Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte

d. In alles wil hij uitblinken en vandaar dat hij één kwetsbare plek

Chapter 1333,730 wordsPublic domain

heeft: hij is geen krachtig, forsch gebouwd man en in dat opzicht verre de mindere van de meeste zijner kennissen. Maar toch zal niemand het wagen Meerwoude te beleedigen. Reinout, zijn lichamelijke minderheid kennende, heeft dit gebrek zooveel mogelijk trachten te verhelpen en heeft uitstekende schermlessen genomen, zoodat hij in een duel een gevaarlijk tegenstander is.

e. Op godsdienstig gebied is hij een onverschillige; in een gesprek met Alva noemt Reinout zich zelf een atheïst. "Godsdienstige dweperij en slechte spijsvertering hebben een akelige identiteit", zegt hij tegen Melville.

[Verhouding tot Helene.] Twee personen zijn er die op zijn handelingen een beslissenden invloed oefenen: Helene van Vredenborg en Edward Melville. Helene heeft veel aan Reinout te danken, hij heeft haar smaak gevormd, is in vele opzichten haar leermeester geweest. Maar--en dit teekent zijn karakter--al die hulp is niets geweest dan egoïsme. Dat blijkt, als het tusschen Reinout en Helene tot een verklaring komt en de eerste zegt: "Ik moest iemand hebben, die mijn denken verstond; daartoe voedde ik u op; ik gaf u kennis en gedachten, opdat ge mij zoudt begrijpen en volgen, want ik wilde verstaan zijn; wilde, dat is het woord. Ik moest iets hebben, dat mij dierbaar was, en gij alleen kondt dat zijn; u kon ik vormen, daarom wendde ik uw hart van de betrekkingen af, die u niet begrepen, daarom liet ik de liefde van hem, die u niet verdiende, het genot, dat de ijdelheid zoekt, niet tot u komen; mijn eigendom moest gij zijn." Helene is dus geheel een werktuig in Reinouts handen geweest.

[Verhouding tot Melville.] Ook van Edward Melville kan hetzelfde gezegd worden. Eerst heeft Reinout geen reden om minder gunstig gestemd te zijn jegens Edward, die hem volstrekt niet hindert of in den weg staat. Toch is er iets, waaruit een minder gunstige verhouding kan voortkomen: Edward is een krachtige, kloek gebouwde jonge man en in dat opzicht dus de meerdere van Reinout. En werkelijk wordt dit een van de redenen, waarom Reinout Edward begint te haten. Van Filips, Helene's broer, heeft Edward gehoord wat de kwetsbare plaats is van Reinout en om de proef te nemen of dit werkelijk zoo is, vraagt hij hem eens: "ge zoudt stellig ook, als Cato, de voorkeur geven aan mannelijke kracht boven die kennis, die iedere vrouw zich eveneens kan verwerven, heer van Meerwoude?" Van dit oogenblik af haat Reinout Edward, want Meerwoude haatte alle minderheid en vooral die ze hem liet voelen.

Maar de hoofdreden van de vijandschap is een andere. Reinout bemerkt dat Helene en Edward elkaar liefhebben, en de mogelijkheid bestaat dus, dat hij Helene zal moeten afstaan. En dat wil hij niet. "Zij was hem onontbeerlijk geworden. Zij was een deel van zijn eigen wezen, een tweede ik, een grond waarin hij elke gedachte planten kon, en bij wie hij, als de conversatie zijner onkundige vrienden hem tegenstond, een belangrijker gesprek zocht; haar te missen, was hem zoo onmogelijk, als het hem tot nog toe ondenkbaar had geschenen, dat dit ooit gebeuren kon."

[Reinouts doel.] Zijn doel is voortaan Edward en Helene van elkaar te verwijderen. Het middel, dat hij aangrijpt is: den onervaren Edward in kennis te brengen met de schoone hofdame Silvia Linondi, die werkelijk een groot kontrast vormt met de ernstige, stemmige Helene. Het plan gelukt. Edward vergeet Helene en zelfs volgt een verloving met de schitterende Italiaansche. Ook op haar heeft Meerwoude geïnfluenceerd: niet tevergeefs heeft hij haar ingefluisterd, dat Edward de gunsteling is van den machtigen graaf van Viale en dus een groote toekomst hem wacht.

[Helene wordt Reinouts vrouw.] Zoo schijnt Reinout volkomen te slagen en toch falen zijn berekeningen. Hij had n.l. verwacht, dat Helene den man die haar versmaad had, niet langer zou kunnen liefhebben, dat haar liefde zou worden tot haat en juist daarin vergist hij zich. Voor ijverzucht en haat is geen plaats in Helene's rein gemoed en haar vraag aan Reinout: "ge gelooft niet, dat Silvia boos en gevoelloos is? Zij--zal hem gelukkig kunnen maken?" bewijst hem, dat ze Edward nòg lief heeft.

[Melville zelfstandiger.] Daarbij komt, dat Edward langzamerhand meer zelfstandig begint te worden en bemerkt dat Silvia hem niet gekozen heeft uit liefde, maar uit berekening. Hij verbreekt zijn verloving en ziet nu in, hoe dwaas hij geweest is een karaktervolle vrouw als Helene te verlaten voor de lichtzinnige Silvia. Weer dreigt dus voor Reinout het gevaar, dat Edward hem eens Helene zal ontnemen. Maar hij heeft nieuwe maatregelen genomen: Helene moet zijn vrouw worden, dat is 't eenige middel om haar voorgoed van Edward te verwijderen. Vrijwillig zal Helene nooit in dat huwelijk toestemmen, dat beseft Reinout te goed; ze moet dus gedwongen worden. Maar natuurlijk zoo, dat ze geen dwang van zijn kant bemerkt, dan zou ze hem verachten en ze moet voor Reinout dezelfde trouwe studiemakker blijven, die ze altijd geweest is.

[Speelzucht van Filips.] Het middel vindt Meerwoude in de verkwistingen van Helene's broer Filips, wiens speelzucht door Reinout op sluwe wijze wordt aangewakkerd, zoodat hij eindelijk wissels teekent op naam van zijn vader, tot een zoo hoog bedrag, dat ze door den ouden Vredenborg moeilijk voldaan kunnen worden. Als Helene radeloos staat tegenover den woekeraar, die de wissels presenteert, neemt Reinout de geldelijke verplichtingen van Filips op zich en zoo is Helene, die haar vader al deze ellende wil besparen, wel gedwongen Reinouts aanzoek aan te nemen.

[Melville Protestant.] Maar het is Meerwoude niet genoeg Helene als vrouw te bezitten, hij moet ook in haar de liefde voor Edward dooden. En 't toeval doet hem daartoe een middel aan de hand; hij ontdekt de verhouding tusschen Edward en den graaf van Viale. Edward is een bastaard en Reinout zal maken dat hij in de oogen van Helene ook nog een onwaardige wordt. Viale is een dwepend Katholiek, de zoon moet een ketter worden! En is dat doel eenmaal bereikt, dan zal Edward het geheim van zijn geboorte weten en staan tegenover zijn eigen vader. Zoo spant Meerwoude zorgvuldig de draden van zijn net en zijn scherpen geest gelukt het inderdaad dit plan ten uitvoer te brengen. Langzaam weet Meerwoude Edwards kinderlijk geloof, dat geen twijfel kende omdat het nooit gestreden had, te ondermijnen; hij laat hem de uitwassen zien van 't Katholicisme, b.v. den schaamteloozen verkoop van heiligenbeeldjes en aflaatbrieven in Brussel; Edward ziet het harde optreden van de inquisitie tegen de ketters en door dat alles begint zijn geloof te wankelen, totdat de kennismaking met den Protestantschen prediker De la Tour hem een overtuigd aanhanger van de Hervorming doet worden.

[Melville zoon van Viale.] Ook hier schijnt dus Reinout zijn doel bereikt te hebben, maar nu gebeurt er iets dat een egoïst als hij niet heeft kunnen voorzien: Edward weigert als hij 't geheim van zijn geboorte uit Meerwoude's mond hoort, van zijn vader de erkenning als zoon te eischen. Reinouts plan is mislukt, want door 't verwachte optreden van Edward hoopte hij ook Viale te treffen, zijn machtigen en trotschen mededinger, die vernietigd moest worden, vernietigd door zijn eigen zoon.

[Helene tegenover Reinout.] 't Is voor Reinout het begin van 't einde, want ook Helene staat op tegen hem. Haar broer Filips heeft zich een woord laten ontvallen, waaruit ze meent te moeten opmaken dat juist Reinout hem tot spelen heeft aangezet en nooit kan ze die ontzettende gedachte van zich afzetten. Als eindelijk haar de waarheid blijkt, doorziet ze de geheele intrige en vol afschuw vlucht ze uit het huis van haar man.

[Mislukking van Reinouts plannen.] Ten slotte mislukken nog de plannen van Meerwoude op staatkundig gebied en dan komt werkelijk het einde. Met groote handigheid heeft Reinout zich onmisbaar weten te maken voor de Spaansche regeering, eerst voor Margaretha, later voor Alva en als loon vraagt hij de hoogste waardigheid na die van landvoogd: het stadhouderschap van Brabant. Werkelijk verkrijgt hij de schriftelijke belofte van Alva dat Meerwoude tot Stadhouder van Brabant zal worden benoemd als hij 't leger van de Geuzen in handen van de Spanjaarden heeft gespeeld. Maar als Reinout zich naar dat leger begeeft, hebben de Geuzen door toedoen van Alva, die Meerwoude te gevaarlijk begint te vinden, de bewijzen reeds in handen van 't verraad, en na een vergeefsche poging tot ontvluchting blijft hem niets meer over dan zelfmoord.

[Reinout de hoofdpersoon.] Uit al 't voorgaande blijkt wel dat Meerwoude de hoofdpersoon van den roman is; hij beheerscht voor 't grootste deel den loop van zaken en de andere personen zijn in vele opzichten niets dan stukken op een schaakbord, die door hem naar willekeur verplaatst worden. Over die personen kunnen we dus kort zijn, te meer omdat in bovenstaande karakterschets al heel wat over hen medegedeeld is.

[Karakter van Helene.] Helene van Vredenborg is een heel sympathieke figuur, een buitengewoon ontwikkeld meisje, dat zich geheel opoffert voor haar vader, den geleerde, en voor haar broer Filips; de eer van haar geslacht door haar zelfopoffering redt en Melville, den man dien ze liefheeft, trouw blijft, ook na de miskenning,

[Melville.] Veel minder hoog staat Edward Melville, die geheel een speelbal is in de handen van Reinout van Meerwoude en den eersten tijd dat hij in Brussel is, een werkelijk treurige rol speelt. Maar dat moet grootendeels geschreven worden op rekening van zijn onervarenheid, slecht is hij niet. De rampen louteren zijn karakter, en ten slotte vindt hij zich-zelf terug. Hij weet zich los te maken van de landvoogdes Margaretha en de verleidelijke Silvia, trotseert Viale en Meerwoude, en zijn dapperheid bij Heiligerlee, waar hij 't leven laat, strijdend voor de vrijheid, verzoent ons met zijn eerste afdwalingen.

[Viale. Zijn eerzucht.] Viale is iemand, die alles ondergeschikt maakt aan zijn eerzucht. Als de arme edelman Karel de Brénis vatte hij liefde op voor de Utrechtsche burgerdochter Johanna Rovéne, de moeder van Edward en zijn trouw duurde niet langer dan toen de aanbieding kwam van zijn bloedverwant, den graaf Van Viale, die hem tot erfgenaam wenschte. Zijn latere verloving met Agnete van Arnemuiden werd verbroken, omdat hij hoorde, dat de bruid niet zoo rijk was als men dacht en de jonkvrouw, die hij zich eindelijk in Frankrijk tot echtgenoote uitkoos, bezat schatten. Zoo verwierf Karel de Brénis een hoog-adellijke titel en groote rijkdommen.

[Streng Katholiek.] Door zijn rechtzinnig Katholicisme werd hij ook politiek gebied weldra een man van gewicht: hij werd de punt of het vraagteeken achter alle besluiten van landvoogdes Margaretha. Kenmerkend voor hem is zijn fanatiek geloof, te verklaren uit de wroeging over zijn daad en de zucht om over anderen te heerschen. "De kerk bood hem alle voorrechten van heerschappij en onderwerping tegelijk aan. Zij gaf hem het recht in wereldsche zaken te heerschen en beloonde hem voor zijn onderwerping in het geestelijke met de gansche bescherming, die haar uitgebreid gezag kon verleenen; uit haar absolutie putte hij de kracht, die zijn zonden hem ontroofd hadden." Viale is een Katholiek, die in vele opzichten te vergelijken is met Aernout Bakelsze uit "Het Huis Lauernesse". Beiden klemmen zich vast aan hun geloof en trachten de ketters te verdelgen, omdat ze zich éen voelen met de Kerk en met die Kerk staan of vallen.

[Zuster Klara.] Naast deze harde Katholieke figuur staat een andere liefdevolle: de vrome non Klara, eens de schoone Agnete van Arnemuiden, later de troost van zieken en verdrukten: de heilige van Ilmenoude.

[Van Vredenborg en Filips.] De heer Van Vredenborg en zijn zoon Filips zijn antipoden: de eerste is de geleerde, die heelemaal opgaat in zijn studiën en van de wereld afgestorven is, terwijl de laatste juist zooveel mogelijk van alle wereldsche genietingen tracht te profiteeren. Dat antagonisme is van beide zijden bijna tot afkeer geworden. "Er zijn menschen, die voor anderen het vermogen van een slijpsteen bezitten; ieder woord, dat met hen in aanraking komt, schijnt scherp te worden, en Filips was voor zijn vader zulk een slijpsteen."

[Filips heeft het karakter zijner moeder.] Die ontevredenheid van Vredenborg is wel te verklaren: Filips is een zoon uit het tweede huwelijk en heeft geheel dezelfde eigenschappen als zijn moeder, een vrouw, die door haar lichtzinnigheid en later door haar ontrouw Vredenborg nameloos verdriet heeft aangedaan, vooral omdat hij zijn vrouw hartstochtelijk lief had. In zijn studiën had Vredenborg zijn gemoedsrust hervonden en zijn vurigste wensch was, dat Filips later zijn hulp en steun zou worden bij dat moeitevolle werk. Maar de zoon was daartoe totaal ongeschikt, het lichtzinnige bloed van zijn moeder stroomde door zijn aderen en 't eenige doel van zijn leven was: genot. De vader moest wel in de feiten berusten, maar het verstoren van zijn illusies maakte hem wrevelig en 't losbandige leven van Filips was hem een gruwel. Vandaar de treurige verstandhouding.

[Verwijdering van zijn vader.] En Vredenborg moest het zich wel bekennen, dat hij zelf schuld had: hij had immers den zoon, die ook in uiterlijk het evenbeeld van zijn moeder was, buiten het vaderlijk huis laten opvoeden, omdat hij het gelaat niet zien kon, dat hem telkens aan de schuldige vrouw herinnerde. Vader en zoon waren al vroeg van elkaar vervreemd en er bestond tusschen hen geen liefde, die Filips misschien van den slechten weg had kunnen terughouden. Zoo heeft de lichtzinnige jongeman in niemand een steun, want ook de verhouding tot zijn zuster, die geheel denkt als de vader, is verre van innig en 't is waarlijk niet te verwonderen, dat hij met een raadsman als Meerwoude zijn verderf tegemoet loopt. Misschien dat hij door harde ervaringen geleerd, een beter mensch zal worden en we vinden daarover aan 't slot van 't boek een aanwijzing als Helene tot Edward zegt, dat ze hoopt te gaan naar haar broer, die naar Duitschland is uitgeweken en haar heeft geschreven, dat er veel in hem is veranderd. Mogelijk vindt Helene in hem dan in waarheid, wat hij eerst slechts in naam geweest is: een broer.

[De edelen tijdens den opstand.] Ten slotte nog iets over 't milieu waarin de roman speelt. We worden verplaatst in Brussel tijdens het voorspel van den opstand, en naast de teekening van enkele historische personen heeft de schrijfster ons vooral een beeld willen geven van de Nederlandsche edelen uit dien tijd. En dat beeld is historisch juist. Duidelijk zien we, dat 't verzet tegen Spanje bij den adel geen beginselkwestie, nog minder een geloofskwestie was--uitgezonderd bij enkelen als Tholouze, Marnix en Davilliers--maar eenvoudig een begeerte naar meerderen invloed en daardoor naar meerdere inkomsten. Nooit is dat duidelijker gebleken dan na 't vertrek van Granvelle, toen de edelen veel te zeggen kregen en hun bevoorrechte positie gebruikten om op allerlei wijzen hunne heb- en winzucht te bevredigen. Niet de ontevreden edelen, maar de krachtige, door 't geloof gesterkte burgers hebben Nederland van de Spaansche overheersching bevrijd.

VORSTENSCHOOL.

[Strekking.] Multatuli klaagt er in idee 930 over dat men de strekking van Vorstenschool niet begrepen heeft en er heel iets anders achter gezocht is dan de schrijver bedoelde. Velen meenden n.l. dat het daarin vertelde hofschandaaltje de hoofdzaak was en dat dit bovendien betrekking had op Nederlandsche toestanden. Met Koning George zou dan Koning Willem III bedoeld zijn, en men schreef het daaraan toe dat Vorstenschool langen tijd na 't verschijnen nog nooit opgevoerd was. Multatuli zelf zegt hierover 't volgende: "Ik verzeker dat onze Koning mij zoo min bekend is als de letterzetter Puf, en dat ik me niet bezig houd met de chronique scandaleuse van personen." En verder: "Wie nu, in weerwil van dit alles, in den George van 't drama, den tegenwoordigen Koning van Nederland meent te herkennen, wordt uitgenoodigd met gelijke scherpzinnigheid, te openbaren wie er dan met Louise bedoeld wordt? Met Hanna? Met den lakei die de kachel aanmaakt? Met den groom van jonker Schukenscheuer? Met den niet geschoten wolf? Zou dat beest misschien ook de gemeentewet beduiden? Of de Brielsche feesten? Of de mazelen der kindertjes van de juffrouw links-achter-boven-voor?"

Wat de schrijver wèl bedoelt blijkt uit de volgende aanhaling: "Men zegt dat onze grootouders de eerste thee die zij in handen kregen, gereed maakten als spinazie. Ik verzoek m'n drama te lezen, te gebruiken en te beoordeelen als.... 'n drama. Om hiertoe eenigermate den weg te wijzen, sla ik bij dezen 'n ondertitel voor: Vorstenschool, of vluchtige schets van 'n paar verschillende wijzen waarop hooggeplaatste personen hun roeping zouden kunnen opvatten. Dit namelijk is de hoofdzaak, en niet het povere, door Louise en mij even onachtzaam behandeld kuiperijtje."

Bij een bespreking moeten we dus het volle licht laten vallen op het karakter en de daden van Louise en George. Het "hofkabaaltje" is bijzaak, maar dit vormt toch de intrigue waarop het heele stuk gebouwd is en daarom zullen we eerst nagaan hoe dit kuiperijtje in elkaar zit. Bij een eerste lezing is 't niet gemakkelijk de rechte beteekenis te vatten; vooral de rol die Hesselfeld speelt is niet duidelijk, maar als men 't stuk herleest en alle uitingen nauwkeurig nagaat, blijkt wel wàt eigenlijk de bedoeling is. De zaak is deze:

[Intrigue.] De eerste minister Graaf v. Weert heeft benijders die hem ten val willen brengen. De voornaamste daarvan is Hesselfeld die v. Weert haat, zooals o.a. blijkt uit 't geen Van Huisde in 't vijfde bedrijf zegt tegen De Walbourg. ("Als niet Hesselfeld uit haat, en.... om Van Weert...."). Om den minister onmogelijk te maken strooit men uit dat hij in ongeoorloofde verstandhouding staat met koningin Louise en de aanleiding tot dat praatje is 't feit dat Van Weert geregeld op Louise's Rust komt, daar de koningin met hem spreekt over staatszaken en die bijeenkomsten soms tot laat in den nacht duren.

[De laster.] Dat deze laster werkelijk al onder de hovelingen uitgestrooid is, blijkt uit het tweede bedrijf. Als n.l. de gasten allemaal aanwezig zijn, ziet de koning dat Van Weert ontbreekt en zegt: "Hoe, Graaf van Weert niet bij u?" De heeren fluisteren dan even onder elkaar: een bewijs dat er iets geheims is en dan antwoordt Hesselfeld:

"Hij was 'n oogenblik slechts bij ons, Sire. Hij.... wendde bezigheden voor en ging. Ook gisteren avond was hij niet op 't bal."

Uit de woordenkeuze blijkt duidelijk dat de hovelingen de zaak niet pluis achten (b.v. "bezigheden voorwenden" en dat "hij er gisteren avond ook niet was!"); ze hebben onderling er natuurlijk over gesproken, waaròm Van Weert al weer weg moest en z'n niet-verschijnen op 't bal zal ook tot heel wat veronderstellingen aanleiding gegeven hebben. Let er ook op, dat 't juist Hesselfeld is, die dit zegt! In datzelfde bedrijf blijkt wàt ze denken. Er komt n.l. een poosje later bericht dat Van Weert niet thuis is--en dat midden in den nacht! Dan fluistert Hesselfeld zijn buurman in 't oor, maar zoo luid dat de koning 't hoort: "Louise's Rust is lief gelegen!" Dàt is dus 't lasterpraatje en Hesselfeld is weer de man die 't zegt. De koning begrijpt de bedoeling van die woorden dadelijk, stuift vreeselijk op en vraagt opheldering. Hesselfeld maakt het nog erger door te zeggen:

"De heer Miralde roemde 'n park bij..... Kopenhagen, Waar koningin Mathilde... en... Struensee..."

Want ook minister Struensee werd beschuldigd een liaison te hebben met koningin Mathilde!

[Intrigues voor en tegen Van Weert.] Na dit alles schijnt Van Weert voor goed onmogelijk gemaakt te zijn, maar nu beginnen de intrigues vóor en tégen den minister. Als allen vertrokken zijn blijft n.l. Van Huisde achter en deze zint op een middel om Van Weert te redden. Peinzende zegt hij:

"De nacht voor donderdag, den tienden Mei... Een, twee, drie uur... Van Weert, 'n alibi!"

Hij wil dus trachten te bewijzen dat de graaf op dat oogenblik ergens anders geweest is.

[Rol van Hesselfeld.] Ondertusschen staat Hesselfeld, de vijand van Van Weert, bespiedend op den achtergrond, hij hoort wat Van Huisde zegt, maar deze ziet hem niet. Zijn doel is natuurlijk Van Huisde te dwarsboomen en zoo Van Weert tòch ten val te brengen. Dat hij Van Huisde doorziet, blijkt uit 't geen hij in zichzelf zegt:

"Een alibi? Dáár is wat van te maken! Die heeren van de rechten weten 't wel... Er gaat toch, wel beschouwd, niets boven 't recht! Precies, van Huisde... 'n alibi... schandaal... Eurèka!"

[Pogingen van Van Huisde.] In 't derde bedrijf zien we Van Huisde aan het werk en hooren we ook, waaròm Van Weert niet vallen mag. Dat blijkt uit het gesprek van Van Huisde en Miralde. De laatste zegt:

"Ik blijf er bij, Van Weert is impossibel, De zaak was al te duidelijk, Huisde!"

Van Huisde wijst er op dat de minister mòet behouden blijven. Zij, de groot-grondbezitters, betalen n.l. heel weinig belasting van hun landerijen [16] en nu is Van Weert "een grondbezitter van den eersten rang," van hem zal dus nooit een wetsvoorstel te wachten zijn ter herziening van 't kadaster. Niet dat een ander minister dat dadelijk zou voorstellen, maar men moet het zekere nemen voor 't onzekere:

"Zoolang-i staat, blijft alles bij het oude, Ziedaar 'n zekerheid die 'k voor de kans Van wat er volgen kàn, niet ruilen wil. Wij offren dus Van Weert niet op, Miralde!"

[Middel om Van Weert te handhaven.] En nu 't middel om hem te redden. Het feit schijnt waar te zijn, maar "wat gister helder was, is soms vandaag wat duister." Als men "met beleid" handelt, kan men van een blijk een schijn maken" m.a.w. de werkelijkheid moet weggemoffeld worden en iets anders er voor in de plaats worden gesteld. Dat heeft Van Huisde al gedaan, zooals uit enkele van z'n gezegden blijkt.

"Er zijn middlen! En 'k heb reeds voor mijn deel...."

En vooral Wanneer men... met beleid... ik deed het mijne!" "Men schuift--mits met beleid! iets tusschen 't oog En 't voorwerp dat zoo duidelijk scheen, Miralde... En dit heb ik gedaan!"

Van Huisde hoopt dan ook te zullen slagen, maar één ding is er dat misschien alles zal verhinderen: Van Weert heeft soms zulke eigenaardige begrippen omtrent zedelijkheid, denkt niet precies als Van Huisde en zal dus misschien het aangeboden middel weigeren. Daarom moet Van Weert overtuigd worden dat hij in z'n eigen belang zoo moet handelen als Van Huisde wil. Vandaar ook dat de laatste tegen Miralde zegt:

"Ge zijt met hem bevriend... zeg gij hem... dat..."

[Laster omtrent Hanna.] In 't vierde bedrijf wordt het ons duidelijk wat het doel van Van Huisde is. Hij wil 't praatje rondstrooien dat Van Weert soms bij de naaister Hanna komt en als de minister dit middel aan wil grijpen, kan hij dus beweren, dat hij den bewusten nacht niet op Louise's Rust is geweest, maar bij Hanna. Op deze wijze zal Van Weert zich bij den koning, die de koningin natuurlijk niet over de zaak durft spreken, kunnen verontschuldigen. Thans blijkt dat Van Huisde Van Weert werkelijk schuldig acht, want anders was dit alles onnoodig.

[Het alibi.] En nu wat Van Huisde al gedaan heeft om voor een alibi te zorgen. Ook dat blijkt uit het vierde bedrijf en wel uit het verhaal van Puf. Puf verhaalt dat hij 's nachts een heer ontmoet had die juist Hanna Smit een bezoek had gebracht, en z'n portemonnaie had verloren. Samen zoeken ze en vinden 't verlorene voor de deur van Hanna's kamer. Ook zegt die meneer nog dat hij van het hof is. Deze man is natuurlijk Van Huisde of een handlanger van hem en dit alles dient om een getuige te krijgen die verklaren kan dat "een meneer van 't hof" Hanna soms bezoekt. Als Van Weert dan, ingelicht door Miralde en Van Huisde, tegenover den Koning beweert dat hij bij Hanna geweest is, kan Puf getuigen! Dat is de manier waarop Van Huisde van een blijk een schijn hoopt te maken!

Dit alles wordt den Koning verteld--niet door Van Weert maar waarschijnlijk door Van Huisde of Miralde--zooals blijkt uit 't geen deze in 't begin van 't vijfde bedrijf zegt:

"Maar wie kon gissen dat Van Weert... zoo raide, Zoo'n overdeftig man, zoo'n zedepreker, Zich inliet met 'n vrouw van lagen stand."

Ook Herman hoort dit praatje:

"Ik weet nu iets... z'n naam: Hij heet Van Weert, 'n Graaf, of zoowat!"

[Tegen-intrigue van Hesselfeld.] Tot zoover is de intrigue duidelijk maar dan komt er iets schijnbaar tegenstrijdigs. Albert komt n.l. thuis met ander nieuws: "Men zegt dat de koningin de minnares is van Van Weert en dat het schandaal hier op de trap gezocht is om verdenking af te leiden." Dit praatje kan natuurlijk niet verspreid zijn door iemand als Van Huisde of Miralde, maar door een vijand van Van Weert of Van Huisde, die op deze wijze den minister toch ten val hoopt te brengen. Deze man is Hesselfeld, die de woorden van Van Huisde op 't eind van 't tweede bedrijf heeft gehoord, diens bedoeling heeft begrepen en heeft nagegaan welk middel aangewend is om Van Weert te redden. Dat hij werkelijk Van Weert ten val wil brengen, blijkt uit het feit dat hij als lakei verkleed bij Hanna komt en haar aanraadt te klagen bij den Koning. Dan zal immers uitkomen dat het alibi onwaar geweest is:

"Graaf Van Weert Was op Louise's Rust.... er zijn getuigen. Men wil u bijstaan, uit.... rechtvaardigheid, Uit menschelijkheid, ja.... uit menschlievendheid, En.... om de goede zeden...."

Maar toevallig is Koningin Louise tegenwoordig, ze begrijpt alles, straft eerst Hesselfeld af en vernedert dan Van Huisde in tegenwoordigheid van Hanna, 't meisje dat hij belasterd heeft.

[Onjuiste voorstelling door Vosmaer.] Dat deze intrigue niet erg duidelijk aan 't licht komt, blijkt uit het feit, dat zelfs Vosmaer Vorstenschool niet geheel begrepen heeft. Hij schrijft in z'n studiën over Multatuli's werken:

"Uit een ander deel der maatschappij is een tweede groep genomen. Een meisje, Hanna, naaister voor haar levensonderhoud, verloofd aan een klerk bij een ministerie, die dichter is; een broeder, werkman, wien de onbevlekte naam zijner zuster het hoogste goed is; een dronkaard, uit wiens gezin Hanna het jongste weesje tot zich neemt en verzorgt. De laster speelt zijn rol. Aan het hof wordt de koningin verdacht gemaakt van een ongeoorloofde betrekking met graaf Van Weert. Den koning foltert de verdenking." (Dit gedeelte is juist, maar nu komt een geheel onjuiste voorstelling, waarin het foutieve gecursiveerd is!)

"De werkelijkheid is dat de naam van graaf Van Weert door een ander heer van 't hof, die aan Hanna wel eens een bezoek wou brengen en daartoe den dronkaard Puf aanklampt, wordt misbruikt." (We zagen boven dat deze heer van 't hof Van Huisde of een van z'n handlangers geweest is en dat de bedoeling niet was Hanna een bezoek te brengen, maar om in Puf een getuige te krijgen voor 't bewijzen van 't alibi).

"Hierdoor komt ook Hanna's naam op de tong. De rechtsgeleerde minister van Huisde en een anderen staatsman, Hesselfeld, schijnen den dubbelen laster te willen gebruiken in dien zin dat de graaf Van Weert niet om Hanna zelve bij deze zou komen, maar om de koningin daar te ontmoeten." (Dit is heelemaal onjuist: vooreerst is Van Huisde geen minister, maar kamerheer des Konings; ten tweede wordt het hier voorgesteld alsof Van Huisde en Hesselfeld elkaars medestanders zijn, terwijl Hesselfeld Van Huisde juist tegenwerkt; ten derde zou Van Huisde op die manier graaf Van Weert dien hij redden wil, juist ten val brengen en bovendien staat er in 't heele stuk niets, waaruit op te maken is dat Van Weert de Koningin bij Hanna zou ontmoeten).

Thans komen we tot de hoofdzaak: de beteekenis van koningin Louise en koning George. In de eerste heeft Multatuli ons iemand willen teekenen die haar taak op werkelijk koninklijke wijze opvat, in den tweede den vorst die z'n tijd aan allerlei dingen van minder belang verbeuzelt.

[Koningin Louise.] Koningin Louise is een idealiste, maar tevens iemand die door hard werken tracht haar ideaal tot werkelijkheid te maken. Volstrekt geen dweepster: "in dweepzucht schuilt bedrog en zij zoekt waarheid!"

[Haar doel.] Haar verheven doel is, het volk op te heffen, gelukkig te maken:

-- -- -- -- -- -- -- -- "als Ik al m'n kracht ten-offer heb gebracht Aan 't welzijn van m'n medemenschen.... dan, Ja, dan noem ik mijzelve Koningin."

Zij "wil 'n eerzuil in het hart des Volks." Ze weet dat veel teleurstellingen haar wachten, dat het een lange, moeilijke weg zal zijn, maar zij heeft, als in haar droom, gekozen. Zij wil zijn een mensch die lijdt, gevoelt en arbeidt, geen Koningin die heerscht; door de doornenkroon tot de gouden Koningskroon; per aspera ad astra!

[De plicht eens vorsten.] Twee dingen zijn er vooral die een Koning altijd voor oogen moet hebben: Hooge eischen moet hij stellen aan zich zelf--"der Vorsten plicht is hoog te staan! Hem voegt de middelmaat zoo min als 't lage,"--en hij moet het volk kennen: "de Vorsten kennen 't Volk niet dat hen voedt. Een eerste plicht des souvereins is: weten."

[Louise's daden.] Louise doèt wat ze zegt. Uit al haar woorden en daden blijkt welk een hooge plichts-opvatting ze heeft, en de andere plicht: wèten, verzuimt ze evenmin. Iedere week houdt ze audiëntie en iedereen die iets te klagen of te verzoeken heeft, mag dan tot de koningin komen. Hoeveel belang ze in al de personen stelt, blijkt uit het gesprek met Puf en 't geen ze na afloop daarvan zegt tot De Walbourg. Alles wordt opgeteekend en daarna onderzocht, onderstand wordt aan velen verleend. Bundels papieren liggen op tafel.

"Berichten over alles wat bij 't Volk Niet is zooals het wezen moest, en toch--Dat hoop ik!--eenmaal anders wezen zal."

Wordt Louise door 't een of ander bizonder getroffen, zooals door 't feit dat een buurvrouw 't jongste kindje van Puf uit vriendschap verzorgt, dan gaat ze zelf huisbezoek doen.

Maar niet alleen de lage volksklassen hoort ze, ook van de ministers wil ze weten hoe de toestand van 't land is. Tot diep in den nacht ondervraagt ze graaf Van Weert, nooit is haar onverbiddelijke weetlust bevredigd. Ze doorziet de heeren staatslieden volkomen: de Staat is voor hen een zetel, een carrière, 't is allemaal sleurwerk wat ze doen, hart voor 't volk hebben ze niet En dàt is 't voornaamste. Daarom spreekt de idealistische koningin met Van Weert; zij hoopt "in zijn hart een vonk te werpen van geloof aan mooglijkheid op beter toekomst."

[De verhouding tot Koning George.] Iets is er dat Louise veel verdriet doet: de houding van haar man. Ze wil hem zoo graag eens spreken over alles waar ze in den laatsten tijd over heeft gedacht, maar slechts zelden ziet ze hem, altijd is er wat, dan een jachtpartij, dan dit, dan dat. Ook weet ze dat George zijn taak niet vervult als 't volgens haar meening moet, en toch gelooft ze nog in hem, hij zal eens anders worden. Ze stelt het dan ook altijd voor alsof de Koning 't geheel met haar eens is, zoo b.v. zelfs in 't gesprek met de Koningin-Moeder. (Einde eerste bedrijf).

"Z'n Majesteit denkt juist als ik, mama! En mocht er soms... hij heeft 'n edel hart! En als misschien... doch neen, dit is zoo niet! Maar als... welnu, waartoe zou liefde dienen?"

Hoe mooi is in deze woorden de twijfel van Louise aangegeven en toch weer haar geloof in 't goede: hij heeft 'n edel hart. En George heeft een edel hart: zendt hij de arme lui uit de herberg niet een koe als de hunne gestorven is?

In 't laatste bedrijf doet Louise 't zelfs voorkomen alsof ze handelt op bevel des Konings en laat dus al de aanwezigen voelen hoe ook zijn hart gruwt van laagheid. Ze maakt George als 't ware tot haar bondgenoot in den strijd tegen Van Huisde.

"Mama, ik bid u, roep den Koning hier! Ik voel behoefte hem te spreken, en Te zeggen dat ik... zijn bevel volbracht! En dat ik deed... wat hij bevolen heeft, Stipt, stipt wat hij gelastte!"

[Louise's sarcasme.] Op éen eigenschap van Louise wijzen we ten slotte. nog: de vreeselijke scherpte waarmee ze onwaardigen kan afstraffen. Zoo 't woord tot Hesselfeld:

"'t Lakeienpak flatteert je, Hesselfeld! Het past je."

en de straf: de voorname meneer van 't hof moet 't pakje oprapen, dat een arm naaistertje heeft laten vallen!

Nog erger wordt Van Huisde gestraft: zijn marteling duurt zooveel langer. Telkens maakt de Koningin toespelingen op zijn schandelijk gedrag, terwijl ze schijnbaar over heel gewone zaken spreekt. Ze heeft veel gehoord van zijn roem als rechtsman! Dan in eens 't gesprek over entomologie: 't opprikken en martelen van een onschuldigen vlinder, zoo heeft Van Huisde door zijn laster de arme Hanna gefolterd. Ook de Koningin zal iemand op een plank nagelen, maar geen onschuldigen vlinder: een skorpioen, 'n adder is 't! Van Huisde weet wel wie die adder met z'n vergiftige tong is! Ten slotte 't als toevallig bladeren in een Latijnsch woordenboek: 't opnoemen van enkele woorden, waaronder alibi en dan plotseling de vraag:

"Wat is 'n alibi? Komaan, laat hooren, Wat is 'n alibi? m'nheer Van Huisde?"

Ook van Huisde, "die nog altijd niet weet wat Recht is," wordt gestraft als Hesselfeld: op Louise's bevel valt hij met gebogen hoofd op de knieën voor Hanna neer. Zoo heeft de Koningin

"in 't rijk gemoed Het middel (gevonden), om te doen verstaan Ook wat niet rein genoeg is voor haar lippen!"

Wèl mag ze zeggen, als Van Huisde in boete-houding voor Hanna ligt: "Een exekutie, moeder!" En dan als slot de vlijmende woorden tot den onwaardige:

"Ge kunt vertrekken. Wisch uw knieën af, En wat er verder aan u vuil mag zijn."

't Tragische in Vorstenschool is dat juist deze edeldenkende Koningin 't slachtoffer van den laster wordt, een bewijs hoe weinig de hovelingen haar hoog karakter begrijpen.

[Koning George.] Van Koning George is waar wat Louise zegt: hij heeft 'n edel hart en dat redt op 't tooneel z'n heele figuur. Hij moet--en dat deed Haspels die 't eerst deze rol speelde--volkomen ernstig genomen worden: de Koning méént n.l. dat al de beuzelarijen waarmee hij zich lang bezig houdt, zaken zijn van groot gewicht. De schouderweren berooven hem wérkelijk van z'n slaap en als hij spreekt van ontspanning "na zware dagtaak, na een nacht vol studie" is dat geen frase. De kleermaker heet niet voor niemendal Lands-heil!

George is dus iemand van goeden wil, maar wat de taak van een vorst eigenlijk is beseft hij niet: 't ideaal van Louise is nog niet het zijne. Hij kènt Louise niet: hoe zou 't anders mogelijk geweest zijn, dat hij ook maar een oogenblik aan Hesselfelds laster geloof kon slaan? Er is een harde les voor hem noodig om zijne oogen te openen en dat juist doen de lasterpraatjes. Hoe klein voelt George zich tegenover Louise, hoe kwelt het berouw hem over z'n schandelijken argwaan. Nu en vooral nadat de Koningin-Moeder hem alles gezegd heeft, ziet hij in, welk een edeldenkende, hoogstaande vrouw Louise is, hoeveel haar grootsche opvatting van de taak eens Konings verschilt van de zijne. Zoo heeft het idealisme van Louise in George's hart "een vonk geworpen van geloof aan mogelijkheid op beter toekomst." Voortaan zullen ze sámen werken voor 't volk en zoo zal eens George Louise waardig worden. De Koningin heeft het schoonste bereikt wat ze kon wenschen: ze heeft van George een beter mensch gemaakt en daardoor tevens voor haar geliefd volk meer gedaan dan ze ooit had kunnen denken.

[Hanna.] Naast Louise staat een andere sympathieke vrouw: de naaister Hanna. Ook zij handelt koninklijk. Als de vrouw van Puf gestorven is, neemt Hanna 't jongste kindje tot zich.

"Ik kon het arme schaap Niet vruchtloos krijten hooren om z'n moeder. Dat doet zoo zeer mevrouw."

zegt ze tot Koningin Louise. Altijd denkt ze aan dat kindje: als Albert zijn gedicht zal opzeggen is 't dadelijk: "Niet te luid, denk aan m'n kindje.... sjt!" en als 't even begint te huilen terwijl de Koningin en de Walbourg bij haar zijn, gaat ze oogenblikkelijk kijken. Zelfs als de dronkenlap Puf haar diep beleedigd heeft, zegt ze fier:

"Die wieg blijft hier: Ik zorg als vroeger voor je kind!"

Koninklijk is vooral haar houding tegenover Louise, als deze haar zegt dat 't haar plicht is tot den Koning te gaan. Dan wordt het haar bewust welke kracht het hart des menschen opheft, wèlke de gloed is, die alles kleurt, die 't lage hoog maakt.

"O nu begrijp ik poëzie! Ik wil niet laag, Niet klein, gemeen zijn... ik wil niet! Heeft zij misdaan die arme koningin, Dan zal 't besef haar foltren zonder mij. Ik wil mijn deel niet aan de marteling Die zeker eens 't gevolg is van haar fout. En als ze eens jammerend haar val vervloekt, Zal niet mijn naam gemengd zijn in dien vloek!"

Zelfs voor Van Huisde, den man die haar eerlijken naam beklad heeft, vraagt ze genade, ze kan niet hebben dat iemand om hàar moet lijden.

[Herman.] Haar broer Herman is een ruwe werkman, maar iemand met een hart van goud. Hij heeft Hanna, z'n eenige zuster, zielslief; geen wonder dat hij opbruist van woede bij 't hooren der lasterpraatjes. En toch welk een vrouwelijk-teer gemoed blijkt onder die ruwe schors verborgen, als Herman van Koningin Louise als aandenken de roos vraagt!

Het karakter van de meeste heeren uit de omgeving des Konings is bij 't bespreken der intrigue gebleken; over twee hunner willen we echter nog iets zeggen: Van Schukenscheuer en Spiridio.

[Schukenscheuer.] Schukenscheuer is een zot, die door allen beetgenomen wordt en de hovelingen toch goede diensten bewijst:

"Men heeft hem noodig voor wat schaduw. Dat Verhoogt de tint der middelmatigheid! Wat is Van Huisde knap, en Hesselfeld, En graaf van Weert... bij zùlk een man gezien!"

't Komische in deze figuur is juist dat hij volkomen ernstig is en werkelijk méent, heel wijze dingen te doen. Zoo b.v. z'n jachtbericht. Multatuli gaf bij den tweeden druk een naschrift waarin hij over Schukenscheuer de volgende kostelijke woorden zegt. "Jonker Schukenscheuer overdrijve niet! De akteur die hem voorstelt als clown, zou den gek te veel eer aandoen. Hij behoort vooral geen blijk te geven dat-i zich zijner dwaasheid bewust, en dus.... wijs is."

[Spiridio.] Tegenover Schukenscheuer staat de geestige Spiridio dien den jonker allervermakelijkst in het zonnetje zet: 't Leukste is dat deze van de heele zaak niets snapt! Maar Spiridio is niet alleen geestig, hij durft ook, zelfs in 't bijzijn van den koning, harde waarheden zeggen, zooals z'n parodie op de troonrede,--"een speech vol lamme laffe leugens"--bewijst. En wat hem heel wat in onze achting doet stijgen, is 't feit, dat hij de Koningin het heele schandstuk blootlegt en met de daad bewijst "geen deel aan schelmerij te hebben".

Ten slotte wijzen we nog op 't buitengewoon geestige van vele uitdrukkingen en op 't rake van den dialoog, zooals in 't gesprek tusschen Louise en Hanna. We treffen hier weer van die echt Multatuliaansche zinswendingen aan, die vooral op 't tooneel moeten inslaan en die zeker niet weinig tot het succes van Vorstenschool hebben bijgedragen.

MATHILDE. EEN SONNETTENKRANS.

[Ontstaan.] In 1879 ontmoette Jacques Perk in Laroche, in de Belgische Ardennen, waar hij met zijn familie logeerde, een Brusselsch meisje, Mathilde Thomas. Op dit meisje wordt Perk verliefd, maar tevens geeft zij hem een ongewone schoonheidsaandoening, zij heft hem op en doet hem de natuur heel anders zien dan vroeger.

[Evolutie in Perk.] Hierdoor ontstaat in hem een kunstevolutie: eerst bemint hij Mathilde, de schoone vrouw, en in haar de schoonheid. Later wordt hij van Mathilde gescheiden, haar beeld blijft hem bij, maar wordt vervormd: Mathilde wordt voor hem de schoonheid in 't algemeen, ze wordt dus geïdealiseerd en de personifiëering van de onvergankelijke Schoonheid: de liefde voor de vrouw, wordt liefde voor de Schoonheid.

Deze kunstevolutie legt Perk neer in zijn sonnettenkrans "Mathilde", die in vier boeken verdeeld is.

[Wijze van uitgave.] De krans is niet door Perk zelf uitgegeven, waarschijnlijk niet eens persklaar gemaakt, maar na zijn dood in 't licht gezonden door Willem Kloos, die ons over de wijze van uitgave een duidelijke aanwijzing geeft in een brief aan Vosmaer, waarin hij schrijft: "Al het slechte heb ik er uitgegooid en bovendien na raadpleging met Doorenbos, zeer veel veranderd." Zóóveel, dat Albert Verwey later met recht kon zeggen: "Laten wij het ons onomwonden bekennen: dat kleine boekje dat het geluk van onze nieuwere dichtkunst uitmaakt, is niet Jacques Perk enkel, maar het is de vereeniging van Jacques Perk met Willem Kloos."

In latere drukken van Perks gedichten--te beginnen met den vierden druk heeft Kloos veel wat eerst verworpen was, opgenomen. De nummering der sonnetten in de volgende beschouwing is die van de volledige uitgave.

[Eerste Boek.] Ontmoeting met Mathilde en eerste indrukken. Sonnet I is de inleiding: de dichter geeft daarin zijn meening over het eigenaardige der sonnetten, "de kindren van de rustige gedachte", en in 't slotcouplet lezen we wat het [Doel.] doel is van den geheelen sonnettenkrans:

"Een zee van liefde is droppen uit te gieten, Zacht, éen voor éen--ziedaar mijn heerlijk pogen."

Zijn groote vereering voor Mathilde zal hij ons doen voelen, in elk sonnet geeft hij iets daarvan, ieder sonnet is als 't ware een droppel van zijn liefde.

[Gewijd aan Mathilde.] Mathilde heeft hem geïnspireerd, zij heeft hem tot dichter gemaakt, haar lof zal hij bezingen. Vandaar in sonnet III deze regels:

"Gij zijt de moeder van deez' liederkrans: Gij hebt dien met uw zonneblik geschapen In 't zwarte hart; zoo 't glanst, 't is door úw glans."

Zeer belangrijk in sonnet IV (Erato, de Muze van 't minnelied, het erotische gezang), omdat we daarin als voorspelling lezen wat er zal plaats vinden. De blonde Muze verschijnt den dichter en openbaart hem:

"Een hooge liefde zal uw hart doordringen; Gij zult beminnen, zalig zijn en scheiden, Gescheiden zwerven, zwervend liefde zingen,

En peinzend zult gij 't wederzien verbeiden, En naar een vrouw gedachte en smachten leiden, En mijmrend leven van herinneringen."

Uit de sonnetten van het eerste boek blijkt duidelijk de verhouding van Perk en Mathilde. 't Voornaamste is wel dit:

[Liefde voor Mathilde.] 1o. Perk voelt voor Mathilde gewoon-menschelijke liefde. Heel duidelijk komt dit o. a. uit in het heerlijke sonnet "Bekentenis", waarin Perk ons de avondwandeling schildert met Mathilde, den verukkelijken zonsondergang en dan de bekentenis uit:

"Mathilde, ik heb u lief.... Zoo waar die kammen Te morgen weêr in purper zullen vlammen, Wordt gij bemind.... Gij zijt zoo godlijk-schoon!"

Misschien is er hoop op wederliefde:

"Zij deed als een, die iets op 't hart voelt branden-- Toen sloot zij mij de lippen met de handen, En bloosde de avondzon heur bleeke koôn?"

Men leze verder sonnet XII, "Zij komt": alles in de natuur is liefde:

"De lof van hare schoonheid klinke alom, Waar zon en zomer te beminnen leeren!"

Ook het dertiende sonnet "Die Lach": steeds denkt de dichter aan Mathilde, telkens hoort hij haar zilveren lach!

[Invloed van Mathilde.] 2o. Tegenover deze liefde staat een ander hooger gevoel, Mathilde is voor hem méér dan een gewone vrouw, ze heft hem op.

Door Mathilde's invloed ziet hij de aarde anders dan vroeger, hij begint het schoone in de natuur beter op te merken en ziet in dit schoone telkens zijn geliefde. Mathilde en de Natuur worden vereenzelvigd (Harmonie, sonnet XV).

"Ik min Natuur in u, ù in Natuur!"

Vooral in het sonnet XXI, "Ochtendbede", komt dit héel duidelijk uit: Mathilde nadert op het bergpad in de verte, wat klein is die verschijning!

"Maar neen! haar lokken zijn van zonnegoud, En 's hemels blauw is 't blauw dier droomende oogen,-- Haar boezem is de berg en 't golvend woud:

O, zomer, zonneschijn en hemelbogen, Waarin haar aangezicht mijn liefde aanschouwt,-- Heelal, waarvoor ik biddend lig gebogen!"

[De Scheiding.] 3o. Oorzaak van de scheiding.

De hoofdreden geeft Perk aan in sonnet XXVI, "O Noodlot". Mathilde's voortdurende invloed zou noodlottig voor hem worden, omdat hij zijn zelfstandigheid verliest.

"Ik leef in ú, en denk en doe als gij, Ik ga mijzelf, zooals ik nú ben, haten-- Tot dweper, tot een jonkvrouw maakt gij mij...!"

Bovendien is er verschil in godsdienst, zooals blijkt uit sonnet XIX, "Aanzoek". Mathilde is Katholiek en vraagt hem

"Aanbid, met mij vereend, de Moedermaagd, En neem mijn godsdienst aan: het is een goede."

Gaarne had de dichter haar gelukkig gemaakt door toe te stemmen, maar hij kòn niet, wat de godsdienst hàar schonk, zou hij hèm ontrooven. Toch is dit geloofsverschil niet de reden van de scheiding.

[Tweede boek. Het zwerven.] Het rondzwerven zonder dat de juiste weg nog afgebakend is en soms nog het afdwalen van den goeden weg.

Perk denkt na de scheiding nog steeds aan Mathilde, in alles ziet hij haar, b.v. sonnet XXIX "Dorre bloemen", de ranke kopjes der bloemen zijn blond als Mathilde; XXX "De Maan verrijst", als de maan rijst ook Mathilde voor het droomend oog:

"Eerbiedig denk ik aan het jong verleden: Ik hoor heur stem, ik hoor heur zachte schreden... Op bloemengeuren stijgt haar naam omhoog.--

Wat zou dat zilver op den bergtop wezen?.... Dáar is de maan in al haar glans verrezen.... Zóo rijst Mathilde voor het droomend oog!"

Ook XXXI "Gescheiden": de dichter denkt nog aan de scheiding, Mathilde ziet hij niet meer, misschien maakt eenzaam dolen zijn hart gelukkig. Hij herdenkt Mathilde's invloed, b.v. sonnet XXXI "Ommekeer", en XXXII "Mijmering": vóor hij haar zag was alles "dof en koud", eerst door zijn liefde ziet hij 't schoone in de Natuur:

"Voor ik haar had gezien, was dof en koud De zomersche natuur, zoo warm en licht,-- In 't beekgeruisch hoorde ik geen stillen kout, Voor mij was bloem noch star een zoet gedicht."

Perk weet niet of zijn besluit--de scheiding van Mathilde--wel goed geweest is. Hij lijdt onder die scheiding, zijn levensweg is in nevelen verloren, niet helder ligt het pad vóor hem. In die stemming schrijft hij sonnet XXXV "Mist", het natuurverschijnsel wordt bij hem "de schemering der ziel", maar:

"Voor 't liefdelicht moet raadselmist verdwijnen!"

[De grotsonnetten.] Als symbool van dezen tijd der duisternis schrijft Perk de grotsonnetten (XXXVI-XLIII). De aanleiding is een bezoek aan de grot van Han, maar wat hij daar ziet vindt toepassing in zijn eigen zieleleven, b.v. XXXVI "Intrede", "zooals men voor een donkere toekomst beeft, beef ik." Hier is alles duisternis, geen licht, geen schoonheid ("Nedervaart"). Toch denkt hij aan Mathilde: de fakkelglans is de wenkende Mathilde. ("Fakkelglans"). Hier voelt hij ook, hoe groot zijn leed was, en kan dit haar zeggen ("Het rijk der tranen"):

"Mathilde! U kan ik zeggen, wat ik leed: Ik haatte, omdat ik liefde niet kon geven, En wilde minnen, daar ik dichter heet!"

Eindelijk is de tocht door de grotten en ook zijn eigen "Hellevaart" ten einde, de dag komt, hij ziet weer het Schoone in de Natuur, ademt met wellust de heerlijke geuren in, een nieuwe gloed doorstroomt zijn aderen: hij gevoelt weer liefde voor Mathilde, maar.... weer gewóne, menschelijke liefde! Zoo bv. sonnet XLVII "Verlangen", hij "wil weer Mathilde aan 't harte prangen": XLVIII "Machtige aandrift", waarin Mathilde's beeld weer "ziel en zinnen komt streelen."

Zelf gevoelt hij heel goed 't gevaarlijke van dien hartstocht, wat o.a. blijkt uit sonnet XLVI "Een Adder": het verlangen naar Mathilde's bezit slingert zich als een adder om zijn ziele heen; en vooral LI "Kupris", waarin Mathilde hem verschijnt als de wellustige godin Kupris! Dat màg Mathilde niet zijn voor hem, op deze wijze wordt hij niet gelouterd, ze moet worden "een star, die leidt." (LIV "Herdenking").

[Derde boek.] De zwerver peinst over de groote vraagstukken van het leven en wint zich ten slotte een vaste levensbeschouwing.

We noemen enkele punten:

[Levensvraagstukken.] 1o. Hij denkt na over 't mysterie van den dood. Sonnet LVIII "De grijsaard op den berg", die zooveel duizenden heeft zien sneven, maar geen antwoord kon geven op de vraag, waar zij allen gebleven zijn; verder sonnet LX "Opdelving", dat hem doet vragen, wat eens na den dood van ons zal worden; de plechtige begrafenis van den ouden dorpeling (sonnet LXI "Bij 't Graf"); het grafkruis ter nagedachtenis van een blijde moeder, die plotseling door een neerstortend rotsblok werd gedood (sonnet LXVIII). Een meisje, sluimerend in 't graan (sonnet LXV), wekt in hem de gedachte aan den onverbiddelijken maaier:

"O, blonde als 't graan--o, zachte koren-bloesem! Straks heeft wellicht ook ù een zicht geveld...."

[Geloof.] 2o. Hij peinst over de beperktheid van 't menschelijk weten en over 't geloof.

Men leze bv. de beide sonnetten over "Kennis" (LXXVII en LXXVIII), de wonderen vloden voor de kennis, als de duisternis voor 't licht.

Perk, zwervende door de Ardennen, komt in kleine dorpen, ziet de kinderlijke vroomheid der eenvoudige dorpsbewoners, hun gemoedsrust, en dat alles maakt op hem een diepen indruk. Heel duidelijk wordt zijn stemming weergegeven in de slotverzen van sonnet LXXIV "Dorpsvesper".

"De zwerver schrijdt, in zoet gepeins, weêr voort: Waar zooveel eens-gezinden samen-kwamen, Daar sterft de haat, en wordt geen klacht gehoord."

Langzamerhand komt ook de vrede in zijn gemoed, vooral de grootsche, machtige natuur brengt hem tot rust. ("Een Luwtje", "Maneschijn", "Bede in 't Woud").

Aan Mathilde denkt hij niet meer als vroeger, in zijn Sturm-und-Drang periode is de liefde gedood. Evenals de zwarte stormwolken het aangezicht der maan verbergen, zoo doen zijn stormende gedachten de liefde verdwijnen. ("Storm", sonnet LXXIX).

"Zoo stormt het door mijn borst, waar de gedachte, Spokend met steenen blik, de liefde dooft, Die ik gestorven in mijn ziel voel zweven."

Eindelijk in sonnet LXXX "Het Lied des Storms" de levensbeschouwing, zooals die langzaam bij Perk geworden is: het zelf zoeken gesteld tegenover het blind volgen, zooals dat geschiedt bij duizenden "die zich zelf nooit wezen konden."

"De duizend, die zichzelf nooit wezen konden, Bezitten saâm één waarheid, die hen bindt: Hùn is 't geloof, dat spreekt uit duizend monden;

Maar wie, wat menschlijk waar is, zelf ontgint, Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden, En weet, dat hij voor zich slechts waarheid vindt."

Nu gevoelt de dichter zich verheven boven al dat aardsche gewemel, vandaar als slot van dit boek "Hemelvaart".

[Vierde boek. Het rustige weten.] 't Boek van 't rustige Weten, de hymne aan de Schoonheid.

De dichter heeft zijn zielsrust hervonden, zijn levensbeschouwing is gevormd en daarin voelt hij zich gelukkig. Geen afdwalingen en klachten vinden we meer. In alles ziet hij de Schoonheid, ze daalt op hem neer als "de Sluimer", hij ziet haar in "de Stroomval", in den "Dorpsdans", en begrijpt de tevredenheid van den oude, die het gejoel der vroolijke jeugd met lachende oogen aanziet; voelt de schoonheid van de uitgestrekte heide ("De Scheper"). Hij verhaalt ons, hoe hij 't leven ziet: ieder mensch, dier of plant moet zijn roeping, zijn bestemming volgen, zoo bv. "Wilg en Popel", "Idealen", "Twee Rozeblaadjes" en "De Forel".

"Tot iets wordt door zijn aard bestemd, wat leeft; Dat iets verrichten kàn het, want het moet, En voelt zich vrij in 't slaaf-zijn van een wet."

Tevens vinden we hier "Rots en Water" (sonnet XCVI), waarin over 't geloof van den dichter wordt gesproken: zijn geloof en kennis strijden, en wellicht "barst het geloof op 's levens rots", maar juist die strijd zal vrede brengen in het gemoed.

[Weerzien.] Met een dergelijke gelouterde levensbeschouwing, vrij van aardsche hartstochten kan Perk Mathilde wederzien, zelfs in tegenwoordigheid van haar verloofde ("Wederzien"). Dit wederzien bewijst den dichter, dat hij werkelijk voelt, zooals hij dàcht te voelen, hij bemerkt "Dat weerzien is, wat hij altijd ziet" ("Laatste Aanblik"), en dat de werkelijke Mathilde gelijk is aan de Mathilde, zooals hij zich die voorstelt, dat de vrouw voor hem geworden is tot schoonheidsideaal. "De liefde, vereend met schoonheid, werd tot poëzie"; hij zal Mathilde "loven onder duizend namen." Ditzelfde wordt nog eens uitgesproken in sonnet CIII "Aan Mathilde".

"Ik drukte in u een ideaal aan 't hart."

[Door Mathilde tot kunstenaar.] Nu verschijnt weer de Muze, maar 't is niet meer de dartele Erato, doch de ernstige, strenge Kallíope, de Muze van de epische poëzie: de poëzie van Perk is geen erotische poëzie gebleven. Heel juist geeft dit sonnet de kunstevolutie van den dichter weer en ook zijne verhouding tot Mathilde, die hem tot kunstenaar gemaakt heeft.

"Ze is van u heen; thans zeg ik u: voorwaar! Ge aanzaagt... ge aanbadt--u trok, wat is verheven: U daagde een schoonheidsideaal in haar.

Toen zaagt ge weêr naar wat ge aanbadt, gedreven: Zij bleef zichzelve, gij werd kunstenaar; 't Verheevne, dat verhief, leeft in uw leven!"

ELINE VERE.

Couperus geeft ons in Eline Vere een prachtigen psychologischen roman: het leven en den ondergang van een meisje uit de hoogere Haagsche kringen. De ondertitel "een Haagsche roman" is juist gekozen, want tevens laat hij ons een blik werpen in de Haagsche kringen, de kringen waarin Eline verkeert. Dat laatste moet men vooral goed in 't oog houden, omdat anders een groot deel van den roman, als overbodig zou zijn af te keuren--heel wat personen staan slechts in zeer verwijderd verband met Eline en zouden voor 't goed begrijpen best weggelaten kunnen worden--maar toch zijn ze noodig om 't milieu te schilderen, waarin Eline verkeert. Ook valt dikwijls door de tegenstelling met die andere personen een helder licht op 't karakter van de hoofdpersoon.

[Eline.] Eline is een heel begaafd en tevens een heel mooi meisje. Ze zingt b.v. buitengewoon goed, weet zich in de moderne talen vloeiend uit te drukken, beweegt zich gemakkelijk in hare kringen, is heel elegant en bovendien vrij gefortuneerd. Ze schijnt voor 't geluk geboren te zijn. Toch is ze niet gelukkig en dat komt gedeeltelijk door haar karakter, gedeeltelijk door hare positie. We geven enkele der meest sprekende karaktertrekken aan:

[Karakter.] 1. De meest in 't oog vallende karaktertrek is: gebrek aan energie. In dit opzicht is ze een echte dochter van haar vader, den schilder Vere, die altijd grootsche plannen ontwierp, maar geen energie had om ze ten uitvoer te brengen. Na een paar penseelstreken, wierp hij 't onvoltooide werk van zich. Een gedegenereerd type, dat onder de plak zat van z'n vrouw!

2. Als gevolg van 't bovenstaande is er in Eline iets looms en kwijnends. Soms lijkt ze eenigszins een droomende, loome odaliske. Ze gevoelt zich behagelijk in een ontzenuwende Oostersche weelde.

3. Ze heeft een even teer zenuwgestel ("fijn-besnaard") als dat van haar vader, dat soms trilt onder ruwe aanraking, b.v. van haar zuster Betsy. Op den duur wordt Eline dan ook een echte zenuwlijdster.

Dat meisje had gered kunnen worden, indien ze een levensdoel had gehad, als ze iets had kunnen vinden, waardoor ze geheel in beslag was genomen, als ze had moeten wèrken. Ledigheid is des duivels oorkussen! En dan had ze moeten leven in een meer frissche, onbedorven omgeving. Maar ze is juist geplaatst in een ontzenuwend milieu, waardoor hare slechte eigenschappen voortwoekeren en haar zenuwgestel steeds meer aangetast wordt. Zij woont bij haar zuster Betsy, die met den rijken Henk van Raet getrouwd is, weet letterlijk niet wat ze doen zal, heeft niets dat haar leven vult.

Dan heeft een slechten invloed het lezen of liever verslinden van tallooze romans. Vooral Ouida (pseudoniem voor Louise de la Ramée, een Engelsche schrijfster) leest ze graag, de romans met verhalen van elegante graven en hertoginnen die elkaar zoo écht hoffelijk beminnen en elkaar bij maneschijn in de parken der oude Engelsche kasteelen rendez-vous geven. Haar fantasie wordt door dit alles geprikkeld, haar zenuwen overspannen, zoodat ze ten slotte fantasie en werkelijkheid door elkaar haalt en 't onderscheidingsvermogen verliest. Haar eigen leven gaat ze poëtisch fantaseeren.

Zoo moet dit meisje wel tot allerlei dwaasheid vervallen.

[Liefde voor Fabrice.] Haar eerste dwaasheid is de liefde van den operazanger Fabrice, als gevolg van haar overspannen zenuwen. Ze ziet hem op 't tooneel, wordt bekoord door zijn prachtige stem en meesterlijk spel en gaat nu een heele geschiedenis fantaseeren. Ze meent dat Fabrice alleen voor háár zingt en als ze met Sinterklaas een prachtigen waaier cadeau krijgt (van Otto van Erlevoort), is die waaier natuurlijk van Fabrice! Ze tracht hem telkens te ontmoeten en ziet hem vaak op haar wandeling door 't bosch. Ook dan fantaseert ze weer: van den dikken man met het norsche uiterlijk maakt ze een soort rooverhoofdman, vooral de groote flambard gaf hem zoo iets rooverachtigs. Dat trotsche en ongenaakbare, daarop borduurt ze voort: Fabrice moet iemand zijn van goede familie, zijn ouders waren er tegen, dat hij op 't tooneel ging, maar hij, de man met zijn sterke wilskracht, zette door en werd operazanger. Maar hij werd gedesillusioneerd, hij paste niet in die omgeving, voor hem was ze te onbeschaafd, en daarom heeft hij zich teruggetrokken in fiere eenzelvigheid. Ze bouwt den roman nog verder op: zij zal Fabrice gelukkig maken! Heeft ook zij niet een heerlijke stem? Sàmen zullen ze zingen, sàmen lauweren oogsten! En ze ziet zich al naast Fabrice op 't tooneel, beiden overladen met kransen. Ze koestert hare liefde voor den zanger, haar liefde wordt een soort cultus: ze verzamelt portretten van Fabrice, legt een Fabrice-album aan. Maar nu de plotselinge ontnuchtering: Fabrice zingt op een concert, Eline zit vlak bij 't tooneel en ze ziet hem opkomen, een dik, plomp man, onhandig, met een rood hoofd en forschen nek, alles even onaesthetisch. "Leelijke dikke bas", hoort ze haar neef Vincent zeggen! Thuisgekomen, verscheurt ze de portretten.

[Engagement met Otto.] Doch de dwaasheid heeft erge gevolgen voor Eline, ze wordt er door tot eene andere dwaasheid gevoerd: het engagement met Otto van Erlevoort, een ernstig, degelijk man, ver uitblinkende boven die onbeteekende Haagsche dametjes en heertjes en die bovendien Eline oprecht liefheeft. Maar Eline neemt hem uit bitteren spijt over de ruïne harer ingestorte fantasieën, om zich te wreken op Fabrice en op zich zelf. Ze maakt zich wel heel wat wijs, tracht zich zelf te verblinden; ze vindt het prettig, dat Otto zooveel van haar houdt, ze snakt naar een eigen tehuis, terwijl ten slotte ook de financiëele overwegingen in 't spel komen.

En toch schijnt die dwaasheid van Eline niet zoo groot te zijn, want de sympathieke Otto wint werkelijk langzamerhand hare liefde. Ze voelt zich rustig-gelukkig worden onder Otto's invloed, haar zenuwgestel komt tot bedaren. Dat blijkt bv. uit het tochtje naar de muziek in Scheveningen, vooral op den terugweg, als Otto een eigen naam voor haar gevonden heeft: Nily. Maar 't beste komt dit uit tijdens het verblijf op de Horze, 't buitengoed van Otto's broer Théodore van Erlevoort. Eerst is Eline daar nog niet goed op haar plaats, ze past nog niet tusschen die meer "gewone" menschen. "Ik weet nog niet goed, wat ik aan haar heb", zegt de practische huisvrouw Truus. Eline is altijd eenigszins gekunsteld geweest, altijd heeft ze een rol gespeeld. De nieuwe rol valt haar moeilijk: eenvoudig zijn is lastig voor Eline. Maar na eenige dagen wordt ze toch zichzelf, ze omsluierde zich niet meer met gemaaktheid, zij was, zooals zij was--het vrouwtje van Otto. Allen beginnen van haar te houden, ook Truus en zelfs Frédérique, die vroeger niet hield van Eline, omdat ze haar egoïstisch vond.

[Invloed van Vincent.] Maar de genezing is slechts tijdelijk en kan niet anders dan tijdelijk zijn, omdat Eline een te zwak karakter heeft, omdat ze te zeer een speelbal is van hare omgeving. Zoodra ze weg is van de Horze, waar iedereen zich gaf zooals hij was, verliest ze haar natuurlijkheid en valt geheel terug in den ouden sleur, vooral omdat er nu iemand is, die Otto's goeden invloed geheel te niet doet. Dit is Vincent Vere, een neef van Eline, die alle slechte eigenschappen der Vere's heeft: iemand met dezelfde loomheid, dezelfde matte stem, met hetzelfde energielooze als de schilder Vere. Bovendien is 't een gewetenlooze klaplooper, iemand met twaalf ambachten en dertien ongelukken, die 't liefst leeft op kosten van anderen. Hij vraagt eerst Henk om f 500, later Paul om f 200, ten slotte Henk weer om f 50. Dit "serpent" komt nu in huis bij Henk van Raet, omdat deze hem geweigerd heeft geld te leenen en 't later door een dergelijke uitnoodiging weer goed wil maken: bovendien vreest Betsy zich dien zomer te vervelen als er niemand bij hen komt logeeren. Op een flink karakter heeft Vincent weinig invloed, wekt dan zelfs antipathie bv. bij Otto, maar zwakke menschen weet hij geheel te beheerschen en dit is in 't bizonder 't geval bij Eline.

Vooreerst weet Vincent met haar op zwaarwichtige wijze over zijne levensfilosofie te redeneeren, over zijn pessimisme en fatalisme: "het leven is een keten van toevalligheidjes", zélf heeft men geen invloed op zijn leven en zijn toekomst. In den mond van een luilak als Vincent klinken zulke hoogwijze redeneeringen werkelijk komisch. (Men vergelijke de beschouwingen, die een gedegenereerd type als Bertie in "Noodlot" ten beste geeft). Maar Eline wordt geheel door hem gebiologeerd en gelooft weldra aan de noodlotstheorieën van haar neef. En hier komt iets bij, dat de toestand ernstiger maakt. Eens in Eline's boudoir krijgt Vincent plotseling een flauwte en nu komt Eline op de onzinnige gedachte, dat haar neef gepijnigd wordt door een hopelooze liefde voor haar! De energielooze, klaploopende Vincent wordt een martelaar!! Zoo moet het onvermijdelijke komen: de gemartelde Vincent, die altijd bij haar is (Eline verpleegt hem), oefent een zoodanigen invloed uit, dat Eline meer en meer van Otto wordt verwijderd en ten slotte niets meer voor hem voelt.

[Breuk met Otto.] 't Moet tot een scheiding komen, vooral omdat ze eindelijk een afkeer krijgt van Otto, die altijd even kalm is. De uitbarsting komt: Betsy zegt op de haar vinnige wijze, dat ze 't heerlijk zal vinden als Vincent eindelijk weg zal zijn. Eline verdedigt haar martelaar, die door iedereen miskend wordt, Otto vermaant haar tot kalmte, maar vindt ook, dat het vertrek van Vincent wenschelijk is, waarop Eline zich opwindt tot de hoogste mate en hem op de meest onhebbelijke wijze afsnauwt. Zij gevoelt een wreede romantische voldoening, dat ze gestreden heeft voor den zwakken Vincent! Wel volgt er eene verzoening, maar de kloof is niet meer te dempen, Otto begrijpt zelf, dat alles gedaan is, hij voelt dat Eline zich zelfs ergert over hem. 't Engagement wordt dan ook werkelijk door Eline verbroken.

[Achteruitgang.] Thans komt de langzame achteruitgang, die tot het einde moet voeren. Juist dit gedeelte wordt door vele lezers minder mooi, soms zelfs vervelend gevonden, maar dit was niet te vermijden door den schrijver. De totale ondergang heeft in dergelijke gevallen niet plotseling plaats; had Couperus dus dit gedeelte anders geschreven, dan zou hij onwaar geworden zijn. Wij behoeven er echter niet zoo uitvoerig bij stil te staan als bij den geschetsten ontwikkelingsgang, omdat het pleit feitelijk door 't breken met Otto al beslist was.

Langzaam is de achteruitgang: eerst de twist met Betsy op een diner, dan de vlucht van Eline naar de Férelijns, haar verblijf bij haar oom Daniël Vere te Brussel, haar voortdurend reizen en trekken. 't Is een telkens rust zoeken en nergens rust vinden.

Eindelijk komt ze in Den Haag terug, waar ze bij de oude mevrouw Van Raet gaat wonen. Dan is er al groote achteruitgang merkbaar: haar vervallen uiterlijk, de schorre stem; een ruïne, lichamelijk en geestelijk. Steeds nog diezelfde pogingen om rust te vinden, eerst in 't mysticisme van de Katholieke Kerk; haar vroomheid, haar lid worden van weldadigheidsvereenigingen. Maar na een maand is de "rage" al weer voorbij, nergens vindt ze rust. Ook dokter Reyer's pogingen zijn vruchteloos.

Daarom weer terug naar Brussel, naar haar oom Daniël Vere. Hier komt haar pessimisme geheel aan 't licht: ze voelt zich op een hellend vlak, wordt willoos voortgeduwd, ziet den afgrond vóór zich, maar heeft geen kracht om weer óp te stijgen. Daarbij als vreeselijke kwelling de voortdurende slapeloosheid, die ze door morphine tracht te verdrijven. En ook voelt ze zich in Brussel niet op haar plaats: ze walgt van 't leven in de zonderlinge omgeving der Vere's.

[Invloed van St. Clare.] Plotseling een laatste opflikkering van hoop: ze leert Lawrence St. Clare kennen: hij met zijn sterken wil suggereert haar geheel, door hem meent ze ten slotte toch nog gelukkig te zullen worden. Maar als die suggestie niet meer werkt, is ook de tijd van beterschap voorbij. St. Clare doet een reis naar Moskou, na eenige maanden zal hij terug komen en zal Eline zijn bruid worden, maar dan is alles verloren.

[Ondergang.] Op aanraden van Lawrence gaat ze naar Den Haag en daar in 't eenzame pension komt langzamerhand de waanzin over haar. Nu de paar druppels morphine, die ze in haar gejaagdheid te veel gebruikt en die eindelijk rust geven.

[Omgeving van Eline. Betsy.] Betsy, haar zuster, is luimig, wispelturig en berekenend. Juist dáárom was ze gehuwd met den rijken Henk van Raet. Typeerend voor haar is 't den-baas-spelen over Henk, ze aardt naar haar moeder die ook Vere geducht onder den duim had. Kenschetsend is verder haar kefferig-ruziemaken met de meiden, haar naar de opera gaan alleen om zich te laten zien, 't zingen zelf is geblèr.

[Henk.] Henk wordt 't best getypeerd door een zin uit den roman, waarin gezegd wordt, dat hij "oogen had, als een goedige, domme New-foundlander". Hij is een goeie sul, maar geen man van karakter.

't Is duidelijk, dat Eline in een dergelijke omgeving totaal niet paste.

[Otto.] Otto is een heel sympathiek man, die verre uitsteekt boven alle anderen in den roman, iemand met een vasten wil en nobel karakter, maar die toch niet de rechte man voor Eline geweest zou zijn, omdat hij haar niet geheel begreep.

[Georges en Lili.] De andere personen vormen meer 't bijwerk van den roman, ze staan dikwijls feitelijk buiten het eigenlijke verhaal en dienen om de omgeving goed te teekenen, of om door tegenstelling Eline's karakter te doen kennen. Zoo b.v.: Georges de Woude en Lili Verstraeten, "het baby-paartje". Hun verhouding is bizonder mooi geteekend: eerst de afkeer van Lili voor George, "dat pedant-être", dan de langzame toenadering, zoodat Lili door haar zuster Marie nog vaak geplaagd wordt met haar vroegere uitspraak. De gedeelten waarin over dat paartje gesproken wordt, behooren met de schildering van 't buitenverblijf op de Horze tot de meest frissche en bestgeslaagde gedeelten van den roman.

[Paul en Frédérique.] Paul van Raet en Frédérique van Erlevoort. Paul eerst ook iemand, die een geheel doelloos leven leidt, iemand zonder de minste energie. Langzamerhand echter komt de verandering, de liefde voor Frédérique heft hem op. Freddy is evenals haar broer een héél sympathieke figuur, vooral ook in hare houding tegenover Paul. Mooi is b.v. geteekend de gebeurtenis op de Horze, als Frédérique Paul afwijst ondanks haar zelve, mooi ook de langzame toenadering en verzoening.

[St. Clare.] Eenigszins zonderling is de figuur van St. Clare. Onbegrijpelijk is zijn vriendschap en zijn verhouding tot Vincent, het schijnt wel, dat hij geen ander levensdoel heeft, dan Vincent te verzorgen. Ook zijn plotselinge liefde voor Eline moet voor een goed deel uit een dergelijk oogpunt beschouwd worden, maar ook al stapt men over deze bezwaren heen, dan nog is onverklaarbaar zijn reis naar Rusland. Hij kende den toestand van Eline beter dan iemand anders, hij wist dus dat ze moest ondergaan, zoodra ze aan zijn suggestieven invloed was onttrokken en tòch liet hij haar lange maanden alleen. Was die reis naar Moskou zoo noodzakelijk; was er niet iets anders op te vinden? Juist hieruit blijkt, dat Couperus ten slotte met de figuur van St. Clare zelf verlegen geraakt is en tevens, dat deze geheele persoon best uit den roman gemist had kunnen worden.

[Determinisme.] Een enkel woord nog over het determinisme in den roman. Het determinisme leert ons dat het geheele leven is een aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen, waaraan we ons niet kunnen onttrekken. Deze leer wordt vooral verkondigd in de redeneeringen van Vincent Vere en ook van Bertie in Couperus' roman Noodlot, die juist geen van beide hoogstaande persoonlijkheden zijn en waardoor we al bij voorbaat eenigszins wantrouwend tegenover hunne theorieën worden. Bij eenig nadenken bemerken we spoedig, dat het determinisme voor deze heeren een middel is om hun verantwoordelijkheidsgevoel 't zwijgen op te leggen. Dit is vooral heel duidelijk bij Bertie. Volgens Couperus zelf is 't bij hem een "vooruitbestudeerd-pessimisme" en eigenaardig is 't, dat die noodlotstheorieën bij hem opduiken als hij in nood zit en zich niet meer weet te redden. Als alles goed gaat, is hij actief genoeg; zoo ook in zijn pogingen om Frank en Eva van elkaar te verwijderen, alleen met het hooge doel om zelf een lui leventje te kunnen blijven leiden. Merkwaardig is 't ook, dat dit determinisme gedemonstreerd wordt aan gedegenereerden en klaploopers als Vincent en Bertie, en verder dat ze uit den aard der zaak alleen invloed oefenen op zwakke naturen, op slachtoffers van 't "leege leven".

[Vreemde woorden.] Een enkele opmerking moet ons nog van 't hart: 't onmatig gebruik van vreemde woorden: 't is soms of we verplaatst zijn in den tijd der Rederijkers en bijna kunnen we 't Robbeknol in den "Spaanschen Brabander" nazeggen:

"Ja, 't is een moye mengelmoes, ghy meuchter wel van spreken, Ghy luy hebt de Fransche vry wat of ekeken."

Dat er tamelijk veel vreemde woorden gebruikt moesten worden, is te verklaren, als men er aan denkt, dat in de kringen waarin de roman speelt, zulke woorden veel gehoord worden--we denken hierbij aan de gesprekken in het werk--terwijl we ons tevens heel goed kunnen voorstellen, dat een kunstenaar om den klank soms een vreemd woord de voorkeur zal geven, maar.... "mate es tallen spele goet!"

IETS OVER KLOOS ALS CRITICUS.

[Zijn beteekenis.] Van de mannen van '80 is Willem Kloos wel een der belangrijkste. Als dichter staat hij, vooral door de verzen uit zijn eerste periode, zeer hoog en als criticus is hij door niemand van de jongeren overtroffen. Hij heeft in zijn critieken met groote juistheid aangegeven het verschil tusschen echte en onechte poëzie, tusschen waar en onwaar proza, en is juist daardoor de leider geworden van de Nieuwe Beweging.

[De "Veertien Jaar".] De belangrijkste critieken uit de eerste jaren zijn verzameld in de "Veertien Jaar Literatuurgeschiedenis", welk werk dan ook voor 't begrijpen van de "Beweging van '80" onmisbaar is. De latere critieken van Kloos staan niet altijd op dezelfde hoogte als de zooeven genoemde, terwijl er bovendien soms in herhaald wordt, wat op eenigszins andere wijze al in vroegere beoordeelingen was gezegd en daarom zullen we ons bij deze bespreking beperken tot de "Veertien Jaar". Voor één artikel maken we een uitzondering, n.l. voor het in 1904 geschreven "Over kritiek", dat als inleiding geplaatst is voor den derden druk van de "Veertien Jaar", omdat Kloos daarin zoo helder zijn meening over literaire critiek zegt.

[Eischen voor een goed criticus.] De voornaamste eischen die hij aan een criticus stelt zijn:

1o. hij moet een goed inzicht hebben in 't wezen van de literatuur.

2o. hij moet zelf een kunstenaar zijn en zelfs de meerdere van hem, wiens werken hij beoordeelt.

3o. hij mag zich niet laten leiden door eenig staatkundig of godsdienstig dogma. (Dat andere motieven van persoonlijken aard niet in aanmerking mogen komen, spreekt vanzelf).

[Wat is literatuur, wat is kunst?] Feitelijk berust dus alles op deze vraag: wat is literatuur? wat is kunst? Kloos geeft hierop de volgende antwoorden:

"Literatuur is de haarfijn-preciese weergave van wat er omgaat in 's kunstenaars binnenste wezen, hetzij dat werd geboren in de psychische diepte zelve, hetzij het onmiddellijk uit de buitenwereld er binnen valt."

"Kunst is: naïve, bedoelingslooze uitbeelding, van 't zij het leven in de ziel, 't zij het leven in de omringende buitenwereld, een uitbeelding, die alleen bestuurd wordt door de waarheid en schoonheid en preciesheid, altijd door."

[Wijze van critiseeren.] Leest nu een criticus een dergelijk kunstwerk, dan is zijn taak deze: hij laat 't boek op zich inwerken, en tracht de zielstoestanden van den schrijver zelf te doorleven, 't werk moet als 't ware voor de tweede maal ontstaan. Dan eerst kan de criticus proeven, wat echt en wat onecht is, "dan komt langzamerhand het werk te liggen in den critikus, als in een psychischen smeltoven, een oven, die geleidelijk het werk ontdoende van alle minder-edele slakken en bijmengsels, het tracht te sublimeeren tot zijn zuiverste schoonheids-essentie, tot zijn eigenlijkste, werkelijkste wezen, tot zijn bij mogelijkheid meest echten staat."

[De criticus moet zelf kunstenaar zijn.] Hier sluit natuurlijk onmiddellijk bij aan de eisch, dat de criticus zelf een kunstenaar is: hoe zou hij anders 't werk van een kunstenaar in zich kunnen doen herleven? Hij "moet een mensch zijn van dezelfde soort als de artiesten, van een dergelijken aanleg, als deze zelf bezitten, maar wiens geest, uit zichzelf en door strenge studie, breeder, verder ziend, objectiever gebouwd is, en met meer ernst ontwikkeld, dan dit den artiest zelven, uit gebrek aan tijd of abstraheervermogen, overal en altijd goed mogelijk zou zijn."

[Niet dogmatisch.] Over den laatsten eisch: de criticus moet niet staan op een dogmatisch standpunt, behoeft niet veel gezegd te worden: immers dan zou de strekking hoofdzaak, de artistieke waarde bijzaak worden. Een groot kunstwerk zou dan kunnen worden afgekeurd, een prul als iets groots kunnen worden geprezen. Dit dogmatische keurt Kloos af in de predikant-dichters (Ten Kate, Beets e. a.) en ook in Herman Gorter, die bij de bespreking van de moderne Hollandsche literatuur "niet in de eerste plaats op het oog (had) die literatuur zelve met haar grootere of geringere schoonheid, maar alleen het belang, dat die literatuur kon hebben voor een socialistisch-strevend hart."

Deze beginselen heeft Kloos zelf in practijk gebracht, vandaar ook zijn scherpe veroordeeling van vele schrijvers voor '80. Vooral zijn critieken over verschillende dichters zullen we hier wat uitvoeriger bespreken, omdat daaruit nog beter dan uit 't voorgaande blijkt, hoe Kloos denkt over literatuur en vooral omdat daardoor duidelijk wordt, wat het kenmerkende van de "Beweging van '80" is.

[Kenmerken van goede verzen.] Volgens Kloos onderscheiden goede verzen zich slechte door:

1o. de juistheid der klankexpressie.

2o. de noodzakelijkheid en zuiverheid der beeldspraak.

Over 't eerste zegt Kloos dit:

[Rhythme.] "De opeenvolging der klanken in hunne eigenaardige (individueele) combinatie vormt, tezamen met de plaatsing der accenten, den rythmus van het vers. Daar iedere aandoening, iedere kleinste beweging van het gevoel, bij fijn georganiseerde naturen, hare eigene rimpeling heeft, zal dus ook iedere goede versregel zijn eigenen, slechts voor hem passenden, rythmus doen hooren. Wie het zuiverst zijn gevoel, door den alleen bij dat gevoel behoorenden rythmus weet weer te geven, is de beste dichter; wie het vatbaarst is voor de allersubtielste klankverschillen in een vers, en zich die vatbaarheid bewust wordt, is de beste kriticus: want het eene noch het andere is mogelijk zonder dat men tegelijk zeer fijn en zeer sterk gevoelt. Wanneer de klankexpressie van een vers zoo volkomen mogelijk is, noemt men dat vers intens, omdat het in den geoefenden lezer plotseling, schoon niet altijd bij de eerste inzage, een even krachtigen indruk te voorschijn roept, als de dichter had, toen hij het schreef."

[Intense verzen.] Zulke intense verzen, verzen met prachtigen klank dus, vindt Kloos bij Vondel, "de breede, met zijn ruimen, rustigen klank, stil voor zich zelf voortzingend, als een onzichtbaar koraal"; bij Hooft in mindere mate, omdat die te veel toegeeft aan woord- en klankspelingen en daardoor onnatuurlijk wordt; bij enkele 17e eeuwers als Poot en Hoogvliet. Bilderdijk daarentegen is niet een zuivere zanger, zijn gedichten zijn bulderende, klinkende rhetorica; Da Costa weet, vooral door 't gebruik van veellettergrepige woorden soms een statigen klank te doen ontstaan; Potgieter bereikt dikwijls fijne klankschoonheden, maar de meeste 19e eeuwers voor '80 hebben geen oor voor de fijn genuanceerde klanken van een vers. Sommige dichters na '80 bezitten die gave in hooge mate: zoo prijst Kloos "de wondere melodie der lichtende en geurende woordenreeksen" van Winkler Prins; Verwey's eerste gedichten noemt hij vlekkeloos, omdat de dichter de impressies zijner verbeelding, de rimpeling van zijn gevoel zóó weet vast te houden, en weer te geven door klank en rythmus, zijn middel van uiting, zooals de verven voor den schilder zijn, dat de lezer, die ooren heeft om te hooren en verbeeldingskracht om te zien, diezelfde impressies en diezelfde rimpelingen in zijn eigene ziel voelt opkomen." Hélène Swarth is "het zingende hart in onze letterkunde", de dichteres met "het hooge zilverklinkende accent van een engelenbazuin." Couperus' poëzie daarentegen wordt afgekeurd, vooral om het onware, onjuiste van de klankexpressie. Van de "Orchideeën" zegt Kloos: "Ik wensch den heer Couperus gaarne het beste toe, maar ik vind zijn poëzie om helsch te worden. Voor wie gewoon is de emotioneele waarde der klanken te onderscheiden, en het eerst van alles bij een dichtstuk naar de groote muziek, de heerschende stemming van 's dichters geluid, het lyrische accent te luisteren, voor dien zijn deze verzen een kwelling naar lichaam en ziel. 't Is of men een zangeres hoort, die telkens van de wijs raakt, zichzelve verliest, weer opvat, weer verliest, en zoo voort, den heelen eindeloozen avond door, en iedereen denkt dat het zoo tepas komt in haar rol, want Couperus zingt niet voluit, zóo uit zijn stemming, hij tracht niet weer te geven, nauwkeurig, datgene wat hij in zichzelven verneemt,--hij zet klanken naast elkaar als aardigheidjes tot een streeling des gehoors, hij speelt bouwdoosje met de taal, hij coquetteert met ons mooi, open, Hollandsch geluid."

[Een raad aan de lezers.] En hierop volgen voor ons, lezers, nog enkele regels, die we ons wel goed in de ooren mogen knoopen. "Maar hoe weet gij dit nu allemaal? zal men mij vragen. Omdat ik het hoor, waarde vriend, en als gij 't niet hoort, dan moet gij het trachten te leeren. Dat heb ik ook moeten doen."

[Juiste beeldspraak.] Het tweede kenmerk van een goed vers is: juiste beeldspraak d. w. z. de dichter moet werkelijk gezien hebben, wat hij door woorden tracht uit te drukken en die beelden moeten zoo juist mogelijk de aandoeningen van den dichter weergeven.

[Rhetorica tegenover poëzie.] Tegenover deze werkelijke poëzie staat de rhetorica, die gebruik maakt van de oude, overgeleverde beeldspraak, de zoogenaamde dichterlijke taal.

Het groote verschil tusschen dichter en rhetoricus is dus de tegenstelling tusschen natuur en onnatuur, tusschen waarheid en onwaarheid. Want: de dichter ziet werkelijk wat hij in zijn verzen zegt, geeft zijn gedachten weer in beelden, die bij zijn gedachten passen, terwijl de rhetoricus feitelijk de taal van een ander gebruikt, die niet precies, doch slechts ongeveer, zijn stemming weer kan geven. En juist omdat de rhetoricus niet alles ziet wat in zijn vers staat, omdat zijn beelden vaak alleen klanken zijn, kunnen in zijn gedichten allerlei malligheden voorkomen, die bij een dichter nooit gevonden worden.

[Onzuivere beeldspraak bij rhetorici.] Kloos geeft daarvan enkele sprekende voorbeelden. Zoo heeft Huet, die zulke juiste dingen over prozawerken kon zeggen, volgens hem voor poëzie een zeer onzuivere smaak. Als bewijs neemt Kloos een critiek over Ter Haar, waarin Huet het volgende vers aanhaalt:

"Wat herdren zie ik eenzaam dwalen De heuvlen langs, de velden door? De lach der blijdschap siert de dalen, De vrede graast de kudde voor."

den laatsten regel cursiveert en dan laat volgen: "Wie voor zijn twintigste jaar een vers gevonden heeft als dit laatste, mag het er voor houden, dat de Muzen hem gezalfd hebben."

Dit nu is echte rhetorica: de dichter noch de criticus heeft werkelijk gezien wat daar gezegd wordt, 't is voor beide niets dan klank geweest. Luister maar naar Kloos:

"Stel u maar even voor: Ziet gij wel dien "Vrede" (dus een zacht-majestueuse vrouwefiguur) voorovergebukt met haar edel gelaat langs het weiland schuiven, onderwijl zij zich traagjes voortbeweegt op handen en voeten, als een vreemdsoortig quadrupeed, en de andere grazende koeien achter dien mal-doenden Vrede aan!"

Een ander voorbeeld door Kloos aangehaald, waarbij een eenvoudige cursiveering voldoende is om ons tot inzicht te brengen, dat de schrijver klanken gebruikte in plaats van beelden:

"En de onrust bleef op 't brandend vraagpunt wanken En sloeg vandaar den angstig starren blik Langs alle wegen heen om vasten steun."

Schaepman is voor Kloos wel de rhetoricus bij uitnemendheid: "oorspronkelijke, innerlijke of uiterlijke aanschouwing, uit welke een waarachtig dichter alleen zijne beelden neemt, zijn den heer Schaepman onbekende dingen. Hij toont zich hierin als de echte rhetor, die zich ook bepaalt tot het rangschikken en kunstig gebruiken van het bestaande materiaal, zonder iets van zijn eigene ziel er bij te doen." Daarom keurt Kloos de bekende "Zang der Zuilen" uit de Aya Sofia af, dat is geen ware beeldspraak. "Men kan zich voorstellen, dat een zuil trotsch rijst, gewillig zijn last draagt, trouw op wacht staat, doch dat een zuil.... zingt? Och, kom! Wat is er in een zuil dat bij mij die impressie te voorschijn zou kunnen roepen? Ik zou even goed kunnen beweren, dat een zuil zit te bitteren, of in een koets met twee paarden naar den schouwburg rijdt."

[Realisme.] Kloos is dus wat poëzie betreft de strijder voor waarheid: de dichter moet weergeven òf innerlijk wezen òf de door hem geziene werkelijkheid (buitenwereld). Datzelfde eischt hij van een proza-schrijver, ook zijn beeldspraak mag niet conventioneel zijn, ook hij moet niets neerschrijven dat niet door hem zelf gevoeld of gezien is. Het proza moet waar, dat is realistisch, zijn. Kloos neemt het voorbeeld van een schrijver die een dageraad of een toornig mensch noodig heeft in zijn werk, zoo iemand zal "dien mensch en dien dageraad niet schilderen voor het vaderland weg, rangschikkende slechts op zijne manier de spreekwijzen die voor beide gevallen bij de romanschrijvers gebruikelijk zijn, maar hij gaat staan en beziet den dageraad zelf en teekent zijn persoonlijke impressie van een oogenblik en van het volgende oogenblik en het daarop volgende; en hij tracht, in het andere geval zoo'n mensch, die toornt, tegen te komen, en neemt dan zijn gebaren waar en zijn gelaat en de woorden, die hij spreekt."

Op die wijze werkte Zola, en in ons land Frans Netscher, Cooplandt, Van Deyssel, Van Looy, Aletrino, Van Groeningen. Dezelfde Couperus die wegens zijn gedichten zoo gekapitteld werd, omdat hij onwaar was, wordt door Kloos geprezen als schrijver van Eline Vere, omdat hij in dien roman de afbeelding geeft van iets werkelijks. "Couperus is van een precieus en pretentieus poëetje veranderd in een groot en mooi-voelend realist."

[Overeenstemming tusschen leven en werken.] Ten slotte willen we nog op een van Kloos zijn critieken de aandacht vestigen, omdat daarin een zeer kwestieus punt wordt besproken, nl. de overeenstemming tusschen het leven en de werken van een schrijver. 't Is een artikel geschreven naar aanleiding van een boek van Dr. Swart Abrahamsz., waarin Multatuli als type van een zenuwlijder wordt beschouwd en veel wordt gesproken over Dekker's ijdelheid, grilligheid en grootheidswaan. Tegen een dergelijke beschouwing komt Kloos met kracht op: "de waarde van een schrijver zit niet in wat feiten uit zijn private leven, maar in de historische beteekenis zijner werken. Slechts de woorden, die van hem uitgingen, als hij neerzat aan zijn schrijftafel, dàt zijn de waarachtige en uitsluitend te herdenken daden van Multatuli geweest."

GORTERS MEI.

EERSTE ZANG.

[De komst van Mei.] Op een wonderschoonen avond komt uit zee een kleine boot drijven, die een meisje naar 't strand brengt, een kind "louter, niets dan lieflijkheid": Mei, de dochter van de zon en de maan. Op 't rustige strand hadden kinderen een fort gebouwd van zand; daar gaat ze zitten en slaapt weldra in. 's Nachts begint het geklaag van de zee, 't is of allen die daar verdronken, kermen, en dan komt een rij donkere mannen in monnikskap en pij, die op een baar een doode dragen, de gestorven zuster van Mei: April. Mei ziet angstig den somberen stoet voorbijtrekken, maar dan zakt de angst weg, ze sluimert weer in en slaapt rustig tot de zon haar wekt.

[Haar tocht.] Nu begint de wondere tocht van Mei door 't land; eerst door de duinen, waar haar "roode voetjes 't witte zand verstoren," over de steile duinheuvels en door de valleien, langs een duinvijver, waar ze dronk, "de lippen in 't hol handje." Als een wit vlindertje loopt ze langs een beekje, dat ontsprong uit den vijver en zoo komt ze in een wei, waarin staat "een bloemkorf opgehoopt met versche bloemen." En thans begint het mooi Mei-werk: jubelend gooit ze den bloemkorf om, danst door de wei en strooit de bloemen rond. Overal hechten ze zich vast in 't weiland, de beek voert ze mee en tooit er mee den rand van de landerijen, de wind neemt ze met zich en plaatst ze op de ooftboomen. "Heel Holland vat brand van die vlammetjes."

Moe legt Mei zich neer in 't weiland; een vlinder danst vlak langs haar gezicht, ze grijpt hem en leest het teekenschrift, dat in de vlerken gegrift is.

[Ontmoeting met de Stroomnimf.] Zich omwendende ziet ze in een ander weiland een vrouw liggen, als zij zich koesterende in den schijn der zon. 't Is een stroomnimf. Ze vertelt Mei veel uit haar leven, uit het leven van de nimfen en elfen, van allen die de wacht hielden bij stroom en vijver, zomerwind en zomerzon beminnen en heengaan naar warme streken "als van herfstkou het water in den stroom rilt." Eén ding wil ze Mei op dit oogenblik niet vertellen, iets treurigs, dat haar zou doen schreien. Later hooren we wat de stroomvrouw bedoelt.

Mei gaat verder. Wel is er een oogenblik spel van nevel in de ziel, maar spoedig ebt dat leed weer heen. Ze hoort Zefyrus, die z'n basstem oefent, ziet het bosch, dat dampt van zonnegoud, ziet den akkerman werken op 't veld; een bruiloftsstoet trekt voorbij, in 't dal ligt een vroolijk dorpje. Ze komt bij een stad en daar ziet haar de dichter. Een poos zwerven ze samen rond, dan moet de dichter keeren naar zijn stad, Mei beklimt een heiheuvel en legt zich te slapen in een ondiepen kuil vol donkere erica. 's Nachts houden twaalf kleine ridders, de nachturen, trouw om kleine Mei de wacht.

TWEEDE ZANG.

[Ontmoeting met Balder.] Eenige dagen later in een ander landschap. Mei slaapt daar te midden van grillige rotsen. De zon spant weer zijn wagen aan en Mei ontwaakt. Ze denkt aan den vorigen avond. Stil zat ze toen en daar hoorde ze op eens een stem, die haar diep heeft ontroerd. Plotseling zweeg de stem, maar in haar gedachten hoort ze hem nòg. En de begeerte komt in haar op, die stem weer te hooren. Terwijl ze ligt te mijmeren en de gedachten om haar hoofd zwermen, verschijnt op den besneeuwden top van een rots het blank-rood lichaam van een jongen God en daar hoort ze ook zijn zingende stem, dezelfde van den vorigen avond. De jonge God zingt van zijn eigen leven. Het is Balder, de zonnegod. Vroeger woonde hij met de schoone Idoena in Wodans huis, hij reikte de schaal met rooden wijn aan Wodan en Freya, hij bestuurde de zon en de maan, verjoeg de sombere hagelwolken, die op zonnemoord uit waren. Maar toen hij eens ontwaakte aan 't strand van de wijdvergulde zee, waren zijn oogen dicht omwonden: blindheid was over hem gekomen. Nergens is genezing voor die blindheid te vinden en langzaam is de herinnering aan alles wat vroeger is geweest, verdwenen. Een nooit te stillen drang is er in hem gekomen: de drang naar muziek. De muziek is alles voor hem: niemand kent als hij haar woestenijen, "zij is zijn kluis, zijn vaderhuis, zijn stad, zijn hemeltent."

Mei hoort niets dan de stem van Balder, 't is of heel de wereld wegzinkt, de herinnering van haar Mei-leven verdwijnt. Balder nadert, staat eindelijk rechtop stil voor haar: als een kerkbeeld van goud, zoo puur vlamde hij in het duister, ze strekt de handen naar hem uit, maar: hij was er niet meer.

[De Hemelvaart van Mei.] Mijmerend, gebogen, "aan 't strand van eigen leed", zit Mei op een steen. Zo ziet haar de Maan, haar moeder. Ze heeft medelijden met haar kind, tracht haar te troosten en om haar kind te sterken, geeft ze het de volle moederborst. Den volgenden morgen doorstroomt vader Zon 't lichaam van Mei met schitterlicht, zoodat het licht wordt als een veer. En nu kan Mei haar tocht beginnen naar 't paleis van Wodan om Balder te zoeken. Ze stijgt omhoog tot boven de wolken, "de kudde mooie paarden", ziet de wolkenspinster uit het Noorden, wie ze vraagt waar Balder is en die haar den weg wijst naar 't godenpaleis. Na een lange reis komt ze eindelijk aan een groote hal, waar een rij mannen om een lange tafel zit. Dat zijn de goden. Op een rots aan een afzonderlijke tafel zit een oud gebaard man: Wodan. Mei kijkt de rij langs, maar de schoonste god, Balder, is er niet. Ze vraagt het Wodan en de feestvreugde verkeert in droefheid: niemand weet waar Balder is. Nu verhaalt Mei haar ontmoeting, Balder leeft nog, ze heeft zijn godendroomenlied gehoord. Vreugde komt er met deze woorden in 't godenpaleis, de godinnen komen in de zaal, een reidans vangt aan, Idoena, Balders bruid, leidt de rei. Wodan alleen blijft droef en hopeloos, Mei wordt bang voor den peinzenden ouden man en vlucht weg zonder omzien. Ze daalt neer en na vele dagen komt ze op aarde terug.

[Mei en Balder.] Overal voelt ze de tegenwoordigheid van Balder en eindelijk in een vallei ziet ze hem. Ze springt vooruit, grijpt hem en drukt zijn lippen met de hare toe. Lang houdt ze Balder omklemd, dan gaat ze beschroomd naast hem zitten. Allerlei beelden verschijnen voor hunne oogen: 't zijn de beelden van zijn zielsmuziek. Daar zien ze een prieel ontstaan van blauwe bloemviolen, en in dat prieel vleien zich twee wezens neer. Dan vraagt Mei of zij elkaar ook eens zoo zullen toebehooren, maar Balder richt zich hoog op, en als een doemvonnis vallen uit zijn mond de steenen woorden: Nooit, nooit, nooit! Waaròm dit nooit kan zijn, zegt hij haar ook, nu niet meer hard, maar vol medelijden: en dan verdwijnt hij. Nu weet Mei dat hij voor haar niet was.

DERDE ZANG.

[Mei en de dichter.] De dichter zit in den nacht aan den oever van een rivier, somber gestemd, omdat hij 't droevig lot van Mei kent. Terwijl hij mijmerende neerzit, verschijnt Mei zelf, vertelt hem haar lotgevallen en zegt hem ook al de wonderbare Balderswoorden. Als de morgen komt, gaan Mei en de dichter samen nog eens door de mooie Hollandsche landen. Plotseling ziet de dichter in een kreupelboschje een vrouw: de stroomnimf uit den eersten zang, die nu uitspreekt wat ze toen Mei niet wilde zeggen. 't Lot van Mei is ook hààr lot, ook zij heeft eens de goddelijke stem van Balder gehoord, en ook zij is "bleek, als water is, beneê den mist der beek."

De dichter keert terug naar Mei en thans--'t is al avond geworden--gaan ze naar de stad, waar 't huis van de dichter gebouwd is op den stadsmuur. Daar brengen ze nog eenigen tijd door, dan vraagt Mei: "te zien der menschen stad, wat die voor werke' en wezens in zich had." De dichter leidt haar door straten, over pleinen, langs grachten en lang zitten ze samen op den stadsmuur. Ook den komenden nacht blijft Mei nog in 't huis van den dichter en dan komt eindelijk de laatste dag.

[De dood van Mei.] Tegen den morgen gaat Mei heen, stralende als een gouden beeld in de zon; op jong ongerept gras tusschen vier eiken blijft ze staan, "als een bloem van zomerrood, papaver, midden in gedaver van zonnevuur" en zooals die bloem haar teeren stengel langzaam buigt omlaag, zoo buigt ook Mei langzaam haar hoofd. De maan neemt het lichaam van haar gestorven kind in haar armen, de dichter legt het in een boot, vaart de rivier af tot aan de zee en daar wachten de twaalf uren al met een baar om hun droeven plicht te doen. Aan den zeezoom, waar Mei het eerst geland was, wordt ze in 't graf gelegd: "daar ligt bedolven mijn kleine Mei".

[De natuurbeschrijving in Mei.] Mei is, zooals uit deze inhoudsopgave blijkt, in de eerste plaats natuurpoëzie. De geheele eerste zang: de tocht van Mei door 't Hollandsche landschap, ook een groot deel van den tweeden en vooral van den laatsten zang, dat alles zegt ons hoe de dichter meeleeft met 't schoone dat hem omringt, en hoe hij dat schoone opgenomen heeft in zijn ziel. Wie Mei goed leest en alles voor zich ziet, wat de dichter beschrijft, ziet in eens al 't gewoon-dagelijksche met heel andere oogen dan vroeger. Niet alleen de zee in haar oneindige wisseling van tinten, de wolken, de rivieren en beken, de bosschen en 't Mei-landschap zijn schoon, maar ook de boer werkende op 't land, de uitgaande school, de smid in z'n werkplaats, de armelijke buurten in de stad geven een schoonheidsaandoening. Over zulke dingen redeneeren geeft weinig: goed lezen en zich alles juist voorstellen is 't eenige. Een enkele aanhaling geven we om Gorters natuurbeschrijving te typeeren.

"Ook lag een dorpje in dat dal, waar rook Fijn wemelde om heen van schouwen; ook Dat zag ze. Glans maakte de zon in blauwe En roode pannen, uit de straat was 't flauwe Gerucht hoorbaar der zwarte smederij, Het ijzer blonk onder de hamers. Zij Hamerden in cadans de spranken vuur. De straat was leeg, ze zag aan de deur twee buur- Vrouwtjes staan spreken en een zwarte hond Rondloopen. Onder groene linde stond Een oud man in de westerzon te zien, En achter een huis 'n vrouw onkruid te wiên. Toen ging een schooldeur open en daaruit Kwamen een stoet van kinderen, geruit Droegen de meisjes boezelaars, geklos Van klompen en jongensgeschreeuw brak los. Twee vochten er, de rest stond er om heen; Tot meester kwam, toen gingen ze bij tween En drieën huiswaarts, broertjes hand in hand. Zij zag ze hier en daar over 't land En brugjes gaan en langs een lage heg. En door de dorpsstraat, waar ze plotseling weg Doken in huis, geborgen onder 't dak. Toen was 't weer stil behalve het klikklak Van staal en uit een stal dof koegeloei."

Zooals uit de aanhaling duidelijk blijkt, is Gorter geen realist die alles tot in kleinigheden weergeeft. Hij zet als 't ware slechts enkele penseelstreken, geeft in een paar woorden den hoofdindruk weer die 't geen hij ziet op hem maakt. 't Aangehaalde fragment is een reeks indrukken, die samen den juisten indruk van 't geheel weergeven.

Kenmerkend voor Gorter is ook het teere en fijne van zijn woorden. Mei is geen forsch gedicht als Emants' Godenschemering, maar--zooals Kloos het uitdrukt--"een teeder weefsel van levend beweeg, een ziel van muziek, die wee-juichend beeft over zijn eigene schoonheid."

[De Balder-figuur.] Belangrijk is in Mei de figuur van Balder. Volgens de Germaansche mythologie is Balder de stralende zonnegod, die door toedoen van den boozen Loki verraderlijk gedood wordt. Deze Balder-geschiedenis is in Emants' Godenschemering behandeld. In Mei is Balder echter een geheel andere figuur: wel woonde ook hij eerst als zonnegod met zijn geliefde Idoena (volgens de godenleer was niet Idoena, maar Nanna Balders vrouw) in Wodans huis, wel is hij ook hier eerst de god van geluk en vreugde, maar hij wordt niet als in de Edda gedood, doch verliest het licht van zijn oogen. Dit is in Mei het belangrijke en kenmerkende van Balder, want juist daardoor is hij als 't ware afgesloten van 't geen buiten hem is en juist daardoor verdiept zijn zieleleven. Hij ziet in 't vervolg niet meer òm zich, maar in zich-zelf. De indrukken verbleeken langzamerhand, hij heeft nog slechts een flauwe herinnering van zijn vroeger leven:

Henen is Heugenis Van lust en droefheid die ik immer droeg,--

en daartegenover bloeit steeds meer op 't leven van zijn eigen ziel.

[Invloed der muziek.] Dat zieleleven wordt ons symbolisch voorgesteld: als muziek. De muziek is de meest onmiddellijke uiting van iemands zieleleven, en kan op den mensch een geheimzinnige werking uitoefenen, zonder dat de wijze waarop ze werkt, juist is aan te geven.

-- -- -- Muziek heeft met alle dingen Niets meer gemeen, en alle vreemde zinnen Zijn blind voor haar, geen vormen en geen kleur Heeft zij, zij is de lucht gelijk in heur Afwezigheid voor 't oog en schijnarmoede, Zij is de liefste, allerliefste; moeden Die zich moe leefden aan het zien en smaken Der volle wereld, drinken haar en raken Haar soms met lippen, willen haar altijd-- Zij geeft van alles hun vergetelheid. Zielsleven is muziek. -- -- -- -- -- --"

Zoo leeft Balder alleen voor zich: hij doet niets dan luisteren naar de muziek van z'n ziel, zijn ziel is zijn God. Voor iets anders is geen plaats meer: naast haar bestaat geen beeld.

"Haar wil ik hebben, heb ik, en niemand Dan zij, mag met mij wonen in dit land."

[Verhouding tusschen Balder en Mei.] Nu is ook duidelijk de verhouding tusschen Mei en Balder. Mei hoopt voor Balder te worden wat eens Idoena was, dààrom zoekt ze hem overal en daarom vraagt ze ook:

"-- -- -- -- wordt nu een kind geboren Uit u en mij, dat zal ons toebehooren Gelijkelijk, omdat wij beide zijn Elkanders liefde waard, ik uw, gij mijn."

Balder mòet haar afwijzen, wel kan hij, omdat bleeke, oude herinneringen in hem opkomen, één oogenblik zwak zijn en dáárdoor bij Mei den indruk vestigen dat hij denkt als zij, maar die herinnering zal spoedig wegvloeien. 't Antwoord kon niet anders zijn dan dit:

"Nooit kan dit zijn, Mei, dat 'k een ander hoore, Ik Balder, aan een ander; zie 'k ben blind, 'k Zie nooit iets dan mijzelf, niet u, mijn kind."

[Balder als symbool van den dichter.] Zooals Balder is, is de ware dichter. Ook hij moet luisteren naar zijn zielsmuziek, de inspiratie moet komen uit zijn eigen ziel, niet uit de buitenwereld.

"Mannen zijn zoo die men dichters heet. Een jong man zoo, die 't slaafsch leven vergeet Een uur, een dag lang, en zich zelven hoort En naar zich luistert, wat geboren wordt Aan leven in zich en de wondre daden Die 't dieper zelf bedrijft, en naar beladen Winden met klanke' en woorden ongehoord."

[Gorters taal.] Nog een enkele opmerking over de taal van den dichter. Ik kan me voorstellen, dat iemand die weinig verzen van nieuwere schrijvers heeft gelezen en nu Mei ter hand neemt, Gorters wijze van uitdrukken, en vooral ook zijn rijmwoorden op z'n minst genomen zonderling zal vinden. Daarom deze raad: lees 't gedicht zooveel mogelijk luidop, stel u alles precies voor, wat de dichter zegt en lees in 't begin niet te veel achter elkaar. Als waarschuwing voor een mogelijk voorbarig oordeel ten slotte dit citaat van Kloos: "Ja, 't is als een schatkamer, die verzen van Gorter, een schatkamer van schoonheid, onuitputtelijk als de Natuur. 't Gaat hèm als 't meisje uit dat mooie sprookje: ieder woord, dat zijn mond ontvalt is een bloem of een diamant. En wat gaat het ons dan aan, of hij der oude Hollandsche vers-techniek, zooals onze vadren die instelden, den allerlaatsten nekslag geeft--er vielen er reeds vele--als zijn zwaard zulk eene heerlijke schoonheid is? Laten wij, met een dankbaar hart, het eene voor het andere ruilen, want een mooi boek is beter en duurzamer en prettiger dan het sekuurst ingericht stelsel van fatsoenlijke prosodie."

OP HOOP VAN ZEGEN.

[Tendenz-werk.] Dit tooneelstuk is een echt tendenzieus werk, een strekkingstooneelstuk, zooals de werken van Heyermans dikwijls zijn. Vaak wordt beweerd dat zulk een werk in principe te veroordeelen is, dat de kunst er alleen moet zijn òm de kunst en geen bijoogmerken mag hebben, dat het kunstwerk lijdt door de tendenz. Dikwijls is dit ook het geval omdat de tendenz te veel op den voorgrond wordt geplaatst en daardoor in 't werk te veel wordt geredeneerd en het onnatuurlijk van bouw wordt. "Op Hoop van Zegen" echter is een voorbeeld van een uitstekend gelukt tendenz-werk, juist omdat het geheel logisch in elkaar zit en de strekking niet op gewilde, dus onnatuurlijke wijze, voorop wordt gezet.

[De strekking.] De strekking van Heyermans' werk wordt heel juist weergegeven door een uitdrukking in 't derde bedrijf, die haast een gevleugeld woord is geworden: "de visch wordt duur betaald." Zijn doel is bij ons den indruk te vestigen dat er in 't visschersbedrijf vreeselijke misstanden heerschen.

Dat doel heeft hij trachten te bereiken door 't visschersleven waarin hem die misstanden getroffen hebben, op 't tooneel weer te geven, maar zóo, dat op die slechte toestanden een scherp licht valt, zonder dat het onnatuurlijk wordt. Nadat we 't stuk gezien hebben, zeggen we bij ons zelf: misschien is 't niet in alle deelen precies zóó, als Heyermans ons hier laat zien, maar een dergelijk voorval kàn toch heel goed plaats hebben. De personen op 't tooneel zijn werkelijke menschen, geen aangekleede ideeën.

[Kniertje.] Om ons dit visschersleven duidelijk voor oogen te stellen, voert de schrijver ons naar een visschersplaats aan de Noordzee. We maken daar kennis met Kniertje, het onderworpen zestigjarig visschersvrouwtje, dat haar leven lang op die plaats gewoond heeft en heel wat heeft meegemaakt. Haar man is 12 jaar geleden verdronken, ze heeft een jaar of drie een geringe ondersteuning gehad, maar daarna moest ze zelf maar zien rond te komen. Twee jongens zijn verdronken als hun vader, twee zoons heeft ze nog, den 26-jarigen Geert en den 19-jarigen Barend. Ze verdient een kleinigheid als werkster bij den reeder Bos, heeft wat aardappelland, wat kippen en wordt altijd trouw geholpen door haar nicht Jo, een flinke meid.

[Barend.] Barend heeft angst voor de zee, het monster dat zijn vader, zijn beide broers en zoo vele andere visschers verslonden heeft: hij wil niet naar zee. Wèrken wil hij, alles wil hij doen, maar nièt naar zee! En daarom wordt hij geplaagd en gesard door allen: door zijne moeder, die hem een doodeter noemt, door Jo, die hem een bangerd scheldt. "Bange Barend" wordt zijn naam.

[Geert.] Geert was bij de marine, wàs, want hij, die als jongen van 14 jaar geteekend had, verlokt evenals zijn ouders door 't "brani-pakje"--hij, de ferme, ronde matroos-eerste-klasse, die de Atjeh-medaille behaald heeft, is tot 6 maanden provoost veroordeeld, uit den dienst gejaagd daarna, omdat hij een meerdere heeft geslagen, iemand die zijn meisje Jo een slet had durven noemen. Zijn straf is vooral verzwaard, omdat hij socialistische neigingen heeft: men heeft verboden lectuur bij hem gevonden. En als hij terugkomt bij zijne moeder na de martelende zes maanden, bijna onkenbaar geworden, met grijzende haren aan de slapen, is zijn hart vol wrok: hij werpt de Atjeh-medaille weg en geeft zijn hart lucht tegen de autoriteiten, tegen de reeders.

[Jo.] Daarnaast Jo, de vroolijke, onbezorgde lachebek, de gelukkige aanstaande van Geert, altijd vol hoop op de toekomst, alle zorgen weg lachende.

[Cobus en Daantje.] Verder een troostelooze omgeving: Cobus, een broer van Kniertje, en Daantje, een diakenhuismannetje, beide oude visschers, die van hun tiende jaar op zee zijn geweest, die hun leven lang gewerkt hebben op de loggers en nu als oude wrakken leven van weldadigheid, van de "diakenie". En 't zijn geen Keesjes uit de Camera! zij vinden niet alles goed in 't Huis. De moeder is "een kreng". Hier voelen we al het thema dat in "Bloeimaand" later is uitgewerkt.

[Oude Jelle.] Dan de oude Jelle, de bijna blinde bedelaar en muzikant, ook iemand die zijn leven op zee heeft versleten. En hij mag niet in 't diakeniehuis: "éen keer lange vingers gehad!"

[Bos.] Daartegenover staat Bos, de hartelooze reeder, iemand die als arme visscher begonnen is, zich langzamerhand heeft omhooggewerkt, en--niet het minst door huwelijk met een rijke vrouw--een aanzienlijk reeder is geworden. Voor hem is de visscherij een zaak, waarvoor men schepen, netten en visschers noodig heeft. Als er een schip verongelukt, dekt assurantie de schade; averij kost hem geld; stukgevaren of verloren netten zijn schadeposten; de dood van visschers is onaangenaam wegens al 't geloop en gegrien op zijn kantoor en wegens de uitkeeringen die 't pensioenfonds moet doen. Maar een advertentie, een oproep aan de "Weldadige Landgenooten" helpt al heel wat! Men vergelijke b.v. zijn houding aan de telefoon in het vierde bedrijf. "Zaken zijn zaken--als je gevoelig wordt, buitel je over den kop", dat is zijn principe. Gruwelijk heeft hij 't land aan de "ontevreje rakkers." "Bij ons geen fratsen" zegt hij. Geert noemt hem een tyrannetje.

[Intrige.] En nu de "knoop". Reeder Bos heeft een oude schuit, de "Op Hoop van Zegen", die op de werf is geweest en daar onherstelbaar rot is gebleken. De reeder weet het: de scheepstimmermansknecht Simon heeft het hem gezegd. En toch laat de man zoo'n drijvende doodkist uitzeilen, prijst het schip zelfs: 't vorige jaar heeft men er nog voor f 14000 haring mee gevangen. 't Einde is te voorzien: 't schip gaat in zee, er komt storm en de "Op Hoop van Zegen" vergaat met man en muis. Het lijk van Barend is 't eerste, dat aanspoelt; Barend, die altijd zoo bang voor de zee was, die niet woù verzuipen, die wist, dat de boot ròt was, die door veldwachters aan boord moest worden gebracht! Barends lijk herkend aan de mooie oorringen, die hij van zijn moeder had gekregen voor zijn eerste reis.

[Tragische gedeelten.] Aangrijpende tooneelen zien we. Barend, die niet naar zee wil en zich aan de deurposten vastklemt als de veldwachters hem halen; Geert die verhaalt van zijne ellende in de provoost, waar hij zes maanden zat in een hok van vier stappen lang en vier stappen breed, waar hij honger leed, waar hij in zat, als de storm bulderde en 't schip dreigde te vergaan. Dan 't heele derde bedrijf als al de zeurende visschersvrouwen hun doodelijken angst trachten wèg te praten en al maar verhalen van de mannen en zonen, die op zee gebleven zijn, terwijl buiten de wind huilt. Telkens herhaalde variaties op 't thema: "de visch wordt duur betaald." Ook de vreeselijke angst van Jo, die Kniertje bekent dat ze zwanger is.

En eindelijk het toppunt, het vierde bedrijf: al de doodelijk-ongeruste vrouwen, die op 't kantoor komen van den reeder Bos om te vragen of er al bericht is, daarna de tooneelen, àls dat ten slotte komt. Cobus die weet, dat er een telegram is, maar de inhoud nog niet kent; Truus, die voor twee maanden haar man heeft verloren en nu haar zoontje van 12 jaar, die voor 't eerst mee is, moet missen. Marietje, die doòd wil, omdat haar aanstaande is verdronken. Het hevige tooneel tusschen Jo, Cobus en Bos, als de dronken Simon komt binnenwaggelen en over 't rotte schip spreekt. Het ontkennen van Bos, van den boekhouder "die niks hoort" en de strijd van Clémentine, die haar eigen vader moet verachten, zich zèlf moet verachten, omdat ze niet gesproken heeft, terwijl ze wist hoe slecht 't schip was.

Ten slotte de oude Kniertje, het arme visschersvrouwtje dat al zóó veel ellende heeft meegemaakt en nu weet, dat haar beide zoons verdronken zijn. Haar zelfverwijt: Barend, dien ze gedwongen heeft naar zee te gaan; Geert, van wien ze geen afscheid heeft kunnen nemen. Dan de tegenstelling: de quasi-medelijdende reedersvrouw Mathilde; er is een oproep geschreven aan de "Weldadige Landgenooten", onderteekend door de vrouw van den burgemeester en door haar zelf. Nu moeten Kniertje en zij ook maar weer vrede sluiten, ze mag in 't vervolg weer komen schoonmaken! Om de kroon op haar goedheid te zetten, bedenkt ze het vrouwtje eens extra. Kniertje waggelt van 't tooneel met een schotel koteletten!

Zoo werkt alles mee om den door Heyermans bedoelden indruk te vestigen. We resumeeren hier nog even:

1. De geschiedenis met de "Op Hoop van Zegen".

2. Het leven van al die vrouwtjes, die steeds vol zorg thuis zitten.

3. De visscherswrakken, de oude mannetjes Cobus, Daantje en Jelle.

4. De onmenschelijke houding van den reeder Bos.

5. Simon, die een dronkaard is geworden na 't verdrinken van zijn zoontje.

[Pakkende tooneelen.] We wijzen ten slotte nog even op het feit, dat Heyermans het tooneel door-en-door kent en daardoor een meester is in 't schrijven van pakkende tooneelen. Zoo b.v. telkens aan 't einde der bedrijven, zoodat een diepe indruk blijft als 't gordijn zakt.

Einde van 't eerste bedrijf: Geert ziet Truus voorbijgaan en wil haar roepen. Maar Kniertje waarschuwt: "Niet aanroepe! Ari is dood. De stakker.... Zes kindere!...."

Einde tweede bedrijf: De waanzinnige angst van Barend, die vertelt wat hij onder in 't schip gezien heeft, die voelt dat de schuit vergaan zal--en dan zijn wegleiden door de veldwachters.

Slot derde bedrijf: Kniertje en Jo alleen blijvende na al die akelige verhalen. Jo hartstochtelijk snikkend--Kniertje biddende, terwijl de wind in wilde zwiepingen om 't huis joelt.

Slot vierde bedrijf: 't Wegwankelen van Kniertje en vlak daarna 't voorlezen van de advertentie aan de "Weldadige Landgenooten" door den boekhouder.

[Trucjes.] Allerlei kleine trucjes verhoogen den indruk dikwijls b.v. de langzaam voorbij 't raam gaande visschers en tegelijk het luiden van de kerkklok (eerste bedrijf), wegwerpen van de Atjeh-medaille door Geert, 't huilen van den wind vooral als de deur even geopend wordt, het binnenkomen der druipnatte vrouwen, vooral 't plotseling uitwaaien van de lamp (derde bedrijf), de muziek van Jelle juist op 't oogenblik, dat op 't kantoor de ongelukstijding bekend wordt. Ook het gesprek aan de telefoon door Bos, het verschil in toon als hij de burgemeestersvrouw toespreekt of zijn eigen vrouw afsnauwt.

DE KLEINE JOHANNES.

Eerste deel.

[Doel.] In "De Kleine Johannes" schetst Van Eeden ons symbolisch de ontwikkeling van een knaap tot jongeling, en laat ons dus een blik werpen in 't zieleleven van een mensch.

[Eigenschappen van Johannes.] Johannes is een jongetje met een levendige fantasie, dieren beschouwt hij haast als zijns gelijken, dat zegt ons z'n behandeling van Presto en Simon; levenlooze voorwerpen denkt hij zich als bezielde wezens, hij praat met het behangsel en met de hangklok; zijn hand streelt de oude boomen, die hem ruischend voor zijn vriendelijkheid danken. Groot is zijn liefde voor de natuur en zijn schoonheidsgevoel is sterk ontwikkeld. Dat heeft hij vooral van zijn vader, "een wijs ernstig man die hem dikwijls medenam op lange tochten door wouden en duinen." In den grooten tuin vond Johannes het heerlijk, vooral achterin bij "den vijver, waar witte waterleliën dreven en het riet lange fluisterende gesprekken hield met den wind." Daar was Johannes' paradijs, waar hij uren lag te staren zonder zich ooit te vervelen. Als zich bij zonsondergang een schitterende wolkengrot vormde, verlangde Johannes daarheen te vliegen om te kunnen zien, wat daarachter zou zijn. Hij is dus een kleine droomer, iemand met een trek naar 't geheimzinnige. Hij verwacht dan ook dat er eens een wonder zal komen en als hij 's avonds bad, was 't slot meestal de wensch dat er toch eens een wonder mocht gebeuren.

't Wonder kòmt. Op een prachtigen zomeravond drijft Johannes in een bootje op den vijver, weer ziet hij de ontzaglijke poort waarachter de zon ter ruste zou gaan, weer staart Johannes in de diepte van de lichtgrot. "Vleugels! dacht hij, nu vleugels! en daarheen!"

[Windekind.] Daar verschijnt hem Windekind, een licht, rank wezentje, met glazen haftvleugels. Windekind is de fantasie, hier voorgesteld als een wezen buiten Johannes, maar in werkelijkheid iets in hem, een eigenschap van Johannes zelf. 't Is de geheimzinnige dichterlijke kracht die in elk mensch aanwezig is en zooals we boven zagen, in dit jongetje heel sterk is ontwikkeld. Van Eeden zelf geeft enkele aanwijzingen. Windekind is immers geboren "uit de eerste stralen der maan en de laatste der zon," hij is een kind der schemering; de tijd om te fantaseeren en te droomen. Zijn stem klinkt als "het schuifelen van het riet in den avondwind of het ruischen van den regen op de bladen van het bosch" en Johannes heeft dan ook "een gevoel, alsof hij het vreemde, blauwe wezen al lang kende."

[Invloed van Windekind.] Door zijn levendige fantasie ziet Johannes nu alles rondom zich anders en beter dan vroeger; alles wordt bezield. Hij leeft mee met de dieren en planten, als de krekels 's avonds sjirpen, komt dat omdat er een krekelschool gehouden wordt en de jonge krekeltjes hun lessen leeren; hij kan zich voorstellen dat in een konijnenhol een liefdadigheidsfeest gevierd wordt, omdat de menschen zooveel dieren gedood hebben en het er met de nagelaten betrekkingen slecht uitziet; de sterren zijn niet anders dan gestorven en verheerlijkte glimwormen; de dieren en planten die op 't zendingsfeest door de menschen bedreigd worden vereenigen zich om ze te verdrijven; de bladeren van den eschdoorn zijn zwart gevlekt omdat de kabouters als ze 's nachts geschreven hebben, des morgens de rest van hun inktpotjes over die bladeren uitgooien.

Dit alles fantaseert Johannes in z'n droomstemming. Hij kan dat eerst nadat Windekind hem op 't voorhoofd heeft gekust, dan is het "alsof alles om hem heen verandert." Later zegt Windekind het nog eens duidelijk: "Ik heb u de taal van vlinders en vogels geleerd en den blik der bloemen doen verstaan."

[Satirieke gedeelten.] Terloops wijzen we er op dat in dit gedeelte tal van satirieke opmerkingen gemaakt worden. Oberon b.v. de elfenkoning, is als een échte koning heel voorzichtig; hij is allerminzaamst, onderhoudt zich vriendelijk met verschillende gasten, roemt het maanlicht in de duinen, kijkt met genoegen naar de wandversiering en bij 't dansen gluren allen angstig naar den koning om een teeken van goedkeuring op zijn gelaat te zien. "Maar de koning was bang om ontevredenen te maken en keek zeer strak."

In de geschiedenis van de Vredemieren en de Strijdmieren, die elkander vermoorden en heele kolonies uitroeien, omdat allen beweren den echten kop van den eersten heiligen Vredemier te hebben, worden de godsdienstoorlogen gehekeld. Johannes vindt het een bloeddorstig en dom gezelschap, maar Windekind lacht en zegt: "O, gij moet hen niet dom noemen. De menschen gaan naar de mieren om wijs te worden!"

Op 't zendingsfeest wordt gesproken over "Gods heerlijke natuur en de wonderen der schepping, van Gods zonneschijn, van de lieve vogelen en bloemen" en ondertusschen worden "heesters uiteengedrongen, bloemen neergetrapt, de teere geuren der kamperfoelie-struiken door nijdigen sigarenrook verdreven en de vroolijke meezenzwerm door harde stemmen verjaagd, terwijl de nieuwsgierige konijntjes, die van den duinrand gekomen waren om eens te kijken, verschrikt aan 't loopen gaan." Na afloop blijven een menigte papieren, ledige flesschen en sinaasappelschillen achter. "Zulke menschen", zegt Windekind, "zijn geheel vervreemd van de natuur en haar medeschepselen."

In den parabel van den meikever, die niet zooals de ouderen de "ernstige roeping" in zich gevoelt om zooveel mogelijk te eten, maar die rond wil vliegen en snakt naar 't licht, schildert Van Eeden ons de botsing tusschen den idealist onder de menschen, "die zijn teedere ziel zal stooten en gepijnigd zal worden door grofheden" en de materialist die niets beoogt dan stoffelijk voordeel.

Kribbelgauw, de groote held der kruisspinnen, die duizend van zijn eigen kinderen vermoordde, is het type van den geweldigen veroveraar, die later "eeuwig vereerd wordt om zijn grooten moordlust."

Dan nog de dikke aal die koning was in den vijver, "die altijd in den modder lag te slapen, behalve wanneer hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel. Dat was omdat hij koning was,--men wilde graag een dikken koning, dat stond deftig."

[Invloed van Wistik.] Voor Johannes begint een tweede periode van 't leven: in hem ontwaakt de dorst naar kennis, hij wil het waarom der dingen weten. Tal van vragen komen in snelle, spookachtige opeenvolging in Johannes hoofd: "Waarom waren de menschen zoo? Waarom moest hij hen verlaten? hun liefde verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren vallen en de bloemen sterven: Waarom? Waarom?"

Johannes begint te beseffen dat de fantasie ons veel kan geven en veel kan doen begrijpen, maar niet genoeg. Daarom vraagt hij raad aan Wistik, evenals Windekind voorgesteld als een persoon buiten Johannes, maar in werkelijk iets in hem: de dorst naar kennis. Wistik onderzoekt niet zelf, maar haalt z'n kennis uit boeken en éen boek is er, waarnaar hij rusteloos zoekt, "want dat ware boekje moet groot geluk en grooten vrede brengen,--daarin moet nauwkeurig staan, waarom alles is zooals het is, zoodat niemand iets meer kan vragen of verlangen." Dat boekje tracht Johannes nu ook te vinden. Hij krijgt een aanwijzing van Wistik, een soort tooverspreuk:

[Het geluksboek.] "Menschen hebben het gouden kistje, elfen hebben den gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, menschenvriend slechts opent het. Lentenacht is de rechte tijd en roodborstje weet den weg."

Wistik bedoelt:

Dat gelukbrengende boekje is te vinden bij de menschen; wie alles wil begrijpen en doorgronden moet zich niet afzonderen, maar zich begeven onder de menschen en daar werken en zoeken.

"Elfen hebben den gouden sleutel"; behalve 't werken onder de menschen is er fantasie en een hooggestemd dichterlijk gemoed noodig om dat groote geluk te begrijpen. Dat dichterlijke is vertegenwoordigd in Oberon en Windekind.

"Elfenvijand vindt het niet." Al heeft iemand nog zooveel kennis, hij zal de geheimen niet doorgronden als hem de goddelijke gave der verbeelding en der poëzie ontbreekt. Johannes heeft die gave wel en van Oberon heeft hij 't gouden sleuteltje dan ook al gekregen.

"Menschenvriend slechts opent het." Als men 't kistje en 't sleuteltje heeft, kan men 't nog niet openen. Dat kan echter alleen een menschenvriend, iemand die meeleeft met de menschen en meelijdt met de lijdenden.

"Lentenacht is de rechte tijd en roodborstje weet den weg." De lente is de tijd dat de natuur herboren wordt, de tijd der liefde en 't roodborstje met zijn gloeiende borst het symbool der vlammende liefde. (Ook in 't derde deel is een groote vlam boven op den tempel 't zinnebeeld der liefde).

[Robinetta.] Johannes gaat het kistje zoeken. Windekind is weg, omdat Johannes 't vertrouwen in hem verloren heeft en Johannes gaat onder de menschen. Hij komt bij twee goede oude menschen, een tuinman en z'n vrouw. Wel vindt hij daar een boek, den Bijbel, waaruit hij geregeld moet voorlezen, maar dat is 't menschenboek en niet 't geluksboekje, 't welk Johannes zoekt. Windekind komt niet terug, maar eens op een mooien lentedag ziet hij een meisje, Robinetta, die hem in gedaante, in kleeding en in spreken aan Windekind doet denken. Weldra vergeet hij Windekind voor Robinetta, "de naam Windekind klonk flauwer in hem en verwarde met Robinetta." Schijnbaar is Johannes op den goeden weg: 't is Lente en 't roodborstje dat hem den weg moet wijzen is bij Robinetta. Johannes zelf wil echter niet verder zoeken: hij is tevreden, genietend van z'n jonge liefde, maar Wistik laat hem niet met rust en hij vraagt werkelijk 't roodborstje of 't den weg weet naar 't gouden kistje. Het diertje knikt, maar tjilpt, terwijl 't schuins naar Robinetta gluurt: "Hier niet, hier niet!" De liefde voor Robinetta is niet de wàre liefde, door haar kan hij het ware geluk niet deelachtig worden. Later, in 't tweede en derde deel, zegt Van Eeden ons, welke liefde bedoeld is: de liefde tot den Vader en de Menschheid.

Robinetta begrijpt Johannes niet en als hij haar spreekt over dat boekje, denkt ze dat hij den Bijbel bedoelt en dàt boek zal Johannes den volgenden dag zien. Dan volgt de vreeselijke ontnuchtering: Johannes bedoelt niet het "boek der boeken", hij is zelfs zoo dwaas iets te zeggen van 't geen Windekind hem geleerd heeft, wordt voor goddeloos en diep bedorven gescholden en met schande weggejaagd.

[Pluizer.] Johannes is geheel gebroken. Robinetta is weg voor altijd, Windekind zal nooit terugkomen, de bloemen en dieren vertrouwen hem niet meer en tevergeefs zocht hij met Wistik het gouden sleuteltje. In dezen toestand kon Pluizer gemakkelijk den baas over hem spelen en hem, althans voorloopig, in z'n macht houden. Pluizer is weer iets in Johannes zelf, dat als een persoon wordt voorgesteld: 't is de zucht om alles na te snuffelen en uit te pluizen, de materialistische levensbeschouwing, die al 't dichterlijke in den mensch doodt en in niets gelooft dan in de stof. Pluizer is dus 't type van den materialist en hij stelt zich dan ook ten doel alle idealen van Johannes te vernietigen, z'n fantasie te dooden. In de bloedroode wolken "is het mistig, grijs en koud"; Windekind bestaat niet; Robinetta hield Johannes even goed voor den gek als de anderen, ze vond hem een aardig jongetje en heeft met hem gespeeld, zooals ze met een meikever zou spelen; de liefde voor het Groote Licht is een praatje van Windekind, hersenschimmen, droomerijen; een bal is een groote hengelpartij. Pluizer toont Johannes juist het afzichtelijke: hij leidt hem door de krotten der wereldstad, door de ziekenzalen en zelfs voert hij hem in 't kerkhof om Johannes te laten zien wat er eens van de menschen zal worden.

[Dr. Cijfer.] Door Pluizer komt Johannes in aanraking met Dr. Cijfer, het type van den natuuronderzoeker, die alles systematisch nagaat, en ten slotte het gevondene in een formule tracht vast te leggen. Hij is een heel ander en hooger staand man dan Pluizer. Cijfer is geen mensch zonder gevoel, maar hem gaat de wetenschap boven alles. Zulk een mensch moet de kleine gevoeligheden die de gewone menschen kennen, laten varen voor dat éene groote:--de wetenschap. Hier is 't: alles of niets.

Johannes komt in de leer bij dokter Cijfer, maar rust en vrede vindt hij niet. Als Cijfer iets in bizonderheden heeft nagegaan en zijn uitkomst in een formule heeft uitgedrukt, is hij tevreden, maar Johannes niet. "Alles viel uiteen tot cijfers--bladen vol cijfers. Dat vond doctor Cijfer heerlijk, en hij zeide, dat het hem licht werd, als de cijfers kwamen,--doch voor Johannes was dat duisternis."

Zoo is deze periode in Johannes' leven een tijd van doodende duisternis. Er moet iets bizonders gebeuren om hem tot zich zelf te brengen en hem de kracht te geven zich te ontworstelen aan het neerdrukkende materialisme. Die crisis komt werkelijk: Pluizer durft de hand slaan aan 't lijk van Johannes' vader--een vader is immers een gewoon mensch, niets anders! Zelfs de ouderliefde wordt door het materialisme aangetast en daartegen komt Johannes in opstand. Hij strijdt tegen Pluizer en overwint. Maar gelùkkig is hij nog niet.

[Johannes vrij.] Hij ziet De Dood aan 't sterfbed, met z'n zachte ernstige oogen en hij smeekt dezen hem mee te nemen, maar hij weigert. "Zal Pluizer weerkomen?" fluistert Johannes. "Nooit. Wie hem eenmaal aandurft, ziet hem niet weer." Wie eens met het materialisme heeft gebroken, heeft aan z'n heerschappij voorgoed een einde gemaakt.

Windekind zal Johannes hier evenmin terugzien: het onschuldige genot der kinderjaren keert nimmer terug: het leven eischt ernst van den mensch. "Gij moet een goed mensch worden Johannes. Het is een schoon ding een goed mensch te zijn," zegt de Dood.

Zoo komt een nieuwe strijd voor Johannes. Tegen den avond staat hij aan de wonderschoone, lokkende zee, hij ziet Windekind in een bootje op de golven wegdrijven met het gouden kistje in de hand. Naast hem staat de Dood: alleen deze kan Johannes bij Windekind brengen en door den dood alleen kan hij 't boekje vinden.

[Nieuw ideaal.] Maar terwijl Johannes staart naar de wenkende gestalte van Windekind, ziet hij plotseling een gedaante over de golven aanschrijden: de Liefde voor de Menschheid.

Deze Mensch laat Johannes de keuze: òf de Dood, Windekind en het Groote Licht waarnaar hij altijd verlangd heeft, of een leven van dienende liefde gewijd aan de lijdende Menschheid. Dan voelt Johannes een nieuw leven in zich opbloeien: hij wil zich wijden tot priester in dienst der Menschheid. Hij beseft dat hij een egoïst geweest is: hij wenschte kennis en geluk alleen voor zich--aan de lijdende menschen heeft hij niet gedacht. Maar nu is z'n levensdoel hem duidelijk geworden: hij zal leven voor de verdrukten. "Met zijn ernstigen geleider gaat hij den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar de groote duistere stad, waar de menschheid is en haar weedom."

Tweede en Derde Deel.

[Het nieuwe leven.] Voor Johannes begint een nieuwe periode: hij zal aan de hand van zijn Geleider het leven doorgaan, hij zal kennis maken met verschillende menschen en onder hen den vrede zoeken, die hij nog nergens gevonden heeft. Vandaar ook een verschil tusschen het eerste boek en de twee laatste: het eerste 't boek der fantasie, de beide andere, voor een groot deel tenminste, die der werkelijkheid. Van Eeden geeft in deze twee deelen zijn meening over onze maatschappij: hoe die is en hoe ze volgens hem moet zijn. 't Is dus een verbinding van realiteit en fantasie.

Johannes moet nu zijn weg door 't moeilijke leven zoeken. Hij wordt geleid door de Liefde voor de Menschheid, een liefde die altijd in hem was, maar sluimerde. De mensch die over de woelende, vurige wateren heen schrijdt en Johannes toespreekt, zegt: "Ik was het, die u deed weenen om de menschen, terwijl gij uwe tranen niet begrijpen kondt. Ik was het die u deed liefhebben, waar gij uw liefde niet verstand. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet gezien, ik heb uwe ziel bewogen en gij hebt mij niet gekend" (deel I blz. 191).

Maar niet dadelijk wordt dat goede in den mensch bewust: "Vele tranen moeten de oogen verhelderen, die mij zien zullen." Schijnbaar zal die goede geleider ons wel eens verlaten, maar in werkelijkheid niet. De geleider zegt dan ook tot Johannes: "Welnu Johannes, onthoud dan dit, gij hebt mij altijd bij u (II. 7). Vandaar ook dat die Geleider soms geruimen tijd verdwijnt, maar telkens terugkomt en tevens dat Johannes voelt dàt zijn vriend terug zal keeren.

[De Geleider Markus Vis.] De Geleider is weer iets in Johannes zelf: zijn liefde voor de lijdende menschheid en zijn streven om die menschheid op te heffen. En dat weer voorgesteld als een persoon, als de scharenslijper Markus Vis, een figuur die ons telkens aan Christus doet denken en door zijn uiterlijk en door zijn wijze van optreden. Glanzend bleek is zijn gelaat "met de golvende lokken, de oogen vol eindeloos zachten weemoed", die onuitsprekelijke deernis opwekken, en dan de stem met haar zachten, diepen klank. Hij steunt de lijdenden en verdrukten en tuchtigt de Farizeeërs. Van Eeden laat Christus als 't ware nòg eens op aarde komen en schetst ons hoe Hij thans behandeld zou worden.

Als een arm mensch komt de Geleider onder de menschen en dat mòet: hij wil de broeder der menschen zijn opdat zij hem zullen kennen. "Mijn ziel is hoog en mijn hart blij--en omdat ik zoo sterk ben, kan ik buigen tot hen, die laag en droevig zijn, opdat ze mij bereiken en met mij het Licht." Hij is dus een arm mensch, omdat de verdrukten hem dan beter zullen begrijpen en hij ze eerst dàn kan opheffen.

[Twee hoofdpersonen.] Er zijn door deze eigenaardige wijze van voorstellen twee hoofdpersonen: Johannes en Markus, die dikwijls naast elkaar gaan, maar soms is Johannes geruimen tijd alleen. Van Eeden leert ons dus op twee wijzen:

1. door de ondervindingen van Johannes.

2. door de daden en woorden van Markus.

[Het leven van Johannes.] Johannes gaat thans in 't "volle menschenleven": hij "wil een mensch zijn onder de menschen en een goed mensch, die goed doet aan de menschen." Maar zijn taak is zwaar, niet altijd is het hem mogelijk op 't rechte spoor te blijven, soms dwaalt hij. En eigenaardig is, dat in moeilijke oogenblikken Marcus hem niet wil raden: dat geeft toch niets, Johannes moet zèlf handelen en zèlf beoordeelen, of zijn daad goed of slecht is. Hij moet worden een mensch met eigen denkbeelden, vertrouwende op eigen krachten.

Zijn moeilijke taak begint. Hij komt in aanraking met arme menschen, met kermisklanten. Hij moet met Markus werken voor de kost, moet scharen ophalen, wordt doodmoe van die ongewone inspanning en 's nachts mag hij uitrusten in een armelijke slaapstee. Er is niets hoogs in dit alles: zijn Geleider is een gewone scharenslijper, die blij is met hard werken een rijksdaalder per dag te kunnen verdienen. 't Wordt den eersten dag Johannes al haast te zwaar, doch een gesprek met Markus doet hem zijn krachten herkrijgen.

[Marjon.] Bovendien is er éen wezen, waaraan hij denkt met teederheid en terwille van wie hij zal trachten vol te houden: Marjon, het arme meisje uit het paardenspel, met haar trouwe oogen en haar krans van blonde haren. Marjon is een pracht-figuur, een meisje dat later met Johannes meetrekt de wijde wereld in, dat hem liefheeft en alles doet om hem gelukkig te maken. Een opofferende, liefdevolle vrouwenfiguur en vooral aantrekkelijk omdat ze meer een werkelijk mènsch is dan de zoekende, droomende Johannes.

[Tante Séréna.] Johannes houdt het een tijdlang uit bij de kermislui, trekt met Markus en Marjon naar een andere plaats, maar eindelijk wordt het hem te machtig en hij is blij dat tante Séréna hem laat halen in 't mooie huis met de ruime, frissche slaapkamer. Markus geeft hem geen raad: "Doe wat je goed schijnt, jongen: en wees niet bang", is 't eenige wat hij zegt.

[Hekeling van de schijnvroomheid.] Bij tante Séréna komt Johannes in een heel andere omgeving, een omgeving van schijnvroomheid, waar koning Waan heerscht. Tante is heél vroom en héel tevreden. Ze vindt zich zelf een buitengewoon goed mensch, doet veel aan armbezoek, waarbij haar deugden telkens opgehemeld worden; houdt een weldadigheidskrans, waar allemaal vrome, kwebbelende dames komen, die lekker eten, kwaadspreken en ondertusschen allerlei prutserijen maken. Allemaal zijn 't volgens de oude meid Daatje "veranderde menschen."--"Volgens Daatje was de natuurlijke mensch niet goed, en moest ieder veranderen eer hij deugen kon."--Een feest is 't als dominee Kraalboom op 't avondje verschijnt. Kraalboom is iemand die zich erg gewichtig gevoelt, door de dames eerbiediglijk wordt ontvangen, ongeveer iemand als de Génestet zoo kostelijk geteekend heeft in zijn leekedicht: "Verandering". [17] Ook tegenover Johannes doet hij erg gewichtig,--maar maakt zich heel boos als Johannes vraagt, waarom een arme zieke jongen en ook Daatje het zooveel slechter hebben dan tante en hij.

Tante zelf is niet slecht, ze is alleen een slachtoffer van haar omgeving. Vriendelijke oogen heeft ze, ze is heel lief voor Johannes, zorgt goed voor hem en laat zelfs Markus binnen. [18]

Tegenover den godsdienst van Kraalboom stelt Van Eeden zijn opvatting van 't Christendom. Kraalboom spreekt in de kerk over de aanmatiging van jonge lieden die alle menschen gelijk willen maken, die 't koninklijk en goddelijk gezag willen wegredeneeren en de menschen oproerig en ontevreden maken. Dan staat Markus op en stelt daartegenover zijn meening:

't Schrijnende verschil tusschen armoede en rijkdom is een gevolg van menschelijke schuld, de Vader wil dat niet.

Men moet genieten van 't schoone in de schepping: Zou de Vader bosschen en bergen, zeeën en bloemen, goud en juweelen hebben gemaakt en begeerd dat wij dat alles zouden verachten en verwerpen?

De arme kan Gods gerechtigheid en Zijn schoone natuur niet verstaan, omdat hij gedurig moet zwoegen en daardoor verstompt: de rijke ziet het niet omdat hij te veel heeft en in dien overvloed zal verdrinken.

Door deze gebeurtenis wordt Johannes weer op den rechten weg gebracht: hij verlaat tante Séréna en tracht Markus te vinden, maar komt terecht bij Marjon.

[Pan.] Een intermezzo in dit gedeelte is het uitstapje van Wistik en Johannes naar Phrygië. Wistik heeft een Phrygisch mutsje op: hij heeft Phrygië gevonden, heeft kennis gekregen van de Oud-Grieksche maatschappij, van den tijd toen de menschen Pan d.i. de natuur, nog kenden en eerden. Toen waren de menschen schoon en niet leelijk zooals nu: "We hebben altijd het verkeerde merk te pakken gehad," zegt Wistik, "het uitschot, de afval. De rechten zijn zoo kwaad niet." Dan ziet Johannes in zijn verbeelding het heerlijke der Grieksche mannen en vrouwen, met hun dik lokkig haar, hun kleeding die harmonieert met de omgeving, hun statige gracieuse manieren, edele trekken en hun heldere, vurige oogen. Ook hunne woningen zijn in harmonie met de natuur: van donker hout en blanken steen zijn ze opgetrokken, versierd met slanke zuilen waaromheen de wingerd kronkelt.

[Vlucht naar Duitschland.] Johannes en Marjon besluiten samen te vluchten, vooral omdat Johannes bang is voor het "Zwarte Wijf", dat het zinnelijke in hem tracht op te wekken, maar hem slechts afschuw inboezemt.

Ze vluchten op een Rijn-aak naar Duitschland. Johannes dicht liederen, Marjon maakt de melodie en met Keesje, 't aapje, halen ze 't geld op. Marjon, als jongen verkleed, is de leidster, zij heeft energie en weet in moeilijke oogenblikken er zich door te slaan, veel beter dan Johannes.

[Gravin Dolorès en Van Lieverlede.] Na eenigen tijd komen ze toevallig in aanraking met de meisjes Olga en Frida en daardoor met gravin Dolorès en Van Lieverleede, die aan spiritisme doen. Dit gedeelte is--evenals de geschiedenis van tante Séréna en dominee Kraalboom, weer echt satiriek. Van Lieverleede en gravin Dolorès zijn leden van "een kring tot beoefening der hoogere wetenschappen en gemeenschappelijke verbetering van ons karma." Van Lieverleede heeft in Johannes wat bizonders ontdekt. "Wij Johannes," zegt Van Lieverleede, "behooren, om zoo te zeggen, tot de levensveteranen. Wij dragen de litteekens van tallooze incarnaties, de strepen van veeljarige--of laat ik liever zeggen, veeleeuwige dienst." "Gravin Dolorès is onze zielszuster, een essens van opperste gloedroode passie en lelie-blanke veluw-puurheid." Van Lieverleede's woordkeuze is echt spiritistisch-filosofisch! Men leze nog eens zijn uitlegging van "De Kleine Johannes." (deel II blz. 193).

[In de mijnstreken.] Langzamerhand komt Johannes onder de bekoring van den zoogenaamden schoonheids-dienst, maar vóór zijn geheele afdwaling ontmoet hij nog eens Markus. Johannes heeft een visioen: de dood van Pan, de ontwijding der schoone natuur in de mijnstreken. (Vgl. wat in deel III blz. 3 gezegd wordt: "Pan is dood, zijn schoon wonderland gaat te gronde").

Johannes weet niet wat te doen: hij is bedroefd al die schoonheid te zien vergaan, hij kent nog niet het mooie jonge leven dat op de puinhoopen van 't oude zal ontbloeien, het nieuwe dat zijn Geleider hem zal laten zien. Dat rijk is zooveel schooner dan dat van Pan en Windekind, als de zon schooner is dan de maan. Markus voert hem te midden van de Duitsche mijnwerkers die in staking komen, omdat ze verdrukt worden en moeten leven in ellende. Daar in de vergaderzaal, als hij zich bevindt tusschen de ruwe, onschoone mijnwerkers, die vastbesloten zijn tot den moeilijken maar rechtvaardigen strijd en die een makker vergeven als hij ontrouw moèt worden aan de heilige zaak, voelt Johannes het schoone van 't nieuwe leven. Dan jubelt het in hem omdat hij ziet, hoe in een vlaag van zuivere aandoening grootsche bewegingen als van zelf ontstaan.

[Afdwaling.] Nu is Johannes dus op den rechten weg, maar weer dwaalt hij af. Telkens komt hij in aanraking met gravin Dolorès, met de kinderen die hij zoo lief en schoon vindt, met Van Lieverleede die hem voortdurend voorhoudt dat men de Schoonheid moet zoeken, dat het ruwe gemeden moet worden, omdat het neertrekt. Marjon is te ruw en te grof om dat Schoone te begrijpen. Johannes moet kiezen tusschen dat schijn-schoone en Marjon, die geen omgang wil met Lieverleede en die spreekt van "'t kappersluchtje van die kwiebus met z'n kuif." Zij voelt instinctmatig het onware van deze zielsvereeniging. Markus wil Johannes niet raden: hij moet zelf een keuze doen. Na veel strijd scheidt Johannes van Marjon.

[In Engeland.] Een nieuw leven begint voor Johannes: hij komt in Engeland en wordt door gravin Dolorès geïntroduceerd bij lady Crimmetart, een schatrijke dame, die schitterende soireé's geeft. Haar man "is een gladde rakker, lord en aarts-millionair geworden door bloedzuiverende pillen." 't Is dus een echte parvenu-omgeving, een kostelijke parodie op de geldaristocratie die als kunstbeschermer optreedt. Gemakkelijk heeft Johannes het niet: zijn pakje is leelijk, zijn manieren zijn linksch en hij moet bij Lady Crimmetart optreden als professor Johannes van Holland, dichter en zanger, die vooral met zijn "Hollandsche Nationaal Hymmen" veel lof inoogst. Met de andere wondermenschen die op zoo'n avond hun krachten moeten vertoonen--professor van Pennewitz en mijnheer Ranji-Banji-Sing--is 't net als met Johannes, alles humbug en bedrog.

Veel indruk maakt op hem de dood van Hélène, die boet voor de zonden harer ouders, 't slachtoffer van degeneratie en die van angst en zwaarmoedigheid krankzinnig is geworden. De demonen Bangeling en Degeneratie drijven haar tot zelfmoord. (Vgl. blz. 98-101 en 163 van 't derde deel).

Johannes verliest zoo langzamerhand veel van zijn illusiën. Bovendien verneemt hij waaròm gravin Dolorès hem eigenlijk noodig heeft: ze meent dat hij een uitstekend medium is en haar misschien in contact zal kunnen brengen met haar gestorven man om hem te hooren of 't huwelijk wettig is geweest of niet, en of dus haar beide kinderen Olga en Frieda aanspraak kunnen maken op de nalatenschap van den graaf. Voor Johannes is dit een groote ontnuchtering: hij dacht dat de gravin liefde voor hem gevoelde.

[Onder de Spiritisten.] Toch blijft hij nog altijd eenige hoop koesteren en die hoop wordt weer levendiger als hij met de gravin de spiritistische séances van de Plejaden te Scheveningen bijwoont, want door de geesten worden "eenstemmig Johannes en gravin Dolorès aangewezen als diegenen van wier samenwerking de meeste uitkomst te verwachten was." "Johannes moest naast de gravin zitten en haar hand vasthouden, en zoo te zamen de berichten der geesten neerschrijven. Voor Johannes was dit tegelijk een heerlijkheid en een zoete beproeving."

Ook dit gedeelte is weer echt satiriek: geen van de leden der Plejaden wil weten dat hij tot deze ideale gemeenschap behoort. 't Is bovendien een zonderling gezelschap: de zachtzinnige generaal, die buitengewoon nieuwsgierig is naar het leven aan gene zijde des grafs; de staatsraad en zijn vrouw met hun hoofsche, deftige manieren; Bommeldoos, de alwetende, verwaande professor, "die zoodanig met zichzelven ingenomen was, dat hij in een gesprek nooit acht gaf op hetgeen hem geantwoord werd, maar alleen op 't geen hij zelven zeide" en de "niet meer zeer jonge freule, hoog-adellijk, dik, onbevallig en even onwetend als professor Bommeldoos geleerd was."

Weldra blijkt het dat Johannes zich in zijn verhouding tot gravin Dolorès geheel vergist heeft: ze verlooft zich nl. met Van Lieverleede. Johannes is radeloos, eerst wil hij zelfmoord plegen, dan z'n medeminnaar dooden, maar gelukkig komt Marjon, die zich als kamermeisje bij de gravin verhuurd heeft, als een goede geest op zijn pad en leidt hem op den goeden weg. Nu Johannes zich zelf weer geworden is, vindt hij ook Markus terug.

[Tegen het Katholicisme.] Nog éen gevaar bedreigt Johannes--de Octopus heeft vele armen!--hij wordt bijna bekeerd tot het Katholicisme door den handigen pater Canisius, die ook gravin Dolorès en Van Lieverleede overgehaald heeft Katholiek te worden. Pater Canisius treedt veel menschkundiger op dan dominee Kraalboom en Johannes komt onder zijn bekoring, maar dan komt Markus die Canisius bestraft evenals hij het vroeger Kraalboom deed.

[Markus in 't krankzinnigengesticht.] Markus wordt, vooral door toedoen van Canisius, voor gek verklaard en in een krankzinnigengesticht opgesloten. Hij krijgt daar de gelegenheid de eigenwijze mannen der wetenschap, verpersoonlijkt in Bommeldoos, een lesje te geven. Tegenover den waanwijzen Bommeldoos staat de èchte, waardige geleerde, Dr. Cijfer.

['t Rijk van Koning Waan.] Een intermezzo is de droom van Johannes, zijn verblijf in 't rijk van Koning Waan, in 't rijk van den Octopus met z'n talrijke vangarmen, die de menschen grijpt en ten val brengt. De gevreesde koning wordt bijgestaan door tal van demonen (de slechte menschelijke eigenschappen) Bangeling, Labbekak, Goedzak, Pluizer, Sleur, Degeneratie. Al die slechte eigenschappen brengen de menschen in 't rijk van Koning Waan en Johannes ziet er dan ook heel wat menschen die in de macht van den Waan zijn. Hij zag er Dominee Kraalboom in een klein kerkje, ijverig preken met veel gebaren van handen en hoofd, terwijl in een spiegeltje zijn gezicht weerkaatst werd, met een heiligenkransje er om heen; pater Canisius, eveneens in een keurig kerkje, gekleed in schitterend, goud-geborduurd gewaad; een woordkunstenaar, die alles precies beschrijft zooals hij het ziet (een naturalist) en door Waan onder een vuilnisemmer is gezet; professor Bommeldoos die bezig is z'n eigen hersens te onderzoeken; de rijkste man der wereld, die zich inspint in gouden draden; allerlei strijders voor een bepaald idee; strijders op godsdienstig, politiek of economisch gebied o. a. de sociaal-democraat Dr. Felbeck die "trapte en schold en raasde, dat hem het schuim van den mond vloog"; tal van labbekakken en goedzakken die telkens een lepeltje weldadigheid of vroomheid nemen en dan weer kalmpjes inslapen.

[Beschermd door Kennis en Liefde.] Koning Waan wil ook Johannes grijpen maar deze heeft twee dingen die hem beschermen: het spiegeltje van Wistik en de vergeet-mij-nieten van Marjon. Kennis en Liefde beschermen den mensch tegen de vangarmen van Waan.

[Onder de Socialisten.] Markus is verder in 't laatste deel geheel de hoofdpersoon: Johannes raakt meer op den achtergrond en Markus treedt handelend op. Hij bestraft pater Canisius, spreekt op de socialisten-vergadering tegen Dr. Felbeck en den anarchist Hakkema, die volgens Markus 't volk "paaien, vleien en honigsmeren" en er zoodoende "ingebeelde dwazen" van maken. Elk herzie zich zelf. "Het goede der aarde komt je nog niet toe, want je zou er even goed misbruik van maken, als zij, tegen wie men jullie ophitst in den strijd." De klassestrijd die nu gevoerd wordt, is niet de ware, het moet een strijd zijn van rechtvaardigen tegen onrechtvaardigen, van wijzen en liefdevollen tegen dommen en dierlijken. Natuurlijk wordt Markus niet begrepen, zijn toehoorders zijn niet rijp voor die hooge ideeën, hij wordt beleedigd en gehoond door degenen die hij helpen wil.

[Tegen 't koningschap.] Als slot de redevoering van Markus tegen 't koningschap, de hooge eischen waaraan een waar koning moet kunnen voldoen. De koningsnaam komt alleen toe aan den allersterksten, allerwijsten mensch. Wat hier gebeurt is niets dan waan, niets dan blinkende schijn. "Het is een ijdel poppenspel, terwille van een voozen vrede, van een gebrekkige orde. Want er is niemand onder u, die de wijsheid en de kracht heeft dit volk tot rechtvaardigheid te leiden. En toch draagt gij allen de verantwoording van hun verwaarloozing, hun onwetendheid, hun ruwheid, hun ellende." Beklagenswaardig zijn de koning en de koningin. "En gij twee arme menschen, bedolven onder den last uwer schijn-grootheid, arme man! arm, arm vrouwtje!--de bovenmenschelijke kracht om de leugen rondom u te breken zult ge niet hebben--moge de goede Vader, die u zijn gratie schonk, u hullen in vergevend erbarmen."

[Dood van Markus.] Markus wordt na deze redevoering zoo mishandeld dat hij naar 't ziekenhuis gebracht moet worden en na een onnoodige operatie sterft. Zijn dood is als die van Christus. Christus stierf aan 't kruis tusschen de beide moordenaars, Markus op de ziekenzaal naast twee verloopen kerels, die beiden den machtigen invloed van zijn geest ondervinden. Markus' lichaam gaat naar de snijkamer: Johannes en Marjon hebben geen geld en Van Lieverleede en gravin Dolorès weigeren met kouden spot alle hulp. Wel gaven de armen die Markus liefhadden zooveel ze kunnen missen, maar 't is niet genoeg. Eindelijk komt de goede tante Séréna maar dan is 't al te laat, niemand kan meer zeggen welke de deelen van Markus lichaam zijn. Zoo is z'n leven één liefdedaad, zelfs zijn lichaam strekt ten slotte tot heil van de menschheid.

[De Maatschappij der toekomst.] Van Eeden schildert ons ook nog den invloed van Markus in de toekomst; schijnbaar heeft hij weinig verricht, maar 't goede zaad is uitgestrooid en zal eens vruchten voortbrengen. Markus zèlf zegt als Johannes uitroept: "Maar lieve Markus, wat heeft het gebaat en wat zal het baten? Niemand zal ooit inzien wat alles beteekende. Niemand denkt op dit oogenblik meer om je, noch om je woorden."

"Maar Johannes! herinner je je dan niet de geschiedenis van dat kleine zaadje, het nietigste van alle zaden. Het valt op aarde, het wordt vertreden, niemand ziet het, het schijnt geheel verloren en afgestorven in den vuilen grond. Maar op zijn tijd begint het te kiemen en wordt een plant. En de plant draagt nieuwe zaden, die de wind verspreidt. En de nieuwe zaden worden nieuwe planten, en de gansche aardbol wordt te klein voor de macht van wat er voortkwam uit dat nietige zaadje." "Het vonkje is gevallen en gloeit voort in 't verborgen. Het zaadje ligt in de duistere aarde en wacht zijn tijd."

Hoe Van Eeden zich die toekomst voorstelt zegt hij ons ook. Johannes droomt dat hij Windekind terugvindt en deze laat hem zien hoe 't er op aarde na duizend jaren zal uitzien. 't Is heel natuurlijk dat juist Windekind en niet Wistik Johannes begeleidt: de kennis kan ons iets zeggen over het verledene, zooals Wistik het deed toen hij Johannes naar 't oude Griekenland voerde, maar de fantasie alleen kan ons voorgaan in de toekomst.

[De menschen.] De menschen in dat land der toekomst zijn geheel anders dan tegenwoordig: ze lijken veel op de schoone, krachtige Grieken, maar hun gezicht is ernstiger, met oogen vol gedachten. En dan: allen lijken ze op Markus, alsof het éen groot gezin is. Hun kleeding harmonieert met de natuur; de loshangende fijn-grijze, zacht-bruine en stemmig-groene gewaden misstaan niet in de teere tinten van 't landschap. De mannen hebben volle baarden, de vrouwen hebben hunne vlechten om 't hoofd gewonden en allen dragen ze kransen.

[Eén met de natuur.] De natuur is schoon als in den tijd toen men Pan nog eerde. Geen scherven en neergeworpen papieren ontsieren de duinen, overal zijn breed-schaduwende boomen, soms tot uitgestrekte, koel ruischende loovermassa's vereenigd; kleurige bloemen en rijk bloeiende heesters groeien in 't wild en tusschen dat alles zijn de blanke menschenhuizen gezaaid. Ze zijn niet meer als vroeger tot steden opgehoopt, ieder mensch kan van de natuur genieten; fabrieken met hun hooge schoorsteenen en vuilen rook ziet men niet, de menschen hebben 't middel gevonden om hun werktuigen te drijven zonder dat ze de zwarte steenkool behoeven te branden. Verdwenen zijn ook de spoorwegen en de zwart-berookte stations: in plaats van de puffende lokomotief ziet men sierlijk gebouwde luchtschepen, die als groote blanke vogels zweven door 't luchtruim. De menschen hebben geleerd van de natuur. "Het was de schuld der menschen zelf, toen ze zoo misstonden in de natuur. Want ze hadden er geen eerbied voor, en bedierven haar uit domheid. Nu hebben ze er van geleerd hoe zij zelf schoon en natuurlijk moeten zijn, en ze hebben haar te vriend gemaakt. Hun kinderen hebben geleerd, van de vroegste jeugd af, geen bloem of blad noodeloos te schenden en geen dier noodeloos te dooden, en altijd zorgen dat zij waardig zijn tusschen al die mooie en sierlijke dingen te verschijnen. Heilige eerbied voor al het schoone en vooral het levende is nu bij hen het strengste gebod. Zoo is er vrede ontstaan tusschen mensch en natuur, ze leven nu met de natuur in innig verkeer en hinderen elkaar niet."

[Staatsbestuur.] In den politieken toestand is verandering gekomen. Staten bestaan niet meer, de menschen zijn éen groot huisgezin geworden. En ze kunnen dat, want in hen woont de geest van den Broeder. "Wij allen hebben den Vader lief met al ons hart en al ons verstand en terwille van Hem hebben wij elkander lief als onszelven," is hun zinspreuk. Koningen hebben ze, maar Koningen zooals Markus die schilderde in zijn redevoeringen over het koningschap. Johannes ziet de vijf Koningen (dit zijn geen koningen van vijf verschillende staten, maar samen besturen ze het geheel) en Windekind zegt hem: "Dit zijn de edelsten, de wijsten, de sterksten, de schoonsten, de waardigsten onder de menschen. Het zijn zij, die alle menschelijke vermogens in volkomenste harmonie vereenigen. Zij zijn dichters, meesters van het woord, wijzen, die de zeden zuiveren en verheffen, regelaars van den arbeid, wegwijzers in bedrijf, in wetenschap. Niet allen zijn ze even voortreffelijk en niet altijd zijn er zooveel. Men zoekt en verheft de besten. Maar ze voeren geen staat, ze hebben geen hof, geen paleis, geen leger, geen rijk. Hun troon is waar ze zich nederzetten, hun rijk is de gansche wereld, hun macht is de schoonheid van hun woord, hun wijsheid en de liefde van alle menschen."

[De godsdienst.] 't Middelpunt van de nieuwe maatschappij is een prachtig eiland in de Middellandsche zee, waar de vele tempels staan gewijd aan de Grooten onder de menschen, de dichters, wijsgeeren, componisten en ook de machtigste onder deze tempels, waarop de gulden vlam flikkert, het zinnebeeld der brandende liefde. Brandende liefde voor den Vader, maar ook voor de medemenschen. Alle jaren trekken duizenden naar dit paradijs en als de zon haar hoogsten stand bereikt "heffen allen een machtig koraal aan, statig, ernstig, machtig, en eenvoudig--dat als een stem opstijgt in de lichte gewelven, als een danklied en een gelofte tevens, een hernieuwing van den liefdeband tusschen God en menschen voor den nieuwen jaarkring." Allen voelen zich dankbaar en gelukkig, als kinderen in een liefderijk gezin, onder Vaders zegen.

[Het werk van Markus.] En dat alles is het werk van éen, "dat heeft uw goede Broeder gedaan," zegt Windekind tot Johannes. Het zaadje is ontkiemt, heeft wortel geschoten, is een plant geworden die nieuwe zaadjes heeft voortgebracht en de gansche aardbol voelt de macht van dat nietige zaad. Eens zal Markus' geest op aarde zegevieren.

QUERIDO EN ZIJN MENSCHENWEE.

[Auto-didact. Jeugd.] Querido is geheel een auto-didact. In 1873 werd hij in een Amsterdamsche arbeiderswijk geboren, en zijn vader, een diamantbewerker, kon hem slechts een arbeidersopvoeding geven. Israël ging tot zijn 12e jaar op een volksschool en moest toen een ambacht leeren. Hij hield veel van muziek, hoopte violist te mogen worden. Maar zijn moeder, die streng Joodsch was, had godsdienstige bezwaren en Israël moest zijn muzikale droomen vaarwel zeggen. Hij kwam op de Christiaan-Huygensschool en werd gedurende anderhalf jaar opgeleid voor horlogemaker. Toen kreeg hij bij ongeluk een stukje gloeiend staal in zijn oog, waardoor een operatie noodzakelijk werd en hij zoo'n angst voor 't vak kreeg, dat zijn vader hem wel van de school moest nemen en besloot hem in de leer te doen bij een diamantklover. Nu overdag op de fabriek en verder.... studeeren. Alle vrije tijd werd besteed aan studie, alles "zelfonderricht."

[Huwelijk.] Voor zijn twintigste jaar was Querido getrouwd. Een tijd van geluk scheen te zullen komen. Querido vestigde zich als juwelier, maar.... bleef dat slechts kort. [De zwarte tijd.] De zaken gingen niet goed, weldra slecht. En geen wonder: de kunstenaar was geen man van zaken en bovendien--als vele kunstenaars--geen financier. Ten slotte een financieele catastrofe, een bankroet. Nu volgde de zwarte tijd, de tijd van bittere armoe, van werkelijk gebrek lijden, te erger omdat ook een kindje was geboren. Querido heeft zelf dezen jammer-tijd beschreven in zijn "Kunstenaarsleven."

[Kunstenaarsleven.] Kunstenaarsleven is voor een goed deel autobiografisch: Maurice Fleury is Querido. Enkele aanhalingen uit dezen roman kenschetsen 't leven van Maurice en tegelijk dat van Querido na 't bankroet. "'t Was altijd kommer, honger en zorg, zorg, kommer en honger! Maanden op maanden werd er niets geslikt dan droog brood. Soms was er rijst uit water, en wat pannekoek, zouteloos en grauw." "Bij iedere schel vrees voor 'n plebeïsche aanval van 'n straatcrediteurtje, 'n woest stemgekrijsch aan de trap beneden, 'n te pronk zetten als afzetters en zwendelaars." Verder wordt verteld, hoe Maurice door werken aan een krant toch iets verdiende, hoe hij zich schaamde voor de anderen op 't bureau over zijn kleeren, zijn afgetrapte schoenen, zijn boterhammen. "Op 't bureau wist ie niet gauw genoeg zijn droge boterhammen te verslikken, dat ze maar niet zouden zien, hoe 't bij hem iederen dag koekoek-één-zang bleef. Kwam ie 's middags thuis, dan werd 't wéér brood en 's avonds wéér brood, soms met 'n stukje gesmolten vet, omdat vuile boter en gemeen knoeisel, zelfs al kon-ie 't gepoft krijgen, toch niet door zijn keel ging." Ook Querido kreeg een baantje aan 'n krant; verslaggever en berichtjesopscharrelaar voor "De Amsterdammer". Later mocht hij soms een letterkundige kroniek schrijven en werd medewerker aan de "Controleur" en "De Kunstwereld". En daarna.... redacteur van een tappersblaadje "Vergunningsrecht"! De kunstenaar in dienst gesteld van de kroeg.

[Gedichten.] En gedurende al dien tijd: zelfstudie en zelfs--welk een bewonderenswaardige, onverwoestbare energie--productie. Al vroeger had Querido onder 't pseudoniem Theo Reeder "Gedichten" uitgegeven, waarin Kloos zijn beginsel: poëzie is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie, streng was doorgevoerd. Woorden vooral gebruikt om den klank, om de muziek en juist daardoor voor anderen dan de schrijver zelf moeilijk te begrijpen. Na deze gedichten komen de "Meditaties over literatuur en leven", uitvoerige, diepgaande critieken, meest geschreven in den bovengeschetsten tijd van ellende.

[Levensgang.] Eindelijk is 't ergste voorbij; de "Meditaties" trekken de aandacht, men voelt dat hier een kunstenaar aan 't woord is. Men begint over Querido te spreken; het valt hem gemakkelijker stukken geplaatst te krijgen. Ondertusschen begint hij aan een groot werk, een roman uit het leven van de diamantbewerkers, dat hij zoo goed kende. "Levensgang" wordt geschreven. Een hoog doel stond hem voor oogen. Hij wilde "uitbeelden de verdierlijking, de afschuwelijke ontaarding eener menschengroep en tegelijk als tegenmotief, de stijging van een maatschappelijk-gezonkene, dóor de kracht van het revolutionnaire beginsel, mistastend bij 't begin in de keuze van middelen, maar na volgroeid weten de idealiteit doorschouwend, in overtuiging van deze eenmaal te zullen bereiken; ten slotte in wederkeerige ontbloeiïng van liefde tusschen den zoon van proletariërs en de dochter van den juwelier een symbool van verzoening der twee nù vijandige groepen, eene verzoening, eerst dan bereikbaar, zoo de rijke, eigen weelde verlatend, zich te verheffen weet tot 't idealistisch levenssentiment van den arme."

[Tendenzwerk.] Men ziet, in "Levensgang" is een socialistische strekking--Querido werd in 1897 lid van de S. D. A. P.--en toch is 't geen tendenzwerk in de gewone beteekenis. In de inleiding van "Levensgang" spreekt Querido over dergelijk werk. Hij acht: "tendenzen, dat wil zeggen: principen in een ziel, die niet geworden zijn tot levende vormen van voelen, denken en handelen in mensch en groep, in hun beelding rampzalig, in welke kunstuiting ook", hij wil niet geven "aangekleede principen, maar leven, schuchter, weifelend, juichend of weenend leven. ... den zielsgang van een proletariër zelf, zijn groei en bekeering, zijn worsteling uit anarchisme naar socialisme, toestanden en gebeurtenissen, die voorkomen en voorgekomen zijn onder proletariërs en dus geheel tot het levende leven behooren." De strekking komt dus in de tweede plaats. Eerst de uitbeelding van 't werkelijke leven, maar juist daardoor de lezers brengen tot meeleven, tot begrijpen van 't vele verkeerde op maatschappelijk gebied. Querido, de man uit het volk, die zelf "veel geleden heeft" is wel de aangewezen kunstenaar om te laten zien "hoe goddelijk het streven der armen is, hoe hoog zij willen, hoe zij eigenlijk zuivere ideaal-dragers zijn; die menschen, die met alles in zich strijden voor recht en voor geluk en al wat mooi is en grootsch in 't leven."

[Ziekte.] Toen Querido 't eerste deel van "Levensgang" geschreven had, werd hij ziek, zenuwziek. Geen wonder na dien langen tijd van ellende en overspannend werken. Aangrijpend is die periode uit zijn leven ons door den kunstenaar zelf geschilderd in een werk, dat weer voor een groot deel auto-biografisch is: "Zegepraal". Vooral zijn wanhoop, de machtelooze pogingen om te schrijven en dan weer de onverbiddelijke, knellende band, als van metaal, die zijn moe hoofd omknelt. En daarbij weer geldzorgen. De financieele toestand was iets verbeterd, de uitgever gaf een vrij goed honorarium voor den roman, maar door de ziekte veranderde alles, 't geheele honorarium werd opgeteerd, zelfs dat voor 't niet geschreven tweede deel en nog geen uitkomst. Querido wilde weg uit Beverwijk, waar hij toen woonde, naar Amsterdam; misschien zou hij daar beter worden. Hij kreeg hulp van vrienden, zoodat hij een half jaar verpleegd kon worden en hoewel de kamer in de rumoerige "Pijp" niet erg geschikt was voor een zenuwlijder, knapte hij toch langzamerhand op. Het gevaar was geweken, de werkkracht keerde terug. Querido's energie had niet geleden: het tweede deel van "Levensgang" was spoedig geschreven.

[Beroemd als schrijver.] In vele tijdschriften werd de roman besproken, gunstige critieken verschenen, Querido's naam als schrijver was gemaakt. Natuurlijk was 't ook 'n gebeurtenis van materieel belang; zijn uitgever werd scheutiger, zoodat Querido rustig kon beginnen met zijn voorstudies van een "roman van 't land." Gedurende zijn verblijf in Beverwijk had hij geleefd tusschen de tuinders, nu breidde hij zijn waarnemingen uit, trachtte heel hun leven te doorgronden. Zoo ontstond Menschenwee, uitmuntend door breedheid van opzet, door juistheid van psychologische waarneming en vooral door taalvirtuositeit. Vandaar ook hooge lof bij de critici en veel aanzoek om medewerking aan tijdschriften en dagbladen. Redacteur van "Op de Hoogte", medewerker aan "De Gids" en "Groot-Nederland", "letterkundig Croniqueur" van "Land en Volk", later van "Het Handelsblad". De zwarte tijd was voorbij, de tijd van schittering gekomen. In vollen bloei vertoont zich Querido's talent in zijn meesterwerk "De Jordaan".

[Menschenwee.] Menschenwee verplaatst ons naar de Hollandsche geestgronden waar Querido eenige jaren gewoond heeft (Beverwijk). Er wordt ons in verhaald van 't leven der tuinders in 't dorpje Wiereland, speciaal van één familie, de familie Hassel: ouë Gerrit, zijn vrouw, de drie volwassen kinderen in huis: Dirk, Piet en Guurt en dan vooral de oudste, al getrouwd, Kees de Strooper.

[Ouë Gerrit.] Ouë Gerrit is in vele opzichten een notabel ingezetene van Wiereland, hij heeft een eerwaardig uiterlijk (zilveren haren en een grijzen, langen baard), is altijd een vlijtige, oppassende tuinder geweest, heeft door jaren lang ploeteren eindelijk wat grond kunnen koopen. De menschen vertrouwen hem; hij is zelfs diaken geweest.

[Slechte financiën.] Maar ze kennen ouë Gerrit niet. Vooreerst niet zijn financiën. Hij heet wel een eigen stukje grond te hebben, maar.... 't is niet van hem. Hij heeft een hypotheek genomen en de notaris laat 'n boer, dien hij eenmaal vastheeft, niet gauw weer los. Hassel is niet altijd even fortuinlijk geweest, soms was de oogst onvoldoende, dan weer ziekte met hooge doktersrekeningen als nasleep. Zoo kan de hypotheek-rente niet geregeld betaald worden; bovendien heeft hij van den notaris nog geld geleend, waarvan de rente al dertig jaar niet betaald is, dan nog geld voor een paar koeien, achterstallige pacht voor gehuurd land. De notaris heeft hem heelemaal in zijn macht en misschien is er wel opzet in 't spel, want de rente van 't geleende geld is nooit opgevraagd. Een goed middel om Gerrit Hassel, als 't noodig mocht zijn, in bedwang te houden. Dat de oude tuinder het zelf zoo opvat, blijkt uit z'n woede-uitbarsting, als notaris Beemstra hem niet meer helpen wil. Beemstra is vooral gebeten op Hassel, omdat hij meent dat die redding gezocht heeft bij een concurrent, een nieuwen notaris en verwijt dat zijn cliënt.

"Hoho! daa's jokkes!" barst ouë Gerrit uit, plots driftig van z'n stoel opveerend, "ik heb je nieuwe kukkerint heeldergaar nie sien.... hai waa's d'r selfers main komme opzoeke!--Noü, noü dâ je 't weute wil.... ik zeg moâr.... daa's 'n kerel.... die help je nie van de wal in de sloot... die gaif je nie los geld niet sonder dâ.... dâ je ooit vraogt wort.... hoe of wâ van rinte.... moar oa's je je effe buuten menair de noatoaris wâ doen wil.... kraig je de raikening thuis.... juustemint! juustemint aa's tie weut dâ.... je da je.... niks hept!.... Nainet menair.... soo hew.... hew je d'r al veul van onster slag stroatarm maâkt.... jai gaif d'r losse.... duutjes.... mit vaif pèrsint.... Maàr soolang oploope.... tu je weut.... daa't kan he? Hoho! soo hew je d'r veul van onster slag f'rmoord.... moar.... die kukkerint.... daa's 'n fint! die hellept d'r nou.... bai de boonestorm aa's 'n engel! Enne wai.... wai kenne d'r van joù nie los.... wai sitte an jou vast aa's pek! weut jai? jai haalt d'r 't fel of 'r onster oore.... hoho! jai frai d'r de noagels van onster flees.... jullie bint bloedsuigers goàr, daa's màin weut!"

Een half jaar voor deze woorden gezegd werden, had ouë Gerrit nog hoop; hij zat er wel leelijk in, maar in een goed jaar kan een tuinder heel wat ophalen. En 't ging wel, niet alles was even goed geweest, nachtvorsten o. a. hadden hem heel wat scha gedaan, maar de boonen, waarop z'n hoop gevestigd was deden 't goed. En dan plotseling, 31 Augustus, een geweldig onweer, een windhoos, al 't gewas vernield, "vier millioen boonen had ie moèten leveren, voor de fabriek. Nou kon ie er misschien 'n paar honderd duizend halen." 't Is gedaan met Gerrit Hassel, ieder weet, hoe groot zijn schade is, dat hij dezen slag niet te boven zal komen. Notaris Beemstra weet 't ook; nu is 't tijd te zorgen, dat de hypotheekgelden en de schulden opgevraagd worden, Hassels grond en goederen zullen bij een verkooping nog juist genoeg opbrengen. Wachtte men een jaar, dan zou hij nòg meer achteruitgegaan kunnen zijn en de notaris schade lijden.

[Kleptomanie.] Er is iets anders met Hassel, dat niemand van de dorpsbewoners, zelfs zijn huisgenooten niet weten en dat hem nog dieper zal doen vallen dan de boonenstorm: ouë Gerrit is een dief. Geen gewone dief, die steelt uit winstbejag, maar iemand, die steelt om 't stelen, een kleptomaan. De steelzucht domineert bij Hassel. Wat er ook gebeurt, welke ongelukken hem ook treffen, het genot de gestolen dingen soms te kunnen zien, ze te kunnen liefkoozen troost hem telkens. Hij bewaart ze in den kelder in een donkeren hoek, waar nooit iemand komt, en 's nachts, of overdag als hij zich onbespied weet, sluipt hij er heen om met gretige oogen en handen ze te zien en te betasten, als een vrek zijn goudstukken. "Wà kon ie lolle, lolle, soo in 't donkere hok, tusschen zijn gestolen rommel in... Wa genot! om te stikke!... Wâ spulle! Wâ' kon die 'r mee doen.... Nee, toch niks doen d'r mee.... Alleen maar hebbe, wéte, al maar wéte en beseffe, dat 't van sain was.... dat ie 't kaapt had van andere.... andere.... kristis, wâ lol, wâ' salig.... So maar had ie 't gegannift van 'n aêre en nou was 't van sain, van hèm, van hem, van sain. Wat zoet, wat zalig zoet dat toch was, dat nemen! Hoho!.... ho.... ho.... Van g'n waif, van g'n man hield ie zoveul!.... Da gappe..... puf!.... naar je toe.... En zoo verborgen weg duufele in je eige kelder... En dan... aas de menschen je vrage en zegge.... Hai je al hoort?.... da's stole of dit is stole, dan verbaasd meekijke en lache, en dan zoo zeker wete dàt se hem, hèm, mit z'n grijze kop, z'n faine naam net soo min verdenke, aa's den bestolene self:.... en dan lol, brandend lollig van binne, dàa' niemand je sien hep.... niemand, nooit niks!.... En dan àl maar meer lachen om een grappie ertusschen en schudde, met de zilveren haren, en dan, daardoor heen, maar geniete, bij 't spreke der over.... en wrijve door de baard, en zalig, zoet van binnen wete: jonge, kerel, dâ hep jài nou,.... dà' lait nou stikumpies op z'n rug, bai jou...."

Niemand verdenkt hem en juist daardoor krijgt hij soms een prachtige gelegenheid iets weg te kapen. Zoo als tuinman bij de familie Bekkema, op villa Duinzicht. 's Winters stond de villa leeg en de oude, vriendelijke Gerrit had 't toezicht. Een post van vertrouwen. De weduwe Bekkema vertrouwde hem zoo, "dat hij de heele boel voor d'r afsloot, alle kamers en kasten, en alles het voor- en najaar onder zijn toezicht liet schoonmaken." Wat had ie al meegepikt!

Altijd loert de ouë rond, of er ook iets te gappen is. Alles is van z'n gading, vooral alles wat blinkt. "Eergisteren nog had ie 'n paar mooie ronde bollemanden gekaapt, 'n stel uitgeschuurde klompen en 'n nieuwe overschieter.... Zoo in de zon had ie staan blinken, de overschieter!" Dan 't mooie gouden potloodje, dat de notaris bij de houtverkooping liet vallen. En vooral al die blinkende dingen op de kermis. "Zondag van 's avonds acht, tot twaalf had ie d'r rondgekuierd.... Dertien dingen meegepikt." "Twee prachtige nikkelen dompers, 'n heel stel koperen vruchtevorkjes, op rood satijn, er in gegleufd: twee kleurige kandelers, 'n nikkelen wekkertje, 'n mooie doos met spullen d'r in, zonder dat ie wist waar ze toe dienden; maar 't had 'r prachtig staan glimmen, met aldegoar gouden slootjes."

[Ontdekking.] Steeds sterker wordt de zucht tot stelen bij ouë Gerrit, aan gesnapt worden denkt hij niet meer, als hij iets ziet, dat blinkt, moet hij 't hebben. Dat voert ten slotte tot de ontdekking. Hassel weet zich als bij zooveel anderen, ook in te dringen bij den fotograaf Van Gooyen, die natuurlijk niet de minste achterdocht koestert tegen den ouden man, met zijn eerwaardig uiterlijk. Maar Gerrit steelt wat hij krijgen kan: een goudtientje, een platenboek met ansichten, een sigarenkoker, een stok, overschoenen, een zilveren pijpje, een zijden doek! En eindelijk f 86 uit een geldkistje en de lens van 't fotografietoestel! Alles op klaarlichten dag. 't Moest spaakloopen en 't gebeurt ook: Van Gooyen betrapt ouë Gerrit, twee metselaars zijn getuigen, de burgemeester komt den braven ouë halen, onder 't geschreeuw van de jongens op straat wordt hij naar 't hok gebracht.

[Vrouw Hassel.] 't Gaat naar beneden met de familie Hassel. Vrouw Hassel is een ongelukkig, suf menschje geworden, onherstelbaar ziek, lijdend aan hersenverweeking. Vroeger een gezonde vrouw, een zuinige huismoeder, nu een verschoppeling. Niets kan ze meer onthouden. Eerst dacht ze dat 't aan haar zelf lag en dan wou ze onthouden, maar langzaam voelde ze 't ontglippen en was er niets meer in 't hoofd dan een wezenloos gedoezel. Een vreeselijke angst kwelt haar, want soms hoort ze plotseling een krijsch, een snauw, een scheldwoord. De stem van haar zoons, van Guurtje of van haar man. Want de huisgenooten begrijpen de ziekte niet, denken dat 't luiheid of slaperigheid is, als ze iets wat gevraagd is, niet gedaan heeft; ergeren zich aan de suffe, huilerige vrouw.

[De kinderen.] Dirk en Piet zijn sterke kerels, maar ook zij zullen wel ondergaan. "Stille zuipers", zegt Guurt. Vooral Dirk heeft aanleg een woeste drinkebroer te worden. En Guurt, de sluwe dorps-Carmen, de mooie "twintigjarige Guurt, met haar dames-hoofdje, haar prachtig goudhaar, haar lichten lach, haar fijne trekjes en blauwe oogen-vreugd, met 'r hoogzwaar, frisch boerinne-lijf", die een "meneer wou hebbe; 'n meneer met mooie mesjette, in nette kleere, en ringe om se hande.... 'n faine hoed.... 'n faine jas", die mevrouw wou worden en meiden in dienst wilde hebben, wordt op straat door de jongens nagejouwd: "Je foàder hep stole! jou foàder is d'r 'n laileke dief." "D'r sekretarie-heertje keek 'r niet meer aan,--stel je voor, de dochter van 'n dief!--en maakte heele omwegen als ie haar al van verre zag aankomen."

[Kees de Strooper.] Een prachtfiguur is Hassels oudste zoon, Kees de Strooper. Ver steekt hij uit boven de Hassels en de andere Wierelanders, een reus, uiterlijk en innerlijk. Een echt natuur-mensch met ontembare vrijheidszucht. Een onbewuste opstand-natuur. En toch welk een teerheid in dien reus voor z'n ziek jongetje, Wimpie. "Wimpie, tot ruim zes jaar, als 'n mol zoo dik geweest, in 'n korten tijd door z'n hevige heupziekte ram-mager uitgeteerd. Wat hadden ze 'n schik in 'm gehad vroeger..... Net 'n bonk spek, zoo lollig vet als ie was. Toen flap! in eens 'n heupziekte, die 'm uitmergelde, zijn voeten en armpjes tot stokjes, zijn heele rechter dijtje wegschrompelde, vergroeien liet. Als 'n vingertop er maar tegen raakte, gilde ie. Zoo al drie jaar lag ie in z'n donkeren vunzen krothoek te groeien, maar te vergaan, meteen werd 't manke bedje te klein voor zijn lijf, duizelde om 'm kinderlawaai en gekrijsch."

Altijd gekrijsch in huis, want Kees heeft een treurig huwelijksleven. Een vrouw, die hij haat, negen kinderen en dan in huis een half idiote altijd rochelende schoonvader en een "helhaak" van een schoonmoeder. Daarbij nog verschil in godsdienst tusschen man en vrouw, altijd ruzie, altijd gekijf en gevloek in huis. En eindelijk: vaak geen werk, vooral 's winters niet en dan hongerlijden. En echt leven-van-ellende. Niets moois is er in z'n leven dan de liefde voor Wimpie. Als Wimpie sterft, is voor Kees alles uit. Kees de Strooper wordt een dronkenlap, "iederen dag zwaaiend door de straatjes, gesteenigd door straattuig, beschald en verschooierd; Kees, die ze vroeger nooit dronken hadden gezien."

DE VLASCHAARD.

[De landstreek.] In "de Vlaschaard" heeft Stijn Streuvels ons uitgebeeld het leven van de Zuid-Vlaamsche boeren tusschen wie hij woont. Zijn landhuis "'t Lijsternest" staat te Ingoyghem bij Kortrijk; voor dien tijd woonde hij als de pasteibakker Frank Lateur te Avelghem, een uur van zijn tegenwoordige woonplaats gelegen. Zijn heele leven heeft hij in die streken doorgebracht en hij kent de bevolking dus door en door. De omstreken van Ingoyghem behooren tot 't schoonste deel van Vlaanderen: 't is een heuvelachtig land, de grond is uiterst vruchtbaar, de boeren zijn er welgesteld en wonen op groote hoeven.

In "de Vlaschaard" is duidelijk te bemerken dat deze streken beschreven worden, zoo b.v. in 't begin van 't prachtige hoofdstuk "Bloei". "Ze (de hoeven) staan verzaaid over heel de streek, verre van elkaar en op hun eigen afgezonderd door veel opene lucht en vlakke velden. Naamlooze, onbekende dingen zijn het, stomp van vorm, langs heel den overkant der Schelde tot op 't hooge van den heuvelrand waar de wereld eindigt." En verder: "Een breede wal omsingelt de bouwing en de groote stevige poort, achter de steenen, als eenige toegang, beveiligt het heele gedoe. De huizen en kaveeten van kostwoners en lijfeigenen staan er rond geschaard en daar woekert en wemelt het van jongens die leven van den afval der groote doening omdat vader en moeder er helpen werken. Ieder van die boeren is een koning, wiens wil op zijn doening de eenig geldende is."

[Invloed der Natuur op de menschen.] Streuvels' werk is niet enkel natuurbeschrijving, en evenmin een roman in die beteekenis dat er een bepaald "geval" in verteld wordt, maar het leven van zijn boeren is innig samengeweven met de omgeving. De hoofdpersoon in zijn werk is de Natuur, die alles voortbrengt en waarvan alles afhangt. 't Gevolg hiervan is dat de personen in zijn werken een vrij lijdelijke rol spelen en dat de zaken dikwijls een heel andere wending nemen dan men zich dat in 't begin dacht. Niet het karakter en de daden van de menschen beheerschen de gebeurtenissen, maar een hoogere macht, die soms plotseling ingrijpt en alle berekeningen doet falen. Dat vooral is 't grootsche, 't epische in Streuvels werk en dat maakt het tevens zoo waàr, zoo ongezocht. Streuvels geeft het léven weer, geen bedacht gevalletje.

[De boer afhankelijk van de Natuur.] Wie is meer afhankelijk van de Natuur dan de boer? Laat hij zich inspannen tot het uiterste, laat hij alles zoo nauwkeurig berekenen en overleggen als mogelijk is; één enkele hagelslag vernielt in een paar minuten 't werk van maanden. Iedere boer doet dus alles zoo goed hij kan, maar voor 't overige leert hij wel berusting door de harde praktijk. Hij moet langzamerhand wel een fatalist worden die zich aan alle slagen van 't noodlot onderwerpt en met taaie wilskracht na elken slag zich weer op tracht te werken. Dat fatalistische blijkt duidelijk uit "de Vlaschaard". Zoo bv. dadelijk in 't begin waar van den ouden Vermeulen die al dagen lang uitkijkt naar de lentedagen, gezegd wordt: "altijd moet hij vechten en volhouden en op 't einde blijven staan in gedweeë afwachting en de domme machten laten meesteren over zijn werk, over zijn have en goed." Als het vlas gezaaid is, is voor den boer 't groote werk gedaan, hij kan niets anders doen dan afwachten. "De groote elementen mogen nu vast hun werk doen daarbinst de boevers (knechten) en werklieden elders bezig zijn en de boer leeft van nu voort in volle rust want zijn vlaschaard heeft hij nu toevertrouwd aan de zorg van den grooten Baas die daar hooge, den eeuwigen gang der dingen beheerscht en beheert." Ook als het wieden gedaan is en de boer zich heeft afgesloofd om zijn vlasplantjes groeiruimte te geven komt er weer een tijd van afwachten, van berusten. Vandaar in "Bloei" een zin als deze: "'t Overige moesten ze afwachten: heel hun bedrijf, al hun werken en onkosten 't stond buiten aan 't genadig of 't ongenadig wisselspel van 't lot overgelaten. Met hunne handen konden ze er niets aan helpen...."

In 't geheele werk voelen we die geweldige oppermacht van de Natuur: al die koppige boeren met hun onbuigzamen wil kunnen feitelijk zoo weinig aan 't al of niet gelukken van hun oogst doen; over hun arbeiders gebieden ze onbeperkt en zelf staan ze vaak machteloos. Met hoeveel zorg had boer Vermeulen zijn hoogkouter bewerkt en toch schijnt het dagenlang of er niets van 't vlas terecht zal komen; later als de slijting komt, wil hij 't niet verkoopen, zijn vlas moet het meeste opbrengen; éen hagelbui dwingt hem 't gewas tegen een veel geringeren prijs van de hand te doen dan hij een paar uren vroeger kon bedingen.

Men zou, oppervlakkig gedacht, zeggen dat een dergelijke fatalistische levensbeschouwing de boeren allen tot hopelooze pessimisten zou maken, maar dat is volstrekt niet het geval. En dat doet ook weer de Natuur. Wel wordt de landman immers soms geweldig door de harde slagen van 't Lot geteisterd, maar de Natuur blijft voor hem toch de schenkster van al 't goede, éen heerlijke zonnedag verdrijft met zijn levenwekkende stralen al de zwaarmoedige gedachten van den boer: hij ademt met volle teugen de zuivere lucht in, hij ziet zijn vruchten groeien. Alles in de Natuur is op zoo'n dag vol vreugde en geluk, alles straalt en lacht om hem heen: hoe zou de natuurmensch dan kunnen treuren?

[Pessimisme.] Streuvels beweert dat het pessimisme een ontaarding is, bij den mensch die buiten de natuur leeft. "Pessimisme wordt geboren uit nadenken, uit ontleden, is eene ontaarding bij den mensch en woekert ook het weligst ver van alle natuurlijkheid, ver van de bron van 't leven (de natuur)--in de wantoestanden die de opeenhooping (de stad) te weeg brengt:--Stel mijn buitenmensch met zijn breeden zwaai bij 't werk, zijn vrijheid om te roepen en te kijken over de velden, stel hem tegenover een bureelschrijver die niets kent dan den drang der werkuren en de verveling der fabrieksatmosfeer, met niets als blijheid, dan 't geen hij met 't overschot van zijn geld, koopen kan--daar ontstaat de jacht en het uitrekenen om te winnen, in plaats van het schoone, ronde zich-laten-gaan en te leven zonder meer, gelijk de landman die werkt, niet uit plicht maar uit levensnoodwendigheid, het voelt en ge zult het verschil inzien en zeggen wat er 't beste en 't menschelijkste is der twee machten.

1o. de natuur, de wreede maar levensstuwende macht en bron van vreugde;

2o. de blinde, de hopelooze of duizendkoppige vernieler die kracht en leven opslorpt om iets voort te brengen waarvan de werker noch nut, noch vreugde beleeft." [19]

['t Levenwekkende der Natuur.] Dit levenwekkende van de Natuur, het werken van den boer als levensnoodwendigheid en 't genot van zijn werk doet Streuvels in "De Vlaschaard" telkens uitkomen. Zoo b.v. de invloed van een heerlijken lentedag op den jongen boer Louis Vermeulen, die door zijn vader als een kwajongen wordt behandeld en wel reden heeft tot morren. "Met volle longen snoof hij de lauwe lucht en voelt den jongen wind langs zijn hoofd spelen. De lente deed hem deugd en werkende, gevoelde hij een nieuwe kracht ontwaken in zijn jong gemoed: daar welde 't geluk en de levenslust en de onbedachte overmoed naar boven gelijk het leven in 't nieuwe jaargetijde rondom hem." Zoo ook het eerste buitenwerk voor de knechten, 't is geen tredmolen, maar juist als in de Natuur, 't begin van een nieuw leven.

"Heerlijk om begaan voldoen de landwerkers den inzet van het jonge jaar. Niemand dacht er aan dat 't herbeginnen en herdoens was van 't geen ze zooveel jaren reeds begingen--een werk dat in gedurigen draai weerkeert. Ze hadden er zoo lang naar gehaakt als naar een nieuw leven waarvan ze weerom volop genieten zouden."

Vooral ook de zaaitijd, als de "zaaiman zijn gangen gaat, vastberaden en bewust van zijn jonge dadenkracht, bezig met de daad die hij doen was en met niets anders." "Hij voelt zich op het hoogland de belangrijke uitvoerder van een groote daad:--de levenwekker op het doode land."

Wat verlangen de vrouwen en meisjes naar den tijd dat het onkruid tusschen 't vlas begint op te schieten en zij eindelijk ook eens dagenlang buiten mogen zijn op den vlaschaard.

Evenals 't vee hebben ze den langen donkeren winter opgesloten gezeten in 't muffe huis, nu hebben ze "'t beurelen en heien gehoord van 't losgelaten vee en de zotte sprongen van veulens en veerzen willen zij achter (na) doen op hare beurt." Ten slotte als toppunt van alle vreugde de "slijting", het groote landfeest.

In de heele Vlaschaard is dan ook geen sprake van eenig pessimisme, 't is het vrije leven in de Natuur: wel komt soms een donkere tijd, het gedeeltelijk mislukken van den oogst en als gevolg daarvan een sombere stemming op de hoeve, maar dan schenkt de goedige Natuur weer mooie dagen, de schade blijkt telkens minder groot te worden en de levensvreugde keert terug.

[Tweeërlei natuur in den boer.] We zagen boven hoe de boer zich gewoonlijk met een soort berusting overgeeft aan de Natuur: hij tracht zijn best te doen, bewerkt het land zoo goed hij kan, zaait z'n vruchten, maar ten slotte blijft er niets over dan afwachten. Mislukt de oogst dan is 't niet zijn schuld: hij heeft gedaan wat hij kon en in 't algemeen neemt hij dergelijke ongelukken vrij kalm op. Maar daartegenover staat iets anders. Soms als zijn vruchten niet zóo zijn als hij het wilde, beschuldigt hij zich zelf: 't is niet door omstandigheden buiten zijn wil dat zijn vlas of tarwe half mislukt, maar 't is zijn eigen schuld. Hij heeft b.v. niet den meest geschikten grond voor een bepaalde vrucht uitgekozen, hij heeft 't land niet goed bemest, niet op tijd bewerkt, zijn wiedsters er te laat ingestuurd, de vrucht te rijp laten worden. En dan is er bij hem geen berusting, dan is hij een tiran voor zijn werklui en "zou wel bekwaam zijn, tegen een muur, zijn hoofd in te loopen."

Er is dus tweeërlei natuur in den boer: de geest van berusting tegenover het Fatum, en de opstuivende woede als door eigen schuld de oogst mislukt. Deze dubbele gezindheid heeft Streuvels trachten uit te beelden in De Vlaschaard. [20]

[Boer Vermeulen en de Natuur.] De oude Vermeulen is zoo'n boer. Gelaten, vol berusting is hij, als de hagelslag zijn vlas neervelt, geen klacht komt over zijn lippen.

"Vermeulen stond stil met 't voorhoofd tegen 't vensterraam geleund naar buiten te zien. Zijn tanig wezen was donker, zijn wenkbrauwen waren neergeduwd. Tusschen de stoppelharen was de scheiding van zijn lippen een enkele lijn die naar de uiteinden van zijnen mond neerboog en die verliep in twee rechtopgaande rimpelreven die langs zijn wangen van uit de ooghoeken naar zijn kin, diep door zijn donker vel gesneden waren. Toen Louis binnenkwam, had de boer geen lid verroerd om te vragen hoe 't op den vlaschaard vergaan was." Als hij later op 't veld komt om de verwoesting te overzien, blijft hij die kalmte bewaren. "Hij zuchtte niet en maakte geen misbaar alhoewel hij met zichzelf alleene stond--zijn wezen veranderde geen spier; maar de spijt en de gramschap grolden in hem, het gevoel van onmacht tegenover de ramp vernederde zijn gemoed en hij wilde zijne onmacht bij zichzelf niet bekennen. Al evenwel was hij diep geschokt--al waar hij keek was 't hetzelfde, 't scheen hem een straffe; alsof door die rommeling, de lange reeks schoone dagen--heel het schoone zomergebouw ineen was gestort, in éen slag was alles verpletterd 't geen zoo'n langen tijd van doen had op te groeien. Als bezadigde man betreurde hij die onberekenbare schade, al dat verloren werk en verwenschte dat domme toeval waar niemand de noodzaak van kende en niemand geen voordeel bij halen kon."

Hiertegenover staat zijn woede als hij ziet dat het vlas niet wil groeien en voelt dat hij zelf feitelijk de schuldige is. Uit stijfkoppigheid heeft hij vlas gezaaid op 't hoogkouter. Louis vond het lage land beter geschikt en juist daàrom kiest de oude boer 't hoogere land. 't Vlas wil niet opkomen, weken lang blijven er kale plekken op de akkers. Dàn is er geen berusting bij boer Vermeulen. "De lente was bedorven voor hem. In zijn hoofd droeg hij de angst en de onzekerheid om de mislukte vrucht, de vrucht die hem 't meest behaagde. De grimmigheid woelde in zijn zinnen en zijn herte klopte van spijt en hij liep als een vergauweloosde mensch over zijn kouters. Hij was gewend den kop recht te houden en al wie hij ontmoette zijn werk te toonen--maar nu niet; hij verging van schaamte want iedereen wist nu dat hij de verantwoordelijkheid droeg."

Duidelijk blijkt die "dubbele gezindheid" bij den hagelslag: het ongeluk zelf wordt zooals we boven zagen met gelatenheid gedragen, maar als Vermeulen van zijn vlasveld naar huis gaat komt hij langs 't lage land waar Louis het vlas had willen zaaien en waar nu prachtige haver staat. En zie: "de haver stond om zeggens ongedeerd omdat het geschoond was voor den wind door zijn voordeelige ligging. En de boer die bij 't overzien van heel zijn ongeluk geen grol had uitgestooten, loste nu een vloek omdat de ongeschondenheid van die haver hem zijn ongelijk deed inzien en zijn onverstandig beleg."

[Nijver der boeren.] In nauw verband met deze eigenschap van Streuvel's boeren staat een andere: hun jaloerschheid en onderlinge naijver. "In hun gemoed wroet de angst en de knaging en de onrust omdat zij meer willen hebben dan een evenmensch en voeden ze den nijd om eere te doen aan hun eigene en boven te zijn bij een ander." "Iedereen wil de groote baas zijn, de welweter in 't boeren, de kenner van land en vruchten, de kunstenaar om met de minste kosten de meeste opbrengst te doen."

[Verkoop van 't vlas.] Die jaloerschheid blijkt vooral als de bloei in 't vlas komt en de "vlaskutsers", de kooplui 't land beginnen af te loopen. Dan komt het uit wie 't beste vlas heeft, want de kooplui laten zich niet beetnemen. 't Beste vlas gaat naar de Leie om te roten ("Leiroote"), de mindere kwaliteit moet geroot worden in de slooten rondom 't land ("Blauw- of Veldroote"). Heeft de boer niets dan Leie-vlas, dan zwelt zijn hart van trots, hij drinkt een stevig glas, zwetst tegen de anderen over zijn prachtigen vlaschaard en spreekt smalende van de "hottekrotters" die hun hoopje pruts ergens in een put dompelen en de peste verwekken in 't land. Allen pochen op de ongeloofelijke prijzen waarvoor 't vlas verkocht is, maar een ander op den man af vragen hoeveel hij er voor krijgt, dat doet de boer niet omdat hij toch op geen betrouwbaar antwoord rekenen mag. "Elk is te preutsch met zijn eigen opbrengst en wil ze overdrijven in de weerde er van."

[Karakter van Vermeulen.] Vermeulen, de hoofdpersoon uit Streuvels' Vlaschaard, is het type van een echten Vlaamschen boer, zooals die in 't voorafgaande geschetst is. Vol berusting als harde noodlotsslagen hem treffen, vol grimmige woede als de vrucht mislukt door eigen schuld en jaloersch als misschien geen ander. Te meer jaloersch omdat hij den naam heeft de beste boer in den omtrek te zijn en dien eerenaam moet ophouden. "Hij heerschte als een koning op zijn hof en over heel de streek stond hij bekend als de grondvaste boer, machtiger dan gelijk wie, in heel den wijden omtrek. Hij was het die stuur en barsch den raad gaf en 't woord voerde bij de andere boeren; hij die de oude gebruiken van 't leven in stand hield, die boerde volgens oude geplogenheden, naar wie de anderen wachtten om hunne dricht (eerste voorjaarswerk op 't land), hun oogst en andere werkzaamheden te beginnen en te regelen. Vermeulen doet het--Vermeulen doet het niet--gold in die streek als een ordewoord dat overal weerklank vond en indruk miek. Vanwaar of hoe dat gezag hem toegekend werd of waarom en met wat recht hij het uitoefenen mocht, dat vroeg hij niet. Hij kende zich als de sterkste, de verstandigste en wist al de anderen onder zijn sterken wil. Het was zoo en nu moest het alzoo blijven."

[Zijn vrouw.] Hij is koning op zijn hoeve, zijn wil is wet, niemand heeft iets in te brengen. Een tiran, die jaloersch is op zijn macht. Vriendelijkheid bestaat voor hem niet, altijd is hij barsch en stuursch, wie hem tegenspreekt wordt afgesnauwd. Eens zegt zijn vrouw, Barbele, hem de waarheid: "Ge maakt u hatelijk in plaats van bemind. Gij vervreemdt de jongens van u door uw barsche doening. Mij hebt ge nooit een schoon woord gegeven--hebt altijd de beeste gespeeld met mij, alsof ik uw maarte (dienstmeid) ware; vanaf dat we getrouwd zijn, heb ik nooit mijn naam hooren noemen." Toch weet Barbele veel van hem gedaan te krijgen, vooral ook omdat Vermeulen met vrouwenzaken zich niet bemoeit. Zoo zijn de beide dochters door Barbele's invloed op een kostschool gekomen, vooral omdat ze op Vermeulens eergevoel heeft weten te werken: moesten hun dochters een mindere opvoeding hebben dan die van andere boeren? Maar had de boer geweten hoe ze zouden veranderen, hij had 't stellig niet gedaan!

[Zijn dochters.] 't Zijn nufjes geworden. "Vermeulen herkende zijn eigen dochters niet meer; hij was verlegen om zijn mond open te doen in haar bijzijn." "Dat zijn mijn dochters niet," bromt hij, als de vacantie om is, "ze zijn beschaamd dat ze van den boer zijn." Maar hij zal die kuren er wel uitkrijgen als ze voor goed terug zijn: "Wie op 't hof woont, moet werken, uwe dochters gaan mee met 't volk naar 't veld en in den stal zullen ze zijn en bij 't werk en overal," voegt hij Barbele toe. Hij is de baas en hij zal ten slotte "de zaak wel effen maken met een stomp van zijn zware kloefen" (klompen). Wie zijn wil niet doet, schopt hij van 't erf, al is 't dan ook zijn eigen kind.

[Verhouding tot Louis.] Een ding is er echter dat hem alle dagen barscher en koppiger maakt: de verhouding tot zijn zoon Louis. Ook deze onaangename toestand vloeit voort uit zijn heerschzucht en zijn jaloerschheid. Baas Vermeulen is de baas en wil de baas blijven. Nooit heeft hij er aan gedacht dat er verandering zou kunnen komen. En die komt tòch, hij merkt het zelf. Louis is volwassen geworden: "een struische jonge boer, een kerel met beenen in de leerzen, met blozenden kop en wakkere oogen." Plotseling voelt de oude boer het als een steek in zijn hart: die jongen is een mededinger. "Dat was het nieuwe geweld, de nieuwe stem, de opkomende macht die onverstoord lucht geeft aan zijne overloopende levenskracht en vrij zijn eigen wegen gaat op de groote hoeve nevens den ouden boer."

[Louis een mededinger.] Dan Vermeulens besluit: hij zal zijn heerschappij verdedigen tot het uiterste. En toch is er een groote onrust in zijn hart: die jonge, forsche kerel wordt telkens sterker, meer zelf-bewust, hij is een levende waarschuwing dat vaders beste tijd voorbij is, dat de ouderdom komt. Die jonge scheute ontrooft den ouden stam het levenssap. Vooral ziet Vermeulen klaar de toekomst voor oogen, als Louis het vlas zaait en de oude boer den jongen zaaiman met kloeke schreden over den akker ziet gaan. Dat is zijn dubbelganger: "in den jongen zaaiman verkende hij niemand anders dan zijn eigen zelf." Dan ziet hij "dat de zoon niets anders is dan 't voortzetsel en 't hernemen van 't vergane leven van den vader.... de spruite van den ouden boom." Hij ziet de noodzakelijkheid, weet dat hij zich aan die natuurwet zal moeten onderwerpen, maar van toegeven is bij den "ouden, pezigen kamper" geen sprake! Wat! hij zal daar eens neerzitten "als een oude grolpot, die 't leven boven zijn hoofd zal laten draaien zonder er nog aan mee te doen--die als een vreemde in eigen huis zal kijken op 't geen gebeurt en te suffen zit en te wachten naar den dood." De oude, weerbarstige boer voelt nog kracht genoeg in zich om te strijden tegen zijn jongen mededinger en 't zal een strijd worden op leven en dood, want ook de jongen kamper is uit hetzelfde taaie geslacht.

[Louis wordt behandeld als een onmondige.] Voorloopig doet de oude Vermeulen of er niets veranderd is: hij is de boer en daarmee uit. Louis is een onmondige, en zoo hij dezen anders misschien nog eens in zijn vertrouwen genomen zou hebben, nu is daarvan natuurlijk geen sprake. Met opzet behandelt hij zijn zoon als iemand die van boeren nog niet het minste verstand heeft en als Louis iets voorslaat besluit Vermeulen het tegengestelde er van te doen: dan kan die jongen zien dat het dwaasheid is, wat hij zegt.

Als Louis vraagt: "Vader, waar zaaien we 't vlas dees jaar?" maakt Vermeulen een "afwerend gebaar met den schouder en antwoordt op die vraag als aan een kleinen jongen: het lijnzaad ligt wèl waar het ligt en laat het liggen. Wat spreekt gij van zaaien?" Als ook de boerin zich in 't gesprek mengt en er nog over de zaak wordt doorgepraat, houdt Vermeulen z'n mond en doet of dat alles hem niet aangaat. Laat ze maar praten: hij zal ten slotte zeggen, wat er moet gebeuren en daarmee uit. Maar toch luistert hij. Louis, de boerin en 't werkvolk spreken er over, wàar 't vlas dit jaar gezaaid moet worden; er zijn twee stukken land die daarvoor in aanmerking komen, een stuk in de laagte van 't dal en een ander op de hoogte van de glooiïng: het laagkouter en 't hoogkouter. Men is 't er niet over eens, doch daar hoort de oude boer dat Louis er voor is 't laagkouter dit jaar als vlaschaard te gebruiken en dàn reeds stond het vast in Vermeulens kop: "dat het vlas op den hoogkouter zou gezaaid worden." Alleen dus weer om 't anders te doen dan zijn zoon wil. Hij zet zijn plan door, tevergeefsch zijn alle redeneeringen van de boerin en van Louis. "'t Voordeel van de ligging, 't voordeel van den grond werd uitgelegd en bewezen: ze overvoerden hem met woorden en redens maar de boer achtte 't nu onnoodig daar nog een woord aan te verkletsen."

[Spanning tusschen Louis en z'n vader.] Zoo moet er langzamerhand spanning ontstaan tusschen Vermeulen en zijn zoon; Louis is niet iemand die op den duur zich maar bij alles neer zal leggen. 't Eerste gevolg is dat hij langzamerhand de achting voor z'n vader verliest. Hoe had hij vroeger opgezien tegen zijn vader, den alwetenden boer. "Als jongen was Louis opgevoed met een opperste bewondering voor zijn vader. In zijn meening was zijn vader de eenige boer van de heele wereld met een absolute kennis van alles. Als vader het gezegd had, was het waarheid en 't geen vader gedaan had was goed. Een woord uit vaders mond was altijd de laatste doorslaande uitspraak gelijk over welke zaak er getwist werd. Veel keeren, toen Vermeulen met boeren over kweek van beesten of vruchten doende was, had Louis zijn vader in 't wezen gekeken en de vastberaden uitspraak bewonderd en gezien hoe de tegensprekers altijd moesten toegeven en onderdoen voor die opperste alwetendheid van zijn vader.

[Louis verliest de achting voor z'n vader.] Maar Louis is iemand met een helder verstand, hij krijgt gaandeweg meer ervaring, hij begint zelf te oordeelen en vooral: hij gaat in boeken snuffelen, gaat het landbouwbedrijf meer wetenschappelijk na en krijgt zoo een ruimer inzicht dan zijn vader, die alleen practisch gevormd is. En dan bemerkt hij tot zijn teleurstelling "dat er een hoogere wetenschap was van 't bedrijf, waar vader niet aan kon met zijn ongeschaafd en ouderwetsch begrip." Bovenal doet hij een nieuwe ontnuchterende ontdekking nl. "dat koppigheid en welweterij veelal voortkomt uit verwaandheid in plaats van grondige ondervonden en eigen opgedane wetenschap."

Door dit alles krijgt de jonge boer langzamerhand een heel anderen kijk op zijn vader en nu deze hem bovendien nog opzettelijk met minachting behandelt, verdwijnt weldra alle achting en begint plaats te maken voor weerzin. Wel komt dat niet dagelijks uit omdat hij, de weelderige twintigjarige boerenjongen, nog niet over zaken zit te piekeren en 't voorloopig "aan zijn botten veegt", maar als z'n vader hem weer eens op zoo'n onhebbelijke wijze behandelt, voelt hij toch wrevel in zich en dan ziet hij dien man "als een vreemden boer, niet als zijn vader." En bij iedere nieuwe terging voelde Louis een geweld, een strooming die naar buiten wilde--"hij onderdrukte en toomde zijn gemoed maar de wrok vunsde voort, groeide tot een aanhoudenden afkeer tegen de grove zware gestalte van zijn vader."

De vlaschaard voedt de jaloerschheid meer en meer. De boer ziet zijn zoon zaaien, hij-zelf kan dat niet meer, hij wordt oud. En dan vooral te moeten toegeven dat Louis beter gezien heeft dan hij. 't Vlas wil niet, er blijven kale plekken op 't veld; andere jaren lokte Vermeulen ieder mee naar zijn prachtigen vlaschaard, nu schaamt hij zich en gaat slechts heimelijk naar de vrucht zien. En dan is er nog iets wat hem kwelt. "Moest hij 't aannemen als een teeken dat hij oud werd en te suffen begon? Had hij geen begrip meer van land en vruchten?"

Louis van zijn kant is ook ontevreden: hij ziet dat de vrucht mislukt door de koppigheid van zijn vader. Hoeveel beter zou 't geweest zijn als zijn plan was uitgevoerd!

[Besluit om Louis weg te zenden.] Steeds duidelijker wordt het dat de jonge boer gelijk had: 't vlas wordt niet meer dan middelmatig, de haver daarentegen, die op 't laag-kouter gezaaid is, staat prachtig en als ten slotte de vernielende hagelbui komt, wordt het vlas stukgeslagen, maar de haver, die meer beschut is, blijft door de gunstige ligging van 't veld gespaard. Vermeulen moet 't zich zelf wel bekennen dat Louis een degelijke, verstandige boer is en juist dàarom begrijpt hij ook, dat hij z'n zoon op den duur er niet onder kan houden. De jonge boom heeft zich zelfstandig ontwikkeld en zal binnen niet al te langen tijd meer levenskracht bezitten dan de oude stam. Wil Vermeulen de baas blijven dan is er maar éen middel: Louis moet weg. En door een toeval krijgt de oude boer daar gelegenheid toe: Legijns boerderij zal verkocht worden! Die zal hij koopen voor Louis. Een geschikte vrouw voor zijn zoon zal hij ook wel vinden en dan zal hij weer alleen heerschen op zijn hof als vroeger. Louis is uit de bane gekegeld!

[De aanleiding.] Maar er moet een aanleiding zijn, te meer omdat Vermeulen wel inziet dat z'n vrouw 't niet met hem eens zal zijn. Hij moet haar dus bewijzen dat trouwen voor Louis noodzakelijk is en dat 't verblijf op vaders hoeve niet goed is voor hem. Vermeulen "zocht een botsing met zijn zoon en eene reden om zich vierkant uit te spreken en in gramschap vast te stellen 't geen bij hem nu reeds vaststond: de scheiding."

[Louis en Schellebelle.] Heele dagen ligt hij nu op de loer om te zien of Louis ook iets doet, wat vaders gramschap zou kunnen rechtvaardigen. En werkelijk hij vindt iets: de verhouding van Louis tot Schellebelle. [21] Dat is een meisje zooals Vermeulen wenscht dat zijn dochters waren--hij wilde immers z'n dochters zien "als struische blokken, boerendeernen van 't Vlaamsche ras, met heur hert op heur lippen en heur ziele in heur oogen; meiden lijk peerden, die lachen als er leute (vroolijkheid) is en uitgeven 't geen ze in hebben en werken nevens den sterksten werkman"--maar 't is slechts een eenvoudig dienstmeisje. Vermeulen zal haar dus nooit als zijn dochter erkennen, ze is op 't oogenblik niets voor hem dan een middel om Louis weg te krijgen. 't Spel gelukt maar half, wel betrapt de boer Schellebelle en Louis bij een onschuldig stoeipartijtje, wel maakt hij er heel wat drukte van, spreekt tegenover Louis van "die vuile meid" en loopt dan direkt naar Barbele om haar triomfeerend te vertellen, dat "Louis zich aan vrouwvolk verslingert", maar z'n verstandige vrouw bemerkt al gauw hoe de vork in den steel zit. "Zeg liever dat ge Louis niet kont uitstaan en dat ge redens zocht; zeg liever ronduit dat ge hem wèg wilt hebben", voegt ze Vermeulen toe en ze praat zoo lang, dat de boer zich schijnbaar gewonnen moet geven. Schijnbaar, want Vermeulen hield zijn meening diep in zijn donker hoofd.

['t Koopen van Legijns hoeve.] Eindelijk komt de groote gebeurtenis: Legijns hoeve wordt verkocht en Vermeulen koopt ze. Nu zwelt zijn hart van vreugde en van trots: hij heeft de zekerheid dat zijn gehate mededinger onschadelijk is gemaakt en bovendien heeft hij alle boeren eens zijn meerderheid laten voelen. "Hij ondervond om de boeren hun oogen te zien en hun bakkes, als onverwachts het nieuws in hunne ooren zou donderen." Hij is weer de boer, hij is nog altijd de oude Vermeulen.

[Botsing met Louis over de slijting.] Dan opeens de ontnuchtering als hij thuiskomt: Louis heeft het gebod om niet met de slijting van 't vlas door te gaan, overtreden, en voor 't eerst is op de hoeve gehoorzaamd aan een anderen wil dan dien van Vermeulen. De botsing tusschen vader en zoon is eindelijk gekomen en wel juist op 't oogenblik dat de eerste zich zeker waande van de overwinning. De oude boer heft zijn zwaren mispelaar op en velt zijn tegenstander neer.

De oude heerscher heeft overwonnen, maar--hij voelt het--toch ook verloren, want hij heeft zijn eigen bloed vermoord. Als Louis sterft, is ook voor Vermeulen de tijd van heerschen voorbij, hij zal nooit weer de koppige strijder worden van vroeger. Er is iets in hem gebroken, zijn kracht is weg.

[Zielestrijd van Vermeulen.] 't Laatste deel van "De Vlaschaard" doet ons den strijd van dien ouden boer meeleven en bewijst dat Streuvels meer kan dan enkel zijn omgeving beschrijven. De zielestrijd van Vermeulen is meesterlijk weergegeven; eerst z'n taai volhouden, zijn koppigheid: hij heeft immers niets verkeerds gedaan en alleen het vaderlijk gezag gehandhaafd; dan 't gevoel dat hij een moordenaar is; hij durft niet teruggaan naar de hoeve, maakt omwegen, tracht ongezien 't hof binnen te sluipen; in huis gekomen komt de oude weerbarstigheid opnieuw boven als hij 't geklaag der vrouwen hoort, maar in zijn hart knaagt steeds de vrees; hij zou graag willen vragen hoe 't met Louis is en toch durft hij niet. De ziekekamer binnengaan wil de koppigaard niet, dat zou gelijk staan met òngelijk bekennen, maar dan komt de dokter, daarna de pastoor om heilige olie toe te dienen en deemoedig buigt de oude boer 't hoofd. Nog gaat hij niet naar z'n zoon, maar eindelijk als Barbele even naar buiten is, stapt hij de kamer binnen en zet zich aan 't bed. Dan voelt hij zich vàder, geen tegenstander meer; 't is zijn jongen die daar machteloos neerligt en dien hij nu verzorgt als een teedere moeder. Daar aan 't ziekbed ziet Vermeulen eindelijk in hoe dwaas hij geweest is: hij heeft zich willen verzetten tegen een natuurwet, hij zag niet in "dat hij maar een nieteling was in 't wentelen der groote gebeurtenissen."

Als de oude Poortere vraagt wat er moet gebeuren op 't veld, zegt de boer hortend: "Doe maar.... 't is al wel; 'k en weet het niet." Zijn heerschappij die hij met zooveel energie verdedigd heeft tegen zijn eigen zoon, staat hij gewillig af aan een knecht, wèl een bewijs dat niet alleen de jonge boer is geveld, maar dat het ook gedaan is met de kracht van den ouden Vermeulen.

INHOUD VAN HET EERSTE DEEL.

Bladz.

VAN DEN VOS REINAERDE 5 VONDELS HEKELDICHTEN 12 PALAMEDES 26 GYSBREGHT VAN AEMSTEL 37 LUCIFER 44 GRANIDA 58 WARENAR 67 DE SPAANSCHE BRABANDER 75 HUYGENS EN ZIJN ZEESTRAET 81 HET WEDERZIJDSCH HUWELIJKSBEDROG 88 SAARTJE BURGERHART 94 DE JAROMIR-CYCLUS 101 HAGAR 110 POTGIETER ALS CRITICUS 118 JAN, JANNETJE EN HUN JONGSTE KIND 140 DE ROOS VAN DEKAMA 147

INHOUD VAN HET TWEEDE DEEL.

Bladz.

HET HUIS LAUERNESSE 5 DE CAMERA OBSCURA 19 WAARHEID EN DROOMEN 32 SINJEUR SEMEYNS 41 AKBAR 51 IN DAGEN VAN STRIJD 59 VORSTENSCHOOL 67 MATHILDE, EEN SONNETTENKRANS 80 ELINE VERE 88 IETS OVER KLOOS ALS CRITICUS 97 GORTERS MEI 104 OP HOOP VAN ZEGEN 112 DE KLEINE JOHANNES 117 QUERIDO EN ZIJN MENSCHENWEE 138 DE VLASCHAARD 147

AANTEEKENINGEN

[1] Een Artur-roman waarvan overigens niets bekend is.

[2] Dit oordeel werd door Hooft uitgesproken in een brief aan Baeck over den "Harpoen". Zie v. Vloten, Brieven, deel II, blz. 23-24.

[3] Vergelijk nog de volgende verzen uit hetzelfde gedicht:

83 Ondankbre vreemdeling, die om uw oproerstukken Korts naekt verbannen, tracht uw' huisheer te verdrukken."

en Palamedes vs. 1540:

"Toen quam de balling naeckt in Griecken aangedreven."

[4] Oldenbarnevelt schreef in 1618 om zich tegen de vele beschuldigingen in de pamfletten tegen hem uitgesproken, te verdedigen, zijn Remonstrantie, gericht tot de Staten.

[5] Ilias--Vertaling van Vosmaer, blz. 161, regel 400-410.

[6] Ilias blz. 61-82.

[7] Ilias blz. 122 vs. 38-39. Vgl. verder blz. 205 vs. 82-102.

[8] Idem blz. 123 vs. 92-94.

[9] Idem blz. 3 vs. 68-73.

[10] Inleiding Warenar (uitgave De Vries) blz. XXXV.

[11] Inleiding Warenar (uitgave De Vries) blz. XXXV.

[12] Men zie de voorrede van den 2en en den 3en druk van De Graaf van Devonshire.

[13] We raden aan de uitstekende uitgave van Van den Bosch in de Zwolsche Herdrukken te gebruiken.

[14] In 1917 reeds de 29e druk.

[15] Op blz. 143 lezen we omtrent den vader: "nooit was er deugdzamer hart of godvruchtiger gemoed."

[16] Multatuli zegt in een noot bij idee 930: "ik erken evenwel, met de toespeling op een schandelijk lagen aanslag van grondeigendom--geheel afgescheiden natuurlijk van die lijst waarin ik die plaatste--het oog gehad te hebben op Nederlandsche toestanden. Die uitval is inderdaad aan het adres van onze Eerste-kamerleden."

[17] Men vergelijke b.v. de volgende regels uit dat gedicht:

".... wee over hem, die te onzaliger uur Zijn aard en zijn wezen verkracht."

en ook:

".... 'k schreide om den man, die een rolletje speelt, Door geestelijken hoogmoed.... een zot; En 'k dacht: zoo me dat een nieuw mensch verbeeldt, Dan.... de oude was beter voor God!"

[18] Dit gedeelte vertoont veel overeenkomst met de geschiedenis van Tante Suzanna Hofland, de schijnvrome Cornelia Slimpslamp, broeder Benjamin en Oude Brecht uit Saartje Burgerhart; ook tante Hofland wordt bedrogen. Tante Séréna is echter vrij wat beter mensch dan Tante Suzanna. Ook moet men onwillekeurig denken aan Woutertje Pieterse van Multatuli op 't avondje bij juffrouw Pieterse. Woutertje en Johannes lijken veel op elkaar.

[19] Stijn Streuvels door André de Ridder blz. 79-80.

[20] Zie De Ridder blz. 74.

[21] Ze heet eigenlijk Rieneke; Schellebelle is de naam haar gegeven om "haar lach als eene bel die rinkelt in de ijle lucht."