Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte

d. Een voorbereider van betere tijden, doordat hij zijn eigen tijd

Chapter 511,398 wordsPublic domain

hervormt.

e. Hij bedriegt zichzelf; is derhalve niet iemand, die geheel verantwoordelijk is voor het verkeerde dat hij doet; er is geen opzet in 't spel. Zijn handelingen zijn niet goed, maar verschoonbaar.

f. De schildering van het Westersch Khalifaat.

Dit gedeelte munt uit door bizondere schoonheid en geen wonder, Da Costa moest het hoogtepunt van den Islam voorstellen als iets buitengewoons. We trekken immers onwillekeurig de conclusie: hoe schoon moet het duizendjarig rijk zijn dat den bloeitijd van het Mohammedaansche rijk verre overtreft.

Hoe dichterlijk is de vergelijking aan 't slot:

"De Christenvolken slapen Hun middeleeuwschen slaap. 't Is nacht. Maar juist die nacht Beheerscht de Halvemaan met heel haar sterrenwacht."

g. Beschrijving der Kruistochten.

Op de kern van dit gedeelte is zoo even reeds gewezen: de oorzaak van 't mislukken der kruistochten. We willen thans alleen wijzen op de meesterlijke wijze, waarop Da Costa de gevolgen van deze tochten in enkele regels aangeeft:

"Der talen sleutel weêr--, de Drukkunst uitgevonden, De Schrift der waarheid van haar windselen ontbonden, Het Woord des levens op het aardrijk wijd verspreid, Van 't aardrijk te gelijk de grenzen uitgebreid."

h. De beschrijving van 't Duizendjarig Rijk.

De beteekenis hiervan is boven eveneens reeds in hoofdzaken uiteengezet; nu nog een enkele opmerking. Da Costa zegt dat "Ismaël eens diep den schedel zal buigen voor Izaäk" en brengt dan twee bewijzen aan, waaruit blijkt dat de Arabieren in den loop der tijden bewezen hebben zich aan de nakomelingen van Izaäk te willen onderwerpen: het bezoek der Koningin van Scheba aan Salomo, en de huldiging van 't kind Jezus door de drie Koningen.

Let ten slotte op de woordkeuze in 't laatste gedeelte: de dichter geraakt zoo in extase, dat hij zijn gedachten niet meer geregeld kan uitdrukken, hij doet het in onvolledige, afgebroken zinnen.

i. De bekeerde Hagar.

Ook de trotsche Hagar vernederde zich eindelijk. God sprak tot haar: "de hoogten vielen neer" en voor Sara's voet ging zij haar "dwazen trots bekennen."

[Critiek van Potgieter.] Men leze nu de onderstaande verzen, door Potgieter in zijn "Isaäc Da Costa" aan Hagar gewijd en merke op, hoe juist deze dichter en criticus de hoofdbedoeling van 't gedicht heeft aangegeven.

"O Zoon van het Oost, die de zengende stralen Gebiedt, en wij zien en ons schroeit de woestijn,-- Wat weelde met Ismaëls moeder te dwalen, Die moeder van tallooze volken zal zijn! 't Penseel wijkt beschaamd voor uw schild'ring van smarte, Geen beitel, die treffender boetlinge geeft, En tusschen die beide, voor hoofd en voor harte, Wat hymne, die de eeuwen verklarend doorzweeft!

POTGIETER ALS CRITICUS.

[Potgieter en De Gids.] De namen Potgieter en De Gids zijn onafscheidelijk verbonden; Potgieter wordt eerst een man van beteekenis als hij een eigen tijdschrift tot zijn beschikking heeft, waarin hij zijn literaire ideeën kan uitwerken.

[Het prospectus.] Al dadelijk in het prospectus door den uitgever Beijerinck in 1836 de wereld ingezonden, en door Potgieter zelf opgesteld, blijkt, wat het doel van het tijdschrift zal zijn. Het zal in de eerste plaats critisch zijn, er zal front gemaakt worden tegen onbenullige critiek. "De klachten over bekrompenheid van oordeel en de partijdigheid van strekking; over de traagheid en nalatigheid, waarmede de in Nederland het licht ziende boekwerken worden beoordeeld, zijn algemeen." Van het toen toonaangevende tijdschrift, de Vaderlandsche Letteroefeningen wordt gezegd: "Inderdaad de letteroefenaar vertoonde sinds lang het karakter van den knorrigen grijsaard, die onverzettelijk aan eenmaal aangenomen begrippen vasthoudt; het schoolboek, waaruit hij leerde, het beste ter wereld schat; ongaarne op zestigjarigen ouderdom nieuwe zeden en gewoonten huldigt, en zelfs zijne kleederen nog de smakelooze, ouderwetsche snede laat behouden, welke men in de eeuw der staartpruiken en haarzakken fraai vond. Zoo enkele uitzonderingen een regel bevestigen, zoo gelde zijn gedurig plooijen naar de staatkundige begrippen van den dag, en zijn niet minder aanhoudend, maar lafhartig vleijen der Hollandsche eigenliefde, ter bekrachtiging der opgeworpen stelling!"

Het doel van 't nieuwe tijdschrift wordt aldus omschreven: "Schadelijke grondbeginselen te bestrijden, jeugdige vernuften den regten weg te wijzen, groote talenten naar waarde te huldigen, ziedaar zijn doel: De spiegel der waarheid, waarin hij alle voorwerpen wenscht terug te kaatsen, zal duidelijk toonen, wie in een werk de overhand hebben, de schoonheden of de gebreken; en dit alleen de middelen bepalen, welke hij bezigen moet.... De Gids wil noch in het staatkundige, noch in het godsdienstige, noch in het letterkundige als partijganger optreden, hij begrijpt geene vrijheid zonder eerbied voor ieders verdedigbare meening, geen streven naar waarheid wanneer hij eene banier, van de zijne verschillende, den weg naar hare tempel zou willen versperren.... Het tijdschrift is uit zijn aard en doel en strekking Nederlandsch.... geen bekrompen vaderlandsliefde zal echter den Gids weêrhouden, bij wijlen eenige der schoonheden, welke vreemde grond mocht aanbieden, mede te deelen, overtuigd dat in het gemeenebest der letteren geen volkshaat denkbaar is."

[Doel van De Gids.] Volgens Potgieter zelf zal dus het doel van 't nieuwe tijdschrift het volgende zijn:

1. Onpartijdige critiek.

2. Bestrijding van het slechte.

3. Vereering van groote talenten.

4. Jeugdige schrijvers het rechte spoor te wijzen.

5. Waarheid als grondslag van elke critiek.

6. Humaniteit jegens andersdenkenden.

7. Echt Nederlandsche richting.

8. Geen chauvinisme, maar waardeering van 't geen het buitenland goeds oplevert.

We zullen thans aan de hand der verschillende critieken nagaan of de Gids woord gehouden heeft en tevens uit deze beoordeelingen meer in bizonderheden het doel en de grondslagen van deze critiek trachten op te sporen.

[Doel der critiek.] Het doel van Potgieters critiek is verheffing van de Nederlandsche kunst en van het Nederlandsche volk.--Zeer mooi heeft hij zelf de strekking er van aangegeven in zijn beoordeeling van Huygens' Cluyswerk waar hij over de miskenning klaagt, die een recensent zoo dikwijls ondervindt. "Doe wat ge wilt," zegt hij daar, "doe wat ge wilt, ge zult toch den laster niet ontgaan," hebben wij dikwijls in onze gedachten de redactie van De Gids toegeroepen, wanneer wij haar in het afbreken en in het opbouwen evenzeer hoorden verketteren. Het beginsel waarvan zij bij beide uitging, was hetzelfde, waaraan wij ons volksbestaan, onzen volksrijkdom, onzen volksroem, onze volksdeugden verpligt zijn; het is het streven naar degelijkheid, het woord, dat de lofspraak onzer vaderen in zich sluit. Aangespoord door de overtuiging, dat er geen kwaad in het land is, hetwelk niet aan de verdooving van dat levenwekkend beginsel te wijten valt,--opgebeurd door het vertrouwen, dat er bij ons volk nog kracht genoeg schuilt, om zich op de hoogte zijns tijds te handhaven, mits die sluimerende vonken worden opgerakeld en aangeblazen, spiegelde zij ons beurtelings ter beschaming en ter opwekking, de glorierijkste dagen van ons gemeenebest af. Vreemd aan de vergoding onzer voorouders, ten onzent verschoonbaar in de dagen der Fransche heerschappij--want wie staart uit den nacht der schande niet gaarne de zweem van luister aan, die nog aan de kimmen van het verleden wijlt, schoon er meer verwachting is van het berouw, dat in zijne ellende aan zijne zonde gedenkt?--vreemd aan dien vergodingsgeest, maar zelfbewust door het besef, vanwaar wij zijn uitgevallen, wees zij ons, waar het ijver voor kennis of liefde voor kunst gold, waar sprake was van omvang van studie of kracht van stijl, waar schrijvers en dichters naar stoffe en beelden omzagen, op de gulden eeuw van Frederik Hendrik. Dank zij ons volk, dat zij sympathie vond voor haar doel,--schoon zij der laster niet ontging! Zoo dikwijls zij afbrak--en haar beginsel dwong er haar meermalen toe, en wij zouden de waarheid geweld aandoen, wanneer wij ontkenden, dat de moker der critiek bijwijlen hard op het middelmatige is neergevallen, dat hij menig bolwerk heeft omgehaald, waarachter zich aanmatiging en verwaandheid vrij waanden--zoo dikwijls hoorden wij den kreet opgaan: "De man is toch zoo braaf!"--of: "Hij geeft zooveel aan den arme!"--of: "Wanneer gij wist hoe wèl hij het meende!" En of het zijne meening, zijne menschlievendheid, zijn burgerlijk karakter had gegolden, en niet zijn werk; ondegelijke, onverstandige, onware beschouwing van den pligt der critiek! Zoo vaak zij opbouwde--en wijs mij een letterkundig tijdschrift ten onzent, dat met hare warmte prijst wat het bewondert, dat als zij de waarde van dien lof verhoogt, door den schrijver of dichter de gave toe te kennen iets nog beters te kunnen leveren, dan hij aanvankelijk schonk--zoo vaak hoorden wij de opmerking maken: "Och, die zeventiende eeuw!"--of: "Het was ook niet alles goud, wat toen blonk!"--of: "Wanneer die modellen nu leefden, het zou wel anders luiden!" Wij verheugen ons, door de uitnoodiging een woord over het Cluys-werk van Huygens bij te dragen, in staat te zijn het laatste te logenstraffen."

De aanhaling is lang, maar ze was noodig, omdat in deze bladzij de voornaamste grondslagen van Potgieters critiek liggen opgesloten, omdat hij zelf hierin heeft aangegeven door welke middelen hij zijn doel hoopt te bereiken. De voornaamste dezer middelen wenschen we thans achtereenvolgens aan te geven en te bespreken.

[De 17e eeuw tot voorbeeld.] I. De 17e eeuw wordt door Potgieter steeds als een ideaal vol kracht en schoonheid aan zijne tijdgenooten voorgehouden, de roem der voorvaderen moet den nazaat eenerzijds prikkelen tot daden, dat voorgeslacht waardig, aan den anderen kant hem zijn zwakheid en krachteloosheid leeren inzien, want dan eerst is verbetering mogelijk.

In bijna alle critieken straalt dat beginsel door. Reeds Loots werd geprezen, omdat hij voortdurend wees op dat volschoone verleden, omdat hij naar zijn vermogen die groote meesters trachtte te volgen en te waardeeren. Hij "vergeleek beurtelings, in meesterlijke trekken, het laffe tegenwoordige met het schitterend verleden" en bestraft zijn tijdgenooten, die in dagen van schande schaamteloos durfden feestvieren, alsof niet de vaderen minachtend op zulk een verbasterd kroost neerzagen. En Staring! hoe wordt niet zijn liefde voor de gouden eeuw geprezen; de criticus stelt hem daarom zelfs ten voorbeeld aan anderen. "Wij wenschten dat onze jeugdige dichters, zooals Staring deed, de poëten der zeventiende eeuw bestudeerden; hunne werken getuigen van eene verstandige, opgeruimde, kloeke levensbeschouwing, die wij ongaarne in de geschriften onzes tijds missen." Mejuffrouw Toussaint, die in navolging van Scott de graaf van Devonshire had geschreven, wordt er op gewezen, dat daar niet haar weg ligt: de burgers der 17e eeuw, de mannen die Nederland tot grootheid voerden, dat zijn de ware helden voor een Nederlandschen roman. "Mejuffr. T. gevoelt, schoon zij het misschien niet begrijpt, dat onze historie niet de personaadjes oplevert welke zij behoeft; groot in dien romantischen, hier niet geheel Walter Scottschen zin, waren eigenlijk de eerzame burgers onzer republiek nooit. Maar dat de lauwer, die het hoofd zal omkransen, van wie de poezij, welke er in onze eenvoudiger toestanden ligt, aanschouwelijker zal weten te maken, niet frisscher, benijdenswaardiger, duurzamer zal zijn dan de lof voor een aardig tafereel van riddermoed of hofintrigue, vaak en aan velen bedeeld: wie loochent het?"

In dezelfde beoordeeling wordt het betreurd dat Van Lennep zich eveneens te veel overgeeft aan navolging van Scott, en zich niet toelegt op schildering van echt Hollandsche toestanden. "Indien hij zich de helft der studie, welke hij der middeleeuwen wijdde, voor onze zeehelden, onze handelaars, onze Staats- en Prinsgezinden, getroost had, hoeveel verdienstelijker zoude zijn populariteit, hoeveel duurzamer de vermaardheid zijner schriften zijn!"

Zijn allesoverheerschende bewondering voor dien geliefden tijd van Frederik Hendrik heeft Potgieter uitgesproken in de critiek van Huygens' Cluyswerk, het geheele artikel is bijna éen doorloopende lofspraak op die glansperiode uit onze geschiedenis, zoo zelfs, dat de schrijver onwillekeurig eenigszins partijdig is geworden. Huygens, "een degelijk, een geheel, een waar man," is voor hem de incarnatie van de 17e eeuw, alle goede eigenschappen welke Potgieter aan dien tijd toekent, draagt hij--en meestal niet ten onrechte--over op Huygens en juist daardoor wordt dat beeld te idealistisch en dus onwaar. Vooral blijkt dat, als de bewondering ook overgedragen wordt op de verzen: Potgieter eert den dichter om den mensch, een stelling, die hij anders steeds verre van zich werpt.

[Nationale kunst.] II. In verband met het voorgaande eischt Potgieter van ieder schrijver, dat hij nationaal, echt Hollandsch zij.

Dit echt Nederlandsche prijst hij in Staring en Huygens, "die altijd Hollander was," hij waarschuwt Van Lennep: de middeleeuwen, de riddertijd is voor ons niet het nationale; mej. Toussaint, die Scott navolgt, moet op den rechten weg gebracht worden: "een waarlijk Nederlandsche roman, door een vrouw van haren aanleg, na ijverige studie, geschreven, zou, verbeelden wij ons, een uitnemend werk zijn,"--van de Pastorij te Mastland wordt gezegd: "En echter wij durven onzen schrijver opgang beloven; Hollandsche toestanden, met een Hollandsch hoofd gedacht, met een Hollandsch hart gevoeld, vinden nog sympathie."

[Geen chauvinisme.] III. Die zin voor 't nationale, de ware vaderlandsliefde, mag nooit tot chauvinisme worden. In het prospectus van de Gids werd het "lafhartige vleien der Hollandsche eigenliefde" scherp gelaakt, en nooit zal men Potgieter kunnen beschuldigen van een dergelijke handelwijze; hij durfde ook Nederlandsche kunst, als die ons land onwaardig was, openlijk en luid afkeuren. "Wij hebben een afkeer van de bekrompene nationaliteit welke het voortreffelijke loochent, dewijl het uit den vreemde komt, en het gebrekkige opvijzelt, omdat het inheemsch is," zoo zegt hij in een artikel over "De kopijeerlust des dagelijkschen levens" en uitgaande van dat beginsel spreekt hij een vernietigend vonnis uit over een bij uitstek Nederlandsche onderneming: De Nederlanden. Karakterschetsen, kleederdragten, houding en voorkomen van verschillende standen, of zooals Potgieter het uitdrukt: de Nederlanders dus, naar lijf en ziel. Kort en krachtig is het oordeel, dat zeer zeker niet van chauvinisme getuigt: "Stook een vuurtje van krullen onder de schetsen, goed hout zijn ze niet waardig!"

Van zoo iemand is het te verwachten, dat hij ook het goede in de vreemde letterkunde zal waardeeren, geen wonder dus dat Potgieter steeds aanspoort tot bestudeering van 't schoone, dat de buitenlandsche literatuur te genieten geeft. Als volgende eisch van zijn critiek noemen we daarom:

[Studie van buitenlandsche werken.] IV. Bestudeering van de buitenlandsche letterkunde om daardoor de inheemsche schooner en krachtiger te doen worden.

In zijn eerste critiek, een beoordeeling van de Verzameling van Voortbrengselen van Uitheemsche Vernuften, die in de Vriend des Vaderlands van 1833 verscheen, prees Potgieter de onderneming, welke ten doel had: "ons in de Poëzij voor de eenzijdigheid te bewaren, welke den dood der kunst tengevolge heeft."

In 1837 kende hij reeds de belangrijkste schrijvers uit het buitenland en had zich ook een oordeel omtrent den toestand der literatuur in Engeland en Frankrijk gevormd. De invloed der Duitschers is in de eerste gedichten niet te miskennen, de neiging tot het sentimenteele, welke in die verzen te bespeuren is, moet voor een goed deel daaraan worden toegeschreven, zooals Potgieter trouwens zelf in zijn Leven van Bakhuizen erkent, waar hij zegt: "Als de meeste eerstelingen waren zij, wat de manier betreft, navolging: Feith had mij voor de vroegste tot model gestrekt, vervolgens was ik bij de meesters onzer oostelijke buren school gegaan...." De reis naar Zweden breidde zijn kennis bovendien uit over een geheel nieuw en tevens rijk veld der literatuur, waarvan Potgieter later ruim gebruik maakte.

Hoezeer de criticus ijvert voor 't bestudeeren der buitenlandsche literatuur, toch wijst hij er nadrukkelijk op, dat dit nooit mag ontaarden in een klakkeloos navolgen; wel moet de kunstenaar het goede uit den vreemde waardeeren en voor zoover 't met het nationale strookt ook overnemen, maar steeds moet hij trachten op zijn werk een eigen cachet te drukken; steeds moet hij oorspronkelijk blijven. In Potgieters critieken keert dan ook telkens de eisch terug:

[Oorspronkelijkheid.] V. Wees oorspronkelijk.

Drost, die veel invloed op de vorming van den jongen Potgieter heeft gehad, ijverde steeds voor oorspronkelijkheid en wees zijn vriend met nadruk op die eigenschap omdat deze op weg was "in Franschen geest" te gaan werken. In dit opzicht had Drost zeker geen beteren volger kunnen wenschen; niemand heeft meer dan Potgieter dit beginsel hoog gehouden. Zijn ideaal was ook hier weer Huygens: "Constantijn levert een der treffendste voorbeelden op, dat ware oorspronkelijkheid ook onder de veelzijdigste beschaving niet te loor gaat."--Vervangen we hier den naam Constantijn door dien van Potgieter, dan blijft de zin even waar als zooeven: veelzijdig beschaafd en toch oorspronkelijk, dat is zijn hoofdkenmerk als dichter en prozaïst. Alles wat hij geschreven heeft, draagt zijn stempel, men behoeft slechts enkele regels te lezen, of men herkent dadelijk zijn stijl, zijn taal, zijn denkbeelden. In bijna alle critieken herhaalt hij dan ook den eisch: wees individueel, wees u-zelf. In den Vriend des Vaderlands van 1835 bij een beoordeeling van: Keur van Scherts en Luim, door onderscheidene Nederlandsche Dichters, hooren we 't reeds. Potgieter bespreekt daar: Lof der schoonen en bij mijne Aanteekening als Bruidegom van A Sifflé en keurt het vers af, want--zegt hij--"Een aangeteekende Bruidegom is een alledaagsche situatie, ik geef het u toe, maar, mijn Hemel! waarom moet er een vers op gemaakt, zoo men niet oorspronkelijk weet te zijn, als Van Lennep het was bij een diergelijke gelegenheid!"

Loots werd vooral geprezen, omdat hij nationaal en oorspronkelijk was; de 18e eeuw noemde Potgieter de eeuw der "belachelijke navolgingszucht," de dichtgenootschappen berispten den jongen kunstenaar en keurden zijne verzen af, "hij is oorspronkelijk, waarom zoude hij niet navolgen als wij?" Dat wenschten ze.

Staring is een van Potgieters lievelingsdichters, hij de Geldersman, de Nederlander in hart en nieren, heeft door de hem eigen kernachtige wijze van zeggen, "door zijne veelzijdige beschaving en ware oorspronkelijkheid," het hart van den criticus gestolen; deze juicht als de gedichten van den heer Van den Wildenborch ten tweeden male gedrukt worden, 't is voor hem een bewijs, dat er vooruitgang te bespeuren is, dat individualiteit op prijs wordt gesteld.

Hasebroek, die volstrekt niet doorloopend geprezen wordt, stelt Potgieter toch vrij hoog, en wel vooral wegens zijn oorspronkelijkheid; van Beets' José wordt gezegd: "José scheen ons een geniale eersteling. Zijn gebreken wogen misschien tegen zijn schoonheden op, maar de eerste waren nagevolgd, de laatste oorspronkelijk", en juist daarom is er hoop voor de toekomst; mejuffrouw Toussaint, die in den Graaf van Devonshire Scott volgde, wordt gewaarschuwd, dat ze niet op den goeden weg is: enkele bladzijden uit den roman getuigen, dat zij niet behoeft na te volgen. "Waarom," vraagt Potgieter haar welmeenend, "waarom toch navolgingen geleverd, als men zoo goed oorspronkelijk schrijft!"

Ten Kate ontvangt een dergelijke, maar veel scherpere waarschuwing: "Het deert ons, dat iemand, bedeeld met een zoo veel belovend talent, als dat van Ten Kate, bij zijn optreden in onze letterkundige kringen scheen, ondanks allen raad, naar geene ontwikkeling van wat er oorspronkelijks in hem schuilt, streeft," zegt Potgieter in zijn bekend artikel over "de Kopijeerlust des dagelijkschen levens," een zevental schetsen van Ten Kate besprekende. Veel hooger stelt de criticus in diezelfde beoordeeling een schetsje van den onbekenden G. H. Clemens, alleen omdat deze wel zichzelf is. "Het scheen ons, dat de oorzaak van zijn opgang in het talent school, waarmede hij van zijne individualiteit partij trok."

En Klikspaan: "courage monsieur," roept Potgieter hem aanmoedigend toe, "courage monsieur, voilà de l'originalité!" Beeloo wordt geroemd, omdat hij een "oorspronkelijk lierdichter is"; op Busken Huet eindelijk wordt de bekende versregels van Alfred de Musset toegepast: "Mon verre n'est pas grand, mais je bois dans mon verre," en, voegt Potgieter erbij: "Daarop komt het aan; dat doet leven!"

We besluiten onze bespreking van dit gedeelte met een aanhaling uit de critiek op Huygens' Cluyswerck, waarin het geheele streven van Potgieter in enkele woorden is samengevat: "Wedijveren met den vreemde,--geen navolging van deze--moet ons doel zijn! Waardeering, ontwikkeling, volmaking van hetgeen er oorspronkelijks in ons schuilt, och of zij de plaats verving van gehuichelde geestdrift, die slechts tot naäperij leidt!"

Juist omdat Potgieter wenscht: Wedijver met den vreemde, doch geene navolging, is hij geen beslist aanhanger van de romantiek, maar evenmin een volgeling van Bilderdijk en zijne school. We stellen daarom als volgend kenmerk:

[Nieuwe nationale letterkunde.] VI. Potgieter is nòch een aanhanger der romantiek, nòch een volgeling van Bilderdijk, maar wordt de stichter van een nieuwe nationale letterkunde.

In een paar zinnen heeft hij in de beoordeeling van den Graaf van Devonshire zijn standpunt uiteengezet. "Wij weten niet," zegt hij, terwijl hij zich afkeurend uitlaat over de ophemeling van Van Lenneps geschiedkundige romans, "wij weten niet wat gevaarlijker is, òf deze maatstaf voor onze romantiek, òf de onoordeelkundig aangeprezen navolging van Bilderdijk voor onze poëzij. De eerste overlaadt ons met kopijen van kopijen, de laatste bedreigt ons met overvloed van klinkende woorden, bij armoede van gedachten; beide weren alle zelfstandige ontwikkeling van het talent, dat er in onze jeugdige schrijvers schuilen mogt."

Daarom waarschuwt hij telkens Van Lennep, hij tracht dezen te brengen tot de 17e eeuw, maar het gelukt niet; bij Mejuffrouw Toussaint slagen dezelfde pogingen beter. Byroniaansche zwartgalligheid wordt gecritiseerd: "Levensmoeheid in de jaren, waarin men levensbloei verwachten mogt, eene negatieve rigting, die eindigt met ook over zich zelven onvoldaan te zijn.... valt in 1838 de studie van dien dichter nog aan te bevelen? Laat men ons veroorloven er zedig aan te twijfelen; misduide men het niet, wanneer wij er onze jeugdige dichters voor waarschuwen."

Het grillige, akelige en doellooze in de romantiek wordt eveneens bestreden; hij wenscht motiveering van de handeling, niet een louter heerschen van 't toeval. Tegen deze overdrijving van een in vele opzichten goed beginsel waarschuwt hij ernstig in de beoordeeling van Beets' Guy de Vlaming. Hij zegt hieromtrent het volgende: "Een woord over het akelige, eer wij voortgaan. Verstaat gij door akelig een wereld bij toeval ontstaan, met wezens bevolkt, die onderling de grilligste tegenstelling opleveren, als Quasimodo, de Esmeralde en Claude Frollo b.v., waarin, om eene treffende verwarring te doen plaats grijpen, een bruiloftsstoet een lijkstaatsie overrijdt;--waarin dat erger is, zoowel de tuchtigende roede van de Nemesis der Ouden, als het Alziend oog onzer Voorzienigheid ontbreekt, en even teugellooze als redelooze driften aldus heerschappij voeren; neen, elkander doelloos bestrijden;--noemt ge die wereld de wereld der Romantiek, ik zal met u uitroepen: "horrible, horrible, most horrible!" En iets verder: "Een rustiger tijdperk is aangebroken, het gewone leven is weer prozaïscher; al wie idealiseert vindt een luisterend gehoor. Wij keurden daarom de gruwelen in José af, wij prijzen in Kuser het overwigt der vrouwen, het weinig feitelijke van den moord;--hoe verdedigen wij dan het sombere van Guy de Vlaming?"

Potgieter heeft dus tegenover de Romantiek zijne gewone wijze van doen gevolgd: wat hij in dit voortbrengsel van vreemden bodem goed vond: de dichterlijke taal, de stoute beeldspraak, de kracht waarmee de dichter door zijn overtuiging wist uit te komen, in 't algemeen gezegd het verjongende element, heeft hij gewaardeerd en geprezen, maar voor overdrijving, die hem schadelijk voor den bloei onzer letteren voorkwam, meende hij te moeten waarschuwen. Mede door zijn critiek en door zijn besliste afkeuring van 't geen hij in de romantische richting verkeerd vond, heeft deze beweging nooit een zoo hooge vlucht genomen, als in andere landen het geval is geweest. Tegenover de sombere, dweepzieke romantiek der middeleeuwen stelt Potgieter onze kerngezonde 17e eeuw. De letterkundige heeft volgens hem een hoogere roeping dan 't uitwerken van allerlei fantasieën; zijn doel is niet de prikkeling der zenuwen van de lezers, niet louter vermaken, maar verbeteren. "Dubbele tanden moeten uitgetrokken." Vandaar dat Potgieter wel wenscht realisme, maar gezien met de oogen der liefde, met oog voor 't schoone. Hij wil de dingen niet zien zooals ze precies zijn, maar zooals hij wenschte, dat ze waren. Potgieter is idealist, dat getuigt bijna ieder zijner werken. Men neme eens het Leven van Bakhuizen in handen en zie dan hoe hij alles wat daarin beschreven is, heeft aangeraakt met den tooverstaf van zijn idealisme.

Als een volgend kenmerk van zijn critiek kunnen we dus vaststellen:

[Idealistisch realisme.] VII. Potgieter wenscht wel realisme, maar geïdealiseerd. Naturalisme keurt hij streng af. Het duidelijkst komt dat alles uit in het artikel: De kopijeerlust des dagelijkschen levens, waarin de Camera van Beets, Studententypen van Klikspaan en nog enkele schetsen besproken worden. Potgieter tracht zijne meening duidelijk te doen uitkomen, door vergelijking met de Vlaamsche schilderschool, die gewone huiselijke tooneelen op het doek bracht, dat is wel geen hooge kunst, maar toch kunst, "wanneer gij talent genoeg bezit om dat te idealiseeren; wanneer uw open zin er de natuur met liefde in waardeert en geniet."

Dickens is de voorganger van de tegenwoordige "Schetsen of Typenmanie"; en kenmerkend voor Potgieters wijze van beschouwing is het, dat hij, na veel in dezen schrijver te hebben afgekeurd, er op laat volgen: "Ter vergelijking van dit alles bezit hij groote juistheid van opmerking in kleine karaktertrekken, veelzijdigen zin voor maatschappelijke toestanden, eenen bewonderenswaardige stijl, waaraan onze vertalers slechts zelden regt weten te doen, en hoogste lof! een vurig geloof, aan het goede, aan het onsterfelijke, aan het goddelijke in den mensch! Het is vooral om die laatste, onwaardeerbare eigenschap, dat ik moed heb hem te verwijten, dat hij de kunst van haren vorstelijken zetel heeft afgerukt, haar--laat mij de woorden van Professor Geel mogen bezigen:--"een festijn heeft laten geven in een gaarkeuken!"

Eerst als men goed deze beginselen van Potgieter in het oog heeft gevat, is het mogelijk te begrijpen dat de Camera Obscura in vele opzichten moest worden veroordeeld, terwijl de Studententypen grooten lof verwierven. Laten we dit met de woorden van den criticus zelf toelichten.

"Wij zijn van zelven tot de verklaring genoopt, waarom wij niet onvoorwaardelijk met Hildebrand sympathiseren. Het boek heeft tal van verdiensten, en wij zullen daaraan straks onbekrompen regt doen, maar er faalt voor ons gevoel een hoofdverdienste aan, welke wij zoo gaarne bij en boven die alle zouden huldigen.... O dat eene liefde als die voor de taal, door zijn werk zoo heerlijk verkondigd, zich over alles had uitgebreid, hoeveel schoonere vruchten zou het dragen, dan wij er nu aan dank mogen weten, hoe talrijk zij zijn!"

Omdat deze liefde, dit gevoel voor 't goede in den mensch, de humane levensbeschouwing, die afbreekt om te verbeteren en die welwillend het goede op den voorgrond plaatst, in de beschrijving van de Familie Stastok ontbreekt, keurt Potgieter zelfs deze, overigens uitstekende schets, in beginsel af. "Wij zouden haar toejuichen, zoo Hildebrand ook zich zelven een weinig edelmoediger had prijs gegeven; zoo hier en daar een straal van licht het donkere tafereel had opgeluisterd: "zoo het doel dier schets hooger ware." En zelfs het beroemde gedeelte, waarin Keesje, het Diakenhuismannetje, zijn geschiedenis vertelt, kan de goedkeuring van den criticus niet wegdragen; hier toont Hildebrand wel gevoel, wel liefde, maar hij "verkwist het aan iemand, die er weinig regt op heeft." Keesje had reeds jaren lang genadebrood gegeten en zoo iemand wekt bij Potgieter geen sympathie.

Klikspaan daarentegen is een man naar 't hart van den criticus; zijn werk stelt hij verre boven dat van Beets, niet juist omdat de eerste beter schrijver is, maar omdat zijne ideeën omtrent de strekking der kunst volkomen met die van Potgieter overeenstemmen. De laatste zegt het Klikspaan na: "Dat er iets edelers en moedigers is in het uit liefde berispen, al valt de tong of de pen wat scherp en vinnig uit, dan in het eentoonig steken van de loftrompet."

De auteur wenscht niets als Beets eenvoudig te teekenen, te berispen, neen, hij wil verbetering, "zijn doel reikte hooger: zoo het aan hem stond, hij zou ons vaderland eene schooner, roemrijker, gelukkiger toekomst willen waarborgen." "Hij wilde (den student) aanschouwelijk maken in het goede en in het kwade, opdat al wie invloed op hem uitoefenen, het eerste mogen waardeeren, het laatste te keer gaan, vooral, omdat hij zich aan hem zelven spiegelen zou."

Het hooge ideaal, dat Potgieter in Beets' Camera tevergeefs zocht, vond hij in de Studententypen, en daarom beoordeelde hij het laatste werk zooveel gunstiger dan 't eerste. Hoe duidelijk komt het hier aan 't licht, dat het onmogelijk is, Potgieters critieken goed te begrijpen, als men de grondslagen er niet van kent.

Uit het bovenstaande volgt noodzakelijk, dat een eenvoudig beschrijven van de werkelijkheid, zuiver realisme dus, niet in de lijn van Potgieter ligt en veel minder is van hem te verwachten, dat hij het naturalisme zal goedkeuren. Een paar aanhalingen mogen dienen om te bewijzen, dat deze laatste bewering waar is. Beets schreef eenige schetsen in het meermalen genoemd werk De Nederlanden, o. a. ook de Leidsche Peuëraar en hiervan zegt de criticus alleen: "Hoe kon de blik van Hildebrand zoo lang op de afzigtelijkheid wijlen?" Van een andere bijdrage heet het: "Wij maakten door de Amsterdamsche kermis kennis met den heer J. W. Kirchner, maar wij passen elkander niet. De wijze waarop hij ons onderscheidene harer tooneelen schildert, is door en door gemeen, zulk een veraanschouwelijking daalt beneden de kunst."

Thans een enkel woord over de verhouding van den criticus tot den godsdienst. We wenschen dit aldus te formuleeren:

[Potgieter en de godsdienst.] VIII. Potgieter is niet ongodsdienstig; zijn godsdienst is een practisch, werkzaam Christendom.

Werk en bid! is zijn zinspreuk; het woord dat ook Willem van Oranje tot richtsnoer van zijn werkzaam leven had gekozen. Daarom wordt ook het dwepend geloof van Da Costa afgekeurd; bijna al diens verzen eindigen met een betuiging van vast vertrouwen in de komst van het duizendjarig rijk en hiervan zegt de beoordeelaar der "Hollandsche Politieke Poëzij: "Laat ons er opregt voor uitkomen, het staren op die toekomst, ons in de laatste drie verzen van den heer Da Costa met zoo gloeijende verwen afgemaald, bedreigt zijne ijverigste pogingen met vruchteloosheid, slaat al zijne raadgevingen met den vloek van het onbepaalde, en dreigt in een lijdelijk Christendom gaven en krachten te verteeren aan wier degelijke werking ons arm vaderland meer dan ooit behoefte heeft."

Door deze opvatting van het godsdienstige ontstond de strenge kritiek "Piëtistische Poëzij", die in 1853 naar aanleiding van de uitgave der gedichten van de toen pas gestorven jonge dichteres Albertine Kehrer geschreven werd, en die Beets en Potgieter voor goed van elkaar verwijderde. "Er schijnt slechts ééne snaar op deze lier geweest te zijn," zegt de criticus en nadat hij duidelijk zijn tegenzin omtrent dit slappe, dwepende Christendom heeft uiteengezet, vervolgt hij: "Zoo er onder onze grootste mannen geweest zijn, die getuigd hebben, dat zij, in hunne beste daden, slechts in beoefening bragten, wat zij leerden, staande aan de schoot hunner moeder, het geheim schuilt daarin, dat de godsvrucht dier even vroede als vrome vrouwen niets droomzieks noch dweepends had, dat zij zoowel in verdraagzamen als verheven geest hervormd heeten mogt, dat bij haar, huiselijk-hollandsch uitgedrukt, "doen vóor zeggen" ging."

Ook in dit opzicht richt Potgieter zich dus naar de zoo hoogvereerde 17e eeuw.

[Hooge eischen der critiek.] Uit al het bovenstaande is gebleken, dat de redactie van De Gids in zijn beoordeelingen aan den kunstenaar hooge eischen stelde en niet gemakkelijk te bevredigen was. Reeds het simpele feit, dat een werk waardig geoordeeld werd gecritiseerd te worden, toonde dat Potgieter het vrij hoog schatte, prullen wenschte hij niet te beoordeelen. "Uit de kritiek van het slechte leert men toch eigenlijk niet meer, dan dat het slechte slecht is; onvruchtbare arbeid!" Treffen we toch een critiek over een minderwaardig werk aan, dan had Potgieter bij 't schrijven een bijbedoeling: de beoordeeling van Galama b.v. geschiedde niet in de eerste plaats om Schut op diens fouten te wijzen, maar om de onbevoegdheid der toenmalige critiek te demonstreeren; de "Piëtistische Poëzij" van Albertine Kehrer was een welkome aanleiding om te protesteeren tegen het dweepzieke in den godsdienst en te wijzen op het groote verschil tusschen dit Christendom en dat, hetwelk de voorvaderen schraagde in den zwaren strijd tegen het overmachtige Spanje.

[Strenge critiek.] Streng is de criticus zeer zeker, dat mòest hij zijn volgens zijn beginselen: "dubbele tanden moesten uitgetrokken"--maar als de kunstenaar werkelijk lof verdient, wordt deze hem niet onthouden. Alleen onvermengde lof wordt hem zelden of nooit toegezwaaid. Potgieter weet, dat volmaaktheid bij den mensch niet bestaat en hij vindt, dat de criticus zich zelf een brevet van onbevoegdheid uitreikt, als hij niet anders weet te doen dan bewierooken. Dat is blind zijn voor de gebreken van een werk. Daarom vraagt hij ook in zijne beoordeeling van Guy de Vlaming: "welke waarde zou hij (Beets) aan onze lof mogen hechten, indien wij alles van hem even fraai vonden?" Dit was de gewoonte der dichtgenootschappen, door Potgieter zoo afgekeurd.

[Waarderende critiek.] Dat hij weet te waardeeren, bewijzen de critieken van Loots, Staring, Huygens, Kneppelhout, Beets (vooral waardeering van diens taal), Helvetius van den Bergh (De Neven), Koetsveld, Da Costa, Beeloo, Bogaers en Busken Huet.

Dit blijkt vooral ook uit het feit, dat de beoordeelingen niet uitsluitend afbrekend, maar bijna altijd tevens opbouwend zijn. Dit is een bizondere, zeer te waardeeren eigenschap van Potgieter, en vooral daardoor was zijn critiek zoo vruchtdragend. We wenschen dit nog even meer in bizonderheden na te gaan.

[Opbouwende critiek.] IX. Potgieters critiek is meestal opbouwend.

Hij wenscht verbetering; afbreken is niet voldoende, wel is het uitstekend den auteur te wijzen op zijn fouten en tekortkomingen, maar tevens moeten hem de middelen aan de hand gedaan worden die hem op 't goede spoor brengen. We behandelen deze beide onderdeelen gelijktijdig.

In de critieken treffen we tal van waarschuwingen en vingerwijzingen aan, vooral voor de jonge schrijvers.

In de beoordeeling der Poëzij van J. P. Hasebroek legt Potgieter, na veel goeds in den dichter te hebben geprezen, den vinger op de wonde, hij wijst aan waar de auteur op den verkeerden weg is en zegt daarom: "de heer Hasebroek wachte zich voor dat blinkende, zijn hoofdgebrek" en op een andere plaats: "Zouden wij den heer Hasebroek nog behoeven te verzekeren, welke grootsche verwachtingen onze letterkunde van hem koestert, hoe zij bij zoovele oorspronkelijkheid hem slechts voor overdrijving van deze, die gezochtheid wordt, heeft te waarschuwen, om hem eene der beste plaatsen op onzen Zangberg toe te kennen?"

Om dezelfde reden raadt Potgieter de jonge dichters aan voorzichtig te zijn bij het bestudeeren van Byron; kenmerkend voor zijn richting is het verwijt, dat hij richt tot de vroegere critiek: "Het had de critiek van dien tijd betaamd te waarschuwen voor eene sombere onware levensbeschouwing, die eensklaps onder onze jeugdige dichters mode werd"--dit natuurlijk tengevolge van den verkeerden invloed van den Engelschen meester.

Beets wordt, zooals we reeds vroeger zagen, in de beoordeeling van de Camera er met nadruk op gewezen wat hem ontbrak: de liefde, de ware humaniteit, en tegenover hem wordt als een voorbeeld Klikspaan gesteld; Ten Kate, de dichter, die zich ook aan 't schrijven van schetsen waagde en daarin zijn bloemrijkheid van stijl niet verloochende, wordt zeer hardhandig terecht gezet, maar toch ontbreekt ook hier het opbouwende element niet. Men hoore slechts:

"Gemis van zin voor het eigenaardige van zulke toestanden, een voorbeeldeloos gezwollen toon, zij maken de lezing der stukjes van den Heer t. K. vermoeijend; hij schijnt van geen ding ter wereld meer afkeer te hebben dan van eenvoud. Luister naar deze beschrijving:

"En nu gij uw oogen slaat op dien glazen kast, waar de geribde kinkhoornen, de zilverglanzige schelpen, de geschubde meirminnen, de paarlemoerkleurige doosjes, en de anderhalf duim groote visschertjens u als de Laren en Penaten aanlachen, nu bevindt gij u geheel in een tooverwereld, en zijt gij voorbereid op de komst der vrouw des huizes. Zij heeft u gehoord: daar nadert zij, de nachtegaal van dit rozenbosch, de odaliske van dezen harem; de Eva van dit Eden.... Der schepping heerlijkheid, wat is zij, dan de vrouw?"

Al dat moois geldt een hartig, pootig wijf, dat wij, in gramme vlaag, een vischteef noemen: De Scheveningsche Vischvrouw."

Ten Kate zal zeker bij 't lezen van deze onbarmhartige critiek geen prettig oogenblik gehad hebben, maar toch, toen hij later kalm nadacht, zal hij ingezien hebben dat Potgieter gelijk had; deze toonde hem, hoewel op onzachte wijze, zijn feilen, wees aan wat hem ontbrak, en zoodoende was verbetering mogelijk. Bovendien de bedenkelijke aard der kwaal wettigde het krachtig ingrijpen van den geneesheer.

De schoonste triomfen heeft deze wijze van critiseeren gevierd in de ontwikkeling der talenten van Mejuffrouw Toussaint. De beoordeeling van haar eersten roman De Graaf van Devonshire is de stoot geweest die haar in eens op den rechten weg bracht en haar voerde tot een onvergankelijken roem. Dit te hebben bewerkt is een der grootste verdiensten van den criticus Potgieter.

We nemen thans eenige regels uit het bedoelde artikel over, om nogmaals duidelijk in 't licht te stellen, hoe echt humaan de beginselen van den schrijver waren en met hoeveel ernst hij de hem opgedragen taak trachtte te vervullen.

"Het vóór ons liggend boek bewijst, dat haar eene buitengewone verbeeldingskracht bedeeld is, dat zij een sieraad onzer letterkunde worden kan, zoo zij haren voortreffelijken aanleg door ijverige studiën ontwikkelt en volmaakt. Het is de voorwaarde van duurzamen roem: waarom zouden wij het uit kwalijk begrepen hoffelijkheid verzwijgen? De weg naar de hoogten der kunst heeft dit met alle wegen des levens gemeen, dat wij ons dien zelve moeten banen, over menig struikelblok en langs menigen hinderpaal. Het staat niet in de magt der vriendschap, helaas! het is zelfs der liefde niet vergund, ons de heide, het distelveld, den woesten vloed te besparen; slechts de ervaring mag ons bij wijlen welmeenend waarschuwen: "Niet verder op dat pad, gij zoudt verdwalen!" Waarom wantrouwt overdreven eigenliefde haar zoo dikwijls; waarom kost het der schrijveren ijdelheid zooveel, te bekennen dat zij mensch zijn geweest, dat zij gedwaald hebben!"

Gelukkig Mejuffrouw Toussaint, die op haar weg zulk een ervaren en welmeenenden raadgever ontmoette; heerlijke voldoening voor den vriend, die mocht zien, hoe schoon de vruchten waren welke zijn raad droeg.

Potgieter wees de schrijfster er op dat ze op den verkeerden weg was; navolgingen te schrijven van Scott en Van Lennep mocht niet haar doel zijn, dat doel moest hooger reiken: oorspronkelijk werk moest geleverd worden, echt Nederlandsche toestanden, tooneelen uit onze roemrijke geschiedenis, dàt waren onderwerpen, haar talent waardig. Wel was Mej. Toussaint in den beginne smartelijk getroffen door de strengheid der critiek, die met vaste hand de gebreken van den roman aanwees en zoo het heiligdom, dat zij had opgebouwd, ontwijdde; maar ze erkende weldra dat de criticus haar een onschatbaren en tevens welmeenenden raad had gegeven. Eere zij haar, dat ze zich niet door "der schrijveren ijdelheid" liet verblinden en dat ze zich opmaakte om de goede verwachtingen die de ervaren vriend van haar koesterde, niet te beschamen. Na twee jaren reeds kon zij in Het Huis Lauernesse een kunstwerk leveren, dat de hoogst gespannen verwachtingen verre overtrof en met dankbaarheid dacht ze later terug aan Potgieter, die door zijn eerlijke critiek de rechte leidsman was gebleken [12].

[Potgieter en Braga.] We merkten reeds vroeger op, dat Potgieter streng was in zijne critiek, hij stelde hooge eischen en wees, al was hij in een artikel vol lof over het werk van een auteur, toch steeds op de schaduwzijden, op het minder gelukkig geslaagde. Vandaar--en vooral ook omdat hij bij zijne beoordeelingen uitging van vaste beginselen, die hij nimmer verloochende, en dus alleen goedkeurde wat voldeed aan de door hem gestelde eischen,--dat hij den naam kreeg van niet onpartijdig te zijn, dat hij volgens zijn tegenstanders deel uitmaakte van een letterkundig bentgenootschap, waarvan de leden elkander onderling bewierookten en al het andere afkeurden. Niemand heeft deze zoogenaamde partijdigheid scherper gecritiseerd dan Ten Kate in Braga, "het tijdschrift heel in rijm." In de "Karakteristiek onzer vaderlandsche tijdschriften" wordt de Gids iemand genoemd, die "zijn vrienden likt, de ontzette groenen dondert" en in "Eene huishoudelijke Vergadering van de Redacteuren van den Gids; gevolgd door de plechtige installatie van een nieuw Lid" herhaalt de dichter deze beschuldiging nogmaals op geestige wijze. De novitius wordt aangenomen, omdat hij den juisten maatstaf voor de Gids-critiek heeft gevonden:

"Et pro symbolo kiezabo: "Lik-je mij, ik lik-je weêr!"

Dat zal dus de leus zijn bij 't beoordeelen van boekwerken. In het artikel: "Een en ander over het tijdschrift "Braga", verschenen in den 23sten jaargang van "Noord en Zuid", wordt zelfs gezegd: "de Gids, die het alleen reeds door zijn ingenomenheid met de romantische richting bij hen verkorven zou hebben, konden ze bovendien niet uitstaan om zijn zelfingenomenheid, zijn pedanterie en het meedoen aan de onderlinge aanbidding eener bepaalde kliek."

Dit is m.i. totale miskenning van Potgieters werken als criticus. Wat de ingenomenheid met de romantische richting betreft, daaromtrent is in de voorgaande bladzijde al genoeg gesproken, om in te zien dat deze bewering in haar consequentie onjuist is; de zelfingenomenheid, de pedanterie, zou ik willen noemen: bewustzijn van eigen kracht. Potgieter wist wat hij wilde en wat hij beteekende, zijn beginselen en gaven verbergen kon noch mocht hij doen; maar wie zijn kritieken onbevooroordeeld en gezet overleest, zal geenszins den indruk krijgen, dat hier een pedant mensch aan 't woord is.

[Onpartijdigheid.] Partijdigheid, "onderlinge aanbidding van een bepaalde kliek," lag wel allerminst in zijn karakter. "Naam, levensbetrekking noch politieke opinie zullen mij doen oordeelen", zoo schreef Drost eens aan Potgieter en deze kon dat zijn vriend met volle overtuiging nazeggen. Men leze nog maar eens het gedeelte over uit de critiek op Huygens' Cluyswerck, dat we reeds vroeger hebben aangehaald. Voor partijdigheid staat een karakter als dat van Potgieter te hoog; onderlinge aanbidding, bewierooking, haatte niemand meer dan hij, zooals we boven met tal van voorbeelden hebben aangetoond; hoe scherp heeft hij niet dat gebrek, het euvel der maatschappijen en dichtgenootschappen, gecritiseerd! Bovendien de redactie van de Gids ging in dezen zóo ver, dat het werk der redacteuren gewoonlijk niet beoordeeld en zelfs niet in het tijdschrift aangekondigd werd.

Mochten de kritieken van Potgieter soms eenige aanleiding tot een dergelijke beschuldiging gegeven hebben, dan vloeit dit voort uit het zeer verklaarbare feit, dat hij een werk waarin hij zijn eigen gedachten terugvond, dat rustte op beginselen die ook de zijne waren, gunstig beoordeelde, terwijl hij afkeurde en moest afkeuren, wat daar tegen indruischte. Toch wist hij ook in deze gevallen het goede in den schrijver te waardeeren en steeds was zelfs ook dan zijn critiek opbouwend. En dit is toch waarlijk niet het werk van een partijdigen criticus.

[Beteekenis van Potgieters critiek.] Ten slotte nog een enkel woord over de beteekenis van zijn critiek voor onze letterkunde. In éen zin is het aan te geven: Potgieter is de leider van de geheele literaire beweging gedurende het midden der 19e eeuw. Door zijn krachtig ingrijpen is het gelukt een einde te maken aan de heerschappij der dichtgenootschaps-poëten; voortzetting van de literatuur der 18e eeuw was na het optreden van De Gids onmogelijk, de ondergang van Yntema's tijdschrift De Vaderlandsche Letteroefeningen, getuigt hiervan. Het sombere, ongemotiveerde en grillige in de Romantiek keurde hij af, en door zijn waarschuwende stem werden de dichters ook in dit opzicht op het rechte spoor gebracht, vandaar dat deze richting in ons land nooit heeft kunnen domineeren. Zoodoende ontstond langzamerhand weer een nationale letterkunde, die in de werken van Potgieter zelf en in de romans van mevrouw Bosboom-Toussaint haar hoogtepunt bereikte.

Staring is zijn populariteit voor een groot gedeelte aan Potgieter verschuldigd, van Huygens kan hetzelfde worden getuigd, terwijl Cats na 't verschijnen van het Rijksmuseum veel van zijn literaire beteekenis verloor.

[Potgieter en de jongeren.] Teekenend is het dat zelfs de generatie van 1880, die zoovele literatoren onbarmhartig van hun voetstuk heeft gestooten, zich nimmer over Potgieter in ongunstigen zin heeft uitgelaten. Het is bekend hoeveel Perk hield van Potgieter, en Kloos zegt van hem: "Nooit heeft misschien een ander schrijver geleefd, bij wien de natuur zóo tot kunstige kunst, maar tevens die kunstige kunst weer tot natuur was geworden, als de zeldzame Potgieter, een man zóo eigen, zoo individueel in heel zijn innigste wezen, dat het eenvoudigste iets ongewoons kreeg onder zijn behandeling, zonder dat men toch ooit zich behoefde te beklagen, daar het ongewone zou zijn geworden tot onnatuur. Over twee honderd jaar zal Potgieter nog omhoog staan als een door geestige gevoeligheid onsterfelijk, soms subliem auteur."

Hoogst verblijdend mag ook het feit genoemd worden, dat een der meest ernstige werkers onder de jongeren, Albert Verwey, in zijn "Leven van Potgieter" een kunstwerk heeft geschapen, dat getuigt van warme liefde en diepen eerbied voor den grooten meester.

JAN, JANNETJE EN HUN JONGSTE KIND. [13]

[Potgieters doel.] Potgieter had zijn vaderland lief, hij hield van het Nederlandsche volk, en zijn geheele leven is één strijd geweest om dat volk wakker te schudden, om de sluimerende krachten te wekken, opdat Nederland opnieuw een eervolle plaats mocht innemen in de rij der natiën. De nieuwjaarswensch voor 1842 is één van deze vele pogingen. En Nederland had behoefte aan een opwekking: het jaar 1841 was in vele opzichten niet bemoedigend geweest. Jan zegt het ons zelf, in zijn antwoord aan Jannetje: "Als ik mijne koetjes niet vroeger op het drooge had gebragt, het zou me zwaar zijn gevallen ze in Een en Veertig uit het water te halen." Juist òmdat de stemming niet opgewekt was, meent Potgieter zijn landgenooten een hart onder den riem te moeten steken: de toestand is niet zoo erg, verbetering is heel best mogelijk, als allen den geest van sufheid en lauwheid afschudden, als ieder maar met energie aan den arbeid gaat. De oudejaarsavond is de meest geschikte tijd om hierover te spreken, dan slaat ieder onwillekeurig een blik achter zich, men denkt na over 't afgeloopen jaar, men spreekt in intiemen kring over al 't gebeurde en vooral: men keert even in tot zich zelf--de oudejaarsavond is het oogenblik van zelfcritiek. Dat is het wat de schrijver wenscht: nadenken over 't vervlogene, den lezer doen beseffen, dat niet iedereen heeft gegeven wat hij kòn, en dan ten slotte het besluit van allen om den Jan-Salie-geest af te schudden en samen te werken tot heil van 't land.

Voor deze opwekking heeft Potgieter den allegorie-vorm gekozen; hij stelt ons Nederland voor als een echt ouderwetsch gezin: Jan, Jannetje en hunne kinderen. Het eigenaardige is, dat men het allegorische dadelijk voelt, dus weet dat hier een algemeen onderwerp behandeld wordt, en toch verplaatst men zich onwillekeurig, door den schrijver geleid, telkens in een bepaald gezin, waar men de besproken handelingen ziet gebeuren.

Nadere bespreking van de leden van dit gezin.

[Jan.] Jan is de echte Hollander, doch niet alleen zooals Potgieter die thans zou wenschen, maar ook zooals hij in den loop der tijden geworden is: de historische Hollander dus. Dat de schrijver het zóó wenscht opgevat te zien, blijkt duidelijk uit het stuk zelf.

Tot zelfs in kleinigheden is Jan de typische Hollander, hij rookt een Gouwenaar en stopt zijn pijp met een pruik!

Jan is zoo langzamerhand zichzelf wel bewust geworden wat hij waard is, hij drinkt dan ook een boordevolletje op eigen welzijn.

Het portret van den heer des huizes kan echter voorloopig nog niet geheel voltooid worden: zijn zonen namelijk vertegenwoordigen verschillende van zijne eigenschappen en die jongens worden eerst later aan ons voorgesteld. De teekening van Jan is dus onvolledig.

[Jannetje.] Jannetje is de typisch-Hollandsche huisvrouw: Potgieter zegt, dat om haar portret te kunnen leveren, de gaven van Rembrandt aan die van Rubens gepaard moeten zijn: "Immers, met het gloeiend koloriet, louter door de tot overdaad weelderige vormen van den Vlaamschen meester, treft men Jannetje niet. Als ze gelijkend zal worden voorgesteld, mag de nadenkende ernst van den hollandschen schilder bij uitnemendheid, mag de rustige zielskracht, waardoor zijne beelden de duisternis om hem heen verlichten, er niet aan ontbreken."

Nu hare eigenschappen: ze is degelijk, spaarzaam, zindelijk, vroom, vol medelijden voor de armen en tegen de wuftheid die uit den vreemde in ons land is overgebracht. Eén eigenschap waardeeren we bizonder in Jannetje: ze is de steun voor haar man geweest: "zij heeft hem het huis helpen bouwen."

Haar zwakheden heeft ze als iedereen: we wijzen op een enkele, een overdrijving van een goede eigenschap: de moederliefde. Ze houdt nl. zelfs van haar onwaardigen zoon, die de geheele atmosfeer in huis bederft, van Jan Salie.

[Janmaat.] Janmaat is de oudste zoon: de zeeman. De oudste! de zee immers heeft Nederland groot gemaakt: wat zou de plaats van ons land in de 17e eeuw geweest zijn, als Janmaat niet had geholpen. Potgieter zelf idealiseert die zucht naar de zee, men denke aan de bekende bladzij in dit stuk, waar hij den jongen teekent wiens hart trekt naar den Oceaan. Soms is Janmaat meer speciaal de vertegenwoordiger van de Nederlandsche marine.

[Jan Contant en Jan Crediet.] Jan Contant en Jan Crediet zijn de vertegenwoordigers van den Nederlandschen handel. De eerste "richtte het huis van negotie op, dat Jan Crediet uitbreidde." Hoe hoog de schrijver den koopman stelde, blijkt uit de schitterende toespraak die hij Jan laat houden over de eigenschappen van een waren koopman. Potgieter zelf was ook "maar een koopman!"

[Jan Compagnie.] Jan Compagnie is de vroolijkste van alle zonen: de Nederlander die zijn fortuin zoekt in de koloniën. Ook hij is een van Potgieters lievelingen: men leze in de Liedekens van Bontekoe hoe de dichter hem voorstelt. In de uitgave met platen staat zijn portret: een forsch gebouwd man met zwarten haardos en gebruind gelaat.

In "Jan en Jannetje" vinden we deze zelfde teekening terug.

[Jan Cordaat.] Jan Cordaat is de krijgsman, die gestreden heeft onder de beroemde Oranjevorsten en die nog in 1830 heeft getoond wat hij kon. Toch wordt de Nederlandsche soldaat niet hoog gesteld door 't volk, wat Potgieter toeschrijft aan het feit dat tijdens de Republiek ons leger bestond uit huurlingen, vaak het uitschot van alle volken. Er was geen volksleger.

[Jan de Poëet.] Jan de Poëet is de dichter. Hij heeft Jan Cordaat zoo dikwijls bezongen en verdedigt hem nu ook tegen de anderen; hij is dat verplicht aan zijn groote voorgangers, die de heldendaden der Nederlandsche oorlogsmannen zoo vaak bezongen hebben. (Over de aanhalingen straks meer!)

[Jan Klaassen.] Nog enkele andere kinderen treden op: Jan Klaassen, de vertegenwoordiger van het goedronde Hollandsche blijspel, waarvoor velen later den neus optrokken, maar dat in de 17e eeuw toejuiching ondervond tot zelfs in de hoogste kringen. Immers de hoveling Huygens dichtte er zelf een: Trijntje Cornelisz!

[Jan Kritiek.] Verder Jan Kritiek, die steeds op wacht staat en er voor zal zorgen dat iedereen getuchtigd zal worden, die den Jan-Salie-geest gaat koesteren. In 't stuk zien we Jan Kritiek maar even optreden, maar in werkelijkheid speelt hij de hoofdrol; de onverbiddelijke criticus is de Gids-richting, is Potgieter zelf. En is de geheele nieuwjaarswensch niet het werk van Jan Kritiek?

Ook minderwaardige kinderen heeft de degelijke huisvader: zitten niet in den hoek van 't vertrek de Jantjes Goddome en de Jannen Kalebas te klinken, dat hooren en zien vergaat? Het zijn volgens den schrijver zelf ploerten, waar Jan echter soms nogal mee op heeft.

Eindelijk de armen, de proletariërs: Jan Hagel, Jan Rap en zijn maat. In de dagen der Republiek zijn die arme stakkers treurig behandeld, 't scheen wel of men toen meende, dat "geeselen en genezen éen en 't zelfde was." Gelukkig begint Jan nu te begrijpen, dat verlichting der massa veredeling brengt.

[Jan Salie.] En nu komt het zonderlinge in deze huishouding. Hoe is 't mogelijk dat het in dit gezin, waar een uitnemende vader en een degelijke moeder aan 't hoofd staan, waar zooveel ferme kinderen zijn, toch niet goed gaat? Hoe is 't mogelijk, dat iedereen klaagt over achteruitgang? Potgieter antwoordt: door invloed van den jongsten zoon, van Jan Salie, den "patroon der slaapmutsen, aller soepjurken, aller sloffen ten onzent."

Jan Salie is de verpersoonlijking van de sufheid, van 't gemis aan energie, waardoor Nederland langzaam achteruit was gegaan op geestelijk en maatschappelijk gebied. Allen waren door dien Jan Salie-geest aangetast, van daar de algemeene malaise. Al de zonen van Jan klagen: "alweer een jaar, dat ik als landkrab sleet," zucht Janmaat--die vent "lag me van Doggersbank af aan boord," voegt hij er later bij. Jan Contant en Jan Crediet klagen niet zoo erg, op het punt van geldzaken zijn de Nederlanders gewoonlijk niet heel suf. Wel heeft de Jan-Saliegeest de Nederlanders er toe gebracht geen geld meer te steken in degelijke, moeitevolle ondernemingen, doch te trachten door allerlei speculaties gemakkelijk rijk te worden, maar thans "heeft Jan Salie voor goed zijn afscheid van ons", zegt Jan Crediet ten slotte, een bewijs, dat Potgieter weer vertrouwen had in den Nederlandschen koopman.

Ook Jan Compagnie kan Jan Salie niet gebruiken; zou hij op Java anders de man geworden zijn die hij is?

Jan Cordaat is er erger aan toe: "van den Utrechtschen Vrede af, totdat hij met Napoleon van de Bidassoa naar de Berezine zwerven moest, was hij aan den Jan Salie-geest ten prooi." Gelukkig is er later weer een betere geest in den wakkeren soldaat gevaren, getuige Waterloo, Hasselt en Leuven.

Maar slecht staat het met Jan de Poëet, die door den "patroon aller slaapmutsen tot Jan de Rijmer is geworden." Uit hetgeen Potgieter hieromtrent zegt, blijkt duidelijk hoe hij over de verschillende dichters denkt. Vondel en Hooft zijn de groote mannen uit de 17e eeuw, die van Jan Salie niets moesten hebben; Hooft "in wiens torentje allerlei nymphen stoeiden," maar vooral Vondel, die "het leven van den Volke leefde," wiens oogen bliksemden als iemand zijn geliefd Nederland en vooral zijn geliefd Amsterdam bedreigde, die alle groote daden uit den heldentijd heeft bezongen: Vondel en Jan Salie!

Cats echter hield van 't stille, huiselijke, bescheidene jongsken; hij maakte er versjes zonder tal voor." Hier komt duidelijk uit, hoe Potgieter Cats als dichter beschouwt; we vinden precies hetzelfde terug in zijn "Rijksmuseum".

De echte Jan Salie-geest was er in de 18e eeuw, toen de mannen der dichtgenootschappen zelfs geen oor hadden voor een dichter als Van Haren. Bilderdijk schudde de geesten weer wakker, maar langzamerhand kwam in 't begin van de 19e eeuw weer de geest van tevredene sufheid over de Nederlandsche poëten; gelukkig dat thans Jan Kritiek, de Gidsrichting, klaar staat, om iedereen die 't voor Jan Salie opneemt, eens goed onderhanden te nemen.

Uit het bovenstaaande blijkt, hoe alles was doortrokken van dien geest van "lamzaligheid"--Vader Jan heeft zitten nadenken, toen al die ellende verteld werd, hij begrijpt dat het zoo niet langer gaat: er moet een flink besluit genomen worden. En er is maar éen middel: Jan Salie moet weg. Jan Compagnie beurt zijn vader op: éen slechte vrucht onder honderd, wat zou dat? Zijn de oudere jongens geen ferme kerels? Er ligt een schoone toekomst open voor 't geheele gezin, als iedereen maar aanpakt. Nu vermant de vader zich, hij neemt het eenig goede besluit dat genomen kán worden: Jan Salie bederft iedereen, hij wordt uitgestooten, hij zal geplaatst worden in een hofje, de eenige plaats die voor hem geschikt is. Daar hoort hij, bij de besjes; daar kan hij met de oude mummelende vrouwtjes gezellig een kopje slemp drinken. Jan schaamt zich over zijn zoon. Dat moet ook het geneesmiddel zijn voor de Nederlanders: ze kunnen opnieuw een deel van hun ouden roem verwerven, als ze maar éen ding doen: den Jan Salie-geest afschudden. Dan komt alles wel weer in orde.

[Potgieters ideeën.] Ten slotte willen we nog even nagaan, welke de voornaamste denkbeelden van Potgieter zijn geweest, voor zoover we deze uit "Jan en Jannetje" kunnen afleiden. Hiermede vergelijke men 't geen over Potgieter als criticus is gezegd.

1. Het groote doel van den schrijver: verheffing van het Nederlandsche volk, het ideaal waaraan Potgieter zijn leven lang heeft gewerkt. Dat doel blijkt zoo duidelijk uit het geheele behandelde stuk, dat er niet nader over gesproken behoeft te worden. We brengen alleen in herinnering een citaat van Huygens door Potgieter hier aangehaald:

"Ick spaer de roede niet, ik heb het volk te lief."

2. De 17e eeuw is het ideaal van den schrijver: toen was Nederland groot, het is de bloeitijd van Janmaat, Jan Crediet, Jan Contant, Jan Compagnie, Jan Cordaat en vooral voor Jan de Poëet. Dit vinden we in de meeste werken van Potgieter terug, men leze b.v. nog eens na, wat de schrijver zegt in zijn Rijksmuseum over "Hollands roemrijkste eeuw."

3. Nederland is burgerlijk, de bùrgers hebben 't land groot gemaakt, de kòoplui, niet de edelen, zooals in vele andere streken wel het geval is.

4. Tegen 't chauvinisme is ook hier Potgieter: Jan kan langzamerhand tegen het ophemelen, hij weet, dat de lof wegwalmt als de lamp en niets achterlaat.

5. Zijn meening over de verschillende letterkundigen is zooeven besproken: we wijzen echter nog op de vele citaten die Potgieter aanhaalt, meestal van zijn lievelingsschrijvers. Ze bewijzen hoe goed hij zijn dichters kende, hoe juist hij hunne verzen te pas wist te brengen. De meeste aanhalingen zijn van Vondel, Hooft en Huygens, de vertegenwoordigers van onzen glorietijd.

[Potgieters liberale beginselen.] Uit het geheele werk blijkt, dat Potgieter is een man van vooruitgang, een liberaal. Hij wil ontwikkeling van het geheele volk, zooals duidelijk blijkt als over Jan Hagel en Jan Rap en zijn Maat gesproken wordt: "het pleit voor Jans vaderingewanden, dat hij hunne kinderen op school neemt." Datzelfde vinden we terug in den tijdzang "Aan Twente," waarin Potgieter er telkens bij de fabrikanten op aandringt, dat ze toch hunne arbeiders menschelijk moeten behandelen, en vooral, dat ze de kinderen der werklui moeten ontwikkelen. Dat is 't eenige middel om voor die verwaarloosden "een leidstar op hun zee" te doen verrijzen. We geven hier enkele regels:

"Er woelt op 't lommerlooze plein Een gansche wereld in het klein. Geeft schaduw, geeft iets beters.... scholen; Gij aarzelt niet, speelt ge eens maar mêe: Hoe ver zou drift bij drift doen dolen, Verrees geen leidstar op hun zee."

Ook omtrent de zooeven genoemde liberale beginselen van Potgieter blijkt iets uit ditzelfde gedicht: hij is een vereerder van Thorbecke en prijst het in koning Willem II, dat hij zijn stem voor grondwetsherziening heeft gegeven. Duidelijk komt dat uit in de volgende regels:

"Toen de ure der hervorming sloeg, Toen 't nieuwe leven leiding vroeg, Toen vragen voor den vroedste rezen, Was tweede Willem groot genoeg Te kiezen, wien de tijden wezen: 't Verstand, dat diepte aan klaarheid paart, De deeglijkheid, vertrouwen waard, Het hoofd, dat iedere school der Ouden En elken nieuwen Staat doorzocht, De hand, die nog het roer zou houden, Wanneer beginsel buigen mocht."

In de slotverzen zinspeelt Potgieter op de April-beweging van 1853, waardoor 't ministerie-Thorbecke ten val werd gebracht.

En wie weten wil, hoe Potgieter dacht over een grondwet in vrijzinnigen geest, leze zijn "Ter Gedachtenisse," vooral couplet 5. De kern van 't gedicht halen we aan:

"Een staatsvorm die, door vrije keuze, De vroedsten op het kussen brengt, En 't algemeen zijn zegen plengt, 's Lands wél hun lust, 's lands roem hun leuze!...."

DE ROOS VAN DEKAMA.

[Ontstaan van den roman.] Van Lennep doet het in 't begin van zijn verhaal voorkomen, alsof de roman genomen is uit een oud receptenboek van 't klooster St. Odulf, waarin de slag door graaf Willem IV bij dat klooster tegen de Friezen geleverd, verhaald wordt. Dit boek zou in handen gekomen zijn van Dirk Broddelsma, een afstammeling der Galama's, en deze laat het lezen aan twee Leidsche studenten, die een reisje door Friesland doen en in een herberg in Gaasterland den eigenaar van het boek ontmoeten. Natuurlijk is dit alles niets dan een gefingeerd verhaal; Van Lennep hield van dergelijke voorstellingen. (Men vergelijke b.v. het verhaal omtrent mej. Stauffacher in Ferdinand Huyck).

[Personen. Madzy en Adeelen.] Madzy Dekama, of "De Roos van Dekama"--een naam haar door een reizenden minnezanger gegeven--was de eenige dochter van Sjoerd Dekama, wiens stins te Jelsum, even ten Noorden van Leeuwarden, stond, en haar geboorte kostte aan de moeder 't leven. Daarom werd ze opgevoed door de moeder van Seerp van Adeelen. Vandaar de eigenaardige verhouding tusschen Madzy en Seerp, van jongsaf hebben ze elkaar gekend en het kleine meisje had dikwijls een invloed ten goede op den driftigen grooten "broer". Juist daarom achtte de moeder van Adeelen Madzy later een uitstekende vrouw voor haar zoon, en op haar sterfbed wist ze beiden te verloven. Bij Madzy is het dus meer eerbied voor de moederlijke vriendin, dan werkelijke liefde, die haar Seerp de hand doet schenken. Het sterven van Seerps moeder bracht een groote verandering te weeg: Madzy ging naar haar vader op Dekama-stins, doch daar deze reeds binnen een jaar stierf, kwam ze bij haar voogd Aylva, een veel meer beschaafd man dan de edelen die ze tot nog toe had leeren kennen. Op Aylva's stins kwam ze in een veel beschaafdere omgeving, daar ontwikkelde zich haar natuurlijke aanleg, en 't noodzakelijke gevolg was, dat hare verhouding tot Adeelen geheel veranderde. Terwijl ze vroeger tegen hem, die 10 jaar ouder was dan zij, opzag, werd hij langzamerhand voor haar niets anders dan een lompe, onhebbelijke landedelman, dien ze onmogelijk kon achten en nog veel minder liefhebben.

Zoo is de toestand bij 't begin van den roman, als de Friesche edelen met Madzy in Holland zijn aangekomen. Men moet dus goed in 't oog houden, dat Madzy's hart niettegenstaande hare verloving, feitelijk vrij is.

[Madzy en Deodaat.] In 't eerste deel van den roman wordt ons nu beschreven, hoe Madzy kennis maakt met Deodaat en verder de ontwakende liefde voor dien ridder. Eerst het betooverende gezang van Madzy, als Reinout en Deodaat wachten in den kloostertuin, dan de ontmoeting in de hut van den boschwachter Walger, het toevallige samentreffen in de duinen bij Haarlem, waardoor een meer vertrouwelijk onderhoud ontstaat, verder op 't feest ten hove, waar Madzy door de list van Reinout verschijnt en ten slotte het gesprek nadat Adeelen Madzy als zijne bruid heeft voorgesteld aan den graaf. Telkens is een meerdere toenadering te bespeuren, hoewel èn Madzy èn Deodaat zich beiden hunne liefde nog trachten te ontveinzen. "Het zoude in Deodaat, die wellicht niets anders dan een ten hove gewone beleefdheid jegens mij in acht genomen heeft, een dwaasheid zijn, mij te beminnen: en in mij een nog veel grooter dwaasheid, zijn liefde aan te hooren"--zoo tracht Madzy haar gevoelens weg te redeneeren en Deodaat vraagt Madzy in de balzaal reeds, of ze Adeelen als haar minnaar, als haar gade bemint. Geen wonder, dat hij, hoewel hij meent geen schuld te hebben, "huivert bij de gedachte van Reinout te ontmoeten!" Als Reinout zich dan ook door een dolksteek wreekt op zijn ontrouwen vriend, blijkt het dat hij in één opzicht goed gezien heeft: Madzy en Deodaat beminnen elkaar. Juist door den moordaanslag wordt Madzy's genegenheid nog versterkt, zooals blijkt uit hare ontmoeting met Deodaat voor Utrecht.

[Karaktertrekken van Madzy.] Een enkel woord over haar karakter. Ze wordt voorgesteld als een edel meisje, maar toch staat ze ons eenigszins vaag voor oogen, omdat ze zoo weinig handelend optreedt. En juist naar de daden moet men iemand beoordeelen, niet naar 't geen van hem wordt verteld. Haar goed hart blijkt uit de wijze waarop ze de ongelukkige vrouw van boschwachter Walger verpleegt, haar vastberadenheid en moed uit haar optreden tegen den bisschop van Utrecht. Ook tegenover Adeelen geeft ze soms blijken van fierheid en zelfstandigheid. Gehoorzaamheid behoort Seerp voorloopig nog niet van haar te verwachten: "zoolang Madzy Dekama nog den naam haars vaders draagt, zal zij hare waarde weten te bewaren en aan niemand eenig gezag toekennen, dan aan den voogd, die haar gegeven is," voegt ze hem toe, als hij zegt dat de naam verloofde hem eenige aanspraak geeft op hare onderwerping. Nog een karaktertrek moeten we vermelden: fierheid op haar afkomst, ze is een echte Friezin en als Friezin mag ze alleen in Friesland haar gade vinden. "Een dochter van Friesland, die hare bezittingen in de handen van uitlanders deed overgaan, zou veracht worden." Hierom meent ze Deodaat te moeten afwijzen, als deze in 't kamp voor Utrecht hare hand vraagt.

[Deodaat en Reinout. Hun afkomst.] 't Zijn vondelingen, eerst opgevoed door den dapperen Carlo della Scala, later door Beaumont, oom van graaf Willem IV, en door den graaf zelf tot belooning hunner dapperheid tot ridder geslagen. 't Geheim hunner geboorte is bekend aan Barbanera, die dit geheim hoopt te verkoopen. Later blijkt, zooals men trouwens moet verwachten, dat de blonde en kalme Deodaat een Fries is, nl. de zoon van Aylva en Bianca di Salerno, terwijl de vurige en donkere Reinout de kamenier van Bianca tot moeder heeft. Gelukkig is hij, zooals hij een tijdlang vreesde, geen zoon van Barbanera.

[Karaktertrekken.] Karaktertrekken en vergelijking tusschen Deodaat en Reinout.

Deodaat is de blonde zoon van 't Noorden, Reinout de donkere Italiaan, en beiden vertoonen de traditioneele eigenschappen van hun ras: Deodaat is kalm en goedhartig, Reinout hartstochtelijk en driftig. Heel goed blijkt 't kenmerkend verschil in hun karakter bij 't aanhooren van Madzy's lied. Deodaat "verlangde, ja, de zangster te leeren kennen, welke zoo bevallig zoo juist had gezongen; doch hij vergat geenszins dat hij in den boomgaard stond van een voormalig klooster, naast een bed, waarop aardbeziën groeiden," "de bruisende ziel van Reinout daarentegen gevoelde zich in eene andere wereld overgeplaatst."

[Deodaat te passief.] Eigenaardig is het, dat onze sympathie niet altijd aan de zijde is van Deodaat, den held van 't verhaal, maar we dikwijls den "moordenaar" Reinout verre boven hem stellen. De oorzaak hiervan is dat Deodaat evenals Madzy te weinig handelend optreedt, te lijdelijk is. Reinout daarentegen is een man van de daad, een echt ridder, veel meer dan Deodaat. Dat hij zich door zijn hartstocht tot een moordaanslag op zijn boezemvriend laat vervoeren, is natuurlijk af te keuren, maar toch, zijn houding is voor iemand van zijn karakter te begrijpen en gedeeltelijk te verschoonen. Deodaat immers heeft beloofd afstand te zullen doen van het meisje en toch ziet Reinout hem telkens samen met Madzy. Als hij ze ten slotte samen in een donker laantje ziet wandelen, meent hij zekerheid te hebben van Deodaats verraad en doorsteekt den ontrouwen vriend.

[Reinout ridderlijk.] Later komt het goede en ridderlijke in Reinout boven en weet hij zich verre te verheffen boven Deodaat. Zijn daden bewijzen zulks: hij redt Deodaat, die te Stavoren gevangen wordt genomen, van den dood; zoodra hij uit het papier van Daamke's kist bemerkt dat niet hij, maar Deodaat de zoon is van Aylva, vernietigt hij dit bewijsstuk niet, maar zendt het dadelijk naar den Olderman en draagt daarmee al zijn rechten over op zijn mededinger. Wederrechtelijk wenscht hij geen bezittingen noch een bruid te verwerven. Nu hij vrij staat tegenover de Friezen bedenkt hij zich geen oogenblik en redt zijn ouden leermeester Beaumont. Ten slotte is hij het ook en niet Deodaat, die in latere jaren de oude vriendschap hernieuwt. Reinout is de man van de daad, Deodaat ziet lijdelijk toe. En waar de laatste zou moeten optreden, maakt de schrijver het hem onmogelijk: door zijn gevaarlijke wonde is hij lang ziek, we verliezen hem geheel uit het oog, en als hij in Friesland mee moet strijden en er dus een conflict zal ontstaan tusschen zijn liefde voor Madzy en de trouw aan den graaf, wordt hij gevangengenomen en is dus weer geheel lijdelijk en werkeloos.

[Seerp van Adeelen.] 't Type van den onbuigbaren Frieschen edelman, die fier is op zijn vrijheid en die vrijheid stelt boven alles. Hij is dit vooral geworden door zijne opvoeding en zijn aanleg. Zijn vader was een drinker, maar Seerp kwam al vroeg op de stins van Sjoerd Dekama, een echten Fries van den ouden stempel, een der weinigen, die niet wilde buigen voor graaf Willem III en die een beroerte kreeg van woede, toen hij hoorde dat de burgers van Stavoren den Hollandschen Graaf gehuldigd hadden. Als jongen was Seerp al koppig en eigenzinnig, geen wonder, dat de opvoeding die Dekama hem gaf, zijn eigenwaan nog sterkte en hem de Hollanders met een gloeienden haat deed haten. Daarbij komt, dat hij van minstens even hooge geboorte is als de graven van Holland, daar zijn stamboom tot den Frieschen koning Adegild kan worden opgevoerd. 't Is duidelijk, dat zoo iemand nooit den graaf als zijn meerdere zal erkennen. Hij is 't dan ook, die telkens staat tegenover Willem IV, die den graaf bij iedere gelegenheid tergt en hem tot daden vervoert, die deze anders nooit gedaan zou hebben. Seerp van Adeelen is als 't ware de booze geest van graaf Willem.

[Willem IV.] Hij is de ridder, uitmuntende boven alle anderen; hij heeft een Cesar-natuur, weigert den hertogstitel, omdat hij liever de eerste onder de graven dan een onbeteekenende hertog wil zijn. Juist het grootsche in Willem is zeer goed geteekend, altijd overwint hij, waarom dan ook nu niet tegen de Friezen! [Willem en Adeelen.] En daarnaast staat Adeelen, die hem prikkelt en dwingt tot den oorlog. Bewijzen hiervoor:

a. De eerste ontmoeting met den graaf, die als heer van Treslong staat tusschen zijne Edelen en met wien Adeelen dadelijk woorden krijgt.

b. Adeelen en de andere Friezen zijn door dien grap geprikkeld, zelfs zoo, dat de eerste de hand van den graaf weigert.