c. Dat de zeegod Proteus alleen tot profeteeren was te dwingen,
indien men hem eerst ketende. Evenals hij gaven de boeken te Zutfen, "de wijsheid", geketend antwoord.
[Keurigheid.] IV. De keurigheid van stijl.
Behalve uit het gedicht zelf, blijkt het vooral uit de veranderingen, die Staring later zelf heeft aangebracht. (In de uitgave der Zwolsche Herdrukken staan de varianten aan den voet der bladzijden opgegeven.) We zullen enkele hiervan nagaan.
Jaromir te Praag, vers 3. De oude lezing is: "aan Karels School te Praag Sinds lang vergeten", de nieuwe heeft in plaats daarvan: "voor twee paar eeuwen". De verbetering springt in 't oog:
1. "Sints lang vergeten" is fout: de school bestaat nog en verkeert in bloeienden toestand.
2. "Voor twee paar eeuwen" geeft bovendien ongeveer aan in welken tijd we het verhaal moeten plaatsen.
Jaromir te Praag, vers 35. Eerst stond er: "Hier viel thans Jaromir" enz. Dit werd veranderd in 't veel meer aanschouwelijke: valt.
Hetzelfde gedeelte vers 78. Jochem sprak eerst van "een paardenpoot, dikker vast dan hier mijn lijf," maar die dikte was 't niet, wat den knecht zoo in 't oog gevallen was--"een paardenpoot met lange, zwarte haren!" dat was 't, wat hem een doodschrik op 't lijf gejaagd had.
Jaromir te Lochem vers 1-4.
"Vriend Lezer, kent gij ook een zeekren Jaromir? Gij kondt, ik stem het toe, een beetre kennis maken: Intusschen waar 't me lief, en 'k onderstel het hier, Om van een voorrede af te raken."
dit schreef Staring eerst. Hoeveel beter zijn de verzen zooals wij ze nu kennen, en vooral, thans geven ze juist de bedoeling van den dichter weer, n.l. dat het eerste gedeelte moest dienen tot inleiding van de drie laatste: "En heb een naam, waaraan 't geen volgt, is vast te haken."
[Contact met den lezer.] V. Staring is telkens in contact met zijn lezers, beschouwt ze meer als zijn hoorders, spreekt met hen en laat omgekeerd ook zijn lezers dikwijls iets in 't midden brengen, om daarop dan zelf weer te kunnen repliceeren.
a. Jaromir te Praag, vers 42. "Wat vond hij dan?" Dat is een vraag, welke de lezers die meeleven in 't verhaal, aan Staring stellen en waarop deze dadelijk antwoordt. 't Is duidelijk dat de levendigheid van 't verhaal hierdoor verhoogd wordt.
b. Jaromir te Lochem, vers 1-4. Deze verzen zijn boven reeds besproken; we merkten echter terloops op, dat juist aan 't begin en aan 't einde van een gedeelte Staring zijn lezers in 't verhaal betrekt. 't Is voor hem dikwijls een middel om weer "op gang" of "aan den slag" te komen.
c. Jaromir te Zutphen, vers 1-13. Deze aanhaling bevestigt de juistheid van 't geen zooeven beweerd is. Ook hier weer 't begin van een nieuw gedeelte; aan 't einde hiervan (vers 150-151) worden de lezers opnieuw aangesproken en eveneens aan 't begin van Jaromir Gewroken vs. 1.
Heel eigenaardig klinken soms de enkele vragen, die de lezer plotseling doet, b.v. Jaromir te Zutfen vs. 118-119
"Maar zijn die sleutels min dan klepels kerkengoed? En waarom die genaast, en deze weggesmeten?"
en vooral Jaromir Gewroken vs. 156
"En nu de kapellaan?"
[Punctuatie.] VI. Staring gebruikt eene eigen punctuatie, geheel afwijkend van 't gebruik der leesteekens bij andere schrijvers. We wijzen hier slechts op enkele eigenaardigheden, omdat ieder lezer dit punt gemakkelijk zelf kan nagaan. Puntkomma's worden zeer veel gebruikt en hebben ongeveer dezelfde waarde als bij andere schrijvers een punt, meestal dienen ze om aan te wijzen dat een gedeelte feitelijk als één geheel beschouwd moet worden.
De dubbele punt wordt eveneens veel gebruikt en geeft meestal te kennen dat er tusschen beide gedeelten een oorzakelijk verband bestaat; dikwijls vervangt de dubbele punt bij Staring het voegwoord.
Het uitroepteeken is een waarschuwingsteeken en komt dus veel overeen met de dubbele punt: 't is "let op, hier bedoel ik iets bizonders mee, lees er niet overheen!" Zoo b.v. Jaromir te Praag vers 86: "'t Had dubbelen grond!" de waard zag immers niet één, maar twee hoeven.
De aanhalingsteekens dienen dikwijls om den lezer sprekende te laten optreden en juist daardoor wordt Staring in staat gesteld, dat kort en kernachtig te doen. 't Is een vraag, die te midden van 't verhaal den verteller plotseling door een belangstellende gedaan wordt, b.v. Jaromir Gewroken vs. 156 "En na de Kapellaan?"
Ook verschillende lettersoorten roept Staring te hulp om zijn lezers iets duidelijk onder 't oog te brengen. Woorden die van buitengewoon belang zijn, krijgen een anderen druk, b.v. Jaromir te Lochem vers 26 en 28, omdat daarin de kern van 't heele verhaal aan 't licht komt.
Heel vaak worden woorden die eene tegenstelling vormen, met een bizondere letter aangegeven, b.v. Jaromir te Praag, vs. 4-5, gezonde maag, zieke beurs; vs. 55 en 57: loon en dienstbewijs.
Hoofdletters worden eveneens tot dit doel aangewend: ieder woord dat bizonder de aandacht behoort te trekken, krijgt bij Staring een hoofdletter. We behoeven hiervan zeker geen voorbeelden te geven, iedere lezer bemerkt dit zelf dadelijk.
HAGAR.
Om vorm en inhoud van dit gedicht goed te kunnen begrijpen moet men vooral twee dingen in 't oog vatten, n.l.:
[Ontstaan.] 1. De eigenaardige wijze van ontstaan. Zooals bekend is, werd Da Costa door den uitgever A. C. Kruseman uitgenoodigd om een bijdrage te leveren voor de uitgave van de "Bijbelsche Vrouwen", een reeks van gravures met dichterlijke bijschriften. De plaat, waarbij Da Costa een gedicht zou schrijven stelde voor Hagar in de woestijn (eerste uitdrijving, dus de aanstaande moeder van Ismaël). Van den Bosch zegt van deze plaat in zijne uitgave (Zwolsche Herdrukken), "'t Stelde een schoone jonge vrouw voor, tegen een schaars begroeiden wal geleund, met wat woestijn tot achtergrond; in 't gebaar van 't zijwaarts buigend hoofd en de langs het lijf uitgestrekte armen, met de handen zijwaarts-af wijzend, in het gehééle gelaat in het mooie, gloedvolle oog vooral ligt dit: "Mij rest niets meer, ze hebben mij uitgeworpen, waar zal ik heengaan."
Juist het feit dat Da Costa geïnspireerd werd door deze plaat, dat hij als 't ware gedurende zijn werk de gravure vóór zich had, is de oorzaak van den eigenaardigen vorm welke 't gedicht kreeg. Vandaar de telkens terugkeerende aanspreking: "de Moeder Ismaëls".
[Geloof van Da Costa.] 2. Het geloof en de levensbeschouwing van Da Costa.
De dichter was een rechtzinnig Protestant en tevens een ijveraar voor zijn geloof. Dat alles weerspiegelt zich in zijn gedicht; voor eerst de heele beschouwing op geschiedkundig gebied, alles gebeurende onder rechtstreeksche leiding van het Opperwezen (op dit punt komen we uitvoeriger terug), maar ook zijn zienswijze met betrekking tot het Katholicisme. Door de kruistochten zullen de Christenen de overwinning niet op den Islam behalen, de tijden zijn nog niet rijp, hun geloof is niet het ware. Het is de strijd van 't Bijgeloof (Het Katholicisme), tegen het Wangeloof (De Islam).
Nog belangrijker dan dit alles is de verhouding van Da Costa tot het Réveil, waarover een uitstekend opstel geschreven is door Den Hertog in Noord en Zuid XVI, blz. 163-169. Vooral de aanhaling gedaan uit de "Standaard" is van buitengewoon belang, omdat daardoor de geheele levensbeschouwing van den dichter en de bouw van "Hagar" verklaard worden. We zullen enkele regels die de kern van 't geheel vormen, aanhalen. "Bilderdijks voorstelling, gelijk ze door Da Costa is uitgewerkt, was meer apocalyptisch. De ontzettende gebeurtenissen, die op het laatste der vorige en in het begin van deze eeuw elkander opvolgden, hadden op de ernstige geesten uit dien tijd een verpletterenden indruk gemaakt, en allengs een voorgevoel doen ontwaken, dat de wereld ten einde liep. En nu scheen het aan de geloofshelden uit die dagen toe, dat de ure gekomen was, waarin God zelf zou opstaan, om door een werking van Zijn Heiligen Geest in alle landen van Europa vooral de vorsten en Staatslieden en mannen van invloed tot zijn Christus te bekeeren, en zoo de laatste worsteling voor te bereiden."
[Duizendjarig rijk.] Dit is de sleutel van het werk van Da Costa. De dichter geloofde dus in het zoogenaamde millennium of duizendjarig rijk, en meende tevens aan de teekenen des tijds te zien, dat dit rijk juist toen werd voorbereid en dus betrekkelijk spoedig zou komen. Vandaar in vele zijner werken dat wijzen op de toekomst, dat aanroepen van God: "kom Koning Jezus! kom, ja kom!" We wijzen hier op den slotzang van de "Vijf en twintig jaren", op het laatste gedeelte van "Wachter wat is er van den Nacht?" op de schildering van het duizendjarig rijk in "Hagar", op de slotverzen van "1648 en 1848", van "Rouw en Trouw", op het motto van "de Chaos en het Licht", op den slotzang van "de Slag bij Nieuwpoort".
Dat dit apocalyptische ook in "Hagar" de grondgedachte aangeeft, als 't ware de kroon op 't geheele dichtstuk zet, zullen we straks nader aangeven. Eerst willen we er nog op wijzen, dat Da Costa in verschillende gebeurtenissen uit zijn tijd een rechtstreeks ingrijpen van de godheid meende te zien. Vandaar een eenigszins lijdelijk Christendom. "God werkte, wat zouden de menschen dan werken? Men had slechts te bidden, te gehoorzamen." Vandaar ook, dat Potgieter in zijn critiek op "1648 en 1848" zegt: "Laat ons er opregt voor uitkomen, het staren op die toekomst ons in de drie laatste verzen van den heer Da Costa met zoo gloeiende verwen afgemaald, bedreigt zijn ijverigste pogingen met vruchteloosheid, slaat al zijne raadgevingen met den vloek van het onbepaalde, en dreigt in een lijdelijk Christendom gaven en krachten te verteeren, aan wier degelijke werking ons arm vaderland meer dan ooit behoefte heeft."
Ditzelfde beginsel komt duidelijk aan 't licht in de "Hagar", als Da Costa over de kruistochten schrijft: de tochten mislukten, omdat ze plaats hebben "vóór 't rijpen van Gods tijden" (vgl. vs. 269). God alleen kan de zege behalen, niet de mensch ("noch wacht triumfen, die alleen Gods waarheid kan behalen").
Na deze inleidende woorden, die ons straks van veel dienst zullen zijn, willen we de compositie van het gedicht nagaan.
[Grondgedachte van het gedicht.] Niet de eenvoudige geschiedenis van de Egyptische slavin bezielde Da Costa, hij vatte zijn taak veel ruimer op, het onderwerp van zijn gedicht werd: de strijd tusschen het Christendom en den Islam.
Dit behoort nader aangetoond te worden. De oorsprong van den strijd is de twist tusschen de beide stammoeders Sara en Hagar. Veertien jaren later "herhaalt de moederzonde zich": Ismaël werpt spottende blikken op den zuigeling Izaäk, de strijd tusschen de beide broeders begint. Dan komt de groote uitbreiding van Ismaëls geslacht, "wiens hand is tegen allen", hun voortdurende krijg tegen de Christenen. En ze winnen veld, hun hoogtepunt bereiken ze in 't Westersch Khalifaat (Spanje). Maar daarop volgt het langzame terugdringen door hun tegenstanders: eerst Karel Martel, die de Saracenen slaat bij Poitiers, dan de wel-is-waar mislukte kruistochten, maar die toch voor de Christenen groote en zegenrijke gevolgen hebben, waardoor ze nieuwe krachten verzamelen voor een volgenden aanval, en ten slotte het merkbare verval der Turksche heerschappij: de slag bij Navarino, de bevrijding van Griekenland en bovenal het Westersch worden van den Turk. De teekenen wijzen er dus op: "de Halvemaan gaat onder!" en nu gaat Da Costa nog een stap verder: ten slotte zal "Ismaël den schedel diep buigen, En van zijns broeders eer, verrukt van zin, getuigen," dus: eindelijk zal de Islam opgelost worden in het Christendom. En dàn komt:
"de tijd van groote schuldvergeving, Van voor geheel deze aard volzalige herleving."
Men ziet het duizendjarig rijk bekroont de geheele Hagar, dat is weer het slot van Da Costa's voorstelling.
De grondgedachte van 't gedicht kan men derhalve ook samenvatten in eene vergelijking, n.l. deze: gelijk Hagar zich vernederde voor Sara, zoo zal ook God het hart van Ismaël bewegen en hem doen terugkeeren tot Izaäk (Ismaël = de Islam, Izaäk = het Christendom).
In verband hiermee is ééne opmerking te maken, nl. deze, dat het gedicht volgens bovengenoemde beschouwing had moeten besloten worden met de schildering van het millennium--de beschrijving van de terugkeerende Hagar werkt nu eenigszins storend en belemmert het overzicht over 't geheel. Waarschijnlijk is dit laatste gedeelte ontstaan, doordat Da Costa zich nog niet geheel los heeft gemaakt van de gravure; toen zijn gedicht feitelijk af was, zag hij nog eens naar de plaat, en herinnerde zich dat hij zijn taak niet heelemaal volgens afspraak had volbracht: hij zou immers een bijschrift leveren. Vandaar het aanhangsel. Deze hypothese vindt steun in den vorm van dat laatste deel:
De moeder Ismaëls! Op u een laatsten blik!
Is 't niet, alsof de dichter ook een laatsten blik op de gravure werpt?--In elk geval is 't zeer juist gezien de terugkeerende Hagar te beschrijven, "die op weg is om zich te vernederen voor Sara, en zoodoende een begin makende met de uitvoering van Gods wereldplan."
[Schema.] Voor de duidelijkheid geven we thans nog een klein overzicht van het gedicht:
a. Strijd tusschen Sara en Hagar. Eerste uitdrijving.
b. Strijd tusschen Izaäk en Ismaël. Tweede uitdrijving.
c. Opkomst en bloei van den Islam.
d. Langzaam terugdringen door het Christendom.
e. Overwinning der Christenen (duizendjarig rijk).
f. Aanhangsel (de terugkeerende Hagar).
[Belangrijke stof voor Da Costa.] Uit het geheele gedicht blijkt dat Da Costa de Hagar met bezieling, met vuur heeft geschreven, een bewijs, dat de stof hem heeft geïnspireerd. En geen wonder! De stof was voor hem belangrijk: 't was niet de eenvoudige uitdrijving van eene slavin, maar een stuk wereldgeschiedenis, waarin duidelijk het bestuur van de Almacht uitkomt. En bovendien, de dichter werd door dit alles gesterkt in zijn godsdienstige overtuiging, in het geloof aan de trouw van zijn God. Wat God heeft beloofd, volbrengt Hij! Juist dat blijkt duidelijk uit de Hagar:
"God heeft een woord gesproken! Geen stofken heeft er ooit bij de uitkomst aan ontbroken."
[Vertrouwen op God.] Maar er is nog iets, waardoor de dichter in zijn geloof wordt versterkt: hij meent uit de gebeurtenissen van zijn eigen tijd op te merken, dat Gods beloften steeds meer en meer in vervulling gaan. Eens zal Ismaël den schedel diep buigen voor Izaäk, zijn broeder, eens zal de Islam onderdoen voor het Kruis en ziet:
"de dag bevestigt aan den dag, Wat Navarino eens met luid kanongedonder Aan de aard verkondigde: de Halvemaan gaat onder."
En nu redeneert Da Costa aldus:
God heeft steeds zijn woord gehouden, veel van 't geen Hij beloofd heeft, is reeds in vervulling gegaan; de beloften welke nog niet vervuld zijn, zullen in de toekomst tot werkelijkheid worden. Het duizendjarig rijk is beloofd, dus zal het eens ook komen. (Vgl. regel 308: "Wat tijden, vast voorzegd, van groote schuldvergeving.")
[Schoonheden van het gedicht.] Thans willen we wijzen op enkele détail-schoonheden van het dichtwerk.
a. Beschrijving van den woestijn.
Hierin treft ons vooral het aanschouwelijke.--"Wij zien en ons schroeit de woestijn," zegt Potgieter ervan in zijn "Isaac Da Costa."
b. Schildering van Hagar in de woestenij.
"'t Penseel wijkt beschaamd voor uw schildring van smarte."
We halen weer denzelfden bevoegden rechter van zoo even aan. Vooral de inwendige strijd, de strijd tusschen hoogmoed en berouw, is in enkele woorden prachtig geteekend.
"-- -- -- -- -- -- Slechts éen vrouw, Met fierheid, diep verneerd, in 't oog,--met naberouw En kommer in de ziel, diep in die ziel bestreden,-- Richt op den sombren weg haar ongewisse schreden."
c. Herhaling van de moederzonde door Ismaël en de tweede uitdrijving.
Uit dit gedeelte zijn vooral bekend de beroemde beschrijvingen van de kameel en het ros. Men heeft wel eens beweerd, dat deze beschrijvingen niet in 't verband passen, dus een hors d'oeuvre zijn. Ze zijn evenwel zeer goed te verdedigen: Ismaël zal geheel alleen staan, zijn hand zal zijn tegen allen, geen menschelijken bondgenoot zal hij hebben. En nu de tegenstelling: slechts twee dieren zullen hem hunne diensten aanbieden: zijn kemel en zijn ros. De diensten welke zij Ismaël bewijzen, hun trouw aan den meester, dat alles is zeker niet misplaatst.
Op één minder gelukkig beeld in deze beschrijving willen we hier wijzen: op den kameel, die "zijn ruiter knielend afwerpt en weer opvangt"
d. De uitbreiding van den Islam.
Hier wijzen we enkele bizonder fraai gekozen beelden aan.
110 "'t Schiereiland goot hen uit."--Dit geeft zeer juist aan de groote massa die zich dadelijk over geheel de aarde verbreidde. Het onweerstaanbare voelen we in: "Of zoo zich de Oceaan een baan veegt door de dijken." Vooral regel 115 is zeer fraai: de hoogten (bergen) zich bewust van hunne kracht, probeeren te weerstaan, de glooiing (een veel zwakkere dijk!) tracht slechts te weerhouden. Zoo zijn er in dit gedeelte nog tal van goed gekozen beelden: tracht zelf enkele daarvan te vinden, 't Is eene uitstekende oefening, omdat men dan 't beeld als 't ware zelf nog eens geheel doet ontstaan en dus de rechte waarde er van begint te voelen.
Nog dient gelet op de talrijke imperatieven welke in dit gedeelte voorkomen, en die door hun gebiedenden vorm zoo juist aangeven het onweerstaanbare in den aanval der Moslims. "Buig Syrier!" "Torsch den last der Oostersche moskeeën!" "Zink onredbaar, Oosterchristenheid!"
e. Beschrijving van Mohammed.
Da Costa zegt veel goeds van dezen profeet. Lees daarvoor vers 161-186.
a. Mohammed was een dichter.
b. Hij was zeer godsdienstig.
c. Hij had eerbied voor de vroegere profeten, en bovenal voor Jezus.