Gevoel en verstand

Chapter 7

Chapter 73,889 wordsPublic domain

"Dank voor dien wensch, Willoughby," zei Mevrouw Dashwood. "Maar je moogt gerust gelooven, dat ik nooit eenig gevoel van gehechtheid aan deze plek, gekoesterd door wien ook, dien ik liefheb, zou willen kwetsen, terwille van alle verbeteringen ter wereld. Vertrouw maar stellig, dat ik, al hield ik ook nog zulk een groote som over bij 't opmaken van mijn budget in het voorjaar, die liever ongebruikt zou laten liggen, dan erover te beschikken op een wijze, die je zoo zou grieven. Maar ben je werkelijk zóó aan dit huis gehecht, dat je er geen gebreken in kunt zien?"

"Ja waarlijk," zei hij. "In mijn oogen is het volmaakt. Méér dan dat; ik beschouw het als het eenig verblijf, waarin voor mij geluk denkbaar is, en als ik rijk was, dan liet ik dadelijk Combe afbreken, en opnieuw bouwen als de getrouwe kopie van dit landhuisje."

"Met een smalle donkere trap en een rookenden keukenschoorsteen," zei Elinor.

"Ja zeker," riep hij, even opgewonden als te voren, "met al wat er bij behoort; in geen enkel opzicht, 't zij gunstig of _on_gunstig, moest ook maar de geringste afwijking zijn te bespeuren. Dan, en dàn alleen, onder zulk een dak, zou ik misschien te Combe even gelukkig zijn, als ik te Barton geweest ben."

"Ik durf wel hopen," antwoordde Elinor, "dat je, ook ondanks het bezwaar van ruimere kamers en een breedere trap, later je eigen huis even onverbeterlijk zult gaan vinden, als thans het onze."

"Zeer zeker zijn er omstandigheden," zeide Willoughby, "waaronder het mij zeer dierbaar zou kunnen worden, doch dit huis zal altoos één recht op mijne genegenheid kunnen doen gelden, waarin geen ander verblijf ooit deelen kan."

Mevrouw Dashwood wierp een verheugden blik naar Marianne, wier mooie oogen Willoughby aanzagen met een uitdrukking, die duidelijk te kennen gaf, hoe goed zij hem begreep.

"Hoe menigmaal wenschte ik," ging hij voort, "toen ik, nu een jaar geleden, te Allenham logeerde, dat Barton Cottage toch bewoond mocht worden! Ik kwam er nooit voorbij, zonder de ligging te bewonderen, en spijt te gevoelen, dat niemand daarvan genoot. Hoe weinig dacht ik toen, dat het eerste, wat Mevrouw Smith mij zou mededeelen, toen ik weer in deze streek terugkwam, het nieuws zou zijn, dat Barton Cottage was verhuurd! en ik voelde dadelijk een zekere voldoening en belangstelling bij dat bericht, die ik slechts kan toeschrijven aan een soort voorgevoel van het geluk, dat mij ten deel zou vallen door die gebeurtenis. Zou dat niet de reden geweest zijn, Marianne?" liet hij er, zachter tot haar sprekend, op volgen. Daarop ging hij luider voort: "En _dit_ huis zoudt u willen bederven, Mevrouw? U zoudt het zijn eenvoud willen ontnemen door een denkbeeldige verfraaiing? en deze dierbare huiskamer, waarin onze kennismaking begon, en waarin wij zoovele gelukkige uren tezamen hebben doorgebracht, zoudt u willen vernederen tot den staat van een gewonen toegang, zoodat iedere binnentredende zich haasten zou, het vertrek te verlaten, dat tot nu toe meer ware gezelligheid en behagen in zich omsloten hield, dan enige zaal van indrukwekkende afmetingen ons ooit zou kunnen aanbieden?"

Mevrouw Dashwood verzekerde hem opnieuw dat geenerlei verandering van dien aard zou worden ondernomen.

"Dat is lief van u," antwoordde hij met warmte. "Uwe belofte stelt mij gerust. Strek uwe goedheid nog een weinig verder uit, en u zult mij gelukkig maken. Beloof mij, dat niet alleen uw huis zal blijven zooals het is; maar dat ik u en de uwen even onveranderd zal blijven vinden als uwe woning, en dat u mij steeds zult beschouwen met die vriendelijke gezindheid, die u en uwe geheele omgeving mij zoo dierbaar worden deed."

Die belofte werd gaarne gegeven, en Willoughby's stemming gedurende den geheelen avond legde getuigenis af van zijn genegenheid en zijn geluk. "Zullen we je morgenmiddag aan tafel zien?" vroeg Mevrouw Dashwood bij het afscheid. "Ik reken niet op een morgenbezoek; want wij moeten naar Barton Park wandelen, om een visite te maken bij Lady Middleton."

Hij beloofde om vier uur bij hen te zullen zijn.

HOOFDSTUK XV

Het bezoek van Mevrouw Dashwood bij Lady Middleton had den volgenden dag plaats, en twee van hare dochters vergezelden haar; doch Marianne wilde liever niet medegaan, en verontschuldigde zich op grond van een onbeduidend voorwendsel. Haar moeder, die hier uit opmaakte, dat Willoughby den avond te voren beloofd had, haar te zullen opzoeken gedurende hunne afwezigheid, had er niets op tegen, dat zij tehuis bleef.

Bij hun terugkomst van Barton Park zagen zij Willoughby's rijtuig en zijn bediende vóór het huis staan wachten, en Mevrouw Dashwood begreep, dat haar vermoeden bewaarheid was. Tot dusver ging alles, zooals zij verwacht had; maar toen zij het huis binnentrad, aanschouwde zij, wat geen vooruitziende schranderheid haar had kunnen doen voorzien. Juist toen zij de voordeur ingingen, zagen zij Marianne haastig uit de huiskamer komen, blijkbaar bitter bedroefd, met haar zakdoek voor de oogen, en zonder op hen te letten, de trap oploopen. Verwonderd en verschrikt gingen zij aanstonds de kamer binnen, die zij pas verlaten had, en vonden er niemand dan Willoughby, die tegen den schoorsteenmantel geleund stond, met den rug naar hen toegekeerd. Hij wendde zich om, toen zij binnenkwamen, en zijn gelaat vertoonde ten duidelijkste de sporen eener even heftige aandoening, als die, welke Marianne had overmeesterd.

"Scheelt haar iets?" riep Mevrouw Dashwood reeds op den drempel; "is zij niet wel?"

"Ik hoop het niet," antwoordde hij, met een poging om vroolijk te kijken, en na een oogenblik liet hij er met een gedwongen glimlach op volgen: "Het zou zoo vreemd niet zijn, wanneer ikzelf mij onwel gevoelde; want ik ga op het oogenblik gebukt onder een grievende teleurstelling!"

"Teleurstelling!"

"Ja; want het is mij niet mogelijk, mij te houden aan onze afspraak. Mevrouw Smith heeft van morgen het overwicht van haar rijkdom doen gelden tegenover een armen afhankelijken bloedverwant door mij voor zaken naar Londen te zenden. Ik heb zooeven mijn opdrachten in ontvangst genomen, en Allenham vaarwel gezegd; en bij wijze van vertroosting ben ik nu komen afscheid nemen van u."

"Naar Londen!--en ga je vandaag nog?"

"'t Is bijna reeds mijn tijd."

"Dat treft wel ongelukkig. Maar je moet doen, wat Mevrouw Smith verlangt;--en haar opdracht zal je toch, hoop ik, niet lang van ons verwijderd houden."

Hij kreeg een kleur, terwijl hij antwoordde: "U bent wel vriendelijk, maar het is niet mijn bedoeling, zoo spoedig terug te keeren naar Devonshire. Mijn bezoeken bij Mevrouw Smith worden nooit herhaald binnen het jaar."

"En is Mevrouw Smith dan je eenige vriendin? Is Allenham het eenige huis hier in de buurt, waar je welkom zoudt zijn? Foei, Willoughby. Acht je je verplicht een uitnoodiging van mijne zijde af te wachten?"

Hij bloosde nog dieper, en zei alleen met neergeslagen oogen: "U bent waarlijk te goed."

Mevrouw Dashwood zag Elinor verbaasd aan. Elinor was niet minder verwonderd. Een korte poos bewaarden allen het stilzwijgen. Mevrouw Dashwood was de eerste, die sprak.

"Ik kan alleen herhalen, mijn waarde Willoughby," zeide zij, "dat ge altijd welkom zult zijn in Barton Cottage; want ik wil niet aandringen op uw spoedige terugkomst hier; daar ge zelf alleen kunt beoordeelen, in hoeverre die Mevrouw Smith aangenaam zou zijn; en op dat punt ben ik evenmin geneigd uw oordeel te wantrouwen, als ik gezind ben twijfel te koesteren omtrent uw eigen wenschen."

"Voorloopig," antwoordde Willoughby verward, "zijn mijn verplichtingen van dien aard... dat... ik durf niet hopen..."

Hij zweeg. Mevrouw Dashwood kon van verbazing geen woorden vinden, en weer volgde er stilte. Willoughby verbrak het zwijgen door met een flauwen glimlach te zeggen: "'t Is dwaasheid, nog langer zoo te blijven dralen. Ik wil mijzelf niet verder kwellen, door een samenzijn met vrienden, in wier gezelschap ik thans onmogelijk behagen scheppen kan."

Hij nam haastig van hen allen afscheid en verliet het vertrek. Zij zagen hem in zijn rijtuig stappen en een oogenblik later verdween het uit hun gezicht. Mevrouw Dashwood was te bewogen om haar gevoel in woorden te uiten, en ging de kamer uit, om in eenzaamheid zich over te geven aan de gevoelens van droefheid en zorg, veroorzaakt door dit plotseling vertrek.

Elinor was niet minder ongerust dan haar moeder. Het daareven gebeurde vervulde haar met angst en wantrouwen. Willoughby's houding bij het afscheid, zijn verwarring en zijn voorgewende vroolijkheid maar vooral zijn blijkbare ongeneigdheid om haar moeders uitnoodiging aan te nemen, een terughouding, zóó vreemd in een minnaar,--in iemand als hij, dat alles wekte in de hoogste mate haar bezorgdheid. Het eene oogenblik vreesde zij, dat van zijn kant nooit eenig ernstig plan had bestaan; en dan weer dacht zij, dat tusschen hem en haar zuster misschien iets onaangenaams was voorgevallen; Marianne's droefheid, toen zij uit de kamer kwam, had zéér goed het gevolg van een heftigen twist kunnen zijn; en toch wanneer zij bedacht, hoe Marianne hem liefhad, scheen twist tusschen hen haar bijna iets onmogelijks.

Doch onder welke omstandigheden dan ook hunne scheiding mocht hebben plaats gehad; aan de diepe droefheid van haar zuster viel niet te twijfelen, en zij dacht met innig medelijden aan de heftige smart, waarin Marianne zeer waarschijnlijk thans niet slechts verlichting zocht en vond, doch die zij het haar plicht zou achten aan te wakkeren en te verlevendigen.

Na een half uurtje kwam haar moeder terug, en hoewel haar oogen beschreid waren, keek zij toch niet bedrukt.

"Nu is onze beste Willoughby al een paar mijlen ver van Barton, Elinor," zei ze, terwijl zij haar werk opnam en ging zitten; "en met welk een bezwaard gemoed is hij op reis gegaan!"

"'t Is alles even vreemd. Zoo plotseling vertrokken! Het schijnt wel het werk van één oogenblik. Wat was hij gisteravond nog gelukkig in ons bijzijn, en zoo hartelijk, zoo vroolijk!--En nu, na slechts tien minuten voorbereiding, is hij weg--niet voornemens terug te keeren? Er moet meer zijn voorgevallen dan hij ons heeft willen bekennen. Hij sprak niet als anders; hij was zichzelf niet. _U_ moet dat verschil even goed hebben opgemerkt als ik. Wat kan het zijn? Een twist tusschen hen beiden? Waarom zou hij anders zoo ongeneigd zijn gebleken om uwe uitnoodiging aan te nemen?"

"'t Was niet, omdat hij het niet wenschte, Elinor! Dàt zag ik duidelijk genoeg. Het stond niet in zijn macht. Ik heb over alles goed nagedacht, dat verzeker ik je, en ik begrijp nu volkomen alles, wat mij eerst even vreemd scheen als jou."

"Werkelijk, mama?"

"Ja. _Ik_ voor mij ben tot een heel bevredigende slotsom gekomen;--maar jij, Elinor, die bij voorkeur twijfelt, als je daar kans toe ziet... _jou_ zal die niet voldoen, dat weet ik wel; al zal je _mijn_ vertrouwen erin niet kunnen wegpraten. Ik ben vast overtuigd, dat Mevrouw Smith zijn genegenheid voor Marianne vermoedt; dat zij die afkeurt--misschien omdat zij andere plannen met hem heeft en daarom erop gesteld is, hem uit den weg te krijgen; die zaak, die hij voor haar moet regelen en waarvoor ze hem wegzendt, is natuurlijk maar een voorwendsel, dat zij bedacht heeft. Zoo stel ik mij het gebeurde voor. Daarbij komt dit: hij _weet_, dat zij die verbintenis niet goedkeurt; hij durft haar dus op het oogenblik niet bekennen, dat hij met Marianne is verloofd, en in zijn afhankelijke positie, voelt hij zich verplicht, op haar plannen in te gaan, en Devonshire voor eenigen tijd te verlaten. Ik weet het wel, je zult zeggen: dat alles kàn, en kan óók _niet_ gebeurd zijn; maar ik luister naar géén tegenwerping eer je mij een andere manier aan de hand doet, om de zaak zóó gunstig uit te leggen. En wat heb je daar nu op te zeggen?"

"Niets, mama; want u hebt mijn antwoord reeds vooraf verwacht en uitgesproken."

"Dus je zoudt gezegd hebben: het kan evengoed _niet_ als wèl zoo zijn geweest. O Elinor, wat zijn je gevoelens toch onbegrijpelijk! Je zoudt liever kwaad gelooven dan goed. Je zoudt liever _zoeken_ naar verdriet voor Marianne, en schuld van dien armen Willoughby, dan naar verontschuldiging voor zijn gedrag. Je _verkiest_ hem nu eenmaal schuldig te achten omdat hij bij het afscheid van ons niet zoo hartelijk scheen als gewoonlijk. En is er dan geen verschooning te vinden in een zekere verstrooidheid en neerslachtigheid, veroorzaakt door de pas ondervonden teleurstelling? Zal geen enkele mogelijkheid overwogen mogen worden, enkel en alleen omdat zij geen zekerheid is? Zijn wij niets verplicht aan den man, dien wij om zoo goede reden liefhebben, en die ons niet de geringste aanleiding gaf tot verdenking? Mag dan de mogelijkheid niet worden aangenomen van beweegredenen, volkomen gegrond op zich zelf, doch die voorloopig onvermijdelijk verborgen moeten blijven? En, wat is het, per slot van rekening, waarvan je hem verdenkt?"

"Dat kan ik u eigenlijk zelf niet zeggen. Maar het vermoeden van iets onaangenaams is 't onvermijdelijk gevolg van een verandering, zooals wij die daareven in hem hebben waargenomen. Er is echter veel waars in wat u zegt omtrent de overwegingen te zijnen gunste, die wij moeten laten gelden, en ik wensch werkelijk eerlijk te zijn in mijn oordeel over iedereen. Willoughby kàn ongetwijfeld zeer voldoende redenen hebben voor zijn gedrag, en ik hoop, dat dit het geval is. Maar het zou toch meer iets voor hem zijn geweest, die openlijk te erkennen. Geheimzinnigheid mag raadzaam zijn; maar ik kan niet nalaten mij te verwonderen, dat juist hij die betracht."

"Je moogt hem geen verwijt maken van ontrouw aan zichzelf, waar die afwijking noodzakelijk is. Maar je geeft dus werkelijk toe, dat ik gelijk had, in wat ik tot zijn verdediging aanvoerde?--daar ben ik blij om--dan gaat hij vrij uit."

Niet geheel en al. Het kan raadzaam zijn, hun verloving--(àls ze verloofd zijn,)--geheim te houden voor Mevrouw Smith,--en als dat het geval is, dan is het natuurlijk zéér noodig, dat Willoughby thans slechts zelden in Devonshire gezien wordt. Maar dit is nog geen reden om die verloving te verbergen voor òns."

"Verbergen voor òns? maar lieve kind, beschuldig je Willoughby en Marianne van achterhoudendheid op dat punt? Dàt is wel vreemd, terwijl je blikken hun dag aan dag een verwijt maakten van hun gebrek aan voorzichtigheid."

"Van hun genegenheid heb ik geen bewijs meer noodig," zei Elinor, "maar van hun verloofd zijn wèl."

"Ik ben omtrent beide punten volkomen gerust."

"En toch is er door geen van hen beiden één woord tegenover u gerept van dat onderwerp."

"Ik had geen woorden noodig; hun daden spraken voor mij duidelijk genoeg. Bewees niet zijn houding jegens Marianne en ons allen, in de laatste weken, dat hij haar liefhad en als zijn aanstaande vrouw beschouwde, en dat hij ons de genegenheid toedroeg die men koestert voor zijn naaste verwanten? Hebben wij elkaar niet volkomen begrepen? Vroeg hij niet dagelijks mijne toestemming, door zijn blik, zijn houding, zijn oplettende en eerbiedige voorkomendheid? Mijn beste Elinor, is het mogelijk dat je hun verloving in twijfel trekt? Hoe kon die gedachte bij je opkomen? Hoe kan je veronderstellen, dat Willoughby, overtuigd als hij moet zijn van je zuster's liefde, haar zou verlaten, voor maanden achtereen misschien, zonder haar zijn gevoel te openbaren;--dat ze zouden scheiden zonder elkaar wederzijdsch vertrouwen te hebben geschonken?"

"Ik geef toe," antwoordde Elinor, "dat alle omstandigheden, op één na, spreken ten gunste van hun verloving; maar die ééne is het volslagen stilzwijgen, door beiden daaromtrent bewaard, en voor mij weegt die eene tegen bijna alle andere op."

"Wat is dat vreemd. Je moet wel slecht over Willoughby denken, wanneer je, na al wat tusschen hen is voorgevallen, nog kunt twijfelen aan den aard van hun onderlinge verhouding. Dus hij sou al dien tijd tegenover je zuster een rol hebben gespeeld? Denk je dat hij in zijn hart onverschillig haar is?"

"Neen, dat kàn ik niet denken. Hij moet haar liefhebben, en dat doet hij; daaraan twijfel ik niet".

"Een vreemd soort van teederheid is dat dan toch, die hem toestaat haar te verlaten, zoo onverschillig, zoo onbezorgd omtrent de toekomst, als je denkt, dat hij doet."

"U moet niet vergeten, mama, dat ik de zaak nooit als zeker beschouwde. Ik beken, dat ik wel eens twijfel heb gekoesterd. Die twijfel is echter reeds verminderd en zal misschien spoedig geheel verdwijnen. Als het blijkt, dat zij in briefwisseling zijn, dan ben ik niet bang meer."

"Je bent wèl toegevend, moet ik zeggen! Als je hen voor het altaar zaagt staan, dan zou je nog denken, dat ze _misschien_ wel gingen trouwen. 't Is een leelijke trek in je.--Maar zulke bewijzen heb _ik_ niet noodig. In mijn oogen is er niets gebeurd, dat twijfel rechtvaardigde; tot verbergen werd geen poging gedaan; alles ging volkomen open en zonder terughouding in zijn werk. Aan je zuster's wenschen kan je niet twijfelen. 't Is dus Willoughby, dien je verdenkt. En waarom? Is hij niet gevoelig en een man van eer? Gaf hij ons door onstandvastigheid reden tot zorg en vrees? Zou hij bedriegelijk kunnen zijn?"

"Ik geloof van niet; ik geloof van niet," riep Elinor. "Ik houd van Willoughby; ik houd oprecht van hem; en twijfel aan de zuiverheid van zijn karakter doet mijzelve niet minder pijn dan u. Tegen mijn wil is die twijfel gerezen, en ik wil dat gevoel niet aanmoedigen. Ik beken, dat ik schrikte van morgen, door die verandering in zijn houding; hij sprak niet zooals van hem te verwachten viel, en bleef onhartelijk tegenover uw vriendelijkheid. Maar dat alles laat zich verklaren door de omstandigheden, die u als waar veronderstelt. Hij had pas afscheid genomen van Marianne, had haar zien gaan, wanhopig bedroefd; en als hij zich verplicht achtte, uit vrees Mevrouw Smith te ergeren, de verleiding te weerstaan om hier spoedig terug te keeren, terwijl hij toch wist, door het weigeren van uwe uitnoodiging, door te zeggen dat hij voor langen tijd afscheid nam, tegenover ons gezin den schijn op zich te laden van illoyaal en zonderling gedrag, dan had hij waarlijk wel reden verlegen en verward te zijn. Onder die omstandigheden zou een eenvoudige en openhartige uiteenzetting van zijn moeilijkheden hem meer tot eer hebben gestrekt, en mijns inziens meer hebben gestrookt met zijn aard en aanleg; maar ik zal niemand zijn gedrag verwijten, wegens zoo enghartige redenen als een verschil in zienswijze met mijzelve, of eene afwijking van wat _ik_ als goed en redelijk beschouw."

"Nu spreek je, zooals het behoort. Willoughby verdient waarlijk niet beschouwd te worden met achterdocht. Al kennen _wij_ hem nog niet lang; hij is hier geen vreemdeling; en wie heeft ooit iets te zijnen nadeele gezegd? Hadden zijn omstandigheden hem veroorloofd, zelfstandig op te treden en onmiddellijk te huwen, dan had het vreemd kunnen schijnen, dat hij ons verliet, zonder mij alles thans reeds te bekennen; doch dit is niet het geval. Het is een verloving, die in sommige opzichten geen voorspoedig begin heeft gehad, want de tijd van hun huwelijk is onzeker en veraf; zoodat dan ook stilzwijgen omtrent de zaak, thans, voor zoover het mogelijk is, zeer raadzaam is geworden."

Hier werden zij gestoord door Margaret, die binnenkwam; en Elinor had thans gelegenheid, na te denken over haar moeder's opvattingen; te erkennen dat vele van haar vermoedens gegrond schenen, en te hopen, dat alle zouden bewaarheid worden. Zij zagen Marianne niet eer het tijd was om te eten, en zij zonder een woord te zeggen de kamer binnenkwam en aan tafel ging zitten. Haar oogen waren rood en gezwollen, en het scheen alsof zij slechts met moeite hare tranen weerhield. Zij vermeed hun aller blikken, kon noch eten, noch spreken, en toen haar moeder na eenigen tijd zwijgend en met innig medelijden haar hand drukte, bezweek haar geringe kracht geheel--zij barstte in tranen uit en verliet het vertrek.

Deze diepe verslagenheid van geest bleef den geheelen avond voortduren. Zij had geen macht over zichzelve, wijl die macht door haar niet werd begeerd. Bij de geringste opmerking over iets, dat met Willoughby in verband stond werd zij overweldigd door hare droefheid, en ofschoon haar moeder en zusters hun uiterste best deden om haar te ontzien, het was onmogelijk, tenzij ze een volstrekt stilzwijgen wilden bewaren, elk onderwerp te vermijden, dat voor haar gevoel op hem betrekking had.

HOOFDSTUK XVI

Marianne zou het onvergefelijk van zichzelve hebben gevonden, als ze had kunnen slapen, den eersten nacht na het afscheid van Willoughby. Ze zou den anderen den volgenden morgen niet zonder schaamte in het gezicht hebben durven zien, als ze niet bij het opstaan grooter behoefte had gehad aan rust, dan toen ze ging liggen. Maar de gevoelens, die haar in zelfbedwang schande deden zien, bewaarden haar voor het gevaar, zich die schande op den hals te halen. Zij lag den geheelen nacht wakker, en _bijna_ den geheelen nacht schreide zij. Ze stond met hoofdpijn op, kon niet spreken en weigerde iets te eten; deed dus haar moeder en zusters onophoudelijk verdriet en verzette zich tegen elke poging van hunne zijde om haar te troosten. Haar gevoeligheid was waarlijk niet machteloos!

Na het ontbijt ging zij alleen wandelen, en zwierf bijna den geheelen morgen rond in de omstreken van Allenham, zwelgend in herinneringen aan verloren geluk, en zich onder tranen beklagend over den tegenwoordigen tegenspoed.

Ook den avond sleet zij in algeheele overgave aan haar gevoel. Zij speelde al de geliefkoosde liederen over, die zij Willoughby placht voor te spelen, iedere melodie, waarin hun stemmen zoo dikwijls hadden samengeklonken, en zat voor de piano te staren naar de muziek, die hij voor haar had gecopieerd, tot haar hart zoo overstelpt was van verdriet, dat zij niet treuriger kòn worden; en iederen dag schonk zij op die wijze nieuw voedsel aan hare smart. Uren aaneen zat zij voor de piano beurtelings te zingen en te schreien, en dikwijls werd haar stem geheel door tranen verstikt. Ook in haar boeken, zoowel als in muziek, zocht zij met voorliefde de rampzaligheid die de tegenstelling tusschen voorheen en thans haar onvermijdelijk moest doen gevoelen. Zij las niets anders, dan wat zij samen te lezen plachten.

Zóó heftige smart kon niet van eindeloozen duur zijn, na eenige dagen verflauwde zij tot kalmer neerslachtigheid; doch de reeds genoemde bezigheden, die zij dagelijks hervatte; haar eenzame wandelingen en stille overpeinzingen leidden ook thans bijwijlen tot hevige uitbarstingen van verdriet.

Van Willoughby kwam geen brief, en Marianne scheen dien ook niet te verwachten. Haar moeder was verwonderd, en Elinor maakte zich opnieuw ongerust. Maar Mevrouw Dashwood had altijd verklaringen bij de hand, wanneer ze die behoefde, die althans haarzelve tevreden stelden.

"Je weet wel, Elinor," zei ze, "hoe dikwijls Sir John onze brieven van de post haalt en ze voor ons bezorgt. We zijn het nu eens, dat de zaak liever niet ruchtbaar moet worden, en we moeten erkennen dat dit onmogelijk zou zijn, als Sir John hunne brieven over en weer in handen kreeg."

Elinor kon dit niet tegenspreken, en zij trachtte die beweegreden voldoende te achten ter verklaring van hun stilzwijgen.

Er was echter één middel om achter den waren staat van zaken te komen, en alle geheimzinnigheid te verbannen, zóó recht op het doel afgaand, zoo eenvoudig, en naar hare meening zoo verkieselijk, dat zij niet kon nalaten, haar moeder dit aan de hand te doen.

"Waarom vraagt u Marianne niet zelf," zei zij, "of ze al of niet met Willoughby verloofd is? Van u, haar moeder, die zoo vriendelijk en toegevend voor haar is, kan die vraag haar niet grieven. 't Zou het natuurlijk uitvloeisel zijn van uw genegenheid voor haar. Zij placht één en al openhartigheid te zijn, tegenover u vooral."