Gevoel en verstand

Chapter 9

Chapter 93,929 wordsPublic domain

"'t Is wèl waar," zei Marianne, "dat bewondering van natuurschoon tot een goedkoope napraterij is geworden. Iedereen beweert nu even fijn te voelen en poogt even sierlijk dat gevoel uit te drukken als degene, die het eerst de schoonheid van het schilderachtige onder woorden bracht. Ik verfoei iedere soort van jargon, en het is wel gebeurd, dat ik mijn gevoelens maar vóór mij hield, omdat ik geen woorden kon vinden om ze in uit te drukken, dan door 't gebruik van versleten phrasen, die zin en beteekenis hadden verloren door hun banaliteit."

"Ik ben overtuigd," zei Edward, "dat jij werkelijk de verrukking _gevoelt_ over een mooi vergezicht, die je _beweert_ te voelen. Maar van den anderen kant moet je zuster _mij_ nu weer niet méér laten voelen dan ik _beweer_. Ik houd óók van mooie vergezichten, maar niet op grond van hun schilderachtigheid. Ik houd _niet_ van kromme, verdraaide, half vergane boomen; ik vind ze veel mooier als ze recht en hoog zijn en door en door gezond. Ik houd óók niet van havelooze, vervallen hutjes. En ik heb géén pleizier in brandnetels, of distels, of heide en brem. Ik zie vrij wat liever een genoegelijk boerderijtje dan een uitkijk-toren, en een groepje netgekleede, tevreden dorpsbewoners behaagt mij meer dan de schilderachtige bandieten van de wereld konden doen."

Marianne keek Edward verbaasd, en haar zuster medelijdend aan.--Elinor lachte maar eens.

Ze gingen niet verder door op dat onderwerp, en Marianne bleef nadenkend zwijgen, tot een nieuw voorwerp plotseling haar aandacht trok. Zij zat naast Edward, en toen hij zijn theekopje van Mevrouw Dashwood aannam, bewoog hij zijn hand zoo vlak voor haar oogen, dat haar een ring opviel, met een haarvlechtje in het midden, die hij aan den vinger droeg.

"Vroeger heb ik je nooit een ring zien dragen, Edward", riep zij. "Is dat Fanny's haar? Ik herinner mij, dat zij beloofde 't je te geven. Maar ik dacht, dat zij een donkerder tint van haar had."

Marianne zei, zonder na te denken, wat in haar opkwam,--maar toen ze zag, hoe pijnlijk Edward was getroffen, gevoelde zij een ergernis over haar onbedachtzaamheid, die de zijne nog ver overtrof. Hij kleurde tot over de ooren, en zei, met een vluchtigen blik naar Elinor: "Ja, het is mijn zuster's haar. De kleur verandert altijd een beetje, als het in goud gevat is."

Elinor ving zijn blik op, en keek ook niet onbevangen. Evengoed als Marianne, geloofde zij onmiddellijk, dat het haar eigen haar moest zijn; het eenige verschil tusschen beider gevolgtrekkingen was dit: dat Marianne het beschouwde als een vrijwillig geschenk van haar zuster; terwijl Elinor overtuigd was, dat hij het had bemachtigd door diefstal of langs een anderen weg, zonder hare voorkennis. Zij was echter niet gezind, dit als een beleediging te beschouwen, en hield zich alsof het voorgevallene haar aandacht was ontgaan, door dadelijk over iets anders te spreken; terwijl ze zich in stilte voornam van nu af elke gelegenheid aan te grijpen om het haar van nabij te bezien, en zich de onomstootelijke zekerheid te verschaffen, dat het precies de kleur van haar eigen was.

Edward bleef nog geruimen tijd niet op zijn gemak, en verviel later weer in een van zijn langdurige vlagen van afgetrokkenheid. Hij was den geheelen morgen bijzonder ernstig gestemd. Marianne verweet zichzelve heftig wat ze had gezegd; maar ze zou eerder bereid zijn geweest, zich haar misslag te vergeven, als ze geweten had, hoe weinig ergernis die in haar zuster had gewekt.

Reeds voor den middag kregen zij bezoek van Sir John en Mevrouw Jennings, die hadden gehoord dat er een heer op Barton Cottage logeerde, en den gast eens kwamen opnemen. Met de hulp van zijn schoonmoeder kwam Sir John er al spoedig achter, dat de naam Ferrars met een _F_ begon, en die ontdekking was voldoende, om een toekomstige mijn van geestigheden ten koste van de verliefde Elinor te doen leggen, waarvan de losbarsting alleen door hun kortstondige bekendheid met Edward vooralsnog kon worden verhinderd. Nu echter reeds werd haar door enkele uiterst veelzeggende blikken te kennen gegeven tot hoever hun doorzicht, gegrond op Margaret's inlichtingen, wel reikte.

Sir John kwam nooit bij de Dashwoods, zonder hen òf ten eten te vragen voor den volgenden dag, òf op de thee, nog den zelfden avond. Bij deze gelegenheid en tot meerder genoegen van den gast, tot wiens vermaak hij zich verplicht voelde het zijne bij te dragen, inviteerde hij hen voor beiden tegelijk.

"Jelui _moet_ van avond bij ons theedrinken," zei hij, "want we zijn heelemaal onder ons;--en morgen mag je niet weigeren bij ons te dineeren, want het is een groote partij". Mevrouw Jennings vond dit ook volstrekt noodzakelijk. "En wie weet, of het dan niet tot een dansje komt," zei ze. "Dat zal jou aanstaan, Marianne."

"Dansen?" riep Marianne. "Hoe kan dat nu! Wie danst er dan?"

"Wie? Nu, jelui zelf, en de Careys, en Whitakers dan toch? O, je dacht, dat niemand meer dansen kon, nu zeker iemand is heengegaan?"

"Ik wou om een lief ding," riep Sir John, "dat Willoughby weer kon meedoen."

Toen hij Marianne hierop zag blozen, kreeg Edward achterdocht. "Wie is die Willoughby?" vroeg hij zachtjes aan Elinor, die naast hem zat.

Zij antwoordde vluchtig. Marianne's gezicht gaf veel meer te kennen. Edward zag genoeg, om niet alleen de bedoeling der anderen te vatten, maar ook uitdrukkingen van Marianne, waarover hij zich verwonderd had, verklaard te zien, en toen het bezoek vertrokken was, ging hij aanstonds naar haar toe en zei fluisterend: "Ik ben aan 't raden geweest. Zal ik je eens vertellen, wat ik denk?"

"Wat bedoel je?"

"Zal ik 't maar zeggen?"

"Ja zeker."

"Ik denk... dat Mijnheer Willoughby wel eens op de jacht gaat."

Marianne was verrast en verlegen; maar zij kon toch niet nalaten te glimlachen om zijn stille guitigheid, en zei, na een oogenblik zwijgens: "O Edward! Hoe kon je... Maar er zal, hoop ik, eens een tijd komen... Ik weet zeker, dat je van hem houden zult."

"Daar twijfel ik niet aan," antwoordde hij, wel eenigszins verwonderd over haar ernst, en de warmte waarmee ze sprak; want als hij niet had gedacht, dat het maar een grap was, waarmee haar kennissen haar plaagden, naar aanleiding van een vluchtige gecharmeerdheid tusschen haar en dien Mijnheer Willoughby, dan zou hij niet hebben gewaagd, erop te zinspelen.

HOOFDSTUK XIX

Edward bleef een week te Barton; Mevrouw Dashwood drong er zeer op aan, dat hij langer zou blijven; doch hij scheen, alsof zelfkwelling zijn eenig doel was, vast besloten om juist te vertrekken, nu hij het meest van het bijzijn zijner vriendinnen genoot. In de laatste twee of drie dagen was zijn stemming, ofschoon nog zeer afwisselend, toch aanmerkelijk verbeterd; hij begon zich meer en meer te hechten aan het huis en de omgeving, sprak nooit van vertrekken zonder een diepen zucht,--gaf te kennen dat hij over zijn tijd vrijelijk kon beschikken,--wist zelfs nog niet recht, waarheen hij zou gaan, als hij hen verliet; maar toch, vertrekken _moest_ hij. Nog nooit had hem een week zoo kort geschenen;--hij kon niet gelooven dat het alweer voorbij was. Dat zei hij herhaaldelijk, en nog meer liet hij zich ontvallen, dat wees op een omkeer in zijn gevoelens, en met zijn daden in tegenspraak was. Hij vond het in Norland niets prettig; aan de stad had hij een hekel; maar òf naar Norland, òf naar Londen moest hij gaan. Hij waardeerde hun hartelijkheid meer dan iets ter wereld, en hij kende geen grooter genoegen dan met hen samen te zijn. Toch moest hij hen na een week reeds verlaten, tegen zijn eigen en hun aller wensch, en terwijl hij aan geen tijd gebonden was.

Elinor weet al wat zonderling scheen in zijn handelwijze aan zijn moeder, en het was een geluk voor haar, dat hij een moeder had, van wier karakter zij zoo weinig afwist, dat het als doorgaande verontschuldiging kon gelden voor al wat er vreemds was in het gedrag van haar zoon. Maar hoezeer zij zich ook teleurgesteld en gegriefd gevoelde, ja somtijds geërgerd door zijn onzekere houding tegenover haar, zij bleef toch over het geheel ten volle bereid om al zijn handelingen te beschouwen met die eerlijke toegevendheid en onpartijdige ruimheid van oordeel, die haar, met vrij wat meer moeite, door haar moeder indertijd waren afgedwongen ten behoeve van Willoughby. Zijn gebrek aan opgewektheid, aan openhartigheid, en aan vastheid in zijn optreden, werden maar steeds weer toegeschreven aan zijn behoefte aan onafhankelijkheid en zijn nauwkeuriger bekendheid met Mevrouw Ferrars' beschikkingen en plannen. De korte duur van zijn bezoek, zijn volharden bij zijn voornemen nu reeds te vertrekken, ook dit alles sproot voort uit dat zelfde geweld aandoen van zijn neiging, de zelfde onvermijdelijke noodzakelijkheid om zijn moeder voorloopig te ontzien. De oude, diep gewortelde tweespalt tusschen plicht en neiging, het verzet van het kind, in opstand tegen ouderlijk gezag, was van alles de oorzaak. Wel gaarne zou zij hebben geweten, wanneer deze moeilijkheden zouden zijn uit den weg geruimd, deze tegenstand overwonnen,--wanneer Mevrouw Ferrars tot andere gedachten zou komen, en haar zoon de vrijheid zou laten, zijn geluk te vinden. Doch zij werd wel gedwongen, die ijdele wenschen te laten varen, en troost te zoeken in haar hernieuwd vertrouwen op Edward's genegenheid, in de herinnering aan elk getuigenis daarvan, door woord of blik, die hem te Barton ontsnapten, en vooral in dat vleiend bewijs van zijn trouw, dat hij voortdurend aan zijn vinger droeg.

"Mij dunkt, Edward," zei Mevrouw Dashwood, toen zij den laatsten morgen aan het ontbijt zaten, "dat je gelukkiger zoudt zijn, als je een beroep hadt, dat je tijd in beslag nam, en richting gaf aan je plannen en handelingen. Voor je vrienden zou daaraan allicht eenig bezwaar zijn verbonden; je zoudt niet in staat zijn, zooveel tijd aan hen te wijden als thans. Maar," voegde zij er met een glimlach bij, "in één opzicht zou het toch een direct voordeel voor je zijn; je zoudt dan weten, wáárheen te gaan, wanneer je hen verliet."

"Ik verzeker u," antwoordde hij, "dat ik de waarheid van 't geen u zegt, reeds lang heb ingezien. Het was, en is, en zal waarschijnlijk altijd voor mij een groot ongeluk zijn, dat ik geen noodzakelijke bezigheid heb, die mij in beslag neemt, geen beroep, dat mijn krachten vergt en mij in staat stelt, mij ook maar eenigszins onafhankelijk te voelen. Maar het ongeluk wilde, dat mijn eigen kieskeurigheid en die mijner vrienden mij gemaakt hebben tot wat ik ben, een werkeloos, hulpeloos wezen. Wij konden het nooit eens worden over de keuze van een beroep. Ik gaf altoos de voorkeur aan den geestelijken stand, en dat doe ik nog. Maar dat vond mijn familie niet wereldsch genoeg. Zij wilden dat ik militair zou worden. Dat was nu weer veel te wereldsch voor mij. In de rechten studeeren, nu, dat was althans deftig genoeg naar hun zin; veel jongelui, die kamers hadden in den Temple, maakten een goed figuur in de eerste kringen, en reden rond in karretjes, die 't bekijken waard waren. Maar ik voelde niets voor de rechten, zelfs niet voor die weinig diepgaande studie van de wet, die mijn familie op het oog had en goedkeurde. De marine was uit het oogpunt van "stand" wel aan te bevelen; maar toen de vraag mij werd voorgelegd, was ik al te oud om daar nog mee te beginnen,--en ten slotte, nu het eenmaal niet noodig was, dat ik een beroep koos, nu ik even goed vertooning kon maken en geld uitgeven zònder een rooden rok als mèt dat aanhangsel, werd ten slotte verklaard, dat leegloopen voor mij de voordeeligste en meest eervolle bezigheid zou zijn, en een jongmensch van achttien jaar is in den regel niet zoo ernstig gesteld op werk, dat hij zich zal verzetten tegen het dringend verzoek zijner vrienden om niets uit te voeren. Ik werd dus ingeschreven te Oxford, en heb sedert geluierd naar den eisch."

"En naar ik vermoed, zal 't gevolg hiervan zijn," zeide Mevrouw Dashwood, "nu gebleken is, dat ledigheid je eigen geluk niet heeft bevorderd, dat je zoons zullen worden opgeleid voor alle mogelijke vakken, bezigheden, ambten en beroepen, die iemand ter wereld beoefenen of waarnemen kan."

"Zij zullen worden opgevoed op een wijze," zeide hij op ernstigen toon, "die hen zoo weinig mogelijk doet gelijken op mijzelf, in gevoelens, in daden, in omstandigheden, in alles."

"Kom, kom, dat is nu maar een ontboezeming, die rechtstreeks voortkomt uit je zwartgallige stemming, Edward. Je bent zwaarmoedig, en denkt dat ieder, die anders is dan jezelf, gelukkig moet zijn. Vergeet niet, dat het verdriet over een afscheid van goede vrienden door iedereen nu en dan wordt gevoeld, afgezien van opvoeding of plaats in de maatschappij. Je moogt je eigen geluk niet miskennen. Wat je noodig hebt is geduld--of noem het liever bij een aantrekkelijker naam; spreek van hoop. Je moeder zal je mettertijd die onafhankelijkheid verzekeren, waarnaar je zoozeer verlangt; dat is haar plicht, en zij zàl, zij moet binnenkort, ook ter wille van háár geluk, verhinderen, dat je geheele jeugd wordt gesleten in onvruchtbare ontevredenheid. Wat brengen misschien niet een paar maanden te weeg!"

"Ik zou wel eens willen weten," antwoordde Edward, "welk goeds zelfs een groot aantal maanden voor mij zou kunnen uitwerken."

Al deelde zijn neerslachtige stemming zich niet mede aan Mevrouw Dashwood, zijn zwaarmoedigheid maakte het afscheid, dat spoedig hierna volgde, voor hen allen des te pijnlijker, en liet in Elinor een gevoel van onrust achter, dat zij eerst na verloop van tijd en niet zonder moeite vermocht meester te worden. Doch daar zij zich vast had voorgenomen het te onderdrukken, en te zorgen dat zij niet méér dan een der overige leden van het gezin zou schijnen te lijden onder zijn afwezigheid, koos zij niet het middel, door Marianne bij een dergelijke gelegenheid zoo zorgvuldig aangewend ter bevordering en bestendiging van hare smart, door bij voorkeur stilte, eenzaamheid en lediggang te zoeken. Even verschillend als beider doel waren hun middelen, en evenzeer geschikt tot het bevorderen van ieders bijzonder oogmerk.

Elinor ging, zoodra hij was heengegaan, aan haar teekentafel zitten, bleef den geheelen dag druk bezig; zocht noch vermeed zijn naam te noemen, scheen bijna niet minder belang te stellen dan anders in hun aller aangelegenheden, en zoo zij al door dit gedrag haar eigen verdriet niet kon verzachten, het werd er althans niet onnoodig door verzwaard, en zij bespaarde haar moeder en zusters veel zorg omtrent haar gemoedsgesteldheid. Een dergelijk gedrag, zoo lijnrecht in tegenstelling met het hare, scheen Marianne volstrekt niet verdienstelijk, zoomin als haar eigen houding haar verkeerd had toegeschenen. De vraag omtrent zelfbeheersching loste zij bijzonder gemakkelijk op;--waren onze neigingen sterk, dan was zelfzucht onmogelijk; waren zij gematigd, dan stak er geen verdienste in. Dat haar zuster's neigingen gematigd _waren_, waagde zij niet te ontkennen, al gaf zij het niet zonder schaamte toe; en de kracht harer eigene bewees zij wel zéér duidelijk, door die zuster, ondanks deze pijnlijk grievende overtuiging, nog steeds te blijven achten en liefhebben.

Al zonderde zij zich dus niet af van de anderen; al zocht zij niet om hen te vermijden, hardnekkig de eenzaamheid buitenshuis, en lag zij niet den geheelen nacht wakker om te kunnen nadenken, Elinor ondervond, dat iedere dag haar voldoende gelegenheid schonk om te denken aan Edward en aan Edward's gedrag, met alle mogelijke gevoelens, die haar verschillende stemmingen op verschillende tijden in haar konden verwekken;--met teederheid, medelijden, instemming, afkeuring en twijfel. Er waren oogenblikken in overvloed, waarin, zoo al niet door de afwezigheid van haar moeder en zuster, dan toch wegens den aard hunner bezigheden, gesprekken waren uitgesloten, en zij evengoed alleen had kunnen zijn. Het stond haar geest onvermijdelijk vrij om te denken; haar gedachten konden niet elders met geweld worden vastgehouden, en verleden en toekomst in verband met een zoo gewichtige aangelegenheid, moesten zich wel aan haar opdringen, haar aandacht in beslag nemen, en zich geheel en al meester maken van haar herinnering, haar gepeinzen en haar verbeelding.

Uit zulk een droomerij werd zij, toen zij, op een morgen kort na Edward's vertrek, aan haar teekentafel zat opgeschrikt door de komst van bezoek. Zij was toevallig geheel alleen. Het dichtvallen van het hekje aan den ingang van het grasveld voor hun huis deed haar uit het venster kijken, en zij zag verscheiden personen, die recht op hun deur kwamen aanwandelen. Daaronder bevonden zich Sir John en Lady Middleton met Mevrouw Jennings; maar zij zag bovendien nog twee anderen, een haar geheel onbekende heer en dame. Zij zat dicht bij het venster, en zoodra Sir John haar in het oog kreeg, liet hij de plichtpleging van aan de deur kloppen aan het gezelschap over, stapte over het gras, en noodzaakte haar, het venster te openen om met hem te spreken, ofschoon de afstand tusschen de deur en het venster zoo gering was, dat men moeilijk op de eene plek een woord kon zeggen, dat op de andere niet werd verstaan.

"Kijk eens," zei hij, "we hebben je vreemde gasten meegebracht. Wat zeg je wel van hen?"

"Pas op! ze zullen u hooren."

"O, dat is niets, 't Zijn de Palmers maar. Charlotte ziet er alleraardigst uit, hoor. Je kunt haar zien, als je dezen kant uitkijkt."

Daar Elinor zeker wist, dat zij Charlotte over een paar minuten zou zien, zonder zoo onbescheiden te zijn, waagde zij het, zich te verontschuldigen.

"Waar is Marianne? Weggeloopen omdat ze ons zag aan komen? De piano staat open, zie ik."

"Ik geloof, dat zij is gaan wandelen."

Hier voegde Mevrouw Jennings zich bij hen, die geen geduld had te wachten tot de deur openging, en volstrekt moest vertellen wat _zij_ op het hart had. Zij kwam met veel drukte naar het raam stappen.

"Hoe maak je 't, kind? en hoe gaat het met Mevrouw Dashwood? En waar zijn je zusters? Wel, wel, heel alleen! je zult blij zijn, dat er iemand komt om je gezelschap te houden. Ik heb mijn anderen schoonzoon en mijn dochter meegebracht om kennis met je te maken. Verbeeld je, dat ze zoo onverwacht zijn gekomen! Ik dacht al dat ik een rijtuig hoorde, toen we gisteravond aan de thee zaten; maar ik had geen flauw idee dat zij 't konden zijn. Ik dacht maar niet anders of Kolonel Brandon was teruggekomen, en ik zei nog tegen Sir John: "Mij dunkt, ik hoor een rijtuig, dat is bepaald Kolonel Brandon, die terug is..."

Elinor moest zich midden in haar verhaal omkeeren om het overige gezelschap te ontvangen; Lady Middleton stelde de beide vreemden voor; Mevrouw Dashwood en Margaret kwamen meteen beneden, en allen gingen zitten om elkaar eens op te nemen, terwijl Mevrouw Jennings met haar verhaal voortging, onder de wandeling door de gang naar de zitkamer, ditmaal tegen Sir John.

Mevrouw Palmer was een paar jaar jonger dan Lady Middleton, en in elk opzicht geheel verschillend van haar zuster. Zij was klein en vrij gezet, en had een allerliefst gezichtje, dat de meest opgeruimde uitdrukking vertoonde, die men zich kon voorstellen. Haar manieren waren bij lange na niet zoo bevallig; maar zij was oneindig meer innemend. Zij kwam glimlachend binnen--glimlachte zoo lang het bezoek duurde, behalve wanneer ze luid lachte, en glimlachte nog, toen ze vertrok. Haar echtgenoot was een ernstig uitziende jonge man van vijf- of zes en twintig jaar, die een meer gedistingeerden en ook een meer verstandigen indruk maakte dan zijn vrouw, maar minder geneigd scheen te behagen, of behagen te laten blijken. Hij kwam de kamer in met iets zeer zelfbewust in zijn houding, boog even voor de dames zonder een woord te spreken, en nadat hij haar en het vertrek met een vluchtigen blik had opgenomen, nam hij een courant van de tafel, en bleef daarin lezen, zoolang het bezoek duurde. Mevrouw Palmer daarentegen, die door de natuur was begiftigd met een aanleg om in alle omstandigheden beleefd en verheugd te zijn, zat nog niet op haar stoel of zij barstte los in uitroepen van bewondering over de kamer en al wat zich erin bevond.

"O, wat een verrukkelijke kamer is dit! Ik heb nooit zoo iets beeldigs gezien! Hoe vindt u toch wel, mama, dat verschil bij de vorige maal, dat ik hier was! Ik heb het altijd zoo'n aardig huisje gevonden, mevrouw (tot mevrouw Dashwood), maar u hebt het zoo beeldig gemaakt! Kijk toch eens, hoe verrukkelijk! Wat zou ik zelf graag zoo'n huis hebben. Jij ook niet, man?"

De heer Palmer gaf geen antwoord, en sloeg zijn oogen zelfs niet op van de courant.

"Mijnheer Palmer hoort mij niet," zei ze lachend. "Dat doet hij wel meer, soms. Zoo grappig!"

Die opvatting was voor Mevrouw Dashwood iets nieuws; zij was nooit gewend geweest in iemands onachtzaamheid iets geestigs te vinden en zij kon niet nalaten hen beiden ietwat verwonderd aan te zien.

Mevrouw Jennings praatte intusschen door, zoo hard ze maar kon, en ging voort met haar verslag van hun verrassing den vorigen avond, bij 't zien van haar kinderen, zonder ophouden, tot het verhaal was uitverteld. Mevrouw Palmer lachte hartelijk bij de herinnering aan aller verbazing, en allen verhaalden, tot twee of driemaal toe, dat het een alleraardigste verrassing was geweest. "Je begrijpt, hoe blij we allen waren hen te zien," voegde Mevrouw Jennings erbij, terwijl ze zich naar Elinor vooroverboog, en zachter sprak, alsof niemand het mocht hooren, hoewel de anderen aan de overzij van het vertrek waren gezeten; "maar met dat al had ik toch wel gewild, dat ze niet zoo'n haast hadden gemaakt, en niet zulk een lange reis hadden gedaan want ze gingen over Londen, voor zaken die ze daar hadden af te doen; omdat het voor háár" (veelbeteekenend knikkend en naar haar dochter wijzend) "eigenlijk verkeerd is in haar positie, weet je. Ik wou hebben dat ze van morgen zou thuis blijven en rusten; maar ze wou volstrekt mee; ze verlangde zoo, jelui allen te zien!"

Mevrouw Palmer lachte, en zei dat het haar geen kwaad zou doen.

"Ze verwacht in Februari haar bevalling," ging Mevrouw Jennings voort.

Lady Middleton kon dat gepraat niet langer aanhooren, en gaf zich dus de moeite aan den Heer Palmer te vragen of hij veel nieuws vond in de courant.

"Neen, in 't geheel niets," zei hij, en las verder.

"Daar komt Marianne aan," riep Sir John. "Palmer, nu zal je een reusachtig mooi meisje zien."

Hij ging dadelijk in de gang, deed zelf de voordeur open en bracht haar in de kamer. Mevrouw Jennings vroeg haar, zoodra ze haar zag, of ze niet naar Allenham was geweest; en Mevrouw Palmer lachte hartelijk om die vraag, om te laten blijken, dat zij het wel begreep. De Heer Palmer keek op toen zij binnen kwam, staarde haar een paar minuten aan, en wijdde zich daarop weer aan zijn courant. Mevrouw Palmer kreeg nu de teekeningen in het oog, die aan den wand hingen. Zij stond op, om ze nader te bezien. "Och, hoe mooi! Prachtig vind ik ze! Kijkt u toch eens, mama, is dat niet snoezig? Beeldig zijn ze, ik zou er uren naar kunnen kijken." Daarop ging ze weer zitten en vergat meteen, dat er zooiets als schilderijen de kamer waren.

Toen Lady Middleton opstond om heen te gaan, deed de Heer Palmer eveneens, legde de courant neer, rekte zich eens uit en keek allen beurtelings aan.

"Heb je een dutje gedaan, schat?" zei zijn vrouw lachend.

Hij gaf haar geen antwoord, en zei alleen, na het vertrek nog eens te hebben opgenomen, dat het erg laag van verdieping en dat de zoldering scheef liep. Daarop maakte hij zijn buiging en trok met de anderen af.