c. Een paar bladzijden verder (133) zegt Jonathan: "zoowel als ik er
straks voor uitkwam dat ik nu verre ben van een behagelijk uiterlijk te hebben, moet gij mij vergunnen te zeggen, dat ik geen onbevallig kind moet geweest zijn."
d. Op blz. 135 wordt de vergelijking tusschen het nu en 't vroeger verder uitgewerkt. "Hoe kan mij het onderscheid tusschen het hoofd en den man treffen! Dat gladde voorhoofdje, hoeveel rimpels heeft het gekregen! dat fonkelend oog, welk een doffe nevel heeft den straal der vreugde daarin uitgebluscht! die bloeiende wangen, hoe heeft de hitte van den dag ze doen verdorren! dat lachende mondje, welk een diepe groef heeft de smart er ingedrukt!"
e. "Voor zulk een bespottelijkheid heb ik mijn reeds niet meer éénkleurige haren weten te behoeden" (Oude Vrijsters blz. 167).
Dit is dus de voorstelling, die men bij lezing van 't boek van Jonathan maakt; in werkelijkheid was de schrijver een jonge man van acht en twintig jaren (Hasebroek werd in 1812 geboren). Heel aardig is de anecdote die Hasebroek in verband hiermee in zijn "Narede" vertelt (blz. 334-335), namelijk van een vurigen Jonathans-vriend, die toen de predikant eens in de buurt van Haarlem zou komen preeken, een heele reis maakte, "om den geliefden auteur, wiens geschrift hij zoo gaarne las, ook eens persoonlijk te zien en te hooren," en zoodra hij in plaats van den "bedaarden oud-vrijer, een jeugdigen borst" zag, opstond en boos wegreed.
[Oude vrijer.] Een oude vrijer, want dat is Jonathan volgens de voorstelling in "Waarheid en Droomen". Zoek zelf een of meer plaatsen op, waaruit dat blijkt. Tracht bovendien iets te vinden omtrent zijn levenswijze. Hoe heet de oude dienstmaagd, die al jaren lang voor hem zorgt? En hoe weet ge, dat ze er al jaren woont?
Bovendien komt nog een vrouwelijke figuur in 't boek voor: Editha. Hoe stelt ge u de verhouding voor tusschen haar en Jonathan?
Op blz. 174, in 't hoofdstuk "Oude vrijsters", komt voor de volgende zin: "Terwijl ik dit schrijve, vloeien er tranen van dankbare erkentenis op mijn papier, mijn goede, lieve Editha!" Lees de beide bladzijden vóór dezen zin aandachtig na en tracht dan de bedoeling van dit gezegde te verklaren. Misschien is u dan de verhouding tusschen Jonathan en Editha duidelijk geworden.
Waarom Jonathan een oude vrijer geworden is, vertelt hij ons zelf: Hij heeft in zijn jeugd een meisje lief gehad, en "schoon deze thans een anderen naam dan den zijnen draagt, kan hij haar nog niet vergeten" (blz. 171). Op verschillende plaatsen wordt van deze ongelukkige liefde gesproken--tracht er zelf nog het een en ander van te vinden.
[Karaktertrekken van Jonathan.] Dit zorgvuldig na te gaan is van veel gewicht, omdat we hierdoor in 't wezen van 't boek kunnen doordringen en hier bestaat niet het groote verschil dat we zoo pas in 't uiterlijke gevonden hebben, want zooals door Hasebroek in de "Narede" wordt gezegd, de zoo even vermelde Jonathan-bewonderaar, die boos wegreed toen hij den jongen prediker zag, had de proef moeten nemen, "of bij alle verschil van den uitwendigen persoon, de inwendige mensch, die dan toch ten slotte de ware en echte Jonathan is, niet ook in de rede van den prediker leefde en sprak. Had hij dit gedaan, hij zou misschien met zijn ervaring vrede gehad hebben bij de erkenning: tweeërlei voorkomen, één geest, één hart" (blz. 335).
De voornaamste karaktertrekken van den schrijver zijn de volgende:
[Teergevoeligheid.] 1. Gevoeligheid en teerhartigheid.
Vele bewijzen zijn niet noodig, omdat deze eigenschap reeds bij de eerste lezing dadelijk opvalt. Jonathan zelf zegt dat hij ze van zijne moeder heeft gekregen, zijne moeder, door hem altijd vereerd als een liefdevolle engel. De neiging tot het gevoelige, die soms zelfs eenigszins overhelt tot sentimentaliteit, blijkt uit vele schetsen, b.v. uit de wijze waarop de berichten in de "Haarlemmer Courant" besproken worden, verder vooral uit "Het Album", uit "Het Schaap", uit "Muziek". Editha speelt niet zonder reden de weemoedige "dernière pensée musicale" van Weber nog eens voor Jonathan.
[Zwaarmoedigheid.] 2. Zwaarmoedigheid en droefgeestigheid, voortvloeiende uit het feit, dat Jonathan al te veel gevoeligheid van zijn moeder heeft geërfd. In "Het Legaat" bekent de schrijver, "dat hij reeds als knaap en jongeling tot weemoed neigde" en hij dus een opwekking van zijn vriend Rob dikwijls zeer noodig had.
[Medegevoel.] 3. Zijn medegevoel, zijn humaniteit.
Lees b.v. hoe Jonathan spreekt over de armen en de armoede (blz. 9), over faillissementen (15), over gouvernantes, "die zich vergenoegen met een klein salaris op voorwaarde van een goede behandeling, en dus "liever armoede lijden dan hardheid" (blz. 19), over "Oude Vrijsters" en bovenal lees hoe Jonathan wil handelen op "St. Nicolaas". Streelend zal 't voor Hasebroek geweest zijn te bemerken dat zijne woorden niet altijd zonder uitwerking bleven, zooals o.a. blijkt uit een briefje, door hem op blz. 238 ("Narede") medegedeeld. De kinderen uit een zeker gezin hadden de bedoeling van Jonathans "St. Nicolaas" begrepen, want nadat het stuk in den huiselijken kring was voorgelezen, brachten ze stilletjes hun Nicolaasgeschenken bij een ouden armen schoenmaker in de buurt.
Dat Jonathan ook het lijden der dieren meevoelt, blijkt uit "Het Schaap".
[Mijmeren.] 4. Een bijzonder kenmerkende eigenschap van den schrijver is zijn neiging tot mijmeren, tot fantaseeren. Waarheid en Droomen heet zijn werk. Als Jonathan zijn "Album" doorbladert, mijmert hij over lang vervlogen tijden, zijn "Klok" roept tal van herinneringen bij hem wakker, de klok spreekt hem van zijn tijd en wat met hem gebeurd is, het is zijn vertrouwde. "Ruitentroef" is één droom. En dan het "Portret" en "Het Legaat"! Droomen is een heerlijke bezigheid voor Jonathan, "geregeld brengt hij de laatste uren des daags in eenzame mijmering op zijn kamer door." En juist die droomen beschrijft hij ons, daaraan hebben we 't ontstaan van zijn boek te danken. Dat is ook het doel van zijn werk: hij wil, dat de menschen enkele oogenblikken gebruiken om rustig te peinzen en te mijmeren, dat ze nadenken over het verleden, over 't heden en over de toekomst misschien--over 't verleden vooral!--om zoodoende in te keeren tot zich zelf. "Men kan niet altijd dóór vechten, men moet toch ook eens rusten van den strijd: op de plaats rust! gelijk het militaire kommando soms luidt."
Niet iedereen heeft Jonathan's werk noodig, bij sommigen volstaan de visioenen van eigen verbeelding, maar anderen begeeren misschien als behulp voor een tijd den tooverspiegel van een anders fantasie, de influisteringen van een anderen geest en een ander hart en tot dezen spreekt Jonathan het woord van Augustinus: "tolle, lege!" "neem en lees!"
[Liefdevol geloof.] 5. Het geloof van Jonathan.
Vroom is hij, zeer vroom. Zijn grootste trots is deze: "Het eerste blad aan mijn bijbel is mijn stamboom." "Mijn voorouderen vormen een rij van vromen. Oud-Hollandsche godsvrucht was als erfelijk in hun stam." Jonathan zelf werd godsdienstig opgevoed, als de knaap iets misdreven had, en daarvoor van zijn moeder vergiffenis had gekregen, "voerde zij hem aan de voeten des Hemelschen vaders, opdat hij die vergiffenis ook van Hem kon afsmeeken!" Op het eerste blad van het album schrijft de grootmoeder Math. X, 37. "Die vader of moeder lief heeft boven mij, en is mijns niet weerdigh: en die sone ofte dochter lief heeft boven mij: is mijns niet weerdigh." De vader van Jonathan zou men houden voor een "Christen" die uit de Stoa was uitgegaan," [15] dus iemand met streng zedelijke beginselen. Vandaar ook de spreuk, die hij schrijft in 't album van zijn zoon: "In het witte boek van mijn zoon. Deze naam zij een voorteeken!" En de moeder teekende Jezus, volgens de voorstelling van Matth. XIX, 13: "Doe wierden de kinderkens tot hem gebracht, opdat hij de handen haer soude opleggen ende bidden."
Jonathan is dus als knaap door een zachte, liefdevolle moeder in vroomheid opgevoed, terwijl de meer strenge vader hem heeft gewezen op zijn plichten en hem een zedelijk leven als 't hoogste zal voorgehouden hebben. Dat de schrijver een vroom man is geworden is dus niet te verwonderen; eigenaardig is evenwel zijn houding tegenover het dogma. Zijn vroomheid is een kinderlijke overgave aan Christus, hij vereert bovenal den liefdevollen Christus, "die de kinderkens tot zich laat komen," en de armen en verdrukten steunt. Hij aanbidt den God der Liefde. En dat heeft hij van zijn moeder, nooit vindt hij den Zaligmaker beminnelijker dan in de voorstelling van zijn lieve moeder. Gelijk een portret naar het leven gemaald verschilt van de afbeelding op een doode genomen, verschilde haar teekening van den Eenige van die van anderen. Men kan zien dat haar hart het penseel bestuurde. Die verheven gedachte van haar lievelings-Apostel: Die niet lief en heeft, die en heeft God niet gekend: God is liefde! liefde is als het orgaan, waardoor men God leert kennen en aanschouwen,--bevestigde zich in haar ten aanzien van zijn beeld op aarde. In zooverre dat van een gebrekkig menschenhart kan gezegd worden, gold het van haar; haar liefdevol hart begreep hem! Van daar putte zij, als zij den Heiland schilderde, niet enkel uit haar geheugen, maar veeleer kwam zijn beeld allengskens, als een hostie uit haar heiligdom, uit het binnenste te voorschijn. Vandaar dan ook, dat dit beeld zich in mijn ziel drukte,--en, hoop ik, onuitwischbaar!"
Dogmatische kwesties worden door Jonathan niet behandeld, hij legt geheel den nadruk op vroomheid des harten, kenmerkend voor een aanhanger van het "Réveil". Zelfs hekelt hij de predikanten, die hun hart niet geven bij hun prediking; men vergelijke de schildering door "menigen Eerwaarde" van het hemelsch Jeruzalem in "Het Portret". Merkwaardig is ook de volgende aanhaling uit "Het Legaat":
"Voor sommigen is de kruisberg een goudmijn: dat zijn de priesters. Voor anderen is hij de Helicon: dat zijn de geleerden. Voor anderen is hij een berg des Heeren: dat zijn de vromen. Voor anderen eindelijk is hij niets dan een berg: dat zijn de ongeloovigen."
[Liefde voor zijn ouders.] Hierover is zooeven al een en ander gezegd, dat de lezer zelf gemakkelijk aan kan vullen. Men leze hetgeen van de moeder op blz. 32, 52, 138, 141 en 168 gezegd wordt: "Maria" was haar naam, en zij beantwoordde geheel aan het beeld, dat die naam onwillekeurig voor den geest roept."
Van den vader leze men vooral de beschrijving in "Het Album" en "Het Portret"--blz. 44 en blz. 143.
[Lievelingsschrijvers van Jonathan.] Om dit te weten te komen vergezellen we hem naar zijn "Bibliotheek". Reeds dadelijk moet het den opmerkzamen lezer zijn opgevallen dat Jonathan goed op de hoogte is met de klassieke schrijvers: de talrijke aanhalingen uit hun werken bewijzen dit. Maar 't beste thuis is hij in zijn Bijbel, geen enkel stuk of hij weet een menigte bijbelteksten te plaatsen, terwijl bovendien toespelingen er op dikwijls voorkomen.
Merkwaardig is wel, dat Jonathan niet één bepaalde richting meer uitsluitend is toegenegen: "hem zij vergund geen school te kiezen, maar een electicus te blijven. Waar ik het schoone vinde, al is het onder het stof der oudste oudheid, al is het onder het waas der nieuwheid, laat mij toe het schoon te vinden." Vandaar ook de "algemeene verbroedering" der groote auteurs die in zijn bibliotheek plaats vindt.
Op de Nederlandsche schrijvers willen wij nog even wijzen. Uit het bloeitijdperk worden genoemd: Hooft en Vondel, niet Cats--wel merkwaardig voor de bibliotheek van een geloovig man!--verder uit de 18e eeuw de Van Harens en Bilderdijk. Eindelijk Tollens; we halen thans woordelijk aan, om te laten uitkomen, hoe hoog deze dichter bij zijn tijdgenooten stond aangeschreven; "dan beluister ik Tollens onder zijn kinderen in de uitboezeming van het zuiverste menschengevoel, dat ooit een menschenhart deed kloppen." De dichter der huiselijke zangen wordt dus bewonderd: het Nederlandsche volk vindt zich-zelf in hem terug, maar geidealiseerd, zooals Huet in zijn studie over Tollens terecht opmerkt.
[Humoristen.] Hoewel Jonathan volgens 't bovenstaande "geen school wil kiezen", moet er toch op gewezen worden, dat hij met éen soort van schrijvers bizonder veel op heeft, met de "Humoristen". Wat hij daaronder verstaat blijkt duidelijk uit zijn definitie: "halflachende, halfschreiende Aprilskinderen." Aprilskinderen noemt Jonathan hen om daarmee aan te duiden het grillige in hun wijze van werken. Van Yorick sprekende, zegt hij immers: "Wat gaat het mij aan, of gij mij al langs onophoudelijke kronkelpaden voert, en telkens uw eigen weg schijnt vergeten te zijn: gij kent toch den weg door het menschelijk gemoed uitmuntend, en, waar gij ook henen dwalen moogt, in dien doolhof verdoolt gij nooit. Wat vraag ik er naar, of uwe rede dikwijls een pijl gelijkt, die door den wind opgenomen, vademen ver van het doel slingert? Gij weet toch het kortste pad naar mijn hart, en uw doel om dat te roeren bereikt gij altijd."
De uitdrukking: halflachende, halfschreiende, spreekt voor zich zelf; we herinneren om op de overeenkomst in definitie te wijzen, nog even aan het bekende puntdicht van De Genestet, waarin hij humor noemt "rijke taal vol geest--en ingehouden tranen" en aan Huets uitdrukking: "'t is een weemoedig accompagnement bij een vroolijk liedje."
[Stijl van Jonathan.] Hier behoeft zeker niet bewezen te worden dat Jonathan tot een van onze beste stylisten gerekend kan worden: zijn werk spreekt voor zichzelve. Wij wijzen hier slechts op een enkele passage in "het Legaat" (blz. 105):
"Als de kunstenaar een beeld wil gaan houwen, dan neemt hij geen blok dat juist zoo groot is als het beeld, dat hij maken wil, maar hij neemt een vierkanten klomp, waar de ruwe kanten nog aanzitten. Daar zit dan het beeld, dat er uit moet komen, wel in, maar eerst moet de buitenste schors wegvallen. Ha! hoe er dan onder zijn krachtigen beitel de stukken afvliegen! hoe het beeld overal het marmer pijnlijk van het lijf wordt afgescheurd! het zucht onder de ruwe slagen van zijn formeerder! maar let op! daar beginnen de houwen reeds af te nemen; telkens valt het wapen zachter neder; heerlijk komt het beeld uit zijn nauw omhulsel te voorschijn." Hier geen afgesleten beeldspraak--alles leven en frischheid! Men leze nog eens "Het Schaap", vooral het laatste gedeelte (bl. 82-86), en ga eens na hoe eigenaardig Jonathan hier verschillende uitdrukkingen aan het schaap ontleend weet te pas te brengen.
Geestige uitdrukkingen en invallen, zooals Beets ze bij menigte geeft in zijn "Camera", komen in "Waarheid en Droomen" zelden voor, maar toch ontmoet men somtijds een enkele, die best uit de pen van Hildebrand gevloeid had kunnen zijn. Zoo geeft Jonathan in "de Stamboom" een geestige omschrijving van ridders en niet-ridders, door te vermelden dat hij niet weet, of zijn voorvaderen bij de tournooien tot degenen behoord hebben, die den hals braken, of die halzen zagen breken. Zijn portret wil hij niet laten schilderen, anders zou hij mogelijk "nog eens op een boelhuis worden geveild":
No. 25. Een manspersoon.--Een gulden vijftig cents.--Niemand?--Nu, voeg er deze Juffrouw nog maar bij.--Nu, twee gulden. Wie twee gulden? Totdat zich iemand mijner ontfermt, en mij nog na mijn dood met wie weet welke eerzame maagd paart, om gezamenlijk als scherm voor een tochtgat te dienen, of tot bedekking van een vuile plek op 't behangsel gebruikt te worden."
Ondeugend zegt hij in "Oude Vrijsters": "zoekt mij ook niet bij de goede huismoeders, die gij met bijeengestoken hoofden en gesmoorde stem over andere huismoeders hoort babbelen."
SINJEUR SEMEYNS.
Karakteristiek van de hoofdpersonen.
[Karakterteekening van Otto en Zweder.] Hunne verhouding komt in vele opzichten overeen met die van Deodaat en Reinout van Verona in "de Roos van Dekama". 't Is de strijd tusschen blond en bruin, tusschen het vurige zuidelijke bloed en 't meer koude noordelijke. Otto, de kalme Nederlander, is wel wat traag en vadsig, wat indolent, maar daartegenover staan twee goede eigenschappen: zelfbeheersching en vastberadenheid. Deze eigenschappen komen vooral aan 't licht in zijn strijd met Zweder in 't eerste hoofdstuk van den roman ('t dooden van den hond!).
Bovendien bezit hij een sterk ontwikkelde adeltrots: hij moet de eer van zijn geslacht ophouden en dat gaat bij hem boven alles. Vooral blijkt dit, zoodra zijn vader Reinout van Linden gestorven is, en hij dus 't hoofd der Van Lindens geworden is. Dan handelt hij, de trage, met zooveel vastberadenheid, dat mijnheer van Arkesteyn uitroept: "Eerst zoo indolent, thans zoo vehement!" Plotseling is de trage jonker een màn geworden, iemand die weet wat hij wil.
Hoe hoog hij de eer van zijn geslacht stelt, blijkt vooral uit het feit, dat hij zijn liefde voor Geertruid weet te bedwingen en in overeenstemming met den wil zijns vaders besluit Odilde van Bronkhorst te huwen.
Zijn karakter ontwikkelt zich dus en wel in goede richting: door 't leven wordt hij gelouterd. En dergelijke ontplooiing van 't karakter is in dezen roman bij vele personen waar te nemen.
Zweder van Linden is het type van den driftigen, hoogmoedigen Italiaan. 't Goede in hem is: de uitstekende lichamelijke en geestelijke ontwikkeling en zijn oorspronkelijke goedhartigheid. Als jongen was hij dan ook de lieveling van iedereen. Ook het helpen van de arme koorddanseres en de redding zijner moeder getuigen van zijn goed hart en van zijn moed.
Maar hij heeft zijn schaduwzijde: hij is haatdragend, driftig, en voelt zich spoedig verongelijkt. Dit alles bewerkt zijn ondergang, waartoe vooral twee omstandigheden meewerken:
1. jaloerschheid, het besef, dat Otto later rijk zal zijn en hij arm, dat hij later van Otto, die hij verre zijn mindere acht, afhankelijk zal zijn.
2. minnenijd. Hij houdt van Geertruid, een hartstocht, dien hij nooit verloochent, en nu bemerkt hij dat Otto hem ook hier in den weg staat. Dit verdubbeld zijn haat tegen den halfbroeder.
Deze haat wordt gevoed door zijn moeder, die hem telkens opzet tegen Otto, zelfs aanspoort tot moord--"wees niet laf, stoot niet weer mis!" voegt ze hem toe--en door den demonischen invloed van de heks Hannekemeu. Door dien invloed wondt hij eerst Otto en als hij later hoort dat zijn broer in 't huwelijk zal treden (zooals hij meent met Geertruid!) en deze hem dan verdrijft van den Slichtenhorst, doodt hij den gehaten tegenstander.
Langzamerhand wordt het karakter van Zweder meer donker en slecht. Wel redt hij zijn moeder uit het brandende kasteel, maar weldra beschouwt hij de arme krankzinnige nog slechts als een blok aan 't been en aan haar sterfbed denkt hij slechts aan gewin. Hij, de edelman die alles verloren heeft en nu door alle mogelijke middelen een positie tracht te verwerven, is natuurlijk een geschikt sujet om den verradersrol te spelen en zijn land aan de Franschen, met wie hij trouwens den godsdienst gemeen heeft, te verkoopen. Al zijn goede eigenschappen schijnen verloren: hij behandelt den burger Rurik als een hond, heult met Van Arkesteyn, steelt de kaart van 't Nedersticht, tracht Geertrui op onwaardige wijze in zijn bezit te krijgen, en verraadt in Abkou zelfs de Franschen, die hem bij den overval op 't dorp hielpen. Dus een falsaris in optima forma.
Ook bij hem derhalve karakterontwikkeling, maar ten kwade: het goede zaad is verstikt, het onkruid welig opgeschoten.
[Reinout van Linden.] Het type van een echt bekrompen landedelman. Vroeger een stout ridder, die zelfs een schoone Italiaansche kon bekoren en haar wist mee te lokken naar zijn land, maar ten slotte een zwakkeling, die doodsbang is voor zijn vrouw en aan niets meer hecht dan aan goed eten en drinken. Als de edelen in de 17e eeuw waren als Reinout, dan is 't wel een gedegenereerd ras geweest.
[Giulia de Padua.] De vroegere schoone Italiaansche is verdord in Holland, vooral door de schuld van haar man, die haar niet wist te vergoeden wat ze in de nieuwe woonplaats miste, die niet door warme genegenheid haar de zonnige zuiderlanden kon doen vergeten. En dat vergaf ze hem niet: haat is er in haar hart gekomen voor liefde. Wèl is 't een echte moeder van Zweder, van hààr heeft hij den haat geërfd tegen Otto, van haar ook het vurige zuidelijke bloed. Haar groote liefde voor Zweder verschoont eenigszins hare houding, ze werkt niet voor zich zèlf, maar voor haar zoon.
Dat ze een listige intrigante is, blijkt uit haar stoken tusschen Geertruid, Otto en Zweder, uit de onderhandelingen, die ze door middel van den Schout voert met de Franschen. Ook hare houding tegenover Arkesteyn is die van een intrigante, maar in hem vindt ze haar meester.
[Van Arkesteyn.] Het type van den Hollandschen patriciër, uit de 17e eeuw. Bizonder mooi is deze burgerkoning geteekend, men ziet duidelijk, hoe hoog de regenten uit dien tijd stonden, maar ook hoe zeer ze zich voelden. De voornaamste karaktertrekken zijn dan ook: hoogmoed en egoïsme.
Het imponeerende blijkt dadelijk bij zijn aankomst op den Slichtenhorst: hoever staat de patriciër boven den eenvoudigen landedelman. Hoe ontzagwekkend is zijn houding: hij vertegenwoordigt den souverein, zooals b.v. blijkt uit het plaats nemen op den rechterzetel die bestemd was voor Reinout van Linden. Ook in kennis is de edelman ver zijn mindere: Giulia is dan ook verrukt over de wellevendheid van haren gast. Zijn schranderheid blijkt duidelijk uit zijn houding tegenover de listige Italiaansche; zijn koelbloedigheid bewijst hij bij den brand van 't kasteel.
Het merkwaardige is dat we dien reus langzaam zien dalen en ook weer, evenals bij Zweder, tengevolge van minder goede karaktertrekken.
[Arkesteyn en Prins Willem.] Zijn groote fout is dat hij zich heeft vergist in Prins Willem. Voor hem is de Prins altijd een nulliteit geweest, een jongetje zonder eenige beteekenis. Hij heeft hem gekend als "Kind van Staat", hij minacht "Willem Willemsz." "De Prins is een kind," zei hij tegen Jan de Witt, die hem daarbij veelbeteekenend aanzag, en daarmee bewees scherper te zien dan Van Arkesteyn. Vandaar de groote vernedering die Van Arkesteyn moet ondergaan: langzaam te moeten inzien dat hij zich in dat jongske vergist heeft--zijn plannen ter verdediging van Utrecht afgekeurd, omdat de Prins er geen heil in ziet--zijn bede om vergiffenis voor den misdadigen zoon afgewezen, zijn zoon behandeld als een gewoon mensch, hij zelf knielende voor den verachten Willem Willemsz!
[Slechte eigenschappen.] Langzamerhand komen zijn slechte eigenschappen aan 't licht: wij zien in dat Van Arkesteyn moet vallen, omdat hij niet de zedelijk hoogstaande persoon is, dien we in hem dachten te zien. Nu blijkt ons 't volgende:
1. hij wordt geheel beheerscht door zijn zoon Hendrik; de grootheid van den man verdwijnt als zijn zoon de kamer binnentreedt.
2. hij is de verleider van Bella de Leeuw; houdt Geertruid met minder edele bedoelingen in zijn huis; heeft den broer van Bella, den wilden maar toch niet geheel verdorven Dries de Leeuw, weten te doen verdwijnen, door hem als soldaat bij de Compagnie te doen inlijven.
De straf volgt: hij wordt in zijn eigen netten verstrikt, alles wat hij met vaste hand heeft opgebouwd, stort in.
In Oranje heeft hij zich bedrogen en als gevolg daarvan verliest hij zijn invloedrijke positie.
Zijn creatuur Semeyns staat tegen hem op en wordt een vereerder van zijn grootsten vijand.
Hendrik, dien hij werkelijk lief heeft, moet hij zien veroordeelen als een gemeenen booswicht.
Geertruid, die hem vereerde, verafschuwt hem later.
Hij moet een verbond aangaan met Zweder van Linden, zijn doodsvijand, moet zelfs medewerken om een huwelijk tusschen Zweder en Geertruid tot stand te brengen en wordt ten slotte een landverrader.
Van den trotschen patriciër is niets gebleven en dat kon niet anders, omdat hij niet de zedelijke eigenschappen bezat die hem 't hoofd omhoog konden doen houden te midden der stormen.
[Karel Semeyns.] Een prachtig voorbeeld van een zich ontwikkelend karakter dat de Sturm-und-Drang periode doormaakt. Hij heeft dezelfde karaktertrekken als Arkesteyn, wiens onechte zoon hij is, maar bij Karel ontwikkelen ze zich in goede richting; het egoïstische en baatzuchtige van den vader vinden we niet terug in den zoon. Het leven heeft hem gelouterd. "Hij was een Perseyn, maar één, in de tucht der levensschool opgewassen. Hij had de eerzucht zijns vaders, maar ze had hem geleid tot een edel streven, hij had dezelfde zelfstandigheid, maar ze had hem geleid tot zedelijke vrijheid; hij kende dezelfde zelfzucht, maar ze had hem tot zelfverloochening gevoerd."
Zijne goede eigenschappen komen eerst langzamerhand voor den dag, hij groeit als 't ware. Eerst op den Slichtenhorst blijkt hij wel schrander, scherpzinnig en moedig (ontmoeting met den beer!), maar toch heeft hij niet onze geheele sympathie, wegens zijn bitterheid, zijn sarcasme. Doch hij heeft daar reden toe: hij is geplaatst in een zeer lagen stand, voelt in zich de kracht te kunnen stijgen, maar wordt door de omstandigheden tegengehouden. Bovendien wordt hij telkens aan dien lagen stand herinnerd, moet al zijn wrok verkroppen en kan nooit vrij de vleugels uitslaan. Reeds in zijn jeugd werd hij verongelijkt, steeds was hij de speelmakker van Hendrik, den bevoorrechten broeder, dien hij haat.
Twee personen hebben veel invloed op zijn leven: Arkesteyn en Geertruid.
[Zijn verhouding tot Arkesteyn.] Arkesteyn is zijn leermeester en opvoeder, een godheid bijna. Voor Arkesteyn is hij een sujet, een creatuur, want de meester eischt blinde gehoorzaamheid. Juist dit vernedert Semeyns in de oogen van anderen, b.v. in die van Geertruid, men beschouwt hem als een werktuig zonder eigen wil. Die verhouding tot Arkesteyn hindert Semeyns, een karakter als 't zijne laat zich op den duur niet dwingen, en de uitbarsting komt dan ook zoodra van hem iets gevorderd wordt dat strijdig is met zijn eer: Arkesteyn vraagt hem de kaart van 't Nedersticht. Karel begrijpt waartoe deze kaart moet dienen, vooral omdat hij de onwaardige verhouding tusschen Arkesteyn en Zweder ziet. De afgod wordt van zijn voetstuk geschopt: hij haat hem en dàn moet hij juist tot de ontdekking komen dat die man zijn vader is! Tot ware zielegrootheid verheft zich Karel tijdens het verhoor, als hij zich wil opofferen om ter wille van zijn moeder Arkesteyn te sparen. En hij drukt daarna den gehate, die zijn vàder is, de oogen toe en kust den doode. "Edele man," zegt Geertruid!
[Geertruid Perseyn.] Ook zij wordt door 't leven gelouterd. In den beginne op den Slichtenhorst is ze niet veel meer dan een verwend kind met een mooi gezichtje, vol hoogmoed, een echte Perseyn, die trotsch is op 't admiraalschap van haar vader, en aan niets anders denkt, dan aan een huwelijk in of boven haar stand.
[Hoogmoed.] De liefde van Geertruid voor Otto is niet diep, maar wel voelt ze diep de krenking als Otto haar meedeelt te zullen huwen met Odilde van Bronkhorst: haar hoogmoed wordt gekwetst. Die hoogmoed blijkt verder uit haar trotsch-zijn op de verwantschap met Arkesteyn, uit de wijze waarop ze Semeyns--een vroegeren speelmakker!--doet voelen hoeveel lager hij staat dan de admiraalsdochter.
Hoogmoedig is ze, als ze komt bij Jillis en Geerte Gevaerts en deze behandelt als hare bedienden; ze is trotsch op den pronkepink Hendrik van Arkesteyn, ze vindt het heerlijk te wonen in 't ruime, prachtige gemeubileerde huis van haar beschermer. Alles hoogmoed!
[Wijziging in haar karakter.] Maar langzamerhand wordt haar karakter gevormd in de school des levens; de innig geliefde vader ontvalt haar, dat stemt haar hart zachter en bovenal, ze leert te Abkou Brechtje kennen, de zelfverloochenende Brechtje, die Karel liefheeft en zich opoffert om Karel en Geertruid gelukkig te maken. Ook vrouw Semeyns, die meer leed dan zij, heeft een invloed ten goede.
Bovendien, Arkesteyn valt ook voor haar van zijn voetstuk, ze ziet eindelijk in, wie en wàt hij is. Het verblijf in zijn huis is verderfelijk voor haar goeden naam; hij wil haar doen huwen met Zweder, den moordenaar, en hij wéét, dat Zweder een moordenaar is.
[Verhouding tot Karel.] Vooral echter is het Karel zelf, die haar opheft. Ze minacht dien schipperszoon, ze doet hem telkens hare hooge afkomst voelen en toch ze voelt zich niet bevredigd, als ze hem denkt te kwetsen. 't Is of ze voelt dat ze onrecht doet. Ze wijst hem af als hij haar ten huwelijk vraagt, en toch voelt ze zich aangetrokken tot hem. Eindelijk leert ze hem waardeeren: het is op 't oogenblik, dat Karel zijn juk afschudt en zich losmaakt van Van Arkesteyn. Dan ook voelt Geertruid in zich de kracht om zich op te heffen, ook zij schudt het juk af, vlucht uit het kasteel en zoekt hulp bij Karels moeder. En nu strijdt ze mèt en vóór Karel. Met Brechtje samen luidt ze de stormklok en ten slotte wil ze zelfs haar goeden naam offeren om Karel te redden.
[Dries de Leeuw.] Een eigenaardige, aantrekkelijke figuur. Oorspronkelijk een wilde maar goedhartige jongen, wordt hij door Arkesteyn die hem vreest, geronseld voor Indië. Hij deserteert en wordt een gevreesd zeeroover; de Roode Leeuw, de schrik der Antillen! Dat hij wreed kon zijn bewijst zijn avontuur met Van de Pauwert.
En deze boef wordt een der redders van zijn land, hij wil zijn vaderland dienen en zijn goeden naam terugwinnen. Onder de namen Maarten Harpens en Gerrit Plemp wordt hij spion, speelt de Franschen bij 't bosch van Amerongen in handen van den Prins, weet Luxemburg tegen te houden en krijgt de draden in handen van de samenzwering van Zweder en Arkesteyn. Zijn vroeger rooversbedrijf komt hem goed te pas, juist zijn onverschrokkenheid en slimheid maken hem tot een ideaal spion.
[Hendrik van Arkesteyn.] Hendrik van Arkesteyn is de voorlooper van 't gedegenereerd geslacht der 18e eeuw, echter nog niet geheel verslapt, er zit nog ondernemingsgeest in. Maar toch is er al heel wat achteruitgang merkbaar, als we vader en zoon vergelijken, vooral op zedelijk gebied.
[Deugden van den roman.] Sinjeur Semeyns is goed als roman èn als historisch werk. Uitstekend als roman door de juiste karakterteekening en vooral door de karakterontwikkeling. We hebben hier niet eenvoudig een opeenvolging van gebeurtenissen, zooals bij Van Lennep dikwijls 't geval is, maar alles vloeit logisch voort uit het karakter der personen.
[Historische waarde.] Als historisch werk staat de roman heel hoog, omdat een brok geschiedenis herleeft voor onze oogen: 't is of we verplaatst worden in 1672. De toestand van land en volk is uitstekend weergegeven.
1. Toestand van het platteland, de edelen en de boeren. We leven een tijdlang te midden van deze personen, als de schrijver ons verhaalt van den Slichtenhorst. We zien, hoe hóog zoo'n edelman zich stelde, hoe weinig ontwikkeling hij bezat, hoe bitter slecht de plattelandsbevolking er aan toe was.
2. Wrijving tusschen de edelen en de kooplui, tusschen Holland en de oostelijke provinciën. Arkesteyn en Van Linden zijn de vertegenwoordigers van deze beide kampende partijen.
3. De Hollandsche patriciërs, herlevende in Van Arkesteyn. Hunne macht en beteekenis, hun overwicht op de andere provinciën, hunne ontwikkeling en beschaving, hun rijkdom en weelde, en vooral hunne politiek, hun verhouding tot den Prins.
4. Prins Willem, een der lievelingsfiguren van Schimmel. De minachting waarmee hij door de machthebbers wordt behandeld, zijn harde leerschool en ten slotte, het verheffen uit dien toestand. Dan de vastberadenheid waarmee hij optreedt, de indruk dien dit maakt op anderen, op zijn generaals b.v., die veel minder goed ingelicht blijken te zijn dan hij, op den Engelschen gezant Buckingham, op den trotschen Arkesteyn, die hem genade komt smeeken voor den gevallen zoon. Verder de slechte lichamelijke toestand van den Prins, zijn ziekelijk uiterlijk, zijn eeuwig kwellende hoofdpijn.
5. Het eigenlijke volk. De boeren op den Slichtenhorst, de bewoners van Abkou, Jan Lampoot, de vroegere zeeman, en de burgerluitjes Geerte en Jilles.
6. Toestand in 1672. Een leger bestond niet. Hoe de regenten een leger bijeen trachtten te brengen, blijkt uit de handelingen van Arkesteyn, die in Abkou een hoop bedelaars en dronkaards aanwerft. Duidelijk worden ons ook de ontzettende moeilijkheden waarmee de Prins te kampen had: alle vestingwerken zijn verwaarloosd, zoodat er niets overblijft dan Utrecht prijs te geven en zich terug te trekken achter de Hollandsche waterlinie; de tegenwerking der boeren, die telkens 't water aftappen en eindelijk 't verfoeilijk bedrijf van vele patriciërs, die als Arkesteyn heulen met den vijand en tot elken prijs vrede wenschen. We beseffen 't reuzenwerk van Willem III, die onder zulke ongunstige omstandigheden den strijd met de overmachtige Franschen moest aanbinden. Wij worden gebracht in zijn legerplaats, zien het leger dat hij zelf heeft moeten scheppen en dat door zijn strenge tucht tot een macht van beteekenis is geworden.
7. Hiertegenover de macht der Franschen, vooral uitkomende bij de groote wapenschouwing te Zeist--het optreden van den "roi soleil", die door iedereen als een godheid wordt aangebeden--de plunderwoede der Fransche troepen en het lijden der Utrechtenaren, verdrukt als ze worden door Luxembourg en Robert.
['t Bovennatuurlijke.] Merkwaardig is de groote rol, die 't bovennatuurlijke, spookachtige en geheimzinnige in dezen roman speelt. We wijzen hier in 't bijzonder op de heks, Hannekemeu.
1. De heks ziet Zweder aan, hypnotiseert hem, en dwingt hem te knielen.
2. Ze bewerkt dat hij een moordaanslag pleegt op Otto.
3. In hare hut hypnotiseert ze Barend en Zweder, maar bezwijkt voor den sterkeren wil van Semeyns.
Hoe Schimmel dit alles voorstelt, blijkt duidelijk uit den roman. In Hannekemeu woont een demon, een booze geest, "die haar tot schaterend lachen aanspoort." Die demon dwingt haar tot booze daden, dwingt haar in den nacht als de moord op Otto plaats grijpt, uit te gaan en 't kasteel in brand te steken. De demon is Fatmé, de vroegere bewoonster van 't slot, "die 't kleinste bovenvenster werd uitgeworpen in een zak met steenen gevuld." Ze wil nu wraak nemen op Reinout, op zijn gezin, op zijn kasteel. Te meer is de heks gebeten op den landheer, omdat hij haren zoon, een paardendief, heeft laten terechtstellen.
De heks is 't, die Reinout de jicht bezorgt. Als Hannekemeu door den sterken wil van den landmeter onschadelijk wordt gemaakt, verdwijnt plotseling bij Reinout de jicht. Hierop wijst ook het gezang van de heks in haar hut, als ze telkens het mes in de borst stoot van een pop, die de gedaante van den landheer heeft:
"Schreeuw van de pijn, schreeuw van de pijn, Hanneken geeft je 't flerecijn!"
Nog een aanwijzing over de verhouding tusschen Fatmé en Hannekemeu vinden we in 't feit, dat als de Oostersche vrouw verschijnt aan Reinout, de heks aan de gracht staat en schreeuwt: "Fatmé, bezoek den beul van mijn jongen."
[Brechtje.] In verband hiermee wijzen we nog op Brechtje, die de gave van 't tweede gezicht heeft, dus een clairvoyante is. Dat ze kan voorspellen blijkt uit de damesvisite bij mevrouw Vosbergen. Ze vertelt gezien te hebben, dat er oorlog moest komen, ze voorspelt Geertrui, dat deze eens te Akbou zal wandelen met een jonkman met zwarte haren, die een bloedvlek op 't voorhoofd heeft (Zweder van Linden), zingt plotseling, dat een dapper held gevallen is en dadelijk daarna komt Arkesteyn om mevrouw Vosbergen te spreken: Geertruids vader, admiraal Perseyn, is gesneuveld.
Soms is ze een profetes, die de krijgslieden aanvuurt en dan spreekt met een geheel andere stem dan gewoonlijk (de boeren die onder aanvoering van Karel Semeyns oprukken tegen de Franschen).
Uit alles blijkt dat Schimmel geloofde in iets dergelijks; al deze dingen worden met den meesten ernst gezegd en 't geheimzinnige maakt een werkelijk integreerend deel van den roman uit.
Wie iets degelijks over spiritisme, suggestie en hypnose wil lezen, neme de "Studies" van Frederik van Eeden.
AKBAR.
[Schrijver.] In dezen historischen roman heeft de bekende oriëntalist Mr. P.A.S. van Limburg Brouwer een van de grootsten en edelsten menschen te teekenen, die ooit een kroon gedragen hebben en tevens ons een voorstelling trachten te geven van Voor-Indië gedurende 't leven van dien machtigen vorst. Uit alles blijkt dat de schrijver groote bewondering koesterde voor zijn held en niet minder voor de wijsheid van de Brahmanen en de schoonheid van de Oud-Indische letterkunde. Zoo is een werk ontstaan, dat zelfs op een modernen lezer nog een blijvenden indruk kon maken.
[Afstamming van Akbar.] Akbar is een afstammeling van den geweldigen Mongoolschen veroveraar Timoerlenk (Tamerlan), die in 't laatst van de 14e eeuw over een groot deel van Azië gebood. Een van de Timoeriden Baboer II, de beheerscher van 't rijk Kaboel, veroverde in 1526 't noordelijk deel van Voor-Indië. Zoo ontstond in Indië 't rijk van den Groot-Mogol (= den grooten Mongool.) Baboers zoon Hoemayoen (1530-1556) kon zich slechts met moeite staande houden en werd zelfs tijdelijk uit Indië verdreven. Op hem volgde zijn zoon Akbar, met recht de tweede stichter genoemd van 't rijk der Groot-Mogols, die bijna heel Voor-Indië onder zijn schepter vereenigde.
[Zijn verdiensten.] De groote verdienste van Akbar is geweest regeling van 't inwendige bestuur en de poging tot versmelting van de verschillende volkeren en godsdiensten. Dat grootsche streven vooral wordt ons in den roman geteekend.
[Bestuur.] Vooreerst het bestuur van zijn land. De keizer heeft--zoo verhaalt het dorpshoofd aan Siddha Rama--met behulp van zijn schatmeester Todar Mal en den grootvizier Aboel Fazl een vast stelsel van landrente ingevoerd. Alle landerijen zijn behoorlijk opgemeten, voor alle deelen is een bepaalde landrente vastgesteld, zoodat nu ieder precies weet wat hij te betalen heeft en knevelarijen van hoofden en regeeringsambtenaren buitengesloten zijn, vooral omdat de grootvizier onderdrukking door ambtenaren met groote strengheid tegengaat. De willekeur van vroeger heeft plaats gemaakt voor rechtszekerheid. Meent iemand niettegenstaande al deze voorzorgen, dat hem onrecht is aangedaan, dan is er een laatste middel: iedere klager vindt bij den keizer een open oor, en is hem werkelijk onrecht geschied, dan zal hij recht krijgen door Akbar zelf.
Maar niet alleen de landbebouwers, ook de nijvere burgers roemen hun keizer. Overal waar hij kan, steunt Akbar nijverheid en handel; prachtige gebouwen verrijzen in de hoofdsteden, welvaart heerscht in heel zijn rijk. De kunsten worden gesteund, de wetenschappen vinden in Akbar zelf een ijverig beoefenaar. De eerzucht van den Keizer is--'t zijn de woorden door hem zelf in den slottuin gesproken tot Siddha--"zijne eerzucht dan is, en was het voorlang, sinds de eerste jaren van zijn mannelijken leeftijd, niet enkel de stichting van een groot en machtig rijk, maar bovenal het geluk, de welvaart en de ontwikkeling der volken, die hem door eene hoogere, al is 't onbekende, althans nooit begrepen en doorgronde macht zijn toevertrouwd."
[Godsdienst.] Wat voor den lezer echter den persoon van Akbar nog aantrekkelijker maakt, is zijn ernstig zoeken naar waarheid. Vandaar dat hij tal van godsdienstige stelsels onderzoekt, hoewel hij naar zijn opvoeding een Islamiet is. Koelloeka licht hem in over de leer van Brahma, die neergelegd is in de heilige Veda's; de Jezuïet Aquaviva heeft hem een vertaling van den Bijbel bezorgd; Abdal Kadir laat niet af de waarheden van den Koran te verkondigen en ook de Joden en Boeddhisten zijn geen vreemden aan Akbars hof. Zelfs Gorakh, de Yogi-priester, heeft daar toegang.
En Akbar erkent het goede in ieder van die stelsels, maar hij is daarbij volstrekt niet blind voor de gebreken. Wat hem 't meest bij al die predikers tegen de borst stuit is het gelooven op gezag. "Of gij nu Abdal Kadir of Aquaviva hoort," zegt hij tegen zijn vriend, den filosoof Feizi, "'t is altijd weer gezag, geloof, openbaring, maar geen sprake van rede en verstand, en van gronden aan wetenschap en ervaring ontleend." 't Is als in de parabel der drie ringen in Lessings Nathan der Weise: ieder is stellig overtuigd dat zijn ring de ware is. En daarom moest ook de grootsche poging van keizer Akbar mislukken: de poging om de verschillende godsdiensten nader tot elkaar te brengen, om ze ten slotte te versmelten.
De kroon op zijn werk zou zijn een nieuwe godsdienst: Tauhid i Ilahi (De Eenheid der Godheid), veel overeenkomende met den Mithra-dienst van de vroegere Perzen en met sommige voorstellingen in Brahmaansche zangen. 't Zou zijn een Zonnedienst. Het Licht, het Vuur, de groote kracht die alles bezielt, zou het zinnebeeld zijn van de eenheid, die overal op te merken is. Werkelijk is deze leer door Akbar onder enkele vertrouwden ingevoerd, maar eenig verder gevolg heeft de poging niet gehad. Een schitterend getuigenis voor Akbars verdraagzaamheid is wel het feit dat de nieuwe leer uitsluitend door overreding mocht worden verbreid. Dwang was buitengesloten. Diezelfde verdraagzaamheid is trouwens Akbars richtsnoer bij 't bestuur van zijn land: In Indië heerscht vrijheid van godsdienst. Niemand mag om geloofswille vervolgd worden. Dat blijkt vooral duidelijk uit Akbars woorden gericht tot pater Aquaviva: "Predik wat gij goed vindt in mijne landen; bouw er uw kerken; en gij zult gelijke bescherming genieten als de Mohammedanen in hunne moskeeën en de Hindoe's in hunne pagoden: maar wees tevens gewaarschuwd! Van het eerste oogenblik dat ik u eenige vervolging zie instellen, 't zij tegen uw eigen bekeerlingen of tegen een ander, gelijk gij dat op de Malabaarsche kusten reeds beproeft, van dat oogenblik zijt gij verbannen uit mijne rijken, en zoolang ik Hindostan regeer, zet geen der uwen een voet meer op zijn grond."
Dat deze handelingen den keizer veel vijanden moest bezorgen onder de fanatici, ligt voor de hand en de opstand die onder Selims leiding uitbarstte, was dan ook voor een goed deel hun werk. En toch konden ook zij zich ten slotte niet onttrekken aan den machtigen invloed die een hooge figuur als Akbar moest uitoefenen: dat blijkt uit het afscheid van Aquaviva en niet minder uit dat van den norschen Abdal Kadir.
[De wijsgeer Feizi.] Naast Akbar staat de wijsgeer Feizi, even humaan denkend als zijn vorstelijke vriend, en nog meer dan deze een bewonderaar van de Brahmaansche literatuur. Tegenover Akbars nieuwe leer staat hij vrij sceptisch, omdat het volk niet rijp is voor iets dergelijks. De onontwikkelde massa heeft behoefte aan vormendienst, waardoor de godsdienst als 't ware plastisch wordt voorgesteld en bij die onontwikkelden treden dan vaak de vormen in de plaats van 't ideëele.
[Hervorming door volksonderwijs.] Daarom--en nu is 't of we iemand uit onzen tijd hooren--vóór alles volksonderwijs. "Ziedaar het eenige, maar ook volkomen zeker middel. Het werkt langzaam, 't is waar; en wie op groote schaal het begint toe te passen, ziet zelf niet licht de uitkomst; maar deze is niettemin onmisbaar op den duur, terwijl elke verkondiging van eene min of meer met zinnebeelden getooide leer, 't zij dan met of zonder openbaringsgezag, wel voor een tijd kan bloeien, doch in 't einde steeds weer verbastert, of, zoo dat al niet gebeurt, toch weer ophoudt aan de geestelijke en zedelijke behoeften der menschen te voldoen." Dat Feizi ook in zijn daden een hoogstaand man is, blijkt uit zijn optreden tegenover Siddha Rama.
[De staatsman Aboel Fazl.] Aboel Fazl is minder wijsgeer, maar meer prakticus. Zooals we boven reeds zagen, is 't zegenrijke regeeringsstelsel voor een goed deel zijn werk geweest, altijd is hij de trouwe, intelligente medestander van den keizer, dien hij steunt in den strijd tegen de talrijke vooroordeelen waarmee iedere hervormer te kampen heeft. Het grootst toont hij zich misschien wel op 't oogenblik, dat hij Siddha stervende toefluistert: "laat voor Akbar de naam van den waren moordenaar verborgen blijven." Want Akbars zoon Selim was de ware schuldige!
[Selim.] Hoe ver staat deze Selim beneden zijn grooten vader! Bij Akbar 't sterk ontwikkelde plichtsgevoel, 't streven om den heiligen vorstenplicht te betrachten, bij Selim niets dan zucht naar genot: prachtliefde, wijn en schoone vrouwen. Misschien was Akbar niet geheel onschuldig aan Selims degeneratie: hij had zijn zoon overladen met eer en gunsten, maar verzuimde hem een werkkring aan te wijzen, zoodat het verantwoordelijkheidsgevoel zich kon ontwikkelen. Selim was een zwakkeling geworden, een speelbal voor vleiers en verleiders, maar daarom nog geen slecht mensch. In zooverre brengt de opstand een wending ten goede in Selims leven: hij krijgt een verantwoordelijke werkkring--onderkoning in Bengalen--en wordt wel geen regent als Akbar, maar toch in vele opzichten een vorst, onder wiens bestuur Indië blijft bloeien. Zijn belofte aan Iravati getuigt van den nieuwen geest die over hem gekomen is. Voor 't eerst toont de zelfzuchtige Selim zelfbeheersching en zelfverloochening.
[Siddha.] De eigenlijke hoofdpersonen uit den roman in engeren zin zijn Siddha Rama en Iravati. Siddha is een jong edelman, de zoon van den eersten minister van Kaçmir, opgevoed door den wijzen Brahmaan Koelloeka, moedig, krachtig gebouwd en begaafd met een helder verstand. Een gunsteling van de fortuin, als voorbestemd tot groote dingen.
[Invloed van Salhana.] Zijn kwade geest is zijn oom Salhana, die hem als werktuig gebruikt. Hij is de man, die Siddha aan Akbars hof heeft weten te plaatsen, om zoodoende goed met de plannen van den keizer op de hoogte te blijven en brieven op een veilige manier naar Kaçmir te kunnen zenden. De groote fout van Siddha is, dat hij niet dadelijk toen zijn oom hem die plannen gedeeltelijk blootlegde, ruiterlijk weigerde zich tot zulke praktijken te leenen. Zijn onervarenheid, de eerbied voor zijn oom en de liefde voor zijn bedreigd land kunnen als zooveel verontschuldigingen gelden.
[Hartstocht voor Rezia.] Eens aan 't hof verspeelt Siddha meer en meer onze sympathie: zijn hartstocht voor Rezia en zijn ontrouw aan Iravati zijn, zooals de wijze kluizenaar Gaurapada opmerkt, hoewel niet te verdedigen, dan toch verschoonbaar, maar diep zinkt hij in onze achting, als hij, wetende dat Rezia Goelbadan, de vrouw van zijn vriend Feizi is, niet onmiddellijk alle betrekkingen met haar verbreekt. Ook zijn houding tegenover Akbar grenst aan verraad.
[Verbetering.] Maar Siddha's latere handelingen bewijzen dat hij zich zelf teruggevonden heeft en dat dit alles niets is geweest dan een tijdelijke afdwaling. Z'n ridderlijk bekennen aan Akbar, de beslistheid waarmee hij voortgaat op den nieuwen weg, zeggen ons dat een vroegere periode is afgesloten. Van één dwaling wordt hij eerst genezen door Gaurapada, den wijze uit het Himâlaja-gebergte. Wanneer iemand een fout heeft begaan, is dikwijls het eenige waardoor hij zijn misstap tracht te boeten, berouw en afzondering van de wereld. Maar vaak is deze zoogenaamde boete niets dan schaamte of hoogmoed: men is te trotsch om degenen die onze misslagen kennen, weer te ontmoeten. Dat is niet de ware manier om verloren eer te herwinnen. "Een man behoeft nog volstrekt niet zijn gansche leven lang zich te blijven vernederen tegenover anderen, omdat hij eenmaal een afkeurenswaardige daad bedreef, indien hij door latere handelingen de achting zijner medeburgers zich waardig heeft weten te maken. Wel daarentegen zou hij tegenover hen zich te schamen hebben, wanneer hij, na eens zijn plicht door handelen te hebben verzaakt, door niet-handelen voortging dat te doen." En Siddha mag zich te minder aan 't leven onttrekken, omdat hij niet alleen staat, maar plichten heeft jegens Iravati. Zoo hergeeft Gaurapada Siddha aan 't leven. Door werken een jeugdige onbezonnenheid goed te maken, is Siddha's boete. De opheffing van Feizi's vloek getuigt dat de boeteling zijn plicht gedaan heeft.
[Iravati. Haar ideeën.] Iravati vertegenwoordigt volgens den schrijver de echt Indische vrouw, zooals die in het drama en de legende van Indië ons wordt voorgesteld. De geschiedenis van Siddha en Iravati is geschreven naar 't model van 't in de Hindoe-literatuur voorkomende verhaal van Nala en Damayanti. "De onovertroffen vrouwenfiguur, de edele, reine, bij alle beproeving en miskenning, aan haar onwaardigen gemaal zoo onwankelbaar getrouwe Damayanti", is het ideaal waarnaar Iravati zich richt. Hoe Iravati haar plicht meent te moeten opvatten, blijkt nergens beter uit dan uit haar antwoord aan Selim, als die haar van Siddha's ontrouw heeft overtuigd en haar macht en eer aanbiedt, indien ze zijn vrouw wil worden. "De Indische vrouwen", zegt ze tot Selim, "kennen die verlokking tot grootheid niet, waar het haar plicht betreft en haar eer; en den echtgenoot, of, wat hetzelfde zegt, den plechtig verloofden bruidegom, wien zij eenmaal haar woord verpandden, blijven zij getrouw, ook al zien zij hare liefde met ontrouw beantwoord. De gehechtheid der vrouw aan den man weet bij ons van geene grenzen; of is het u niet bekend, hoe vele, laat zoo iets nu te verwerpen zijn als een gevolg van bijgeloof of van overdreven gevoel, zich volkomen vrijwillig en met de grootste geestdrift op den brandstapel werpen, die het lijk van den gestorven echtgenoot verteert? En hebt gij ook nooit gehoord van onze heilige legenden en riddersagen, die de toewijding der echtgenoote, ook aan den onwaardige, schilderen? Van de roerende lotgevallen van Damayanti kwam u zeker wel 't een en ander ter oore. Welnu! voor zooveel in mij is, wil ook ik eene Damayanti zijn! Dat Siddha mij verlate, ik zeg het als zij: "het is de booze Kali, die in hem is gevaren en hem tot kwaad verlokte, niet hijzelf die zoo grievend leed over mijn hoofd bragt. En als de betoovering van hem zal geweken zijn, dan keert hij, een andere Nala, tot mij terug, en rein van elke smet vinde hij mij weder en overtuigt zich dat ik beter nog dan hijzelf voor de eer heb gewaakt van zijn naam."
[Haar daden.] In den mond van Iravati zijn dat geen frases, ze bewijst met de daad dat 't haar heilige ernst is. Selim, en met hem een schitterende toekomst, wijst ze af, ook nadat ze weet dat de lotosbloem gekanteld is; de bedreigingen van Salhana, dat hij zijn dochter zal vloeken, dat Selim Siddha misschien zal laten dooden, kunnen haar niet doen wankelen, en eindelijk snelt ze met levensgevaar naar de bergen in 't noorden, om den ontrouwen verloofde zelf te kunnen verplegen. En toch een afgedwongen liefde wil Iravati niet; als Siddha zegt dat ze moeten scheiden, wil ze hem niet terughouden, dat verbiedt haar gevoel van eigenwaarde. Dat ze Siddha's hart kent en weet, dat trotschheid de eenige beweegreden is van zijn daad, blijkt uit haar woorden: "Gij verwerpt mij willens en wetens, en niet omdat ik jegens u misdreef, maar alleen omdat gij zelf te trotsch zijt om voor uwe eigene vrouw te willen bekennen, dat gij eenmaal zwak en tegen verleiding niet bestand zijt geweest." Gelukkig dat Gaurapada Siddha's eigenzinnigheid weet te overwinnen.
[Salhana en Gorakh.] Een enkel woord ten slotte over de beide "verraders," Salhana en Gorakh. De eerste is 't type van den intrigant, de laatste van den fanaticus. Beide worden ze geleid door heerschzucht: Salhana hoopt, zoodra Selim keizer is, onderkoning te worden van Kaçmir, Gorakh denkt voor en gedurende den opstand te kunnen toonen, hoe geducht de macht van den Worger-priester is, om zoodoende ten laatste zelfs de hoogsten in den staat te beheerschen.
IN DAGEN VAN STRIJD.
[Reinout van Meerwoude.] [Zijn opvoeding.] De belangrijkste persoon uit dezen roman is ongetwijfeld Reinout van Meerwoude; de anderen zijn grootendeels niets dan werktuigen in zijn hand. Hij heeft een eigenaardig karakter, vooral gevormd door zijn opvoeding. Zijn ouders had hij vroeg verloren; altijd heeft hij dus onder vreemden verkeerd en nooit de liefde gekend, die zooveel op 't hart van 't jonge kind vermag. Zijn voogd was een onverschillige, die hem totaal zijn eigen gang liet gaan en tot lijfspreuk had: "Uw leven is úw zaak, en mijn leven is míjn zaak, en zoolang die twee zaken elkaar niet hinderen, is het goed." Zoo was Reinout al vroeg aan zich zelf overgelaten, maar hij gebruikte de hem gegeven vrijheid uitstekend; de leermeesters waren zeer tevreden over den leergierigen knaap en weldra leefde hij geheel voor zijn boeken, vooral ook omdat hij wegens zijn zwakke gezondheid veel de kamer moest houden.
[Idealist, later egoïst.] Niet de werkelijke wereld leerde hij kennen, maar de wereld zooals ze in zijn lievelingswerken geschilderd was, een wereld vol idealisme, geheel verschillend van de prozaïsche, egoïstische werkelijkheid. Dus moet eens als Reinout in 't werkelijke leven komt, een groote ontnuchtering volgen en daarmee een totale verandering in zijn karakter; de idealist zal egoïst worden. Hij ziet, dat de menschen door heel andere drijfveeren worden beheerscht dan hij zich voorstelde. "Hij zag den adel voor zijn grooten, koninklijken tiran, en het volk voor zijn kleinere adellijke heeren in zelfzuchtigen eerbied verzonken; hij leerde de kabalen en intriges van 't hof kennen; hij voelde, dat de vrijheid, waarvan hij gedroomd had, de belangelooze, alleen om haar zelf gezochte, gezocht ook daar waar ze offers eischte, inderdaad niets was--dan een droom." Zoo verkoelt hij langzamerhand geheel, nooit verliest hij meer zijn berekenende kalmte, aan hoogere gevoelens gelooft hij niet meer. Zelfzucht beheerscht iedereen. En als een enkelen keer 't idealisme bovenkomt, volgt er niets dan ontnuchtering en teleurstelling. Bij St. Quentin, bezield door Egmonds dapperheid, meende Reinout te strijden voor een heilige zaak en zelfopofferend ving hij met zijn lichaam een sabelslag op, die voor den veldheer bestemd was. Maar ook Egmond bleek aan zulk idealisme niet te gelooven en hij bood zijn redder als loon zijn voorspraak aan bij den Koning. Vol bitterheid antwoordde Reinout: "Ik heb de druppels bloed niet geteld die de Spaansche regeering mij schuldig was."
Bij de vrouwen doet Reinout dergelijke ervaringen op. Hij, de jonge, rijke edelman is een echte goudvisch, dien de jonge dames graag aan den hengel zouden slaan, en zoodra hij dat bemerkt is voor liefde in zijn hart geen plaats meer.
[Eigenschappen.] De voornaamste eigenschappen van Meerwoude zijn dus de volgende:
a. Hij is een echte egoïst, die niet meer aan hoogere gevoelens gelooft.
b. Hij is een meester in de kunst van zelfbeheersching.
c. Hij is zeer ontwikkeld en buitengewoon scherpzinnig. Door dat alles steekt hij ver uit boven de andere edelen. Door allen wordt hij gevreesd, omdat niemand veilig is voor zijn scherpen spot.