Gevoel en verstand

Chapter 8

Chapter 83,864 wordsPublic domain

"Die vraag zou ik haar nooit willen doen; in geen geval. Neem eens voor een oogenblik aan, dat zij niet verloofd waren, hoeveel verdriet zou ik haar dan doen door dat uitvragen. 't Zou in elk geval heel weinig edelmoedig zijn. Ik zou nooit meer haar vertrouwen verdienen, wanneer ik haar wilde dwingen tot een bekentenis van 't geen voorloopig niemand nog mag weten. Ik ken Marianne door en door; ik weet hoeveel zij van mij houdt, en dat ik niet de laatste zal zijn, die de toedracht der zaak vernemen zal, wanneer de omstandigheden die kennisgeving raadzaam doen achten. Ik zou nooit willen pogen iemands vertrouwen af te dwingen; het allerminst dat van mijn eigen kind, omdat haar plichtgevoel haar mogelijk zou weerhouden, dat vertrouwen te weigeren, waar zij het liever niet geschonken had."

Elinor vond, met het oog op haar zuster's jeugd, deze opvatting overdreven; en drong nog nader bij haar moeder aan; doch te vergeefs; gezond verstand, natuurlijke bezorgdheid, vanzelfsprekende voorzichtigheid, alles moest achterstaan bij Mevrouw Dashwood's romantisch overdreven fijn gevoel.

Meerdere dagen verliepen, eer Willoughby's naam door een der leden van het gezin in Marianne's tegenwoordigheid werd genoemd; Sir John en Mevrouw Jennings achtten zich tot die kieschheid niet verplicht, en hun geestigheden vermeerderden de pijn van menig pijnlijk oogenblik;--doch op zekeren avond zeide Mevrouw Dashwood, toen zij toevallig een deeltje van Shakespeare opnam:

"We hebben Hamlet nog niet uitgelezen, Marianne, onze beste Willoughby ging heen, eer we 't hadden geëindigd. We zullen het wegleggen, en als hij terugkomt... Maar het zal misschien maanden duren, eer dàt gebeurt."

"Maanden?" riep Marianne, zeer verwonderd. "O neen,--weken zelfs niet!"

Mevrouw Dashwood had reeds berouw van haar gezegde, doch het deed Elinor genoegen, daar het Marianne een antwoord had ontlokt, dat haar volkomen vertrouwen in Willoughby uitdrukte, en haar voorkennis omtrent zijn plannen verried.

Op zekeren morgen, een week ongeveer na zijn vertrek, haalden hare zusters Marianne over, hen te vergezellen op hun dagelijksche wandeling, inplaats van alleen rond te zwerven. Tot nu toe had zij op die eenzame tochten angstvallig alle gezelschap vermeden. Als haar zusters plan hadden de heuvels te beklimmen, dan sloop zij naar het bosch; spraken zij van het dal, dan klom Marianne langs de steilste paden, en zij was nooit ergens te vinden, wanneer de anderen gereed waren om uit te gaan. Ten laatste echter werd er beslag op haar gelegd door Elinor, die deze voortdurende afzondering zeer verkeerd achtte. Zij wandelden langs den weg: door het dal, meestal zwijgend; want Marianne's _geest_ liet zich niet dwingen, en Elinor, tevreden nu zij in een opzicht haar zin had gekregen, wilde thans niet méér beproeven. Voorbij den ingang van het dal, waar het landschap, ofschoon nog schilderachtig en afwisselend, minder bergachtig werd en ruimer uitzicht verleende, konden zij een groot deel overzien van den weg, waarlangs zij voor de eerste maal naar Barton waren gekomen; en toen zij deze plek hadden bereikt, bleven zij staan, om rond te zien en het uitzicht te genieten over de vlakte, die zij van uit hun huisje in de verte konden onderscheiden, thans vanuit een punt, tot waar hunne wandelingen zich toevallig nog niet eerder hadden uitgestrekt. Onder de voorwerpen, die het landschap stoffeerden, bespeurden zij spoedig een, dat zich bewoog; het was een man te paard, die naderbij kwam. Na een paar minuten zagen zij, dat het een heer was, en een oogenblik later riep Marianne vol verrukking: "Hij is het; o zeker!--ik weet dat hij het is!" en zij wilde hem reeds tegemoetsnellen, toen Elinor haastig zeide: "Werkelijk Marianne, je vergist je. Het is Willoughby niet. Deze man is zoo groot niet als hij, en heeft een andere houding."

"O jawel, jawel," riep Marianne, "hij is het; 't is zijn figuur, zijn jas, zijn paard. Ik wist wel, dat hij gauw zou komen."

Ze liep onder het spreken haastig verder; en Elinor versnelde eveneens haar schreden, om Marianne bij te houden, daar zij bijna zeker was, dat het Willoughby niet kon zijn, en zij haar zuster's gedrag niet wilde laten in 't oog vallen. Weldra waren zij geen dertig meter meer van den vreemden heer verwijderd. Marianne keek nogmaals op; haar hart ontzonk haar; zij keerde zich om en liep haastig terug; doch tegelijk met de stemmen harer zusters, die haar toeriepen stil te staan, hoorde zij een derde, bijna even welbekend als die van Willoughby, hetzelfde verzoek tot haar richten, en toen zij zich verbaasd op nieuw omwendde, herkende en begroette zij Edward Ferrars. Hij was de eenige persoon ter wereld, wien zij op dat oogenblik kon vergeven, dat hij niet Willoughby was; de eenige die haar een glimlach had kunnen ontlokken. Zij drong haar tranen terug om hem toe te lachen, en vergat een oogenblik haar eigen teleurstelling voor haar zuster's blijdschap.

Hij stapte af, liet zijn paard aan zijn rijknecht over, en wandelde met hen terug naar Barton, waar hij hun een bezoek wilde komen brengen. Hij werd door allen verwelkomd met de grootste hartelijkheid; vooral door Marianne, die nog levendiger voldoening liet blijken over zijn komst dan Elinor zelve. In Marianne's oogen scheen de begroeting tusschen Edward en haar zuster slechts de voortzetting van die onverklaarbaar koele houding, die zij hen te Norland reeds zoo dikwijls tegenover elkaar had zien in acht nemen. Vooral van Edward's zijde ontbrak aan die begroeting al wat een minnaar bij zulk een gelegenheid door blikken of woorden had moeten aan den dag leggen. Hij was verlegen, scheen niet eens blijde, hen te zien, keek noch verheugd, noch vroolijk, zei bijna niet anders dan wat hem gevraagd werd, en liet tegenover Elinor geen spoor van bijzondere genegenheid blijken. Marianne keek en luisterde met toenemende verbazing. Ze begon bijna een hekel aan Edward te krijgen, en ten slotte eindigde die opwelling, zooals elk gevoel bij haar moest eindigen, met een terugkeer in gedachten tot Willoughby, wiens gedrag dan ook wel een opvallende tegenstelling vormde met dat van zijn uitverkoren aanstaanden schoonbroeder.

Na het korte stilzwijgen, dat volgde op de eerste verbaasde begroetingen en vragen over en weer, vroeg Marianne aan Edward of hij rechtstreeks uit Londen kwam. Neen, hij was reeds veertien dagen in Devonshire geweest.

"Veertien dagen!" herhaalde zij, verwonderd, dat hij zoolang had kunnen vertoeven in hetzelfde graafschap als Elinor, zonder haar te komen opzoeken. Hij keek verlegen en bedrukt, terwijl hij antwoordde, dat hij bij kennissen had gelogeerd in de buurt van Plymouth.

"Ben je nog voor kort in Sussex geweest?" vroeg Elinor.

"Een maand geleden ongeveer was ik nog te Norland."

"En hoe ziet ons dierbaar Norland er wel uit?" riep Marianne.

"Ons dierbaar Norland," zei Elinor, "zal er wel uitzien, zooals gewoonlijk om dezen tijd van het jaar; de bosschen en de wegen bedekt door een dichte laag dorre bladeren."

"O," riep Marianne, "met welke gevoelens van zielsverrukking zag ik ze vroeger niet vallen! Wat was het zalig, als de wind ze op mijn wandelingen in dichte vlagen om mij heen deed dwarrelen! Welke gevoelens wekten zij niet, in vereeniging met het jaargetij, met de geheele atmosfeer! Nu is er niemand, die acht op hen slaat. Ze worden beschouwd als een last, haastig weggeveegd, en zooveel mogelijk aan het gezicht onttrokken."

"Niet iedereen," zei Elinor, "is zóó verrukt van dorre bladeren als jij."

"Neen, mijn gevoelens worden niet dikwijls gedeeld, niet dikwijls begrepen. _Soms_ echter wèl."

Zij verzonk een korte poos in gepeins; doch zei, zich als 't ware daaruit losrukkend, terwijl zij Edward op het landschap wees: "Zie, Edward; dit is nu de vallei van Barton. Kijk nu dien kant eens uit, en blijf dan bedaard, als je kunt. Zie je die heuvels? Heb je ooit zoo iets prachtigs gezien? Links ligt Barton Park, tusschen die bosschen en dat struikgewas. Je kunt den zijgevel van het huis onderscheiden. En daar, aan den voet van dien laatsten heuvel, die zoo statig zich verheft, ligt ons huisje."

"'t Is een mooie streek," gaf hij ten antwoord; "maar die laag gelegen gedeelten zullen 's winters wel erg modderig zijn."

"Hoe kan je nu denken aan modder, terwijl je zulke dingen voor oogen hebt?"

"Omdat ik, onder meer, één buitengewoon modderig laantje voor mijn oogen zie."

"Vreemd toch!" zei Marianne tot zichzelf, onder 't voortwandelen.

"Heb je aardige buren hier? Zijn de Middleton's prettige menschen?"

"Neen, volstrekt niet," zei Marianne; "we hadden 't niet ongelukkiger kunnen treffen."

"Maar, Marianne," riep haar zuster; "hoe kan je dat zeggen? Hoe kan je zoo onrechtvaardig zijn? Het is een heel aardige familie, Edward, en ze zijn voor ons allervriendelijkst geweest. Heb je dan vergeten, Marianne, hoeveel prettige dagen we aan hen te danken hadden?"

"Neen," zei Marianne iets zachter, "en hoeveel onaangename oogenblikken evenmin."

Elinor hield zich alsof zij het niet hoorde, en zich thans tot hun gast wendend, poogde zij iets als een geregeld gesprek met hem gaande te houden door te vertellen van hun nieuwe huis, de inrichting ervan, en zoo meer, waardoor ze hem althans enkele vragen en opmerkingen ontlokte. Zijn koelheid en terughouding kwetsten haar diep; zij was geërgerd en bijna boos; doch met het vaste voornemen haar gedrag jegens hem liever in overeenstemming te brengen met het verleden, dan met zijn houding van nu, vermeed zij elk vertoon van ergernis of ongenoegen en behandelde hem, zooals zij oordeelde, dat hij, wegens hun familiebetrekking, behoorde behandeld te worden.

HOOFDSTUK XVII

Mevrouw Dashwood was slechts een oogenblik verrast, toen zij hem zag; want in haar oogen was zijn komst te Barton de natuurlijkste zaak van de wereld. Haar blijde en hartelijke welkomstbetuigingen duurden langer dan haar verwondering. Hij werd door haar allervriendelijkst ontvangen; zijn verlegenheid, koelheid, en terughouding bleken niet bestand tegen zulk een begroeting. Zij waren reeds aan het wankelen gebracht, eer hij het huis binnentrad, en namen de wijk voor Mevrouw Dashwood's innemende manieren. Werkelijk kon iemand moeilijk verliefd zijn op eene harer dochters, zonder die liefde ook tot háár uit te strekken; en Elinor zag hem tot haar blijdschap spoedig weer de oude worden. Zijn genegenheid voor hen allen scheen weer op te leven, en men kon voelen dat hij belangstelde in hun welvaren. Opgewekt was hij echter niet; hij vond het huis mooi; bewonderde het uitzicht, was voorkomend en vriendelijk; maar de ware vroolijkheid ontbrak. Zij merkten het allen op, en Mevrouw Dashwood, die het toeschreef aan zijn moeder's gemis van vrijgevigheid, ging aan tafel zitten met een gevoel van ergernis over alle zelfzuchtige ouders.

"Welke vooruitzichten heeft Mevrouw Ferrars tegenwoordig voor je op het oog, Edward?" vroeg zij, toen zij na het eten rondom het vuur zaten; "moet je nog steeds een groot redenaar worden, tegen je zin?"

"Neen. Ik hoop dat moeder nu wel overtuigd is, dat ik voor het openbare leven evenmin talent als neiging bezit."

"Maar hoe moet je roem dan worden gevestigd? Want beroemd moet je worden, als je de familie zult tevredenstellen; en zonder neiging tot uiterlijk vertoon, zonder behoefte aan omgang met vreemden, zonder beroep, en zonder zelfvertrouwen, zou je dat wel moeilijk kunnen blijken."

"Ik zal 't maar niet beproeven. Ik koester geen wensch om mij te onderscheiden, en ik heb alle reden te hopen, dat ik dat nooit zal doen. Den hemel zij dank, dat men mij genialiteit en welsprekendheid niet kan afdwingen."

"Ik weet het wel, je hebt geen eerzucht. Je wenschen zijn alle even gematigd."

"Even gematigd als die van andere menschen ook, zou ik denken. Ik wensch, juist als ieder ander, volkomen gelukkig te zijn; maar, precies als die anderen, op mijn eigen manier. In beroemdheid zal ik geen geluk vinden."

"Geen wonder!" riep Marianne. "Wat heeft rijkdom of grootheid met geluk te maken!"

"Grootheid maar weinig," zei Elinor; "rijkdom heel veel."

"O Elinor, schaam je! Geld geeft alleen dáár geluk, waar het in niets anders te vinden is. Buiten zekere bescheiden grenzen, kan het geen werkelijke voldoening schenken, voor zoover het de aanspraken geldt van ons eigen ik."

"Misschien blijken we het ten slotte toch nog eens," zei Elinor glimlachend. "Ik wed dat _jouw_ bescheiden grenzen en _mijn_ rijkdom heel veel op elkaar gelijken, en daarzonder, dat geven we elkaar toe, zouden we, zooals de wereld nu eenmaal is, alles ontberen, wat ons uiterlijk gemak en behagen kan verschaffen. Jij vat de zaak alleen wat breeder op dan ik. Kom er maar mee voor den dag; wat zijn je 'bescheiden grenzen?'"

"Een achttienhonderd of tweeduizend pond in het jaar; _meer_ dan ook niet."

Elinor lachte. "_Twee_ duizend pond in het jaar! Voor mij is _een_ al rijkdom. Dat had ik wel gedacht."

"Maar tweeduizend pond is werkelijk een heel bescheiden inkomen," zei Marianne. "Met minder kan een gezin toch wel haast niet toe. Ik vind niet dat ik buitensporige eischen stel. Een voldoende aantal bedienden; een rijtuig, twee misschien, en jachtpaarden kan men niet houden, als men met minder dan dat moet rondkomen."

Weer glimlachte Elinor, toen zij haar zuster zoo nauwkeurig hun toekomstige uitgaven te Combe Magna hoorde beschrijven.

"Jachtpaarden!" herhaalde Edward.--"Maar waarom moet je jachtpaarden erop nahouden? Iedereen jaagt toch niet."

Marianne kreeg een kleur, en zei "De meeste menschen wèl."

"Ik wou," zei Margaret, een nieuw onderwerp op het tapijt brengend, "dat iemand ons één voor één een groot fortuin present gaf."

"O, als dàt kon gebeuren!" riep Marianne, terwijl haar oogen schitterden van opgewondenheid, en haar wangen gloeiden van blijdschap over dat denkbeeldig geluk.

"Met dien wensch kunnen we ons zeker allen vereenigen," zei Elinor, "ondanks de geringe bevrediging, die rijkdom vermag te schenken."

"Wat zou ik blij zijn," riep Margaret uit. "Ik ben benieuwd wat ik er wel mee zou doen."

Marianne keek, alsof dàt punt voor haar aan geen twijfel onderhevig was.

"Ik zou niet weten, hoe ik een groot fortuin moest besteden," zei Mevrouw Dashwood, "als mijn kinderen alle drie reeds rijk waren zonder mijn hulp."

"U moest dan maar beginnen met de voorgenomen verbeteringen van dit huis," merkte Elinor op; "dan zou die moeilijkheid gauw zijn uit den weg geruimd."

"Wat zouden er dàn uitgebreide bestellingen worden gedaan in Londen," zei Edward, "door alle leden van het gezin! Wat een blijde dag voor boek- en muziekhandelaars en voor kunstkoopers! Elinor zou hun de vrije hand laten, en zich al de fraaiste nieuwste etsen en plaatwerken laten zenden;--en Marianne, ik ken haar royale opvattingen, er zou geen muziek genoeg in Londen zijn om haar te voldoen. En boeken!--Thomson, Cowper, Scott,--ze zou ze allen weer op nieuw aanschaffen, ze zou alle exemplaren opkoopen, wed ik, om te verhinderen, dat ze in onwaardige handen geraakten, en ze zou alle boeken willen hebben, waarin oude, kronkelig vergroeide boomen worden bewonderd. Is het zoo niet, Marianne? Wees niet boos als ik een beetje ondeugend ben. Maar ik wou je eens laten zien, dat ik onze oude twistgesprekken nog niet had vergeten."

"Ik wil graag aan 't verleden herinnerd worden, Edward,--herinneringen, 't zij ze treurig of vroolijk zijn, roep ik gaarne op, en je kunt mij nooit grieven door te spreken over vroegere tijden. Je hebt juist geraden, hoe ik mijn geld besteden zou; een gedeelte ervan, mijn gereed geld tenminste, zou stellig dienen tot aanvulling van mijn verzameling boeken en muziek."

"En 't kapitaal zou worden belegd in lijfrenten voor de schrijvers, of hunne erfgenamen."

"Neen, Edward, daar zou ik iets anders mee hebben te doen."

"Misschien zou je 't uitloven als belooning voor den persoon, die het best in een geschrift je geliefkoosden stelregel wist te verdedigen, dat niemand meer dan eenmaal in zijn leven verliefd kan zijn, want op dat punt is je meening zeker nog onveranderd?"

"Natuurlijk. Als men eenmaal zoo oud is als ik, dan is ons oordeel tamelijk gevestigd. 't Is niet waarschijnlijk, dat ik nu nog iets zou zien of hooren, dat mij van meening veranderen deed."

"Je ziet wel, Marianne staat nog even vast op haar stuk," zei Elinor, "ze is nog steeds dezelfde."

"Ze is alleen wat ernstiger geworden dan vroeger."

"Dat mag _jij_ me niet verwijten, Edward," zei Marianne. "Je bent zelf ook zoo heel vroolijk niet".

"Waarom denk je dat?" antwoordde hij, met een zucht. "Maar vroolijkheid lag nooit in mijn aard."

"In Marianne's aard evenmin, dunkt mij," zei Elinor. "Zij is niet wat ik een levendig, opgewekt meisje zou noemen; ze is heel ernstig en vol vuur bij al wat ze doet;--ze spreekt soms veel, en altoos met overtuiging;--maar eigenlijk vroolijk is ze bijna nooit."

"Ik geloof dat je gelijk hebt," antwoordde hij, "en toch heb ik haar altoos als een druk, levendig meisje beschouwd."

"Op dergelijke vergissingen heb ik mijzelve dikwijls betrapt," zei Elinor, "op een volkomen verkeerd begrijpen van iemands karakter in een of ander opzicht; door mij te verbeelden dat de menschen vroolijker of ernstiger, of verstandiger of dommer waren, dan ze feitelijk zijn, en ik kan zelf niet zeggen waarom, of waaruit die vergissing voortsproot. Soms laat men zich beïnvloeden door wat ze zeggen omtrent zichzelf, en heel dikwijls door wat anderen van hen vertellen, zonder zich den tijd te gunnen tot wikken en wegen eer men oordeelt."

"Maar ik dacht dat het juist goed was, Elinor," zei Marianne, "zich geheel en al te laten leiden door het oordeel van anderen. Ik dacht dat wij alleen meeningen mochten vormen, om ze te onderwerpen aan die van onze buren. Dat is altijd je leer geweest."

"Neen, nooit, Marianne. Mijn bedoeling is nooit geweest dat het begrip zich onderwerpen zou. Al wat ik ooit heb willen gewijzigd zien, was het gedrag. Je moet mij niet verkeerd begrijpen. Ik beken, dat ik dikwijls heb gewenscht, je onze kennissen over 't algemeen met meer voorkomendheid te zien behandelen, maar heb ik je ooit aangeraden hun gevoelens over te nemen, of je in gewichtige dingen te laten leiden door hun oordeel?"

"Het is je dus niet gelukt, je zuster over te halen tot je zienswijze op 't punt van de burgerlijke beleefdheid," zei Edward tot Elinor. "Heb je niets gewonnen?"

"Integendeel," antwoordde Elinor, terwijl ze Marianne veelbeteekenend aanzag.

"In theorie," zei Edward, "sta ik geheel aan jouw kant, maar ik vrees dat ik in de praktijk op je zuster gelijk. Ik wensch nooit aanstoot te geven; maar ik ben zoo belachelijk verlegen, dat ik dikwijls lomp lijk, terwijl ik alleen word belemmerd door mijn aangeboren onhandigheid. Ik heb mij wel eens verbeeld dat ik zeker door de natuur voorbestemd was om bij voorkeur in onbeschaafd gezelschap te verkeeren, zoo weinig voel ik mij op mijn gemak onder lieden uit hoogeren stand, wanneer ze mij vreemd zijn."

"Marianne kan voor haar nalatigheid in dat opzicht niet bepaald verlegenheid als verontschuldiging aanvoeren," zei Elinor.

"Zij kent haar eigen waarde te goed, om valsche schaamte te gevoelen," antwoordde Edward. "Verlegenheid is alleen het gevolg van een zeker minderheidsbesef in een of ander opzicht. Als ik mijzelf kon wijsmaken, dat ik mij gemakkelijk en luchtig bewoog, dan zou ik niet verlegen zijn."

"Maar terughoudend zou je altijd blijven," zei Marianne, "en dat is nog erger."

Edward zette groote oogen op--"Terughoudend? Ben ik terughoudend, Marianne?"

"Ja, heel erg."

"Ik begrijp je niet," antwoordde hij, met een hoogen blos.--"Terughoudend!--hoe dan? in welk opzicht? Wat had ik je dan moeten vertellen? Wat vermoedde je dan?"

Elinor keek vreemd op, toen zij hem zoo ontroerd zag; maar zei, om het gesprek een schertsende wending te geven: "Je kent mijn zuster toch genoeg om te begrijpen wat ze bedoelt? Je weet immers wel dat zij ieder terughoudend noemt, die niet even snel spreekt, en al wat zij mooi vindt niet even verrukt bewondert als zij zelf?"

Edward gaf geen antwoord. Hij werd weer juist zoo ernstig en nadenkend als in het begin, en bleef langen tijd stil en afgetrokken.

HOOFDSTUK XVIII

Elinor maakte zich over de neerslachtigheid van haar vriend ernstig ongerust. Zijn bezoek verschafte haar slechts een zeer beperkt genoegen, nu hij zelf er blijkbaar slechts ten halve van genieten kon. Het was duidelijk merkbaar dat hij zich ongelukkig voelde; zij wenschte wel, dat hij haar even duidelijk de genegenheid liet blijken, die zij eenmaal vast vertrouwde hem te hebben ingeboezemd; doch tot nog toe scheen het zeer onzeker, dat die voorkeur was blijven bestaan, en zijn teruggetrokken houding tegenover haar sprak het ééne oogenblik tegen, wat een bezielde blik in het vorige verried.

Hij kwam den volgenden morgen bij haar en Marianne in de eetkamer, eer de anderen beneden waren; en Marianne, die altijd gaarne bereid was, waar zij kon, hun geluk te bevorderen, liet hen spoedig alleen. Doch eer zij halverwege de trap was opgegaan, hoorde zij dat de kamerdeur werd geopend, en zag tot haar verbazing Edward zelf op den drempel staan.

"Ik ga naar het dorp om naar mijn paarden te zien," zei hij, "nu je toch nog niet gaat ontbijten; ik kom dadelijk terug."

Toen Edward zich weer bij hen voegde, sprak hij opnieuw zijn bewondering over de omgeving uit; hij had op zijn wandeling naar het dorp vele punten in de vallei op hun mooist gezien; en van uit het dorp zelf, dat veel hooger gelegen was dan hun huisje, had men een ruim uitzicht over de geheele streek, dat hem buitengemeen had getroffen. Dit was een onderwerp, waaraan Marianne gaarne haar aandacht schonk, en reeds begon zij te vertellen van haar eigen bewondering voor het landschap, en hem meer in bijzonderheden te vragen naar 't geen hem het meest was opgevallen, toen Edward haar in de rede viel door te zeggen: "Vraag nu niet te veel dóór, Marianne; je weet, ik heb van schilderachtigheid geen verstand, en ik zal je stellig ergeren door mijn onkunde en gebrek aan smaak, als we tot bijzonderheden afdalen. Ik noem bergen steil, die jij grootsch zoudt noemen, ik vind vormen vreemd en wanstaltig, die mij moesten verrukken door hun grillige woestheid, en ik zeg, dat ik voorwerpen op een afstand niet kan onderscheiden, terwijl ze volgens jou slechts vaag zouden schemeren door de wazige zachtheid van een nevelige atmosfeer. Je moet maar tevreden zijn met de soort van bewondering, die ik eerlijk aan den dag kan leggen. Ik vind dit een mooie streek,--de bergen zijn steil; in de bosschen groeit zwaar geboomte, en het dal ziet er gezellig en welvarend uit, met sappige weilanden, waartusschen goed onderhouden boerderijen verspreid liggen. Het is juist, wat ik versta onder een mooie streek, omdat hier schoonheid en nut vereenigd zijn te vinden--en ik geloof graag, dat het ook wel schilderachtig zal zijn, omdat jij het bewondert; ik kan mij gemakkelijk voorstellen, dat er heel wat rotsen en uitstekende punten in te vinden zijn, begroeid met grauw mos en verwilderd struikgewas, maar die maken op mij geen indruk. Schilderachtigheid is aan mij niet besteed."

"Ik vrees, dat het maar al te waar is," zei Marianne; "maar waarom vind je 't noodig, je daarop te beroemen?"

"Ik zou haast denken," zei Elinor, "dat Edward in de ééne affectatie vervalt, om de andere te vermijden. Omdat hij meent, dat veel menschen méér bewondering beweren te gevoelen voor de schoonheden der natuur dan ze werkelijk doen, en een afkeer heeft van die aanstellerij, stelt hij zich zelf aan, alsof hij onverschilliger was en minder bevoegd tot oordeelen in dezen, dan feitelijk het geval is. Hij is kieskeurig, en verkiest zich aan te stellen op zijn eigen manier."