bello religionem et consuetudinis iura retineret, sed ut a barbaris praedonibus vexata (LV, 122). Na de beschrijving der geroofde kostbaarheden volgt er: Etiamne gramineas hastas--vidi enim vos in hoc nomine, quum testis diceret, commoveri: quod erant eius modi, ut semel vidisse satis esset: in quibus neque manu factum quidquam neque pulcritudo erat ulla, sed tantum magnitudo incredibilis, de qua vel audire satis esset, nimium videre plus quam semel: etiamne id concupisti?

1345. rust: nl. de rust, die u nu bij de goden bereid is.

1346. Die u reeds minde, toen gij nog in de wieg laagt.

1351. de weerliefd: Gelijk anders de liefde in 't algemeen, is hier ook de "weermin" (252, 514) vernuftig gepersonificeerd en vergoddelijkt.

1359. ontslaet: Imperatief. Vgl. 1585.

1361. aentrekken: evenals "aandoen" van eigenschappen, waardigheden, het treden in een toestand; vgl. Rom. XIII, 14, Eph. IV, 24, 1 Cor. XV, 53, 54. Gr. endyomai, lat. induo.

1375. Moeten wij aan bedaren hier niet misschien toekennen de beteekenis die zich schijnt voor te doen in Vondel's Kranke troost, strofe III: Die het zwaert--grimmigh ruckten uit der scheide--Nu bedaert [nu weer in de scheede teruggekeerd] Wat dan de oorspr. beteekenis van bedaren zou kunnen geweest zijn. In 't Friesch ook: "terecht komen" immers: "waar is dat bedaard?"

1395. wel geeft den zin de kracht van: 't Is toch niet mogelijk, dát kan toch niet, dat Gij mij zoo oud hebt laten worden om....

1411. bescheiden reên: duidelijk verslag.

1419-1422. mensch = eenig mensch.--In de mythologische geschiedenis van Perseus komt ook Pallas Athene voor; en Perseus werd ook met het Perzenrijk in verband gebracht.

1427. u prijs: vgl. 1603 uw minste dienst, 1695 haer dienst: "u", "uw", "haer" noemen het object in het werk woordelijk begrip, zooals Spagnens haet in Huygens Aan de vrije Nederlanden = haat tègen Spanje. In 1542 kàn sijn wraeck ook ànders opgevat. Vgl. Spaens Heidinnetje, Zw. Herdr. I, Aant. 918 en 625.

1434. crachten: de Liefde wordt hier voorgesteld als een god en "crachten" zijn de daden van dien god, als openbaringen en teekenen van die krachten. Vgl. 1612.

1453-1454. Vgl. Aant. 561. Arbeyt heeft ook hier wel de ruimere beteekenis van "moeite", "inspanning", "zware arbeid": vgl. 560: een beteekenis die weer in 1454 misschien ook heeft (vgl. ons in de weer zijn, zich weren). Treffende sorch: zorg die iemand niet in de kleeren gaat zitten, waarvan lichaam en geest afneemt en slijt, die je aanpakt? of = "treffelijk" d.i. "buitengewoon", "uitstekend", maar dan meer etymologisch = "waarvan iemand zich getroffen voelt", "verwonderd staat", "waar hij respect voor heeft"?

1463. Lees: besind u, houdt (halt!). Maar zie Leendertz noot.

1467. 't Geluk, de Fortuin (als Godin, vgl. 1476: haer!) is onredelijk, niet ik.

1470. Vaetse: d.i. vatse (vaten is vatten): nl. de reden waarom de Fortuin zoo handelt: zie 1466-1470; vgl. ook 1477: "gij duidt (legt uit) het doen van het Geluk verkeerd, wilt niet naar reden luisteren". In 1466-1470 wordt reden dan in tweeërlei zin genomen, in 1466 nl. is het = ons rede, verstand, redelijkheid, vervolgens ons reden grond, beteekenissen die beide aan reden eigen waren in de oudere taal. Bij Hooft, als bij Vondel (vgl. v. Helten Vondel's Taal, I, 82) is het singulare reden meestal = verstand, rede, billijkheid, redeneering, reden, grond (plur. redenen en reên) en het plurale reden meestal = woorden, redeneering (sing, rede; 't staat bijna altijd in 't meerv., dat ook reên luidt). Vgl. nu het Gloss. op rede en reden, de plaatsen aldaar. Toch vindt men 't wel eens andersom. En somtijds kan men niet eens zeggen met welk van de beide woorden men te doen heeft, wat z'n oorzaak o.a. ook hierin heeft, dat zoowel reden als rede de beteekenis van "redeneering" hebben kan, zooals ook wij bij redeneering dàn meer aan de woorden, dàn meer aan het redebeleid denken, dàn weer niet eigenlijk onderscheiden,--waardoor ook de pluralis reden = den singularis reden kan worden. (vgl. 1707). Soms kan men te doen hebben met den Infinitief reden (vgl. 1674). Reên 861 is wel plur. v. reden, grond. Reden 599 kan ook plur. van rede zijn, dat dan hier de beteekenis van "grond", "aanspraak" = reden heeft.

1471. Hoe nu toe?: XVIIde-eeuwsche uitdrukking (ook hoe dàn toe?) met de kracht van "wat nu?" ("wat dàn?"), "hoe nu?" ("hoe dàn?") [zie 1633], "wat moet ik nu?", "wat zal er nu gebeuren?". Hier, 1471, is men geneigd, met het oog op het antwoord (vgl. ook 1509-1513, te omschrijven: "waar moet dat naar toe?", "waar moet dat heen?" en met dit soort van vragen komt de uitdrukking oorspronkelijk wel overeen: toe is = "verder" en geeft richting aan; vgl. ons "hoe nu verder?" en Aant. 1628.

1490a. Vgl. voor de constructie: Cats, Spaansch Heydinnetje 47: en wie het maer en sagh; 484: van die haer maer en sagh.

1495. Lees een komma achter "Van waer": "zijn scharp--dallen" is een absolute constructie: daar zijn scherp etc. A. I. 17, 1519.

1499. beseten landen: mijn eigen landen, tegenover die welke hij van den koning bestuurt; vgl. 1507.

1509. Wat mij aangaat. Vgl.: ik voor mij.

1519. Welck pack--om draghen: absolute constructie; zie Aant. 1495. Eigenaardig is voorts de nauwe verbinding van 1519-1520 met den voorafgaanden zin door het relativum: En daar dit pak voor mij te zwaar is, behaagt het herdersleven mij beter (zie A. 1520.) Vgl. A. I. 32.

1520. doet behaghen = behaagt; subjekt is "Een lagen harders rust". Vgl. Mnl. Wdb. i.v. doen (II 234-235). Gewoon in Duitsche dialekten; vandaar in het volksaardige lied; en bij Heine: "Sie--Thät nochmals durch das Fenster sehn"--; bij Zach. Werner: "Das grosse, das ich that vom Vater erben"--; Doch war's, als ob sein Geist sich zwischen uns that schieben". Er is iets voor te zeggen, dat ook 1730 zoo is op te vatten. Denk aan 't gebruik van do in t' Engelsch. Vgl. voor het recht verstand van deze vervoeging 't gebruik van "doen" in 429, 657, 1060, 1240, dat wij nog kennen: "Regent het?" "Dat doet het", "Vergissen doet hij zich zeker."

1529b. Objects-genitief. Vgl. 1136, 1603, 1610.

Begin Vijfde Bedrijf: De geest van Ostrobas verschijnt aan Artabanus in den droom. Dit soort verschijning komt ook voor in Hooft's Geraerdt van Velsen en Bato en in vele stukken van de XVIIde eeuw, ook bij Vondel. Vgl. ook Vondel's Sonnet vòòr de Palamedes ('t En leed geen zeven jaar, etc.)

1561. Vgl. A. 1235, 1331 b.

1573. breijen: vgl. Gr. hyphaino, Lat. texo, ons "brouwen", "smeden", "rokken, berokkenen" (eig. de wol op 't spinrokken winden).

1591. Leydstar: als ster van Venus, de "poolster" wanneer zij zich richt; vgl. in het Sonnet aan de oogen van de geliefde: "Leitsterren van mijn hoop". Vgl. A. 1245. Bij Roemer Visscher, Brabbelingh, 't Eerste Boeck, IVC, heet het van een liefje: "Ghy zijt mijn leytster, rechtsnoer, compas en clock".--De gewone beteekenis van Leidster is al in 't Mnl. "de poolster" (vgl. Eng. loadstar), de bekende ster van den Kleinen Beer, "cynosura", "tramontane" (vgl. Mnl. Wdb. en Kil.); overdrachtelijk b.v. van Maria (de Stella maris!): "die leedsterre, die ter havenen der salicheden alle menschen wel can leden" (Sevende Bliscap van Maria); bij Willems Oudvl. Liederen, 463, heet ze: O noordersterre klaer.

1595. De nachtegaal was in de middeleeuwen de vogel der liefde, die het samenzijn der minnenden vervroolijkt met zijn gezang, hun geheimen kent en hun plannen begunstigt. Dikwijls is hij de bode in het volkslied. Vgl. Kalff, Lied in de Middeleeuwen 355-363, 370.--vlied uyt geldt de vogeltjens van 1593 zoowel als den nachtegaal, maar hij moet vooruit vliegen, de eerste zijn.

1602. aen u te slaven: Hooft denkt aan lat. servire, van servus = slaven van slaaf, en construeert dus = servire cui, met datief.--Vgl. echter Mnl. dienen; en overeenkomende oud-Germaansche werkwoorden met den datief.

1603. Vgl. Aant. 1427.

1612. crachten: A. 1434.

1621. hartsen: tweede naamval van Duitschen oorsprong, afkomstig uit onder Duitschen invloed staande liederen, zeker wel de heele uitdrukking mijns hertsen bloed, die Hooft hier teeder vindt, goed om 't gevoel van Granida te vertolken.

1627. wesen heeft den klemtoon, niet Daifílo: of ik 't mogelijk zelf niet bèn.

1628. Nu toe = pak aan nu, flink: het zelfde aansporende en aanzettende toe, als dat wij nog hebben in: toe nu, toe dan, toe, toe toe; vgl. Aant. 1471 (vgl. Mnl. Wdb. II, 875 onderaan). Aangaande het nadrukkelijk vooropkomen van nu, vgl. 1359 en 1585.

1629. boelen: ook in goeden zin = minnen. Het is niet noodzakelijk het woord hier in onedelen zin op te vatten, tenzij "boelen" er plur. van "boel" is, dat anders, evenzeer, van geoorloofde en ongeoorloofde liefde beide geldt.

1676. Ziedaar nu zijn getrouwheid, waarvan gij den mond zoo vol hebt gehad.--Zie het Gloss. op werck maeken van.

1690. beleyt--vervolch: ik begrijp noch hoe men dit overlegd heeft (het oorspronkelijke plan), noch hoe het zich verder heeft toegedragen (de uitvoering van het plan).