Chapter 6
Elinor hoorde hem dit alles zeggen; en uit al zijn woorden, uit zijn uitdrukking terwijl hij ze sprak, en uit het feit dat hij haar zuster bij haar voornaam noemde, bleek haar oogenblikkelijk de onmiskenbaar innige vertrouwelijkheid, de rechtstreeksche bedoeling, die niet den minsten twijfel lieten aan hun onderlinge verstandhouding. Van dat oogenblik af stond het voor haar vast, dat zij in stilte verloofd waren, en die overtuiging wekte in haar geene andere reden tot verwondering, dan deze, dat zulk een openhartig paar de ontdekking van het geheim, door haar, of wie ook van hun vrienden, aan het toeval overliet. Den volgenden dag vertelde Margaret haar iets, dat de zaak in een nog helderder daglicht plaatste. Willoughby had den vorigen avond bij hen doorgebracht, en toen Margaret een poos met hem en Marianne alleen in de huiskamer was gebleven, had zij gelegenheid gehad tot waarnemingen, die zij met een allergewichtigst gezicht aan haar oudste zuster kwam berichten, zoodra zij samen alleen waren.
"O Elinor!" riep zij; "ik heb je een groot geheim te vertellen, over Marianne. Ik geloof stellig, dat ze nu heel gauw gaat trouwen met Mijnheer Willoughby."
"Dat heb je nu al bijna iederen dag gezegd, antwoordde Elinor, "sedert ze elkaar voor 't eerst op High-Church Down ontmoetten; en toen ze elkaar nog geen week kenden, was je al zeker, dat Marianne zijn portret in haar medaillon droeg, tot het uitkwam dat het een miniatuur-portretje van onzen oudoom was."
"O, maar dit is heel iets anders. Nu gaan ze stellig gauw trouwen, want hij heeft een lok van haar haar."
"Pas maar op, Margaret. Misschien is dàt nu weer een haarlok van _zijn_ oudoom."
"Neen werkelijk, Elinor; 't is van Marianne. Ik weet het stellig; want ik zag hem het afknippen. Gisterenavond na de thee, toen jij en mama uit de kamer waren gegaan, zaten ze druk samen te praten en te fluisteren, en hij scheen haar telkens iets te vragen; en ten laatste nam hij haar schaar, en knipte een lange krul van haar haar af, want ze had het loshangen; en toen kuste hij het, en vouwde 't in een stuk wit papier en legde dat in zijn notitieboek."
Deze bijzonderheden, uit zoo betrouwbare bron, kon Elinor niet weigeren te gelooven, en zij was daartoe te minder geneigd, wijl het voorgevallene volkomen in overeenstemming scheen met wat zijzelve gehoord en gezien had.
Margaret gaf van haar schranderheid niet altijd blijk op de wijze, die haar zuster het best kon behagen. Toen Mevrouw Jennings haar op een avond te Barton Park dringend vroeg om toch eens te vertellen, welke jonge man bij Elinor het hoogst stond aangeschreven, iets, waarnaar zij reeds lang fel nieuwsgierig was, keek Margaret haar zuster eens aan en zei: "Ik mag het zeker niet vertellen; of wèl, Elinor?"
Daarom moest natuurlijk iedereen lachen, en Elinor lachte zoogoed mogelijk mee. Maar het kostte haar moeite. Zij wist maar al te goed, dat Margaret iemand op het oog had, wiens naam zij niet kon verdragen van nu af aan geregeld te moeten hooren, als Mevrouw Jennings met haar grappen begon.
Marianne had oprecht medelijden met haar; maar zij maakte de zaak eer erger dan beter, door met een hooge kleur en op driftigen toon tegen Margaret te zeggen: "Vergeet niet dat je dingen, waarvan je niet zeker bent, niet moogt oververtellen."
"'t _Zijn_ geen dingen, waarvan ik niet zeker ben," zei Margaret; "je hebt het mij zelf verteld."
De vroolijkheid van 't gezelschap werd hierdoor nog verhoogd, en Margaret werd dringend verzocht, nog iets meer los te laten.
"Och toe, Margaret, vertel het ons nu maar," zei Mevrouw Jennings. "Hoe heet die mijnheer?"
"Ik mag 't niet zeggen, mevrouw. Maar ik weet het wèl; en waar hij is, dat weet ik ook."
"Ja, dat kunnen we wel raden, in zijn eigen huis, te Norland, natuurlijk. Ik wed dat het de dominé is."
"Neen, dàt is hij niet. Hij is in 't geheel niets."
"Margaret," zei Marianne, erg boos nu, "je weet best, dat je dit alles maar uit den duim zuigt, en dat er niet eens zoo iemand bestaat."
"O, dan is hij zeker voor kort overleden, Marianne; want dat er zoo iemand bestaan hééft, dat weet ik wel zeker, en zijn naam begint met een F."
Innig dankbaar was Elinor, dat Lady Middleton op dat oogenblik de opmerking maakte, "dat het geducht hard regende," hoewel zij die opzettelijke onderbreking van het gesprek minder toeschreef aan eenig medegevoel voor háár, dan aan den afkeer der gastvrouw van zulke grove scherts, waarin haar moeder en haar man nu eenmaal behagen hadden. Het door haar ingeleide onderwerp werd aanstonds opgevat door Kolonel Brandon, die bij alle voorkomende gelegenheden anderer gevoelens placht te ontzien; en beiden hadden elkaar over den regen veel te vertellen. Willoughby opende de piano en vroeg Marianne, iets voor te spelen, en bij die onderscheiden pogingen van verschillenden der aanwezigen, om van het onderwerp af te stappen, kwam het gelukkig tot rust. Maar Elinor bekwam niet zoo snel van den schrik, dien het haar had veroorzaakt.
Er werd dien avond een plan beraamd om den volgenden dag een fraai buitengoed te gaan bezichtigen, dat omstreeks twaalf mijlen van Barton verwijderd lag, en toebehoorde aan een schoonbroeder van Kolonel Brandon, zonder wiens geleide het niet te zien was, daar de eigenaar, die buitenslands vertoefde, op dat punt strikte orders had gegeven. Het park en de omgeving werden als bijzonder mooi geroemd, en Sir John, die luide hun lof verkondigde, kon er in elk geval goed over oordeelen, want hij had, in de laatste tien jaar, minstens tweemaal elken zomer tochtjes erheen georganiseerd. Bij het park behoorde een uitgestrekt meer, waarop des middags zou worden gezeild; proviand werd medegenomen, er werden alleén open rijtuigen gebruikt, en het beloofde een recht genoegelijke buitenpartij te zullen worden.
Enkelen onder het gezelschap vonden het een ietwat gewaagd plan, om dezen tijd van het jaar, terwijl het de laatste veertien dagen elken dag had geregend, en Mevrouw Dashwood, die reeds verkouden was, liet zich door Elinor overreden om thuis te blijven.
HOOFDSTUK XIII
Het voorgenomen tochtje naar Whitwell liep heel anders af, dan Elinor had verwacht. Zij had erop gerekend bang op het water, doornat en doodmoe te te zullen zijn; maar het kwam nog ongelukkiger uit; want zij gingen in het geheel niet.
Om tien uur waren allen vergaderd op het Park, waar zij zouden ontbijten. Het weer liet zich vrij goed aanzien, schoon het den geheelen nacht had geregend; want de wolken dreven uiteen, en meermalen vertoonde zich even de zon. Allen waren vroolijk en opgewekt, blij in 't vooruitzicht van een prettigen dag, en vast voornemens hun pleizier niet te laten bederven door een weinig ongemak of tegenspoed. Aan het ontbijt werden de brieven binnengebracht. Een ervan was voor Kolonel Brandon;--hij nam den brief aan, keek naar het adres, verschoot van kleur, en ging meteen de kamer uit.
"Wat scheelt Brandon?" vroeg Sir John.
Niemand kon het hem zeggen.
"Ik hoop dat hij geen slechte tijding heeft gekregen," zei Lady Middleton. "Het moet wel iets bijzonders zijn, dat Kolonel Brandon zoo plotseling van mijn ontbijttafel doet opstaan."
Na een minuut of vijf kwam hij terug.
"Toch geen slecht nieuws, Kolonel?" vroeg Mevrouw Jennings, toen hij binnentrad.
"O neen, mevrouw; in 't geheel niet."
"Kwam de brief uit Avignon? Ik hoop toch, dat uwe zuster niet erger is geworden?"
"Neen, mevrouw. De brief kwam uit Londen, 't was over zaken; anders niet."
"Maar hoe kon het handschrift u zoo van streek brengen, als het niets dan een brief over zaken was? Neen, neen, Kolonel, zoo komt u er niet af; vertel ons nu maar de waarheid."
"Maar moeder," zei Lady Middleton; "bedenk toch wat u zegt."
"Misschien hebt u bericht gekregen, dat uw nichtje Fanny getrouwd is?" zei Mevrouw Jennings, zonder acht te slaan op haar dochters vermaning.
"Neen, dat was het ook niet."
"Nu, dàn weet ik, van wie de brief was. En ik hoop dat zij het goed maakt."
"Wie bedoelt u, mevrouw?" zei hij, met ietwat verhoogde kleur.
"O, u weet best wie ik bedoel."
"Het spijt mij wel zéér, mevrouw," hernam hij, zich tot Lady Middleton wendend, "dat ik juist vandaag dien brief moest ontvangen; want hij handelt over zaken, die mijn onmiddellijk vertrek naar Londen noodzakelijk maken."
"Naar Londen!" riep Mevrouw Jennings. ""Wat kunt u om dezen tijd van het jaar in de stad hebben te doen?
"Ik zelf verlies veel erdoor," ging hij voort, "daar ik van zulk aangenaam gezelschap moet afscheid nemen, doch het spijt mij te meer, omdat ik vrees, u zonder mijne tegenwoordigheid geen toegang tot Whitwell te kunnen verschaffen."
Dat was een slag voor hen allen!
"Maar als u een briefje aan de huishoudster schreef, Mijnheer Brandon," zei Marianne haastig; "zou dat niet voldoende zijn?"
Hij schudde het hoofd.
"We gaan toch," zei Sir John. "Het mag niet afspringen, nu we er bijna zijn nog wel. Er zit niet anders op, Brandon, dan dat je morgen naar de stad gaat."
"Ik wenschte wel dat het zoo gemakkelijk geschikt kon worden. Maar ik kan mijn reis waarlijk geen dag uitstellen."
"Als u ons maar wilde vertellen, wat die zaak eigenlijk _is_," zei Mevrouw Jennings; "dan konden wij er over oordeelen, of het kon uitgesteld worden of niet."
"Het zou geen zes uren verschil maken," zei Willoughby, "als u de reis uitstelde tot we terug waren."
"Ik mag geen _uur_ verliezen."
Elinor hoorde, hoe Willoughby zachtjes tegen Marianne zei: "Er zijn van die menschen die een hekel hebben aan buitenpartijen. Brandon behoort er ook toe. Hij was zeker bang om kou te vatten, en bedacht er deze uitvlucht op, om eraf te komen. Ik durf er vijftig guinea's op verwedden, dat hij dien brief zelf geschreven heeft."
"Natuurlijk," antwoordde Marianne.
"Men kan je niet overhalen om van meening te veranderen, Brandon; dat weet ik van ouds," zei Sir John; "als je eenmaal een voornemen hebt opgevat. Maar ik blijf nog hopen, dat je je zult bedenken. Vergeet niet, dat de beide dames Carey ervoor van Newton zijn gekomen, dat de drie dames Dashwood ervoor van huis zijn komen wandelen, en dat Mijnheer Willoughby twee uur vroeger dan gewoonlijk is opgestaan, alles om dat uitstapje naar Whitwell."
Kolonel Brandon betuigde opnieuw zijn spijt, dat hij het gezelschap moest teleurstellen, maar verklaarde tevens, dat dit onvermijdelijk was.
"Nu, wanneer kom je dan terug?"
"Ik hoop dat we u hier weer te Barton zullen mogen verwelkomen," voegde Lady Middleton erbij, "zoodra u weer uit Londen kunt vertrekken; we moeten het uitstapje naar Whitwell dan maar uitstellen tot uw terugkomst."
"Dat is heel vriendelijk van u. Maar het is zóó onzeker, wanneer het mij mogelijk zal zijn terug te keeren, dat ik daaromtrent geen afspraak durf maken."
"O, maar terugkomen moet en zàl hij," riep Sir John. "Als hij aan 't eind van de week niet weer hier is, ga ik hem halen."
"Ja, doe dat," zei Mevrouw Jennings; "dan kom je misschien erachter, wat die zaak toch zijn mag."
"Neen, ik begeer mijn neus niet in andermans-zaken te steken; 't zal wel iets zijn, waarvoor hij zich schaamt."
Een bediende kwam zeggen, dat de paarden van den Kolonel gereed waren.
"Je gaat toch niet te paard naar de stad?" vroeg Sir John.
"Neen,--niet verder dan tot Honiton. En dan met de postkoets."
"Nu, als je besloten bent te gaan, goede reis dan. Maar ik zou mij liever nog eens bedenken."
"Ik verzeker je, dat het mij niet mogelijk is."
Hij nam afscheid van het geheele gezelschap.
"Is er geen kans, dat ik u en uw zusters dezen winter in de stad zal ontmoeten, Juffrouw Dashwood?"
"Ik vrees van niet."
"Dan moet ik afscheid van u nemen voor langer dan mij lief is."
Voor Marianne boog hij alleen, zonder iets te zeggen.
"Kom, Kolonel," zei Mevrouw Jennings, "laat ons nu nog eer u heengaat, hooren wat er achter zit."
Hij zei haar beleefd goedendag en ging, vergezeld door Sir John de kamer uit.
De klachten en verzuchtingen, die de hoffelijkheid tot nu toe had weerhouden, barstten van alle zijden los, en zij waren het steeds weer op nieuw met elkaar eens, dat het afschuwelijk ergerlijk was, zoo te worden teleurgesteld.
"Nu met dat al, ik kan 't je wel vertellen, wat dat voor zaken zijn", zei Mevrouw Jennings zegevierend.
"Weet u het, mevrouw?" zeiden bijna allen tegelijk.
"Ja, 't is natuurlijk iets met Juffrouw Williams."
"En wie is Juffrouw Williams?" vroeg Marianne.
"Wat? Weet je niet wie Juffrouw Williams is? Je hebt toch stellig al van haar gehoord? Zij is een bloedverwante van den Kolonel, lieve kind, heel na verwant. We zullen maar niet zeggen, hoe na, om den jongen dames geen aanstoot te geven." Iets zachter zei ze tegen Elinor: "Ze is zijn natuurlijke dochter."
"Is het waar?"
"O ja; en ze lijkt sprekend op hem. Ik wed dat de Kolonel haar al zijn geld nalaat."
Toen Sir John terugkwam, stemde hij van harte in met aller uitingen van spijt over het gebeurde; maar besloot met te zeggen, dat zij nu eenmaal allen bijeen waren, en iets moesten doen om de vroolijkheid erin te houden; en na eenig overleg werd men het eens, al mocht de ware vroolijkheid dan ook alleen in Whitwell te vinden zijn geweest, een rijtoer in de omstreken hun althans een behoorlijke mate van voldoening zou verschaffen. De rijtuigen kwamen voor; dat van Willoughby was het eerste, en Marianne had er nog nooit zoo gelukkig uitgezien, als toen zij instapte. Hij reed snel het park door; ze waren spoedig uit het gezicht, en niemand kreeg hen meer te zien tot ze weer kwamen opdagen, niet eer alle anderen reeds weer waren teruggekeerd. Ze waren beiden verrukt over hun rit; maar zeiden alleen dat zij zich aan de boschpaden hadden gehouden, terwijl de anderen de heuvels waren opgegaan.
Er was afgesproken, dat 's avonds zou worden gedanst, en dat ieder zoo vroolijk zou zijn als de dag lang was. Aan het diner kwamen nog eenige Carey's, en zij hadden het genoegen met zijn twintigen aan tafel te zitten, 't geen Sir John veel voldoening schonk. Willoughby nam als gewoonlijk plaats tusschen de beide oudste dames Dashwood. Mevrouw Jennings zat aan Elinor's rechterhand, en zij hadden nog niet lang aan tafel gezeten toen zij, zich achter haar en Willoughby naar Marianne overbuigend, zeide, luid genoeg dat beiden het konden hooren: "Al ben je nòg zoo loos, ik heb je gesnapt. Ik weet, waar je van morgen geweest bent." Marianne kreeg een kleur en zei haastig: "Waar dan?" "Wist u niet," zei Willoughby, "dat we een toertje hadden gedaan samen?"
"Ja, ja, mijnheer Durf-al, dat wist ik heel goed, en ik had het erop gezet, uit te vinden, wáárheen dat toertje geweest was. Ik hoop dat je huis naar je zin was, Marianne. 't Is verbazend groot, en als ik je daar kom bezoeken, dan denk ik wel, dat je 't nieuw zult hebben gemeubileerd; want dat had het al noodig toen ik het zag, zes jaar geleden."
Marianne keek voor zich, verward en verlegen.
Mevrouw Jennings lachte hartelijk, en Elinor hoorde nu, dat zij, vast besloten erachter te komen waar zij geweest waren, Willoughby's knecht had laten uitvragen door haar eigen kamenier, en langs dien weg was gewaar geworden, dat zij naar Allenham waren geweest, daar geruimen tijd hadden gewandeld in den tuin, en het geheele huis bezichtigd.
Elinor kon bijna niet gelooven, dat dit waar kon zijn, want het leek al zeer onwaarschijnlijk, dat Willoughby zou voorstellen, of Marianne erin toestemmen, het huis binnen te gaan, terwijl Mevrouw Smith er vertoefde, die Marianne volkomen vreemd was.
Zoodra zij de eetkamer verlieten, vroeg Elinor haar zuster wat ervan aan was, en vernam tot haar groote verbazing, dat al wat Mevrouw Jennings had verteld de zuivere waarheid was geweest. Marianne was zelfs heel boos, dat zij eraan getwijfeld had.
"Waarom toch zou je denken, Elinor, dat we _niet_ daarheen waren gegaan, of _niet_ het huis hadden bekeken? Heb je dan niet dikwijls zelf gewenscht, dat te kunnen doen?"
"Ja Marianne, maar niet wanneer Mevrouw Smith thuis was, en zonder ander gezelschap dan Mijnheer Willoughby."
"Mijnheer Willoughby is nu eenmaal de eenige persoon, die het recht heeft, om dat huis te laten zien, en daar er in zijn rijtuig maar plaats was voor twee konden wij onmogelijk anderen meenemen. 't Was de prettigste dag, dien ik in mijn leven heb doorgebracht."
"Ik vrees," zei Elinor, "dat genoegen en gepastheid niet altijd onvermijdelijk samengaan."
"Integendeel, juist dat genoegen bewijst zijn eigen onschuld; als er werkelijk iets ongepasts was in wat ik deed, dan zou ik dat voortdurend gevoeld hebben; want we weten het altijd als we iets verkeerds doen, en met dàt besef kon ik geen pleizier hebben gehad."
"Maar, Marianne, begin je ook nu nog niet te twijfelen, of je gedrag wel was zooals het behoorde, nu het je reeds zulke uiterst onbescheiden opmerkingen heeft op den hals gehaald?"
"Als Mevrouw Jennings' onbescheiden opmerkingen tot bewijs moeten dienen van onbehoorlijk gedrag, dan doen wij allen ons heele leven lang niet anders dan overtredingen begaan in dat opzicht. Ik geef evenmin om haar afkeuring, als ik zou hechten aan haar lof. Ik zie niet in, dat ik iets verkeerds heb gedaan, door in den tuin van Mevrouw Smith te wandelen, of haar huis te bezien. Beiden zullen eenmaal toebehooren aan Mijnheer Willoughby, en..."
"Al zouden ze eenmaal aan jezelf toebehooren, Marianne, dan hadt je nog geen recht, te doen wat je deedt."
Zij bloosde bij die toespeling, doch het was duidelijk te zien, dat deze haar wel behaagde; en na een minuut of tien ernstig te hebben nagedacht, kwam ze bij haar zuster terug, en zei vriendelijk en vroolijk: "Misschien _was_ het wel een beetje ondoordacht van mij, Elinor, om mee naar Allenham te gaan; maar Mijnheer Willoughby was er zoo bijzonder op gesteld, mij het buitengoed te vertoonen; en het huis is bijzonder mooi. Boven is er een allerliefste zitkamer, juist de goede grootte, voor dagelijksch gebruik, en met nieuwe meubels zou die verrukkelijk kunnen worden. Het is een hoek-vertrek, met ramen aan twee zijden. Aan den eenen kant heeft men het uitzicht over het grasveld achter het huis, op een prachtig bosch, tegen een helling gelegen, en aan den anderen op de kerk en het dorp, met die mooie, streng omlijnde heuvels er achter, die we zoo dikwijls hebben bewonderd. Ik zag het niet eens op zijn best; want de meubels waren allertreurigst,--maar als het nieuw werd ingericht... Willoughby zegt, dat het met een uitgaaf van een paar honderd pond een van de mooiste zomerverblijven in Engeland zou kunnen worden."
Als Elinor naar haar had kunnen luisteren, zonder door de anderen gestoord te worden, dan zou ze alle kamers van het huis met evenveel genoegen hebben beschreven.
HOOFDSTUK XIV
De onverwachte afloop van Kolonel Brandon's bezoek te Barton Park, en zijn volharding in het verbergen van de oorzaak ervan hielden Mevrouw Jennings twee of drie dagen bezig, en vervulden haar met nieuwsgierige verbazing; zij verbaasde zich trouwens druk, zooals ieder wel moet doen, die levendig belangstelt in al het doen en laten van zijn kennissen. Zij bleef zich maar voortdurend afvragen, wat toch wel de reden had kunnen zijn; geloofde stellig dat hij slechte tijding had gekregen, en peinsde over allerlei rampen, die hem hadden kunnen treffen, met het vaste besluit, dat hij niet allen ontsnappen zou.
"'t Is bepaald iets héél treurigs," zei ze. "Ik zag 't aan zijn gezicht. Die arme man! Ik vrees dat het met zijn geldzaken niet in orde is. Dat landgoed te Delaford heette niet meer dan tweeduizend in het jaar op te brengen, en zijn broer liet het in een treurigen toestand achter. Hij zal bepaald hebben moeten overkomen voor geldzaken; want wat kan 't anders zijn? Ik ben benieuwd of 't waar is. Ik zou er alles voor over hebben om erachter te komen. Misschien is het tòch iets met Juffrouw Williams,--ja, dat zal het bepaald geweest zijn, want hij keek zoo verlegen, toen ik haar naam noemde. Misschien ligt ze ziek in Londen; dat is héél waarschijnlijk, want ik meen gehoord te hebben, dat ze zwak van gestel is. Ik durf er alles om verwedden, dat het Juffrouw Williams betrof. 't Is niet te verwachten eigenlijk, dat hij _nu_ in geldverlegenheid zou zijn; want hij is heel voorzichtig, en dat goed van hem zal nu wel vrij zijn van schulden. Wàt het toch zijn kan! Misschien is zijn zuster te Avignon erger geworden en heeft hem gevraagd om over te komen. Men zou het haast denken, door die haast die hij maakte om weg te komen. Nu, ik hoop van harte, dat hij al dat verdriet gauw te boven komt en een goede vrouw krijgt op den koop toe."
Zoo bleef Mevrouw Jennings praten en benieuwd zijn; haar vermoedens wisselden met elke nieuwe gissing, en alle schenen beurtelings even waarschijnlijk. Hoewel het welzijn van Kolonel Brandon Elinor werkelijk ter harte ging, kon zij zich niet zóó uitermate verbazen over zijn plotseling vertrek, als Mevrouw Jennings van haar verlangde; want behalve dat die omstandigheid haar niet gewichtig genoeg scheen, om zulk een onuitputtelijke verwondering en zulk een verscheidenheid van gissingen te rechtvaardigen, haar eigen bevreemding werd door iets anders gewekt. Die bevreemding gold het onverklaarbaar stilzwijgen van haar zuster en Willoughby omtrent een onderwerp, welks belangrijkheid in aller oogen hun niet kon ontgaan. Naarmate dit zwijgen duurde, scheen het van dag tot dag vreemder en minder in overeenstemming met beider gezindheid. Waarom zij niet openlijk zouden erkennen, tegenover haar moeder en haarzelve, wat hun houding tegenover elkander voortdurend bewees, kon Elinor zich niet voorstellen. Dat zij niet onmiddellijk konden trouwen, begreep zij zeer goed; want hoewel Willoughby onafhankelijk was, bestond er toch geen reden om hem zeer vermogend te achten. Sir John schatte de opbrengst van zijn bezitting op zes of zevenhonderd pond in het jaar; maar hij leefde op een voet, waarvoor dat inkomen nauwelijks toereikend kon zijn, en had zich dikwijls zelf beklaagd over zijn armoede. Doch voor de vreemde geheimzinnigheid, die zij in acht namen betreffende hun verloving, een geheimzinnig doen, dat feitelijk niets verborg, kon zij geen reden vinden; en het was zoo volkomen in tegenspraak met hun algemeene opvatting en handelwijze, dat zij soms begon te twijfelen of zij wel werkelijk verloofd waren; en die twijfel was voldoende om haar te weerhouden van een rechtstreeksche vraag, tot Marianne gericht. Niets kon duidelijker blijk geven van oprechte genegenheid voor hen allen dan Willoughby's gedrag. Tegenover Marianne was het vol van die uitsluitende teederheid, die het hart van een minnaar vermag te schenken, en de overige leden van het gezin werden door hem behandeld met de hartelijke voorkomendheid van een zoon en een broeder. Hun huisje scheen hij te beschouwen en lief te hebben als een eigen thuis; hij bracht bij hen veel meer van zijn tijd door dan te Allenham; en als geen gezellige bijeenkomst hen allen vergaderde te Barton Park, dan richtte hij zijn geregelden morgenrit bijna zonder uitzondering dáárheen, waar hij het overige gedeelte van den dag sleet aan Marianne's zijde, met zijn geliefkoosden jachthond aan hare voeten.
Op een zekeren avond, ongeveer een week nadat Kolonel Brandon naar Londen was vertrokken, scheen zijn hart meer dan ooit open te staan voor alle gevoelens, die hem innig deden hechten aan de omringende omgeving, en toen Mevrouw Dashwood toevallig melding maakte van haar voornemen om het huisje in het voorjaar te laten opknappen, verzette hij zich met nadruk tegen elke verandering van een verblijf, dat zijn genegenheid hem eens voor al volmaakt had doen schijnen.
"Wat!" riep hij uit, "verbeteringen aanbrengen in dit aardige huisje? Neen--daartoe geef _ik_ nooit mijn toestemming. Geen steen moet aan zijn muren, geen duim aan zijn afmetingen worden toegevoegd, als u mijn gevoelens wenscht te ontzien."
"Wees maar niet bang," zei Elinor; "er gebeurt niets van; want mama zal nooit geld genoeg hebben om het te durven ondernemen."
"Daar ben ik blij om," riep hij uit. "'t Was beter dat uw moeder altoos arm bleef, als zij haar rijkdom niet beter dan zóó wist te gebruiken."