Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte

d. De zingende kapelaan, die rondzwerft gevolgd door een troepje

Chapter 3294 wordsPublic domain

meeblèrende jongens! Echt aanschouwelijk.

[Kernachtigheid.] III. De kernachtigheid van Staring.

Nooit is zijn verhaal gerekt, alles is even bondig. "Staring herhaalt nooit", zei eens Potgieter en stelde hem daarom aan jonge dichters ten voorbeeld. Staring zelf had in dezen vooral Horatius en onzen pittigen Huygens tot leermeesters gekozen. Het is niet noodig hier de kernachtigheid van den dichter te bewijzen, omdat ieder dit onmiddellijk bij lezing van Starings werken zelf gevoelt. Als voorbeeld wijzen we op Jaromir te Praag, vers 48-68; alles volgt hier vlug zonder onnoodige uitweidingen of afdwalingen op elkaar.

Maar deze goede eigenschap kan worden tot een slechte: duisterheid, en die treffen we bij Staring dan ook vrij vaak aan, hoewel niet zoo dikwijls als bij z'n leermeester Huygens. "Starings verzen zijn geen muziek om van 't blad te spelen," zei Beets, en Potgieter beweert hetzelfde in andere bewoordingen: "Staring rekent op een denkend publiek." Maar niet alleen denken is noodig--dat zou 't ergste niet zijn!--doch ook vrij veel kennis van allerlei bizonderheden. We wijzen b.v. in Jaromir te Lochem op vs. 33-38. Niemand zal, al is hij nog zoo scherpzinnig, deze regels goed kunnen verklaren, indien hij niet met het feit bekend is dat de kans door de ouden voorgesteld werd als een persoon met een kaal achterhoofd en een vlecht haar van voren: was hij dus maar even voorbij, dan waren alle pogingen om hem te grijpen vruchteloos; alleen op het juiste oogenblik kan men hem bij de vlecht pakken.

Zoo ook Jaromir te Zutfen, regel 46-49. Hiervoor moet men weten:

a. Dat te Zutfen in het "Kerkgewelf" een groote bibliotheek bestaat waar de boeken aan kettingen liggen.

b. Dat in de "grafcel te Bremen" de lijken niet vergaan, en dat deze grafcel daardoor groote vermaardheid heeft.