d. Met den graaf zeilt hij mee naar Friesland, weet zooals we reeds
zagen zijn tegenstander eenigszins te ontmoedigen door hem aan de voorspelling van Reinout van Gelder te herinneren, maar als bij toeval weet hij zich gedurende den storm te verwijderen van de vloot en "drijft af" naar Kuinre, zoodat hij in den strijd tusschen Willem en de Friezen slechts toeschouwer behoeft te zijn en eerst partij behoeft te kiezen als de beslissing al gevallen is.
e. Zoo weet hij ook uit deze gebeurtenissen partij te trekken: zoodra er bericht komt, dat Willem gesneuveld is en de Hollanders zijn geslagen, trekt hij als geestelijk vorst Friesland binnen, weet het vertrouwen der Friezen door zijn tactvol optreden te winnen en zijn macht onder de Friesche geestelijken te vergrooten. En terwijl hij hier optreedt als vredevorst, ontstaat door zijn toedoen in Utrecht een nieuwe opstand tegen Holland.
f. Zelfs de schrandere vader Syard wordt door van Arkel bedrogen en door den bisschop op 't slot Nyenstein opgesloten.
g. Hij gebruikt Reinout als zijn werktuig, geeft hem den brief waardoor Aylva hem als zoon zal moeten erkennen, in de hoop dat hij (de bisschop) daardoor den steun der Friezen zal verkrijgen en deze een leger tot ontzet van Utrecht zullen uitzenden (hoofdstuk 25).
h. Zooals reeds vermeld is staat ook Barbanera in dienst van den bisschop, maar de laatste is ook zelfs den sluwen Italiaan veel te slim af en weet dien op dezelfde wijze als vader Syard onschadelijk te maken (hoofdstuk 22).
[Eigenaardige van de karakterteekening.] Nog enkele woorden over de karakterteekening. Een bezwaar tegen Van Lenneps karakterteekening is, dat hij meer typen dan werkelijke personen teekent, d. w. z. één bepaalde eigenschap overheerscht alle andere en volgens deze ééne eigenschap handelen ze voortdurend. Dit is geheel anders dan men in 't dagelijksch leven kan opmerken; een mensch heeft tal van karaktertrekken en juist door botsing van die verschillende eigenschappen ontstaat een inwendige strijd die zijn daden bepaalt. Van Lenneps personen zijn dus dikwijls gepersonifieerde eigenschappen, wat in "de Roos van Dekama" al heel duidelijk aan 't licht treedt.
Deodaat en Madzy zijn steeds deugdzaam, Reinout is altijd hartstochtelijk, Adeelen koppig en oploopend, Aylva is de wereldwijze, Arkel verpersoonlijkt de slimheid, Syard de schranderheid en onbaatzuchtigheid, abt Volkert de onbeduidendheid, Barbanera is altijd gemeen en hebzuchtig.
[Het toeval in den roman.] 't Gevolg hiervan moet zijn, dat de handelingen der verschillende personen niet altijd een uitvloeisel zijn van hun karakter, maar te veel afhangen van toevallige omstandigheden, zoo b.v. de verwijdering van Deodaat en Reinout. Beets heeft dus wel gelijk, als hij beweert, dat in Van Lenneps roman meer actie dan passie is. Het toeval speelt een te groote rol.
[Oordeel van Bakhuizen.] Bakhuizen van den Brink keurt het af dat Van Lennep zijn stof heeft genomen uit de Middeleeuwen; de Middeleeuwen immers zijn niet het meest belangrijke deel onzer geschiedenis, ons land is geen land van ridders, maar van kooplui, het is een burgerlijk land. Onze bloeitijd valt in de 17e eeuw, aan dien tijd had de schrijver zijn stof moeten ontleenen. M.a.w. Van Lenneps werk is niet nationaal genoeg. Volkomen in overeenstemming hiermee zegt Potgieter in zijn kritieken: "Indien hij zich de helft der studie, welke hij der Middeleeuwen wijdde, voor onze zeehelden, onze wereldhandelaars, onze Staats- en Prinsgezinden getroost had, hoeveel verdienstelijker zoude zijn populariteit, hoeveel duurzamer de vermaardheid zijner verdiensten zijn." Bakhuizen wijst o. a. op Claes Gerritz, den Haarlemschen Marktschrijver, die onder van Lenneps handen een caricatuur geworden is, omdat hij altijd te pas en te onpas met de stedelijke privilegiën aan komt dragen. En toch is deze Claes Gerritz de vertegenwoordiger van de opkomende burgerij, die stellig geheel anders behoorde geteekend te worden. Een bewijs, hoe averechts Van Lennep de toestanden voorstelt. Tegen deze wijze van kritiseeren is heel wat in te brengen. Wel degelijk is de 14e eeuw in onze geschiedenis van veel beteekenis, 't is de tijd der Hoeksche en Kabeljauwsche twisten, de strijd tusschen opkomende burgerij en zinkende ridderschap. Maar die strijd had dan ook in den roman in een helder licht moeten worden gesteld, in een historischen roman behoort men de groote ideeën uit dien tijd terug te vinden. En nu is de groote fout in "de Roos van Dekama", dat men totaal geen beeld krijgt van den maatschappelijken toestand in dien tijd, wel treden vele personen op, vooral edelen, maar de 14e eeuw leeft toch niet voor onze oogen, zooals dat b.v. wel 't geval is met de 17e eeuw in Sinjeur Semeyns. De roman is dus niet af te keuren omdat de greep niet gelukkig geweest is, maar omdat er geen leven zit in het historische gedeelte.
[Strekking.] Eigenaardig is de strekking van den roman, die door Van Lennep van 't slot aan zijn inleiding aangegeven wordt in de woorden: "Wacht en stille sitt", m.a.w. men moet kalm afwachten, lijdelijk toezien, dan zullen ons de rijke vruchten, als de tijd dáár is, vanzelf in den schoot vallen. Op dit beginsel is de roman gebouwd: Deodaat is in hoofdzaak passief, hij is gedurende een groot deel van den roman, zooals we reeds boven hebben aangetoond, een lijdelijk toeschouwer en toch wordt alles wat hij maar wenschen kon, vervuld: hij wordt een machtig Friesch edelman en huwt Madzy. Reinout daarentegen is de man van de daad, ziet alles mislukken, natuurlijk omdat hij niet afwacht. Het is duidelijk, dat de roman geen bewijs van de bedoelde stelling is: Van Lennep had alles heel goed anders af kunnen laten loopen; bovendien anderen in dezen roman zijn volstrekt geen "stilzitters" en ze bereikten toch hun doel. We denken b.v. aan Van Arkel en broeder Syard. Maar zóo meende Van Lennep het feitelijk ook niet; in zijn voorrede laat hij iets aan de stelling voorafgaan, n.l. dat "degene, die zich laat overmeesteren door eenige hartstocht, al ware die zelf uit zijn oorsprong te billijken, altijd zal achterstaan bij hem, die uit welk beginsel dan ook, de omstandigheden niet vooruitloopt, zijn gemoedskalmte bewaart, en, gelijk de schrijver zich uitdrukt, van wien we ons motto ontleenen: "Wacht en stille sitt." Hier staat dus niet, dat iemand die lijdelijk toeziet alles vanzelf zal verwerven, maar dat men zijn tijd, het gunstige oogenblik, moet afwachten en dit doet Arkel ook!
[Willem IV en Adeelen de hoofdpersonen.] Uit het bovenstaande vloeit noodzakelijk voort, dat niet Madzy en Deodaat de hoofdpersonen kunnen zijn, daarvoor zijn ze te veel passief. In 't eerste deel groepeert zich alles om Graaf Willem IV en Seerp van Adeelen; we zien hun haat steeds aangroeien en alles wijst er op, dat ten slotte een openlijke breuk en hierdoor een oorlog moet ontstaan. Daarnaast is vooral belangrijk de jaloezie van Reinout jegens Deodaat.
[Later Arkel.] In het tweede deel speelt Arkel de voornaamste rol, Madzy wordt bijpersoon en Deodaat verliezen we geheel uit het oog, totdat we hem even weerzien voor Utrecht en later in Friesland, maar zonder dat hij eenigen invloed heeft op de handeling. Aan 't slot treden weer Willem en Adeelen op den voorgrond, en na hun dood zien we nogmaals den sluwen Arkel als overwinnaar. Als een soort toegift volgt het slot van de geschiedenis van Deodaat en Madzy; door het toeval en niet door Deodaat zelf zijn alle hinderpalen uit den weg geruimd, zoodat thans de "stil-sitter" zijn loon kan ontvangen.
Men ziet, er zijn heel wat bezwaren in te brengen tegen Van Lenneps werk en toch--zijn werk wordt gelezen en boeit dikwijls degenen, die 't in beginsel afkeuren. Dat komt door de eigenaardige verdiensten van den schrijver:
[Boeiende roman.] 1. De intrigue is boeiend, men weet bijna nooit, wat er komen zal en meent men eindelijk den draad gevonden te hebben, dan komt er weer een nieuwe verwikkeling, waardoor alles geheel in de war gebracht wordt. Zoo b.v. het optreden van twee Barbanera's, de geheimzinnige verhouding tusschen Van Arkel en den Italiaan, de verstandhouding tusschen Syard en den Bisschop, het ontvoeren van Madzy door Van Arkel, het opsluiten van Syard en Barbanera.
[Van Lennep als verteller.] 2. Van Lennep schrijft gemakkelijk en dikwijls geestig, zijn zin voor humor en leukheid trekt ons aan. Zijn stijl is vaak los en natuurlijk, hoewel er in zijn dialogen soms iets stijfs is, maar men moet niet vergeten, dat het werk in 1836 werd geschreven en als men Van Lenneps werk vergelijkt met het vele deftige en onnatuurlijke dat in dien tijd geschreven werd, zal men hem de minder gelukkige zinswendingen gaarne vergeven.
GIDS BIJ DE STUDIE DER NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE.
TWEEDE DEEL.
HET HUIS LAUERNESSE.
[Ontstaan.] In de narede, die mejuffrouw Toussaint in 1840 schreef om 't verschijnen van haar roman te verklaren, zegt ze o.a. het volgende: "In het laatst van het jaar 1838 vroeg de heer Beijerinck van mij een roman uit het eerste tijdperk der Hervorming in Holland, en die bepaaldelijk voorstellen moest: den invloed der laatste op het burgerlijk en huiselijk leven der Nederlanders." Deze woorden zijn voor onze bespreking van veel beteekenis, omdat ze aangeven wat het doel was, dat de schrijfster bij het voortbrengen van haar werk voor oogen stond. We zullen nu trachten na te gaan op welke wijze mej. Toussaint haar doel heeft trachten te bereiken en tevens bespreken of haar pogingen geslaagd zijn.
[Motto.] Eerst willen we echter iets zeggen over 't motto van den roman. Dit is genomen uit een der refereinen van Anna Bijns, een referein, waarin de dichteres al de ellende opsomt die door Luthers leer is te weeg gebracht. "De Prince der duvelen heeft Lutherum beseten" zegt ze--"Noyt arger ketter en was ghevonden."
"Wij sien tcristen volc aen alle sijden Vechten en strijden, Malcanderen benijden, En broederlycke liefde geheel vercouwen...."
Nog veel meer noemt ze, en als slot wordt telkens de conclusie getrokken: "Dit comt meestal t'samen uut Luthers doctrijne." Deze stokregel (laatste regel van een referein, waarin de bedoeling van 't geheel kort is samengevat), heeft mej. Toussaint tot motto voor haar roman gekozen.
Ook uit het motto zou men dus de bedoeling van de schrijfster hebben kunnen afleiden.
Op een merkwaardig verschil moeten we terloops even wijzen: Anna Bijns geeft ons 't geen voorkomt uit Luthers leer zooals een tegenstander van den Hervormer het zag, terwijl mej. Toussaint vooral wijst op het vele goede dat zijn leer gebracht heeft.
[Doel en middelen.] Voornaamste middelen waardoor de schrijfster haar doel--het schilderen van den invloed der Hervorming op het burgerlijk en huiselijk leven--heeft trachten te bereiken.
1. Ze teekent ons een prediker van 't nieuwe evangelie, Paul van Mansfeld, die feitelijk de hoofdpersoon van den geheelen roman wordt, omdat van hem de machtigste invloed uitgaat. We zien op welke wijze deze hervormer werkt; we leven geruimen tijd met hem mee; hooren hoe hij de grondbeginselen der nieuwe leer voor verschillende personen uiteenzet; bemerken hoe verbazend groot de invloed is welke hij uitoefent op allen die met hem in aanraking komen.
Naast hem treden nog andere predikers op: Johan van Woerden (Pistorius) en Johan Busscher, die geheel anders werken dan Paul. Dat de schrijfster ons ook deze personen schildert, is goed gezien, omdat we ons anders allicht een eenzijdige voorstelling zouden maken van de hervormers uit dien tijd. Straks zal dit punt nader uitgewerkt worden.
2. De liefdesgeschiedenis tusschen Ottelijne en Aernout Bakelsze: de schildering van hun groot geluk in den aanvang, dan hunne langzame verwijdering door de Hervorming, een verwijdering die ten slotte een niet te dempen kloof wordt, en eindelijk als schrijnend contrast met het schitterende verlovingsfeest op Lauernesse, de weide bij Kuilenburg, waar Aernout stervend zijn vroegere bruid vloekt.
3. De beteekenis van de hervorming voor de familie Bakelsze, een gelukkig gezin, waarin de vrede door geloofstwisten geheel verstoord wordt.
4. De invloed op ontwikkelde personen, zooals op den vicaris Boudewijn van Heerde, en den bisschop Filips van Bourgondië.
5. Het schilderen van den toestand der Katholieke Kerk, de ontaarding der monniken, de denkwijze der meer ontwikkelde hoogere geestelijken.
6. Daartegenover de Hervormden, hunne bijeenkomsten, de vervolgingen waaraan ze blootstonden, enz.
Ieder van deze punten willen we thans meer uitvoerig toelichten.
[Paul van Mansfeld.] Hij is, zooals mej. Toussaint zelf zegt in haar narede, geen historisch persoon, dus een voortbrengsel van de fantasie der schrijfster, maar een zeer belangrijke figuur, omdat hij een bepaald type vertegenwoordigt dat in verschillende romans van mej. Toussaint terugkeert. Hij is het type van den waren Christen, den drager van het Christendom zooals mej. Toussaint zich dat voorstelde. Zijn Christendom is liefde, hij aanbidt "de liefelijke stem der bergrede."
[Volgeling van Melanchton.] Hij is niet de volgeling van den strijdbaren Luther, die neervelde wie zijn meening niet deelde, maar een aanhanger van den milden, zachtmoedigen Melanchton, de "zonzijde van Luther." Hij gebruikt niet gaarne Luthers vinnigen woordengeesel, maar spreekt liever de zachtere taal van den oprichtenden Melanchton. Hoe mej. Toussaint denkt over de beide hervormers, blijkt vooral duidelijk uit de volgende aanhaling: "Melanchton was de zonzijde van Luther, de liefelijke milde, die balsemde, waar de Hervormer sloeg; de Timotheus van dezen Paulus; de zoele dauw, die besprengde, wat de zaaijer had gezaaid; de welsprekende trooster, die oprigtte, wat de boetprediker had neergedrukt; de lichtstraal, die Luther verheerlijkte, die aan zijne ruwe vormen de zachte rondingen gaf eener fijnere beschaving; die uitgestrekter kennis voegde bij meer medelijden met onwetendheid; in ijver den meester gelijk, maar meer naar wijziging strevende dan naar verwerping; die nog helderder zag en met de blindheid van anderen meer verschooning had! Melanchton is de Hervormer onder hare liefelijkste gestalte, het versierende klimop rondom den stormtrotsenden eik."
Wat Paul betreft nog het volgende: "Tot innig vertrouwelijken omgang met beiden toegelaten, had Paul's zacht gemoed zich als van zelf naar den mildsten gevormd. Hij, nog door geenen strijd verbitterd, door geen folterende persoonlijkheden tot bitsen tegenweer gedwongen, begreep veel beter de leer der liefde van den jongen Geleerde, dan de scherpe zinspreuken van den strengen tuchtheer! Voor beiden had hij de geestdrift der vereering: alleen staarde hij met diep ontzag en hoog opzien naar den Leeraar Luther, maar hij vleide zich vol innig vertrouwen aan de borst van den jongeling Philip."
[Overeenkomst met Graswinckel en Gideon Florensz.] Dit Melanchton-Christendom vinden we terug in verschillende hoofdpersonen uit de romans van mej. Toussaint. We noemen een paar der meest bekende: Graswinckel, die als Delftsche Wonderdokter afstand doet van alle aardsche genoegens, om anderen te kunnen helpen, en door zijn liefdevol hart een verbazingwekkenden invloed op anderen weet uit te oefenen; en Gideon Florensz. Dit is geheel Paul van Mansfeld, uiterlijk en innerlijk. Hij heeft hetzelfde liefdevolle, milde in zijn karakter, ook het zwakke lichaam en tevens den sterken geest, die steeds weet te zegevieren, ook als het broze omhulsel bijna den dienst weigert. Hij weet de driften van den hartstochtelijken Leicester te betoomen en dwingt zelfs zijn fanatieke mede-predikanten eerbied af.
[Tegenover Busscher.] Dat de schrijfster het dweepzieke drijven in den godsdienst afkeurt, blijkt heel duidelijk uit het feit dat Gideon Florensz, als hij tegenover de andere predikanten staat, steeds de mooie rol speelt; doch ook in het huis Lauernesse is dezelfde meening duidelijk merkbaar. Naast Paul staan nl. twee andere Hervormers: Pistorius en Johan Busscher. Vooral de laatste is een echte fanaticus, wat o. a. blijkt uit het gesprek dat tusschen Paul en hem gevoerd wordt, als de eerste uit Vreeland bevrijd is en op Lauernesse komt. Paul heeft beloofd in Utrecht niet meer te preeken en Busscher noemt dit dadelijk: "lauwheid en slapheid om toe te geven aan den wil van wie het licht tegenstaat." Gelukkig brak de tusschenkomst van Ottelijne de redetwist af, die--zegt de schrijfster--"ongetwijfeld van Busscher's zijde in eenen hevigen en bitteren strijd kon ontaard zijn."
Heel duidelijk komt de denkwijze van Busscher uit in hoofdstuk XXIX waarin de hagepreek bij Everdingen wordt beschreven. Zijn rede is geen uiteenzetting van de beginselen der nieuwe leer, het is niets dan critiek op de leerstellingen der Katholieke Kerk, niet in 't opbouwen, maar in 't afbreken ligt zijn kracht. Ook hier weer vinden we Paul tegenover hem, Paul, die niet altijd met goedkeuring heeft geluisterd naar de vurige improvisatie, waarin alles gebruikt werd, "van den heiligsten naam tot het walgelijkste scheldwoord" toe en die dan ook zegt tegen de vrienden, die in zijn nabijheid zijn: "Ik wil nog eenmaal spreken--van zachtmoedigheid wil ik spreken en liefde; met eens anders onreinheid te smaden, wordt het eigen hart niet gereinigd...."
Dat mej. Toussaint het goede waardeert dat de eerste vurige Hervormers door hun afbreken hebben verricht, blijkt uit hetzelfde hoofdstuk, als ze naar aanleiding van deze preek zegt: "Het was goed, dat hij zoo sprak, men was nog in de dagen van het afbreken en de opbouw zou later wel volgen; zoolang de kudde nog niet goed was afgezonderd, kon men nog zoo weinig doen voor hare reiniging."
[Tegenover Pistorius.] Een derde Hervormer die in 't "Huis Lauernesse" optreedt, Johan van Woerden of Pistorius, staat vrijwel tusschen Paul en Busscher in. Hij is fanatiek, evenals Busscher, maar dit is bij hem vooral een gevolg van den voortdurenden strijd dien hij heeft te voeren met zijn lichaam, dat hem drijft tot wellust en dat hij alleen door boetedoeningen en door onthoudingen kan bedwingen. Bovendien is er één ding dat hem meer sympathiek maakt dan Busscher; de wijze, waarop hij den marteldood ondergaat. Op dat oogenblik wordt het harde en vinnige in zijn karakter verzacht en bidt hij zelfs voor zijn rechters.
Goed gezien van mej. Toussaint is het, dat ze juist vroegere priesters schildert als heftige bestrijders der Katholieke Kerk en wel om de volgende redenen.
a. Een bekeerde bewijst door zijn bekeering, dat hij een afschuw heeft gekregen van zijn vroeger geloof en juist daarom zal hij een strijder tegen dat geloof worden.
b. Paul kende de toestanden op aarde niet goed, hij is niet als de anderen "door strijd verbitterd, noch door persoonlijke aanvallen tot bitsen tegenweer geprikkeld"; hij kent niet de verdorvenheden der Kerk, de vreeselijke misbruiken, zooals vroegere priesters die kennen uit eigen ervaring.
Na deze besprekingen tusschen Paul en de beide andere predikers, keeren we tot den eerste terug.
[Harmonie tusschen en lichaam en geest.] Zijn geheele verschijning heeft iets teers, iets vrouwelijks. Hij is geen krachtig, sterk gebouwd man, die alle vermoeienissen doorstaan kan, hij is nog jong, bijna een knaap zelfs, en daarbij tenger gebouwd en van een zwakke gezondheid. "Zijn gelaat heeft de uitdrukking van Johannes, den lieftalligsten der discipelen, dien de Heer zelfs te zwak vond om hem voor den marteldood te bestemmen." Tegen de vermoeienissen is hij op den duur dan ook niet bestand, hij teert weg op Vreeland en op reis naar Duitschland sterft hij.
[Peinzend en afgetrokken.] Een sterk sprekende karaktertrek, dien we ook weer aantreffen bij Gideon Florensz, is Pauls neiging tot peinzen en bespiegelen. Zoodra hij maar even aan zich zelf wordt overgelaten, is hij dadelijk in gedachten verzonken: reeds in zijn gesprek met Enriquez is hij al erg afgetrokken, later bij het gastmaal is hij zoo zeer bezig met eigen gedachten, dat hij niets merkt van 't gewoel, dat langzamerhand ontstaan is.
[Sterke geest.] Merkwaardig is, dat in dit tengere, zwakke lichaam een zóo krachtige geest woont. Hij, de nietige jongen, wordt de beroemdste Hervormer in geheel Holland en Utrecht: de "gezegende Mansfelder" wordt verre boven alle andere predikers gesteld. En dan zijn moed, de onverschrokkenheid, waarmee hij uitkomt voor zijn overtuiging. Nooit verbergt hij zijn meening, steeds is hij de Hervormer, ook al komt hij daardoor in moeilijke omstandigheden. Hij is wèl de zoon van Karel Van Gelder, van wien hij "de dolverwatene koenheid van geest" had geërfd. Van zijn moeder viel hem "ten deel de deerlijke weekheid van lijf en hart." Enkele voorbeelden, waaruit blijkt, dat Paul steeds uitkomt voor zijn geloof.
a. de ontmoeting met de dobbelende monniken in de herberg; b. de samenspraak met Enriquez; c. op het verlovingsfeest te Lauernesse.
En 't mooie in Pauls optreden is, dat het nooit ontaardt in hoogmoedigheid, nooit uitdagend en stuitend wordt, zooals bij vele anderen het geval is, die steeds willen "getuigen." Bij hem is 't altijd natuurlijk. Vandaar ook de ongewone bekoring die uitgaat van Paul, men moet naar hem luisteren zoodra hij spreekt; hij heeft iets liefelijks in stem en taal, iets bovenaards, dat doet denken aan Christus-zelf. Zijn invloed is dan ook verbazend groot en werkt op bijna allen in den roman. We geven hier enkele aanwijzingen, die de lezer gemakkelijk kan uitwerken.
[Invloed op anderen.] Invloed van Paul op:
1. het meisje in de herberg (Stijntje); 2. Enriquez; 3. de bruiloftsgasten; 4. Ottelijne; 5. den Vicaris en den Bisschop; 6. de familie Bakelsze; 7. de toehoorders bij zijn preeken (te Woerden b.v.); 8. den woesten Karel van Gelder, die de ketters wou "sniden ende villen"; 9. Aernoud Bakelsze, die overtuigd wordt "door de roerende oprechtheid, die uit des jongelings trekken sprak."
[Ottelijne.] Zij is als 't ware de tweelingzuster van Paul, in haar vinden we datzelfde zachtmoedige en teedere terug, dat hem steeds kenmerkt. Geen wonder dat ze zoo spoedig zijne volgelinge wordt. Op Paul heeft ze echter vóor 't sterkere lichaam, dat haar in staat stelt het leed beter te dragen dan hij. Immers hare beproevingen zijn niet minder zwaar dan de zijne, getuige hare verhouding tot Aernoud, de behandeling die ze van donna Teresia moet ondervinden, getuige eindelijk de weide bij Everdingen, waar de krankzinnige Aernoud in hare armen sterft, en 't hof te Arnhem, waar ze Paul in de laatste ure bijstaat--en toch, ze gaat niet onder, maar komt behouden aan in Duitschland, leeft nog vele jaren in Wittenberg en smaakt zelfs 't geluk Luther te mogen aanschouwen.
[Opvoeding.] Nu hoe ze komt tot de Hervorming. Zooals we opmerkten, is hierbij haar karakter van groote beteekenis, maar toch is 't vooral de opvoeding geweest die hare levensrichting bepaalde. Haar vader, "een veelwetend Geleerde, die elke kennis en elke wetenschap van zijnen tijd onder zijn bereik had", gaf haar een opvoeding zooals slechts zelden aan een meisje uit dien tijd te beurt viel. Zijn streven was vooral haar een helder inzicht in de dingen te doen verkrijgen, opdat ze later een zelfstandig oordeel zou kunnen uitspreken. "Zoodra haar lief hoofdje twee denkbeelden vatten konde en verbinden, zorgde de vader er voor, dat het heldere en juiste waren, dat de kennis het bijgeloof afweerde en dat de wijsbegeerte tegen vooroordeelen wapende." Zij is dus een dochter van de Renaissance en 't Humanisme, zooals ten overvloede later blijkt uit haar omgang met jonge geleerden, die de Scholastieke wijsbegeerte aanvallen en de groote meesters der Italiaansche letteren, Dante en Boccaccio, bewonderen. Hier geeft mejuffrouw Toussaint aan, dat Humanisme leidt tot vrij onderzoek en dus tot Hervorming. Daarom zegt de Dominikaner-monnik streng tot den heer van Viterbo, als deze uitroept: "Christus! mijn God! en ik was vrij burger van Utrecht! Voor priesters heb ik geknield! monnikenslaaf kan ik níet zijn!"--"met het woord vrijheid begint de ketterij!"
[Invloed van het humanisme.] Ook bij anderen voert het Humanisme tot de Hervorming, b.v. bij den Vicaris en den Bisschop, die beiden ontwikkelde mannen zijn, wier lievelingsbezigheid is studie der klassieke schrijvers. Merkwaardig is dat ze, in 't bizonder de bisschop, de kracht der Hervorming niet beseffen. "Het is zooveel schade niet, dat de Utrechtenaars ook eens hooren, wat men in Duitschland denkt, en de monniken en geestelijken zullen wat beter toezien op zich zelve, als ze weten, dat het volk de oogen opent," zegt bisschop Filips: voor hem is dus de beweging niet een strooming in geheel nieuwe richting, maar eenvoudig een hervorming en zuivering in de kerk zelve.
Ottelijne zou volgens de schrijfster dus vanzelf tot de Hervorming gebracht zijn, vooral omdat ze na den dood van haar vader met den wijsgeerigen de Volder (Gnapheus) in aanraking kwam en met dezen over verschillende godsdienstige vraagstukken sprak, als niet door hare kennismaking met Aernoud al deze betrekkingen waren afgebroken. Thans wordt het tevens duidelijk, dat Paul in de jonkvrouw van Lauernesse weldra een ijverige volgelinge mòest vinden.
[Aernoud.] Aernoud Bakelsze, de strijder voor 't Katholicisme, is in vele opzichten de tegenvoeter van Paul en Ottelijne.
[Wilskracht.] Zijn meest sprekende karaktertrek is de wilskracht. Hij is uit eenvoudige, hoewel bemiddelde ouders geboren, maar weet zich door zijn energie omhoog te werken. Uit al zijn handelingen blijkt die taaie, onbuigbare wil. "Het noodlot zou deze gestalte kunnen verbrijzelen, maar niet doen buigen."
Dan zijn streng zedelijke levenswandel, zoodat hij, vooral ook door zijne buitengewone lichamelijke eigenschappen, de trots der Utrechtsche burgers werd. Bij de schuttersfeesten werd hij zelfs tot koning gekroond en ontving den prijs uit de handen van Ottelijne, de schoone nicht van den bisschop.
[Eerzucht.] De ondeugd die hem ten val brengt, is zijn eerzucht. Reeds als student te Leuven hinderde het hem, dat de jongelieden uit den hoogsten stand hem vermeden, en voelende wat hij kòn, besloot hij door eigen kracht zich toegang tot die kringen te verschaffen. Maar een vleier worden lag niet in zijn aard, juist de eerzucht maakte hem stroef en stug, hij vreesde dat de minste toeschietelijkheid als vleierij zou kunnen beschouwd worden.
[Zijn geloof.] Merkwaardig is de groote invloed die deze eerzucht heeft op zijn geloof. Voor wereldsche personen wil hij niet. buigen, wèl voor de geestelijkheid. Zij immers is de vertegenwoordiger der godheid, voor háár te buigen is geen schande. Vandaar zijn aansluiting bij de Kerk en deze, niet ondankbaar jegens hare vereerders, beloont zijn trouw en steunt hem. Kerk en Staat zijn éen volgens de voorstelling van Rome. Valt de Kerk, dan ook de Staat, en tegelijkertijd zullen alle vooruitzichten op bevordering en roem verdwijnen voor Aernoud. Iedereen die de Kerk aanvalt, is dus zijn natuurlijke vijand: hij stèunt op de Kerk. Vandaar zijn heftige strijd tegen de Lutheranen, vandaar zijn meest kenmerkende eigenschap: de onverdraagzaamheid. Hij mòet onverdraagzaam zijn, van de nieuwe denkbeelden wil hij niets weten, van onderzoek is geen sprake--bij voorbaat is alles verworpen! Vandaar ook de onvruchtbare pogingen van Ottelijne en van zijne familieleden om hem zachter te stemmen.
[Steun der Kerk.] De kerk helpt en steunt hem: ze ziet in Aernoud een geschikt werktuig--de heer van Viterbo dankt zijne bevordering niet in de eerste plaats aan eigen kracht, aan zijn mòed, maar aan den invloed der Dominikaner-monniken. Merkwaardig is het, dat hij, de trotsche man die zoo fier is op eigen kracht, die voor niemand wil bukken, die meent alles zèlf te hebben verworven, het hoofd moet buigen, deemoedig als een kind, voor een eenvoudigen monnik, die hem toont dat hij niets is dan een werktuig in de handen der Dominikanen.
[Verhouding tot Ottelijne.] Op het schuttersfeest waar Ottelijne hem den prijs reikte, hebben ze elkaar voor 't eerst gezien; zij wordt getroffen door den ernstigen man, die zoo verre uitblinkt boven allen, hij is betooverd door de lieftalligheid der schoone jonkvrouw. Maar eigenaardig, kenmerkend voor hem, is zijne houding: hij wil zijn liefde niet bekennen, omdat zij zooverre in stand boven hem verheven is: hij wil niet vooruitkomen door zijne vrouw, hij wil zèlf zijne positie veroveren. Eerst als Ottelijne hèm bijna vraagt, overwint z'n liefde zijn hoogmoed.
[Hoogmoed.] Zijn hoogmoed bepaalt ook zijn verder leven: hij wordt hopman in dienst van den graaf, dat is de meest passende betrekking voor den aanstaanden heer van Lauernesse. Zoo brengt de fiere burger zijn vrijheid ten offer aan zijn hoogmoed. En ook later, want als inquisiteur moet hij de plakkaten uitvoeren die strijden tegen de privilegiën van zijn vaderstad!
[De liefde voor Ottelijne blijft.] De liefde tusschen Ottelijne en Aernoud is waar en diep, wel worden ze later gescheiden, maar de liefde blijft. Als Bakelsze in Nederland terugkeert als heer van Viterbo, is die liefde bij hem eer gegroeid dan verminderd: in 't klooster te Utrecht vraagt hij Ottelijne tot vrouw, zonder 't zoo nauw met het geloof te nemen. En om 't gelòof had hij haar gevloekt!
[Invloed der Hervorming.] En nu de invloed van de Hervorming: deze beide personen, die elkaar zielslief hebben, moeten afstand van elkaar doen door 't geloof, dat ten slotte sterker blijkt dan de liefde. Zij voelen de waarheid van 't Bijbelwoord: "Wie vader en moeder liefheeft boven Mij, is mijns niet waardig!" Beiden lijden ze, beiden worden ze martelaren. Ottelijne verliest alles: haar verloofde, haar naam, hare bezittingen, niets dan 't geloof behoudt ze. Aernoud wordt niet minder getroffen: ook hij verliest alles: zijn verloofde, zijn broeder en zuster--bijna wordt hij zelfs een broedermoordenaar!--hij wordt gevloekt door zijn moeder, en moet ten slotte als inquisiteur zelfs zijn eigen bloedverwanten laten vallen. Ten slotte wordt het leed hem te sterk en grijpt de waanzin hem aan.
Aernoud is de martelaar voor 't Katholicisme. (Vergelijk wat de schrijfster zegt van 't slot van hoofdstuk XXIX).
[Familie Bakelsze.] Deze familie wordt ons voorgesteld als een gelukkige, eensgezinde familie vóor de Hervorming, uiteengerukt en verdeeld door die beweging.
Wel groot is de invloed van den godsdienst!
Aernoud gaat in Spaanschen dienst, wordt heer van Viterbo en inquisiteur; Johanna, zijne tweelingzuster, die geheel dezelfde karaktertrekken heeft als hij, die zijn vertrouwde was, wordt de vrouw van een afvalligen priester, een Hervormden martelaar! De zuster den broeder verlof vragende om de laatste oogenblikken bij haar man te mogen doorbrengen!
Hugo, de schilder, wordt eerst Hervormd, maar keert later terug in den schoot der Moederkerk omdat zijn kunstenaarsgevoel daar meer bevrediging voelt.
Aafke huwt den overtuigden Protestant Laurens, maar uit haar eigen huisgezin verdrijft het geloof de rust.
Moeder Bakelsze eindelijk, de degelijke huismoeder, die zoo mild was voor armen en ongelukkigen, zoo braaf en rein in levenswandel--zij heeft niet eens een rustig sterfbed. Wèl mag hier gezegd worden: "Dat compt al tsamen uyt Luthers doctrijne!"
[Vicaris en Bisschop.] Invloed van de Hervorming op ontwikkelde personen met name op den Vicaris en op den Bisschop.
Reeds vroeger is terloops op dien invloed gewezen en ook op 't feit, dat geen hunner de Hervorming vijandig gezind is. Beiden zijn Humanisten, beiden zijn voor 't vrije onderzoek, maar scheuring willen ze niet. Filips begrijpt het grootsche van de nieuwe strooming niet, zooals boven reeds is aangetoond, maar de Vicaris ziet beter het onweerstaanbare der Hervorming in. Daarom wil hij ook Paul niet toelaten bij 't sterfbed van den Bisschop, hij voelt hoe gevaarlijk dit voor 't Katholieke geloof zou zijn. Uitstekend wordt hij getypeerd in de volgende aanhaling: "De Vicaris Boudewijn was een edel mensch, een man van een helder verstand, en onbevooroordeeld genoeg, om veel goeds te zien, waar anderen niets zagen dan dwaling of boos opzet, maar hij was tegelijk Katholiek Priester: dáárom was het hem zoo eene grieve, dat men Luther tot het uiterste gedreven had; dat Luther zooveel verder gegaan was dan al de anderen, die Kerkhervorming wenschten. Kerkhervorming, ja! maar geene verandering der Kerkwet; zuivering maar geene scheuring, geen omstooten der bestaande gebruiken, omdat zij misbruiken geworden waren, voor nieuwe instellingen die ook misbruiken konden worden." Door de omstandigheden wordt hij steeds verder van de Kerk verwijderd, hij, bijna de eenige hoogstaande onder hare zonen, wordt miskend, zooals Paul het uitdrukt: "ontrouw genoemd te midden der vasthoudendste trouw." Hoe weinig vertrouwen de Vicaris zelf meer stelt in de toekomst der Kerk, blijkt uit het antwoord dat hij bij deze gelegenheid geeft aan Paul, als die hem aanspoort over te gaan tot de Hervorming: "Gij kunt gelijk hebben. Ik wil het toegeven. Zij verzaakt mij, of zal mij verzaken, nu ik ellendig ben." Maar toch wil hij, en dit getuigt vóor hem, de "moeder" niet verlaten, juist òmdat ze oud en zwak geworden is. "Rome te verlaten, zoo als Luther het deed, was de daad van een roekelooze, maar toch de daad van een held. Rome te verlaten, zooals ik het zoude doen, is de daad van den verrader, van den lafhartige!"--Boudewijn van Heerde blijft tot het laatst toe een hoogstaand karakter, maar een ècht Katholiek is hij niet meer.
[Toestand van het Katholicisme.] Volgens de schildering door mejuffrouw Toussaint in 't "huis Lauernesse" gegeven, mòest de Hervorming komen: de Katholieke Kerk was voos en geen grooter vijanden had ze, dan juist haar eigen dienaren, in 't bizonder de monniken. We geven hier enkele bewijzen:
a. de monniken, die 's morgens in de herberg zitten te drinken en te dobbelen, zoodat de dochter van den waard niet na kan laten te zeggen: "Dat zijn de lieden, om wier luiheid te voeden wij groote lasten dragen."
b. de biechtvader op 't Huis Lauernesse, die op 't verlovingsfeest "ingesluimerd is van zatheid, nadat hij gedronken heeft als een calenderbroeder." De burgers en edelen, die daar vereenigd zijn, spreken met minachting over de onwaardige geestelijkheid. "Ik weet er geen, die schuchter is voor frissche vrijsterwangen, of bang voor een rooden neus." "Daar zijn geen betere drinkers dan zij." "De burgers hadden voortaan behoefte aan iets hoogers en bovenzinnelijks, die hunne grof onwetende monniken niet wisten te voldoen, en die de schranderen en handigen met listigen baatzucht niet willens waren te bevredigen. Ze zagen de Geestelijkheid hun voordeel doen met de fabel Christus (zooals Leo X had gezegd), met zooveel vermetelheid, met zoo weinig schaamte, en met zooveel losbandigen spot, als ware het werkelijk een fabel geweest."