Gids bij de studie der Nederlandsche letterkunde Voor leerlingen der gymnasia, H. B. scholen en studeerenden voor de hoofdacte

c. Zelfs hooge geestelijken blijken weinig eerbied voor de Kerk te

Chapter 115,055 wordsPublic domain

hebben. Bisschop Filips zegt: "Ik heb Rome gezien" en juist daardoor beseft hij dat er veel ketterij moet zijn. Een hoogstaand man als Boudewijn van Heerde gruwt van de domme, onwetende en zedelooze monniken en voegt hun toe: "Gijlieden zoudt werkelijk wèl doen, een kleed af te leggen, dat gij zoo weinig eert."

Aan den kant der Katholieken dus: tal van misbruiken, onderlinge verdeeldheid en bij de beste onder hen zelfs geen geloof aan 't goed recht van hunne zaak.

[Idealisme der Hervorming.] Tegenover dat vooze, zinkende Katholicisme, stelt de schrijfster de frissche kracht en 't idealisme der Hervorming: deze beweging moest overwinnen. Waar de verdediging zoo lauw was, waar telkens geheele rijen overliepen, terwijl de aanvaller vol geestdrift was, kon de uitslag niet twijfelachtig zijn. Paul, Ottelijne, Pistorius, Busscher en Johanna Bakelsze zijn figuren, die mòesten slagen. Vooral van belang is een figuur als Laurensz, de ernstige, wilskrachtige Amsterdammer, de vertegenwoordiger van de kern van 't Nederlandsche volk. Dan wordt ons levendig geschilderd, hoe gretig het volk luisterde naar de predikers, naar Paul op Lauernesse, naar Pistorius in Woerden, naar Busscher gedurende de hagepreek te Everdingen. Eindelijk de heldenmoed der martelaren, die een onuitwischbaren indruk moest maken op 't volk. (Zie vooral hoofdstuk XXVII: de eerste martelaar der Hervorming).

[Verdeeldheid onder de Hervormers.] Tot slot willen we nog wijzen op één verschijnsel: ook de Hervorming droeg reeds in zich de kiemen van twist en verdeeldheid: Paul en Busscher vertegenwoordigen twee stroomingen in de nieuwe leer--Busscher is voorlooper der felle predikanten uit de 16e en 17e eeuw, de vijanden van Barnevelt en Vondel!

DE CAMERA OBSCURA.

[Jubileum uitgave.] De 25ste druk [14] van de Camera is door de Erven Bohn als prachtuitgave de wereld ingezonden: een keurige uitgave, uitstekend papier, prettige druk en een mooie band met plaquette van Beets. En als aanhangsel het oordeel van een honderdtal bekende Nederlanders. Als eerste in de rij een welwillend schrijven van H. M. de Koningin-Moeder. Alles bewijzen te over, dat Hildebrands werk nog populair is.

We zullen eerst in 't kort nagaan wat door de voornaamste critici in de 70 jaren, die na 't verschijnen van den eersten druk verloopen zijn, van de Camera gezegd is.

[Oordeel van Potgieter.] Potgieter had nogal wat op 't boek af te dingen, vooral omdat de strekking zijns inziens niet goed was: Hildebrand had niet genoeg hart voor z'n volk, degelijke burgers als de goeie oom Stastok in 't ootje te nemen kwam niet te pas. In de Camera zag Potgieter geen liefde, geen idealisme. Wel liefde in één opzicht: voor de taal. En daarop wees de criticus dan ook vooral. "Eene hoofdverdienste van het boek hebben wij onder onze beschouwing der opstellen herhaalde malen terloops geprezen; wij moeten er nog eenmaal op terugkomen: het is de stijl, de taal. Wij weten niet, ook na twee, drie malen lezens, wat meer toejuiching verdient: de waarheid van opmerking, in welken geest dan ook, of de gelukkige uitdrukking der gedachte. Het Hollandsch--Hildebrand heeft de taal te lief om niet gaarne haren lof in den zijnen te hooren--het Hollandsch is ons nog rijkere mijn gebleken, sedert zijn talent er zoovele nieuwe te lang voorbij geziene, te achteloos verzuimde aderen in ontdekte."

[Huet.] Busken Huet schrijft geheel in denzelfden geest, maar zegt het--zooals gewoonlijk--scherper dan zijn voorganger Potgieter. Ook hier weer de beide zelfde voorstellingen: Beets heeft niet veel hart voor zijn omgeving, maar is een uitstekend waarnemer, en daardoor een keurig stylist. "De Camera Obscura heeft geen andere strekking dan eene openbaring van het aristokratische in de natuur des schrijvers te zijn. Zij is de geestige wraakoefening geweest van iemand, die zich misplaatst voelde in den kring zijner geboorte. Een witte raaf brengt hier de stukjes uit van zijn donkervervig en burgerlijk geslacht; en dat de neven en nichten zich in den aanvang een weinig verbolgen getoond hebben over de vermetelheid van dien vogel uit hun eigen nest, het is voorwaar niet bevreemdend. Doch voor het overige is het boek de objektiviteit in persoon. Niemand onder onze novellisten van het jongere geslacht heeft onze volks- of onze tusschenklasse, onze stedelingen of onze buitenlieden, zoo op het leven betrapt. Als verzameling genre-schilderijtjes uit de Hollandsche School heeft de Camera Obscura in onze letterkunde haar wederga niet."

En nu 't woord aan de critici van heden.

[v. Deyssel.] Van Deyssel: "Het is een prachtig boek, heerlijk om te lezen, en ik geloof, dat zelden in de 19e eeuw iets beters bereikt is dan de witte bergtoppen van geestigheid, die tevens geestelijkheid is, en het rood en goud gloeijend bewegende vernuft, die in deze bladen wordt aangetroffen naast den altijd doorgaanden als een heldere en zoete geesteslekkernij aandoenden stijlstroom."

[Kloos.] Willem Kloos: "De Camera bewonder ik, op één enkel ding na: de telkens om een hoek glurende, zelfbewust-minzame gestalte van den auteur. Maar de zon heeft wel haar vlekken, zou de Camera dan niet mogen hebben haar Hildebrand?"

[v. Eeden.] Frederik van Eeden zegt, dat hij de Camera gelezen heeft sinds z'n negende jaar en er altijd weer 't zelfde plezier in heeft gehad als tot nu toe. "Vooral uit "de Familie Stastok" en "Een oude kennis" zijn vele zinsneden in mijn omgeving spreekwoorden geworden. Het boek heeft echter geen wereldbeteekenis en alleen voor ons Hollanders volle waarde, omdat het eigenlijk eerstelingswerk is van een nog niet geheel gerijpt talent. Wel zijn enkele schetsen in haar soort voltooide meesterwerkjes, maar de fijne humor wordt nog niet door groote origineele menschelijkheid gedragen. Had Beets zijn ware kracht als humorist begrepen, door een rijk leven gevoed en door toeleg verder ontwikkeld, dan had hij Hollandsche humor ook door den vreemdeling kunnen doen waardeeren en zelf een plaats in de wereldliteratuur gekregen."

[Heyermans.] Heyermans denkt nog "aan 't groote, echte, innige genot bij de lezing der "Familie Stastok", der "Familie Kegge" etc. tusschen de witbekalkte muren van 't schoollokaal. Beets is ons toen àllen zoo'n boel geweest--Hildebrand, bedoel 'k (wie dacht aan Beets?). Z'n natuurlijke stem, z'n Hollandsche vertrouwelijkheid, maakten ons tot meedroomende makkers en gevoelige vrienden. Speurden wij iets van den "braven Hendrik"? Vroegen we of 't jammer was, dat de "dominee" niet meer in de Camera wou kijken? Hadden we benul van andere, meer zuivere "betere" literatuur? Och nee. In de verste verte niet! Wij frischten op bij de historie van 't diakenhuismannetje, hadden graag dien meneer Van der Hoogen 'n blauw oog geslagen!...."

[v. Nouhuys.] Van Nouhuys: "Hildebrands Camera Obscura, den gewonen lezer bekorend door gemoedelijk-gevoeligen of fijn-geestigen humor, de meer literairen tevens door bizondere kwaliteiten van stijl en taal, blijft bovendien belangrijk als het intuïtieve, grootendeels geslaagde pogen van een oorspronkelijk talent om zich vrij te maken van vreemde invloeden."

[Querido.] Querido: "Een onsterfelijk boek, wijl het leven er in vastgegrepen wordt."

[Blok.] Thans het oordeel van den historicus Prof. Blok: "De Camera Obscura is naar mijne meening een werk van groote en blijvende waarde, vooral als getrouwe afbeelding van een beschavingsperiode, die in de geschiedenis van ons volk een belangrijke plaats inneemt: een periode van plaatselijk stilleven, waaraan wij thans ontgroeid zijn, maar die bijna een halve eeuw lang typisch geweest is voor ons volksbewustzijn."

[Viotta.] De bekende musicus Henri Viotta zegt o.a.: "Als musicus gevoel ik mij bijzonder aangetrokken door de "Familie Kegge." De beschrijving van het concert is de geestigste recensie, die ik ken."

[Troelstra.] Ten slotte een aanhaling uit het schrijven van den bekenden sociaal-democraat Mr. P. J. Troelstra: "De Camera Obscura behoort tot het burgerlijke tijdperk van onze literatuur, ook wat den kijk van den schrijver op het volk en de sociale toestanden betreft. Maar het boek is m.i. gemeengoed der natie geworden, en van alles, wat onder het etiket proletarische literatuur is verschenen, heeft niets het zoover kunnen brengen, dat het volk het als zijn eigen heeft aangenomen.

M.i. is de grond hiervoor te vinden, behalve in de stof, het talent en het objectieve standpunt van den schrijver, in zijn gemis aan pretentie.

Onze moderne schrijvers zijn zeer pretentieus; de besten hunner willen het juist heel bijzonder zeggen, gebruiken een taal, die het volk niet begrijpt, en dringen daarom slechts tot een klein letterkundig geschoold deel van 't volk door. Den klassieken eenvoud van Goethe en Schiller, ook dien van de Camera, missen zij. En met de uiterlijke luxueuse artisticiteit hunner produkten correspondeert niet de diepte van hun kijk op het leven, hunne bekwaamheid in te grijpen in de innerlijke roerselen van het menschenhart (buiten hun eigen), die de Camera zoo warm, zoo innig, zoo tot een stuk van ons leven maken."

[Ontstaan van de Camera.] Beets heeft in zijn studententijd de Camera geschreven en in 1839 werd het boek voor 't eerst gedrukt. In dien druk kwamen o.a. voor De Familie Stastok, Een oude Kennis en Een onaangenaam mensch in den Haarlemmerhout. In de 3e uitgave (van 1851) verschenen De Familie Kegge en Gerrit Witse, die beide echter al lang vóór 1851 geschreven waren.

[Hildebrand.] Beets schreef het werk onder het pseudoniem Hildebrand en er zijn heel wat gissingen gemaakt, waarom juist deze naam gekozen is. Beets geeft in zijn "Na vijftig Jaar. Noodige en overbodige opheldering van de Camera Obscura", zelf het volgende antwoord: "Wat hem bewogen heeft om juist dien naam aan te nemen, weet hij zelf niet. Alleen wist hij, toen hij hem aannam, dat het een naam was door niemand van zijn maagschap, vrienden of bekenden gedragen, en voorts was hij van het gevoelen, door hem uitgedrukt in de Narede van 1838: "Ook is het om 't even of men Jaap (Jacob) heet of Hildebrand."

[De naam Camera.] De naam Camera Obscura is duidelijk: Hildebrand wil in zijn boek weergeven wat hij in 't leven ziet, hij gaat fotografeeren. Zijn werk is dus realistisch. Maar toch niet zuiver realistisch, omdat Hildebrand geen echte fotografie levert. Hij heeft geen bepaalde personen op 't oog: maar vereenigt verschillende eigenschappen in één persoon: de bedoeling is meer typen te geven dan werkelijke personen. Toch blijven--en dat is een van de groote verdiensten van de Camera--ook de typen menschen van vleesch en bloed, personen zooals we allen in onze omgeving kunnen aanwijzen. Wie heeft nooit een houten Klaas als Pieter Stastok ontmoet? Maar persoonlijk wilde de schrijver niet zijn. Dat blijkt uit de waarschuwing tegenover 't titelblad. De schaduwen en schimmen van Nadenken, Herinnering en Verbeelding vallen in de ziel als in eene Camera Obscura, en sommige zoo treffend en aardig, dat men lust gevoelt ze na te teekenen en, met ze wat bij te werken, op te kleuren, en te groepeeren, er kleine schilderijen van te maken, die dan ook al naar de groote Tentoonstellingen gezonden kunnen worden, waar een klein hoekje goed genoeg voor hen is. Men moet er evenwel geen portretten op zoeken: want niet alleen staat er honderdmaal een neus van Herinnering op een gezicht van Verbeelding, maar ook is de uitdrukking des gelaats zoo weinig bepaald, dat eene zelfde tronie dikwijls op wel vijftig onderscheiden menschen gelijkt."

[Wijze van werken.] De groote kracht van Hildebrand is juist dat "nateekenen", dat weergeven van 't geen hij ziet. Het bedenken van een intrigue is niet zijn fort. Vandaar dat de grootere stukken uit de Camera dan ook allemaal op dezelfde manier gebouwd zijn: een student gaat uit logeeren, neemt zijn camera mee en richt dat toestel nu op den een, dan op den ander. Zoo is 't in "De Familie Stastok" en ook in de "Familie Kegge". "Gerrit Witse" is in vele opzichten op dezelfde wijze geconcipieerd, en in "Een oude Kennis" is 't haast alsof Hildebrand een kinematografische opname gedaan heeft van den goedigen Mr. Bruis, die zooveel avonturen op zijn reisje heeft.

[Echt Hollandsch boek.] Deze gave van den schrijver maakt de Camera tot zoo'n door en door Hollandsch boek: Hildebrand weet het Holland van zijn tijd voor ons te doen herleven. De Camera is, zooals Querido terecht zegt, onsterfelijk wijl het leven er in vastgegrepen is. Daarnaast moeten we vooral wijzen op de manier waarop Hildebrand dat leven weet weer te geven, op zijn onderhoudende, geestige wijze van vertellen, op zijn keurigen stijl, die hem telkens het juiste, typeerende woord weet te doen vinden. Om het kenmerkende van de Camera beter in licht te stellen, zullen we één stuk, "De Familie Stastok", meer in bizonderheden bespreken.

De Familie Stastok.

[Schildering van den middenstand.] Hierin wordt ons de middenstand uit Hildebrands tijd (dus ±1840) geteekend. Zoo wàren werkelijk de bedaarde, deftige, eerzame Hollanders uit dien tijd, héél solied, maar ook héél bekrompen. In waarheid conservatief. Zooals Prof. Blok zegt: de tijd van het plaatselijk stilleven. Ook Beets was in een dergelijke omgeving opgegroeid, vandaar dat Huet spreekt "van de geestige wraakoefening van iemand, die zich misplaatst voelt in den kring zijner geboorte." Op een andere plaats vergelijkt deze zelfde criticus de Camera en den Max Havelaar en wijst op het satirieke in beide werken. "In beide wordt afgerekend met eene zamenleving. Welk innig genot smaakte Hildebrand, toen hij ze naar den vleesche ridikuliseren kon, de filistijnsche kwelgeesten zijner jeugd! Hoe sprong Havelaar's hart in zijn binnenste van blijdschap op, toen Sjaalman met fatsoen de Aglaja op den grond kon laten vallen! Zulke stille tijgergenoegens verorbert een mensch slechts eenmaal in zijn leven." Of "tijgergenoegens" voor Hildebrands goedmoedige spotternij niet wat te sterk is? Me dunkt van wel. Multatuli kwetst zijn tegenstanders met z'n snijdende woorden, Hildebrand houdt ze een beetje voor den mal. Maar dat de bourgeoisie van 1840 er zonder kleerscheuren afkomt, zal niemand kunnen beweren. Men denke slechts aan 't hoofdstuk waarin verteld wordt, "dat er menschen komen op een kopje thee, om verder het avondje te passeeren."

Bespreking van de hoofdpersonen.

[Oom Stastok.] I. Stastok Senior. Zijn beste eigenschap is degelijkheid; hijzelf is degelijk en degelijk is ook alles wat hij heeft: z'n huis, de meubels, de kleeren, z'n goud-horloge. Maar--en dat maakt hem belachelijk--die degelijkheid uit zich in peuterige dingen, is geworden tot bekrompenheid. Oom Stastok is het vleesch geworden conservatisme. Hij is tegen alle vooruitgang, tegen alle verandering zelfs. Dit conservatisme is zoo sterk, dat de oude heer Stastok zijn lintweverij aan kant heeft gedaan, omdat hij zich niet wilde schikken naar de veranderde omstandigheden: machines kwamen niet in zijn fabriek en liever dan onder de markt te verkoopen, liet hij zijn oortjesband verrotten. Is 't wonder dat met zulke fabrikanten onze nijverheid naar den kelder moest gaan?

[Geestelijke ontwikkeling.] En dan de geestelijke ontwikkeling! Oom was tevreden met de Oprechte Haarlemmer, en "Barnave, par Jules Janin", is voor hem "een boek over Barneveld, die we laatst in 't leesgezelschap gehad hadden." Trouwens in dat "leesgezelschap" zal wel niet veel anders geweest zijn dan 't geen Gerrit Witse op de leestafel van 't Leesmuseum in Rotterdam vond: "de Letteroefeningen, met een aantal steken op "de jonge dichters", en zeer huiselijke beeldspraak van "ongare kost, keurige schotels, goed gekruid, sterk aangezet" en wat dies meer zij; het Leeskabinet, met groenen omslag en de Boekzaal der Geleerde Wereld, met een versjen op de begrafenis van Ds. die en die, en op het vijftigjarig bestaan van Ds. zoo en zoo." Op die leestafel lag ook nog "De Gids", maar dat oom in zijn leesgezelschap dat tijdschrift ook geduld heeft, kan ik me niet voorstellen. De "Vaderlandsche Letteroefeningen" zullen op hem in elk geval meer invloed gehad hebben dan de revolutionnaire "Gids". Hoe goed die Letteroefeningen hun lezers over buitenlandsche literatuur inlichten, blijkt uit de woorden van mijnheer Van Naslaan, die den naam Victor Hugo zoo echt Hollandsch uitsprak, en "meende dat het zoo'n bloederig man was." Ook de achtenswaardige makelaar Dorbeen vond het "een rare kerel", die pro en contra voor geld schreef. En oom moet van die lichtzinnige Franschen heelemaal niets hebben: "die Franschen, 't is een raar volk; al zeg ik 't zelf." Heeft Huet niet wat gelijk als hij zegt, dat Beets zich misplaatst voelde in den kring zijner geboorte? En zou Hildebrand die Hugo's "Lorsque l'enfant parait" zoo goed vertaalde, zich thuis gevoeld hebben in 't gezelschap van de Dorbeens, Naslaans en Stastokken?

Een andere uiting van oom Stastoks bekrompenheid is zijn zoogenaamde nauwgezetheid, stiptheid. Alles moet precies op den vastgestelden tijd gebeuren: om zes uur stond oom op, "ten einde om half acht aan het ontbijt te zijn" (!); als de wagen van tweeën voorbijging, gebruikte hij zijn bittertje; voor November werd niet gestookt. Stastok senior was de slaaf van zijn "goud horloge".

Eén keer had de conservatieve heer Stastok een offer gebracht aan de vooruitgang en nog wel op 't gebied van "den Moloch der negentiende Eeuw", de Mode. Niet ten opzichte van eigen kleeding, verre van dat: oom bleef nog altijd de korte broek dragen, maar hij had de tuinkamer laten opknappen en ook het goudleeren behangsel laten bijwerken. Dat bijwerken bestond in: het laten moderniseeren van al wat kleedij was! de hoeden b.v. geschilderd naar 't nieuwste model bij den hoedenmaker gehaald. Andere dingen daarentegen hadden hun ouden vorm behouden. Kan men zich grooter smakeloosheid denken? Maar mijnheer Stastok en zijn kennissen zullen het wel heel mooi gevonden hebben.

[Tante.] Tante Stastok is even bekrompen als oom, maar zij heeft één eigenschap die dat alles over 't hoofd doet zien: haar goedhartigheid. Zij is de zorgzame huisvrouw, die alles keurig in orde heeft en voor iedereen even hartelijk is. Ook haar houding als Hildebrand 't gedicht opzegt, is heel sympathiek en haar uitroep: "Heerementijd, neef Hildebrand, dat is mooi" is heel wat meer wáar, dan 't gewichtig doen van de deftige heeren.

[Pieter.] Pieter Stastok, de èchte Stastok, de houten Klaas. Aan die onhandigheid hebben zijn ouders heel wat schuld: hij is vooral zoo geworden door z'n opvoeding. Hij is opgegroeid in de duffe, bekrompen omgeving, waarmee we al kennis gemaakt hebben, altijd is hij behandeld als een klein jongetje, als eenig zoontje verwend, omgang met anderen heeft hij weinig gehad. Bovendien is hij van nature bedeesd, wat door zijn opvoeding nog verergerd is. En zoo iemand wordt student! Natuurlijk voelt hij zich onder vroolijke jongelui niet thuis, wordt nog onhandiger en houteriger, trekt zich terug, vereenzelvigt, wordt een zonderling.

Daarbij nog een ongelukkige eigenschap: zijn verwaandheid. Natuurlijk: Pieter is thuis altijd beschouwd als een wonder van geleerdheid, heeft met andere jongens nooit meegedaan, zat meest in huis en kon dus gemakkelijk in z'n klas meekomen. De dwaze ouders zijn gaan pronken met hun knappen zoon, als er bezoek was had Pieter altijd, vooral nadat hij Latijn geleerd had, een hoog woord, hij werd de vraagbaak van familie en kennissen en z'n eigenwijsheid werd steeds grooter. Wat de heer en mevrouw Witse in hun bekrompenheid hàast gelukte--hun zoon Gerrit door dwaze vergoding ongelukkig te maken--was aan oom en tante Stastok volkomen gelukt.

[Kiekjes van Pieter.] Op dezen houten Klaas richt Hildebrand nu zijn camera en laat ons hem in zijn verschillende evoluties gadeslaan, juist op oogenblikken en in toestanden dat zijn onhandigheid het best uitkomt.

[Als biljartspeler.] Eerst moet Piet biljartspelen. We zien hem dus in een café, onder vroolijke menschen, die 't wàt gezellig vinden zoo iemand in de maling te nemen. En nu moet hij nog potspelen ook, dus met vele anderen tegelijk. 't Gaat dan ook heel dwaas, hij hanteert op allerongelukkigste manier z'n keu, raakt den acquitbal bij ongeluk zoo fijn, dat hij hem tegen alle etikette in een hoekzak snijdt, en de pikeur hem toebrult dat het een lompigheid is; maakt later--alweer bij ongeluk--een doublé; staat ten slotte er het beste voor van alle spelers, zoodat hij "de Vlag" krijgt; maar takelt dan langzamerhand af. Alles natuurlijk onder duizend grappen van de jongelui, zoodat Piet geen drogen draad meer aan zijn lijf heeft.

[Op 't avondje.] Dan zijn dwaas figuur op 't avondje. Bij andere dergelijke gelegenheden is hij een persoon van gewicht, maar dezen avond loopt het heelemaal mis. Twee "kleinigheden" zijn er die hem hinderden: liefde en haat. Liefde voor Koosje, haat tegen Hildebrand, die zooveel succes heeft en zelfs bij Koosje in de gunst schijnt te komen. Natuurlijk is Piet nu nog onhandiger dan gewoonlijk: hij zou zoo graag Koosje een zoet woordje toevoegen en weet haar niets anders te zeggen dan: "Houje nog al van evenveeltjes?" En dan plaagt de onuitstaanbare Hildebrand hem ook nog! Hij vraagt Piet "iets op te zeggen, of te zingen of zoo." Stel je voor: Pieter Stastok zingen!

[Bij 't roeipartijtje.] Erg bespottelijk is Piets roeipartijtje. Eerst al de manier, waarop hij met Koosje loopt, dan de manier van roeien (met glacé's aan nog wel), het sentimenteele gesprek met Amélie, "de magere ende zeer leelijke van gedaante, rank van vleesche, en wier gelijke in leelijkheid niet gezien was in den ganschen Egyptenlande"; de schommelpartij, als Dolf en Koosje neus aan neus staan en hij het genoegen heeft ze op te geven; de schipbreuk van Piet, waarbij alleen de laarzen nog aan boord liggen, de panden van zijn jasje op de golven zweven, zijn handen zich op den bodem van 't water ophouden en het beslikte, maar nog altijd gebrilde gelaat niet dan met moeite wordt boven gehouden, terwijl de hoed op de ongewisse baren dobbert; daarna Piet in het costuum van boer Teewis, een pakje nat goed onder den arm en even daarna met een rapier in de hand, bijna in duel met Dolf en ten slotte.... Piet in dat idyllisch kostuum, nog verfraaid door een schotsbonten mantel van Christien, bij 't zachte maanlicht waratje haast aan 't vrijen met Koosje! O, die schalksche camera van Hildebrand!

[Van Naslaan.] Over de andere personen zullen we kort zijn. De heeren Van Naslaan en Dorbeen hebben we zoo pas bij de "Letteroefeningen" al ontmoet en een nadere kennismaking zal onze achting voor de beide heeren niet vermeerderen. Van Naslaan is iemand, die--zijn naam zegt het al--"onbegrijpelijk veel gelezen heeft," een echte snuffelaar, die allerlei peuterige dingen uit vroegeren tijd opzoekt. Hij heeft 't dan ook altijd over den goeden ouden tijd. En oom Stastok is 't roerend met hem eens, dat "onze vaderen andere menschen waren." Als Hildebrand reciteert:

"Soms spreken we om den haard, met ernst en met verstand, Van wetenschap en kunst, van plicht en vaderland."

knikt de heer Van Naslaan zeer verstandig!

[Dorbeen.] Dorbeen is de komiek van 't gezelschap, een echte flauwe vent, die zijn grappen zelf heel mooi vind. Sterk is hij in woordspelingen b.v. "Zijn vader heet Goedelaken, maar hij mocht wel Goudlaken heeten." Het "Nut der Tegenspoeden" wordt "het nut der regenhoeden." Natuurlijk wordt hij zéér gewaardeerd, net als Wagestert in "Gerrit Witse"; allen zitten te schudden om zijn geestigheden, alleen Koosje, die de gebruiken zeker nog niet kent, heeft er moeite mee.

[De dames.] De dames zijn al even bekrompen als de heeren: mejuffrouw Van Naslaan doet verbazend gewichtig, vergelijkt alle dingen geestiglijk bij muisjes, die staartjes hebben zullen, en staat dus in een grooten roep van wijsheid; mevrouw Dorbeen is een rammel, trotsch op haar mevrouwschap, haar muts en haar echtgenoot, van wie Hildebrand had hooren zeggen, dat ze een heel mooi vers opzei. Ze heeft dan ook zeer rollende bruine oogen en brouwt sterk! Hoe goed ze kan reciteeren blijkt, als ze "op hartroerende wijze het hartroerende meesterstuk des grooten Borgers" bederft.

Koosje van Naslaan is een aardig, natuurlijk meisje; Mietje (met de kalfsoogen) "volstrekt niets dan een goed mensch," dat weinig anders zegt dan "Hè, ja!"

De dames van het roeipartijtje worden het best getypeerd in den volgenden zin: "Koosje was allerliefst, Christien alleruitgelatenst, Amelie allersentimenteelst." Kenmerkend is ook de verschillende houding van de dames als Piet door een onhandige beweging met zijn riem de schuit doet ronddraaien: "Koosje lachte, Christien proestte, Amelie gaf een gilletje!"

[Dolf van Brammen.] Dolf van Brammen is wel in alle opzichten een tegenvoeter van den goeien Pieter! Dolf jolig, onderhoudend, handig; Piet droog, vervelend, houterig; maar Pieter is een echte blokker en zal bij zijn examens wel cum laude krijgen, en Van Brammen is een boemelaar, een gesjeesd student! Zoo iemand had Hildebrand noodig om Pieter eens goed in 't zonnetje te kunnen zetten.

[Keesje.] Van Keesje behoeven we weinig te zeggen, dien kent ieder. Huet noemt zijn verhaal--naast dat van Saidjah en Adinda--"de bloem der sentimentaliteit" en daaraan hebben we niets toe te voegen.

[Mooie rol van Hildebrand.] Nog een enkel woord over de rol die Hildebrand zich zelf in de Camera toedeelt. Kloos (en vele andere critici o.a. Huet) hinderde "de telkens om een hoek glurende, zelfbewust-minzame gestalte van den auteur" en werkelijk is 't opvallend hoe mooi Hildebrand z'n rol is. Hij weet zich uitstekend te bewegen, kan goed biljarten, goed roeien, een vers zeggen, staat in één woord vér boven alle anderen. Keesje krijgt door hèm 't geld terug. Zoo is 't ook in De Familie Kegge, waar Hildebrand zelfs de belaagde onschuld (Suzette Noiret) redt en den schijnheiligen belager (Van der Hoogen) ontmaskert!

['t Geestige in de Camera.] Ten slotte iets over 't geestige van den stijl in de Camera, waardoor de schrijver de aandacht telkens gespannen weet te houden. Als men maar enkele regels leest, ontmoet men bijna dikwijls zoo'n echt Hildebrandiaansche zinswending of uitdrukking, die telkens weer een glimlach op onze lippen roept. Op enkele eigenaardigheden wijzen we hier:

1. Het geestige in 't gebruik van een enkel woord, b.v. "op dezelfde bank met deze had een jong juffertje gezeten, in een blauw geruiten mantel niet gedoken, het denkbeeld is te ruim, maar gestoken," of.... "Aan zijn zijde sluimerde een jong mensch met gescheiden haar," en verder: "Pieter en ik worden bezig gehouden door een langwerpig man van een groote dertig jaren, met een kaalachtig hoofd en in een langen sluitjas."

2. Het laatste voorbeeld wijst op een tweede middel om een komisch effect te weeg te brengen nl. het in één adem noemen van twee dingen die niet bij elkaar passen bv. beschrijving van lichamelijke eigenschappen en daarmee de kleeding te verbinden, net alsof dat ook noodzakelijk bij den beschreven persoon behoort. Zoo in dezen zin: "Aan zijne zijde sluimerde een jong mensch met gescheiden haar, zoo glad gekamd alsof het uit éen stuk was, hooge jukbeenderen, een blauwe das, een turkooizen doekspeld," enz. "Oom Stastok had geen ander lichaamsgebrek dan zijn hooge linnen halsboorden!" en "mevrouw Dorbeen was trots op haar muts en haar echtgenoot." Zoo vond ook Hildebrand in de kerk "praalgraven en kosters die een fooi begeerden."

3. De woordspelingen. Pietje had Koosje "geen ander zoet woordje kunnen toevoegen dan: houje nog al van evenveeltjes?" en de schuit, waarmee de jongelui vastraakten, "strekte haar gehechtheid letterlijk uit tot de struik, waarvan de vergeet-mij-nietjes waren geplukt, tot het stuk grond, waarop zij gebloeid hadden."

4. De komische samentrekkingen. Een enkel typeerend voorbeeld: Pieter is onder de verhalen van mijnheer Dorbeen verstrooid, "rookt wanhopig door, grinnikt als een vertelsel, en stopt een nieuwe als een pijp uit is!"

WAARHEID EN DROOMEN.

[Ontstaan van het werk.] Hierover leze men het "Naschrift. Losse bladen uit de geschiedenis van het boek", door Jonathan in 1891 geschreven als aanhangsel bij de 8ste uitgave van zijn werk. Voor dengene die een vroegere uitgave bezit, diene 't volgende. Potgieter bezocht zijn vriend Hasebroek in 1839, toen deze nog predikant was te Heilo en vroeg om een bijdrage voor zijn almanak Tesselschade; Hasebroek bood aan wat poëzie te leveren, maar zijn vriend wilde een prozastuk: de brieven, door Potgieter van Hasebroek ontvangen, hadden den eerste bewezen dat er in den predikant een uitnemend prozaïst school. Potgieter bood zelfs aan met behulp van Beets, die bij 't gesprek tegenwoordig was, uit verschillende fragmenten van Hasebroeks brieven een geheel samen te stellen, maar dit mislukte en nu sloeg Jonathan zelf de handen aan 't werk. Zoo ontstond het eerste opstel: "de Oprechte Haarlemsche Courant". De schrijver koos juist dit onderwerp, omdat hij "een lijst voor de verschillende beeldjes in de schilderij" moest hebben. "Ik zou enkel losse bladzijden geven, maar die moesten met elkaar in verband worden gebracht en daartoe was een of ander verbindingsmiddel noodig, dat elastisch was en gemakkelijk alles en nog wat, waarover ik praten zou, samen kon vatten."

Het voornaamste van dit alles is, dat juist Potgieter de man is geweest die Hasebroek tot proza-schrijven heeft gebracht; een nieuw bewijs, hoe groot de invloed van dien criticus op de letterkunde van de 19e eeuw geweest is.

Toen Jonathan eens iets had voortgebracht, liet Potgieter hem niet met rust, en vroeg nieuwe bijdragen voor "Tesselschade" en voor "De Gids". Al spoedig werden de schetsen zoo talrijk, dat ze samen een bundel konden vormen, die in 1840 onder den titel "Waarheid en Droomen" verscheen.

[Naam.] De titel zelf is duidelijk: wat wil de schrijver er mee te kennen geven?

En nu de naam van den schrijver: waarom zou juist de naam Jonathan gekozen zijn? Houd hierbij in 't oog, wat de schrijver omtrent de beteekenis en het wezen van verschillende namen zelf zegt in "de Stamboom". We geven uit dit gedeelte enkele aanhalingen (vgl. blz. 128-129 van den 10den druk). "De Hebreeuwen gaven hun kinderen een naam naar de hope, die zij van hen koesterden, naar de deugd, tot wier beoefening ze bovenal verplichten wilden." In ons land is de oorspronkelijke beteekenis van de namen geheel verdwenen, maar van zichzelf zegt de schrijver nog: "Mijne lieve moeder althans heeft mij wel degelijk bij mijn Jonathans-naam een Jonathans-hart zoeken te geven"; een bewijs, dat hij aan zijn eigen naam de oorspronkelijke beteekenis hecht.

Indruk dien men van Jonathan uit zijn geschriften krijgt.

[Uiterlijk van Jonathan.] Hij teekent zich zelf als een bejaard man, met een lange, magere gestalte, een verre van behagelijk uiterlijk, doffe oogen, gerimpeld voorhoofd, met smartelijke groeven om zijn mond, en peper- en zoutkleurige haren. We zullen deze uitspraken even met aanhalingen bewijzen.

a. In zijn brief aan een "oude vrijster"--lieve juffrouw X--zegt Jonathan: "Ik ben dus tot mijn groote schande ondanks mijn overrijpe jaren nog niet beter dan een onmondige, en zonder over mijn hand te kunnen beschikken" (blz. 171).

b. In "het Portret", waar de schrijver over zijn jeugd en over zijn later leven spreekt, heet het: "Integendeel gaat mijn nederige schroom hierin zoo ver, dat ik, als ik 's zomers buiten wandel, er bijna een gewetenszaak van maak, niet te dicht bij het spiegelend water te komen, omdat het mij aan 't hart gaat, als ik het op eens, in plaats van Gods blauwen hemel en zijn lieve groene boomen, mijn lange magere gestalte zie terugkaatsen" (blz. 131).