Part 1
P.C. HOOFT'S GRANIDA
Uitgegeven door J.H. van den Bosch
Vierde druk
Zwolle--W.E.J. Tjeenk Willink--1922
ZWOLSCHE HERDRUKKEN
Onder redactie van J.H. van den Bosch en Dr. F. Buitenrust Hettema
No. 2
HOOFT'S GRANIDA
VOORBERICHT.
Rekenschap omtrent den tekst vindt men achter de Inleiding.
De oude Inleiding van 1890 bleef nog; van nieuwe vondsten en meeningen werd gewag gemaakt.
De asterisken wijzen voornamelijk aan, die woorden die in de tegenwoordige taal nog bestaan maar in min of meer afwijkende beteekenis of met andere kracht. De plaats van den asterisk voor of achter het leesteeken zegt of men met woordverklaring te doen heeft (in het glossarium te zoeken!) dan wel met een Aanteekening.
De Aanteekeningen zijn over 't algemeen dezelfde gebleven.
INLEIDING [1]
I.
De Italiaansche Renaissance was even radicaal onzedelijk als ongodsdienstig. Een maatschappij zonder godsdienst is altijd een maatschappij zonder zedelijk bewustzijn, eindigt altijd met een afkeer van haar bestaan en ontvlucht dan haar eigen wereld, om in de oorden der phantazie het verbeuzeld geluk en den weggesmeten vrede te zoeken. Zoo is het het Romeinsche Keizerrijk gegaan, zoo ging het in de XVde en de XVIde eeuw in Italië. De Litteratuur der Renaissance was een litteratuur der hoogere standen, en, gelijk altijd, hierin spiegelde het leven zich met kleur en licht en schaduw af. Ongodsdienstig en onzedelijk als zij was, getuigde ze ook van de heerschende zatheid. Gelijk in de negentiende eeuw de dorpsvertelling natuur en eenvoud is gaan prediken, zoo de Herders- en Visscherszang, het Herders- en Visschersdrama en de Herdersroman toenmaals, sinds het laatst der vijftiende eeuw vooral. Vol sentimenteel heimwee goot het dichterlijk gemoed zich uit in klachten over verloren eenvoud, oprechtheid en onschuld. De phantazie van den kunstenaar begaf zich buiten de paleizen, buiten de steden; hij schiep zich, op het tooneel der onveranderlijke natuur, een verdichten natuurmensch. De tijdgenooten nu vonden in den dichter een tolk: die overprikkelde kinderen van weelderige overbeschaving. Zij hadden alles genoten; slechts het contrast kon hen bevredigen.
Hier handelen wij enkel over de Pastorale (Herdersdrama).
De Renaissance-litteratuur was een reproductie van de Romeinsche Letteren hoofdzakelijk, zelf navolging van Grieksche modellen. Ook de Pastorale is van antieken bodem. THEOCRITUS (± 270 v. Chr.) had den beurtzang der Siciliaansche Herders een plaats verschaft in de Grieksche kunstpoëzie. Meestal dialoogsgewijze, schilderde hij daarin Idyllen d.i. Tafereeltjes uit het leven van herders, van landlieden, visschers en kleine burgers. Eerst naar den vorm, daarna ook omdat de stof aan het leven der lagere standen ontleend was, heetten deze Idyllen Bukolische poëzie (boukolos = herder).
In de Litteratuur van Rome ging zij over.
Omtrent 40 v. Chr. dichtte VERGILIUS een tiental Idyllen, die bij de Romeinen weldra als "Eclogae" d.i. "Uitgelezen Gedichten" bekend stonden. De term Ecloga kreeg zelfs de vaste beteekenis van Idylle. Vergilius en Theocritus, zijn voorbeeld, onderscheiden zich echter eigenaardig. Tijdens den laatste reeds was de bloeitijd der Grieksche Letteren goed en wel voorbij. Maar, ondanks zijn liefde voor de schildering van stille, rustige landschappen (Idylle VII, XXII) en zijn teederheid, het sentimenteele kent hij niet. Zijn herders, zijn burgervrouwen zijn niet meer of minder dan lieden uit het volk. Het is hem om de werkelijkheid te doen. Hij wordt met eenig recht als Realist geprezen. De samenleving te ontvluchten, daarvan is bij hem weinig sprake. Aan de echtheid der herders van Vergilius moet éér getwijfeld worden. Hij en zijn tijdgenooten hulden zich hier in een masker van landelijken eenvoud. Tityrus (Idylle I), ook Menalcas (Idylle V, IX) is de dichter-zelve. Er wordt niet herdersch, maar hoofsch gesproken; over de aangelegenheden der voorname wereld niet zelden. Hier bekoort ons het Realisme van den voorganger niet. VERGILIUS is de voorganger dier latere dichters, welke hun eigen gewaarwordingen in den mond van natuurmenschen leggen.
Van den aanvang af heeft de Renaissance behagen geschept in de Ecloga der Romeinen. Reeds de geleerden aan het hof van KAREL DEN GROOTE had zij tot navolging uitgelokt. Nu werd zij een der meest geliefkoosde en meest beoefende genres. Als Vergilius was de Renaissance hoofsch. En juist dat mommespel, die Allegorie viel toenmaals in den smaak, werd kunst bij uitnemendheid geacht. Zelfs de voorloopers van het nieuwe geestesleven, waarin de middeleeuwen overgingen, hebben zich met de Ecloga bezig gehouden; ook DANTE liet zich niet onbetuigd: met den naam Tityrus treedt hij, over zijn Commedia handelend, in den herdersdialoog op. PETRARCA († 1374) en BOCCACCIO († 1375) volgden. Het is merkwaardig dat de realistische schrijver der Decamerone van zoo groote beteekenis werd voor de verdere ontwikkeling der herderspoëzie. Boccaccio verbond de Ecloga met het prozaverhaal. In zijn Ninfale d'Ameto schilderen zeven Nymphen voor den jager Ameto de lotgevallen hunner liefde en elk zingt haar Ecloga. Eigenaardig is het Platonisch karakter van dit werk. De Nymphe Fiametta verpersoonlijkt er de Platonische liefde, Ameto's ideaal. Herders echter zijn niet platonisch. Maar in de XVde eeuw wijdde men zich, 't meest in Florentijnsche kringen en te Rome, met ernst aan Plato's philosophie: zij tint ook de Litteratuur van die dagen en later. De Eclogen van BENIVIENI en BONINSEGNI getuigen ervan. Doch zuiverder dan elders wordt die boven 't louter zinnelijke verheven liefde in SANNAZARO'S Arcadia van 1504 gevierd. Deze Arcadia, navolging van Ameto, is het tweede meer uitgebreide prozawerk der Herderslitteratuur en wellicht het volkomenste. Idyllische mono- en dialogen besluiten zijn twaalf hoofdstukken. Sannazaro zelf treedt er als Sincero in op, zijn geliefde Carmosina Bonifacia als Amaranta. Groote vlijt is er aan de schildering van het landschap besteed. Zestig drukken in honderd jaren spreken duidelijk van den invloed dien de Arcadia, twee eeuwen lang, in Italië en daarbuiten, op de Idyllische poëzie heeft uitgeoefend. Zij is een overgang tot den Herdersroman geweest.
Tegen het laatst der XVde eeuw begon het Bukolische drama. De dialogische Ecloge was ietwat dramatisch. Een dramatisch tafereel is Theocritus' XVde Idylle: De Syracusische vrouwen op het Adonisfeest. Het ligt in den aard der zaak, dat de Herders het tooneel eenmaal betreden zouden. De oudste bekende Pastorale is POLIZIANO'S Orfeo ± 1480. Dat deze Orpheus tevens het eerste zangspel is, is niet maar toevallig. Het Bukolisme was een uitvloeisel van een hoogst subjectief gemoedsleven. De geheele Renaissance vertoont een sterk individualistisch karakter. Daarom heeft zij, hoewel het Epos als de hoogste kunst vereerend, toch geen eigenlijk Epos voort kunnen brengen. En ook in het Drama is zij niet gelukkig geweest, behalve--dat zij de vinder van twee nieuwe genres werd, beide lyrisch en muzikaal van aard: de Opera en de Pastorale. Pastorale en Opera nu vallen in hun oorsprong samen. Want de eerste Pastorale ± 1480 is een soort Opera en de eerste Opera, RINUCCINI'S Dafne, 1597 is een soort Pastorale: gedurende de XVIde eeuw was het Herdersspel een der voorloopers van het Dramma per Musica. Opmerkelijk dat in Spanje de eerste proef met muziek in het Drama genomen werd met LOPE DE VEGA'S gedramatiseerde Ecloge Selva sin amor.
In Orpheus speelt alleen het eerste bedrijf, een drietal kleine scenes, tusschen herders. Slechts los samenhangend met de voorgestelde mythe vormt het een spel op zichzelve,--deelt echter tevens zijn koloriet mede aan het geheel. Van dit eenvoudig begin af, ziet men de fabel steeds ingewikkelder worden. In de XVIde eeuw geraakte de Pastorale tot zelfstandig bestaan en allengskens tot hooge volkomenheid. De Poëzie vierde een harer schoonste triomphen in TORQUATO TASSO'S Aminta, 1573. Minder poëtisch, maar als drama, indien al geen volmaakt meesterstuk dan toch het beste wat de Bukolische Litteratuur heeft opgeleverd, is GUARINI'S Il Pastor fido van 1583. Met groote vrijmoedigheid gingen andere dichters bij Guarini en Tasso vrijbuiten: vooral gedurende de XVIIde eeuw, toen de Herder zijn rol ijverig bleef doorspelen. Geen geringe plaats beslaat dit drama in de Letterkundige Geschiedenis van Italië [2]. Over 't algemeen vertoont het eenzelfde karakter. Zijn oorsprong uit het gemoed verraadt het niet alleen in menigvuldig Koorgezang, in Canzonen, Eclogen en andere liederen: de taal in haar geheel is er muzikaal-lyrisch. Het zijn valsche herders en valsche herderinnen: het hofleven is er naar de vrije natuur verplaatst: de hoflieden met hun gewaarwordingen, gedachten en overleggingen, met hun zeden, hun glanzende en blinkende onzedelijkheid, hun epicuristische verfijning en onverholen zin voor en in het naakte, kleeden er zich in het eenvoudige gewaad van den herder. Tasso meldde in het werk zijner jeugd, zijn eigen edel, rein hart [3], en toch herkent men bij hem van bedrijf tot bedrijf de sfeer van het hof: ook hij was een kind van zijn tijd. Het allegorische van Vergilius' Ecloge bleef bewaard. Niet slechts schildert Tasso de omstreken van Ferrara. Sannazaro had zijne liefde in de Arcadia beschreven. Dit persoonlijke, dat de groote aantrekkelijkheid van den herdersroman der XVIde en XVIIde eeuw uitmaken zou, is ook eigen aan Aminta en Il Pastor fido. Carino is Guarini; Tirsis Tasso zelve. En toch was het Herdersspel een verheerlijking van dien Gouden Tijd, waarvan de Oude Wereld gedroomd had: toen men vrijwillig, zonder wet, het goede deed. Toch koos de Idyllendichter, zoo hij niet bij Theocritus op Sicilië, of in Italië bleef, tot zijn tooneel veelal dat oude landschap, bij de Grieken zelve vermaard om den eenvoud zijner zeden: dat landschap zonder geschiedenis, zonder wetenschap en zonder kunst behalve die der Muziek: Arkadië.
II.
Overal elders in het litterarisch Europa werd in de XVIIde eeuw het galante Herderdom door de hoogere standen met open armen ontvangen. Het verhaal dezer ontvangst is even pikant als dwaas. Vorsten en vorstinnen, gravinnen en graven vertoonden het Arkadisch bedrijf, op groote schaal, in het leven-zelf. Doch in Nederland heeft het Bukolisme niet tot bloei kunnen komen. Het was hier toenmaals een tijd van groote kracht: de tijd onzer manlijke rijpheid: een tijd van groote doeleinden, van durven en wagen. Wij stonden als mannen in ons Kalvinisme: ook wij hadden onze zege's op Spitskop. De natie was burgerlijk. Hecht was de grondslag van burgerlijke zeden, waarop het gebouw der Zeven Provinciën verrees. In zijn Houwelick (1625) heeft de veel gesmade, door slechts weinigen gekende CATS den codex neergelegd van het toenmalig huisgezin: het huisgezin, dat de maatschappij-zelve draagt. Een vonnis over Cats uit te spreken, is de XVIIde eeuw, de natie in haar besten tijd veroordeelen [4]. De samenleving nu, waar de wijsgeerige waarnemer zulk een wetboek uit putten kon, is noch zat, noch sentimenteel geweest. Zatheid en sentimenteelheid is willoosheid en verveling. Natuurlijke gezondheid is handelende kracht. Al heeft echter de Herderspoëzie bij ons niet willen tieren, toch neemt zij in onze Letteren een plaats in: de Renaissanceletteren waren internationaal, ondanks hun individualisme. Doch juist de geschiedenis der Bukolische Idylle te onzent bewijst, dat de Idyllische stemming ons in het Gouden Tijdperk vreemd was. Een Bukolische kleur draagt onze Litteratuur in de eerste dertig jaren der XVIIIde eeuw: hoe weinig heeft zij toen voortgebracht, dat, zich boven 't middelmatige verheffende, van genie getuigt, van oorspronkelijk, persoonlijk leven. Vóór 1650 heeft de Italiaansche smaak eigenlijk geen vat op onze dichters kunnen krijgen. Eerst in de tweede helft der eeuw begon men zich er mee in te laten: het nationaal karakter was toen aan het verzwakken. Zoo de Pastorale in de dagen van krachtigen bloei zelfs door een van Vondel's uitstekendste gewrochten vertegenwoordigd wordt,--de Leeuwendalers van 1647 is ook het meest nationale en meest realistische zijner drama's: de onvervalschte Pastorale echter is realistisch noch Hollandsch. En hoe was VONDEL tot het plàn van zijn Landspel gekomen? De Pastorale was overal elders ook allegorische Feest-vertooning geworden en een Landelijke Allegorie leek den Dichter de beste vorm om, heugelijk, dramatisch te vieren den vrede, die het glorierijk einde was van de rampzalige en beroerlijke tijden waarin het burgerlijke en landelijke Nederland zoolang gedompeld was geweest. Ook was RODENBURG er hem in voorgegaan de Pastorale op vaderlandsche zaken toe te passen, en dat beide stukken de personen en namen van Heereman en Vrederijck gemeen hebben, bewijst voldoende, dat Vondel deze proefneming gekend heeft [5]. Heel iets anders dan zijn landtooneel was ten jare 1634 de vertooning in KRUL'S Amsterdamsche Muziekkamer: de tijdgenooten hebben op het Romantisch Pastorel-Musgck-Spel. dat men hier opera-achtig opvoeren zag, weinig of geen acht geslagen. Eigenaardige beteekenis heeft de Angeniet van BREDERO, vijf jaren na zijn dood, in 1623 verschenen. Men mag dit stuk een zónderling soort van Pastorale noemen,--een Pastorale is het. De tegenstelling van oprechten eenvoud en verdorven beschaafdheid is er het thema. Een ongelukkige liefde had den realistischen schilder van het lagere volksleven indachtig gemaakt, hoe elders in Europa vele dichters hun teleurstellingen, hun liefdesmart in herdersdrama en herdersroman gewoon waren uit te klagen. Zoo stortte ook hij zijn hart uit over de practische lieden die penningen boven degelijkheid en talenten stellen, en geeselde er de ontrouwe coquette. Reeds in 1617 had de Trouwen Batavier van Rodenburg het licht gezien. De Leeuwendalers was ten deele aan Guarini's Pastor fido, voor een ander deel aan Tasso's Aminta ontleend. De Batavier is een navolging van den Pastor. Vondel's stuk echter speelt in Arcadië: Rodenburg kiest zijn tooneel in Batavia en stelt den tijd in den tachtigjarigen oorlog, omtrent 1595 kan men zeggen misschien. Wij vinden er ons in den Haag en te Leiden verplaatst. Desniettemin is Heereman hoogepriester van Diana en afstammeling van Hercules gelijk Zeegheer van God Pan. Het is mogelijk dat de dichter (men kent hem er voor) de ongepolijste klucht langs dezen weg wou tegenwerken. Dit was dan een misrekening: het stuk is al te zonderling.
Wij handelen nu niet over vertalingen van Herdersromans en van Theocritus' en Vergilius' Eclogae, niet over HEEMSKERK'S didactische Arcadia of over gedichten als HUYGHEN'S Uytlandige Herder, waarin hij-zelve bespiegelingen over zijn vaderland houdt, noch over het liedboek en de Herderszangen bij Heinsius, Hooft, Cats, Beaumont, Starter, Vondel en anderen. 't Eene noch 't andere zou de stelling omver stooten, dat onze Letteren in hun besten tijd alles behalve Bukolisch geweest zijn.
Als Cats' Pastorale van de Koningklijcke Harderin Aspasia wordt meegeteld, dan ontbreekt op onze boedellijst, wellicht, nog slechts de Granida. Zij is van 1605 maar werd in 1615 gedrukt, en juist dit jaartal is voor ons betoog van belang. Granida is uit de jaren van onze litterarische voorbereiding en wordt met recht een vrucht van HOOFT'S liefde voor Italië genoemd. Rodenburg noemt den Batavier een "zestien-jaren-verleden-tijd-verdrijf" en dit voert ons almede naar het begin der eeuw terug: ook hij had vroegtijdig in het buitenland, toen aan het Hof van Elizabeth in Engeland, verkeerd. Een kleine halve eeuw ligt tusschen de Leeuwendalers en deze oefeningen. Wat bracht Hooft echter tot de ùitgave van zijn stuk? Daarvan legt hij rekenschap af in het in handschrift gebleven voorbericht [6], dat hij er eerst aan toe had willen voegen. Buiten des auteurs weten had men zijn Achilles en zijn Ariadne voor den dag gehaald en krielend van fouten in 't licht gezonden. Hetzelfde lot dreigde het herdersspel. En dit dwong hem "om te gedooghen, dat men 't liever wtgaeve soo slecht als 't was, dan heel bedorven; hoe seer het hem ook tegens de borst stiet". Zoo is het schijn, dat in 1615 het onnationale genre in den smaak kwam. Of is het niet opmerkelijk dat juist vlak na Granida Rodenburg zijn Batavier weer ter hand neemt en uitgeeft (1617), zijn half-vergeten proeve [7], Bredero den Angeniet opzet [8] en in 1618 de eerste vertaling eener Italiaansche Pastorale, door Mr. G. VAN DER EEMBD verschijnt en wel juist van Guarini's Getrouwen Herder, waarmee de Granida annex was [9], dien de Batavier nagevolgd had? In drie jaren op eenmaal vier stukken. Tot 1647 duurt het dan niettemin met Vondel's Landspel (Krul's stukken zal niemand hier mee laten doen): men was dus niet voortgegaan op den ingeslagen weg. Alleen in 1646 een tweede vertaling van den Pastor [10]: de vier nog volgende vallen later, en met Tasso's Aminta duurde het tot 1660, later door nog drie vertalingen gevolgd. Blijkbaar is Rodenburg door het voorbeeld van Hooft indachtig geworden, dat ook hij nog iets in de lade had: hij gaf gaarne uit. Beider voortbrengselen dateerden van een vroegeren tijd en waren aan het verblijf der dichters in Italië en Engeland te danken. Bredero liet zijn wraak weer varen en de uitvoering van zijn plan verbleef aan zijn vriend Starter. Zijn Angeniet is niet uit letterkundige liefde tot het genre-zelf ontstaan. [11] En de Leeuwendalers? Wat Vondel op het denkbeeld bracht, hebben wij aangeduid en zijn drama viel niet Italiaansch maar Hollandsch uit.
III.
Het handschrift der Granida draagt den datum 1 Maart 1605. Om dit vroege jaar moet het stuk met groote belangstelling worden begroet. Er was toen eigenlijk nog geen Nieuw-nederlandsche Litteratuur; zij verkeerde in hare voorbereiding. Geen der andere mannen van onze Letteren kon nog toonen, wat hij worden zoude. Vondel was achttien, Huygens nog geen negen jaar. Maar reeds had Hooft (geb. 1581) zich gezet tot het bewerken van het eerste drama dat, los van alle Rederijkerij, inderdaad modern mocht heeten. Hij opende de toekomst van het drama. Reeds waren liederen uit zijn pen gevloeid, die wedijveren met het beste dat eenig volk ooit gezien heeft. Het Herdersspel moet nog voleindigd worden, als de dichter begint met zich een gedenkteeken op te richten, duurzamer dan metaal: een gedenkteeken van zijn vroege rijpheid en de manlijke kracht van zijn talent. Vóór de Eeuw van FREDERIK HENDRIK daar was, had hij in zijn Lyrische Poëzie al van het hoogste bereikt, dat de kunst daarna bereiken mocht: een onwaardeerbare schat, waarin het vroegste waardig nevens het latere prijkt. In zijn eerste gedichten gaf Hooft niet slechts beloften: hij was van die weinigen, welken het, met veel stillen, ernstigen geestesarbeid, gegund is zoo jong een meester te zijn. [12]
Hoofts letterkundige arbeid onderscheidt zich eigenaardig en scherp, ondanks wezenlijke punten van overeenkomst, niet enkel van Huygens, ook van Vondel. Vondel en Huygens, ook Cats in een aantal opzichten, zijn vertegenwoordigers van de nieuwe beschaving die op de middeleeuwen gevolgd is en in Italië begon, voortgekomen ten deele uit de herleving van de Klassieke Litteratuur en haar geest. De Nederlandsche Letteren der XVIIde eeuw zijn in veel opzichten echt nationaal. De ijverig Katholieke Vondel en de gematigd Calvinistische Huygens zijn noch Italiaansch, noch copieën van de Ouden. Het is Nederlandsche Renaissance. Maar Hooft heeft een kleine Litteratuur opzich-zelve voortgebracht. Daarin uit zich een gemoeds- en geestesleven, dat veelszins vreemd was aan de natie. Hooft alleen geeft ons een denkbeeld van de Italiaansche Renaissance, van een Renaissance tevens, die in veel wezenlijk Antiek is. [13] Hij is, hoezeer tegelijkertijd een degelijke Hollander, een type van een Renaissancemensch; bijna, denkend aan de ondegelijkheid van zijn zuidelijke geestverwanten, zeiden wij: een model--om zich aan te spiegelen. Het is, in zijn algemeen Humanisme, symbolisch voor hem, dat hij, zoomin als zijn vader, tot een kerkelijke gemeenschap behoord heeft. Het Calvinisme noch de Schrift, als levensboek, trok hem aan. Hij gevoelde zich beter thuis in het gezelschap van Petrarca en Ronsard. Hij was minstens even zedelijk als wij; voor 't overige had hij Italië lief en was op zijn wijze Italiaansch. Dit was hij zonder tegen zijn natuur in te gaan. Hij deed dit ook niet in zijn geschriften. Hij bootste niet na. Het Zuiden heeft hem aan zichzelf ontdekt, hem opgewekt, hem sterk gemaakt en gevormd. Ook aan Frankrijk heeft hij verplichtingen, maar in de Italiaansche Letterkunde zag hij het ideaal bereikt--een Letterkunde de Oudheid waardig gesticht in de taal van de eigen natie. Italië was zijn eigenlijke school. [14]
Het is Hooft, die te onzent, gelijk het in Italië geschied was, naar de modellen der Oudheid, een nieuwe Geschiedbeschrijving toepast, die de schoonheid met de waarheid vereenigen wil en pragmatischen samenhang verlangt. Latijnsche schrijvers hadden op uitstekende wijze den Brief beoefend. De eerste geesten van Italië vatten die Epistolographie wederom ijverig op. Hooft is het, die bij ons, met hen, zijn Hollandsche brieven den eisch stelt van kunstwerken te zijn. Als de Renaissancemannen van den goeden tijd streeft hij bovenal naar de preciese en aanschouwelijke voorstelling zijner gedachten en gewaarwordingen. Hem spreekt het van zelf, dat zijn Lied, als zijn Sonnet, rijk van gedachte moet zijn en de eenheid van aanschouwelijkheid en juistheid de schoonheid-zelve is. Al zijn Lyrische poëzie verraadt de edele eerzucht van den geroepen kunstenaar, die scheppen wilde, en scheppen kon.