Chapter 5
"Elinor," riep Marianne; "is dàt nu eerlijk; is dat nu waar? Heb ik zóó weinig oorspronkelijke denkbeelden?--Maar ik weet wel, wat je bedoelt. Ik was te veel op mijn gemak, te vroolijk, te openhartig. Ik heb gezondigd tegen alle banale welvoegelijkheids-begrippen. Ik was oprecht en open, waar ik terughoudend, saai, vervelend en huichelachtig had moeten zijn. Wanneer ik alleen maar over 't weer en de wegen had gesproken, wanneer ik eens in de tien minuten mijn mond had opengedaan, dan zou dit verwijt mij zijn bespaard gebleven.
"Lieve kind," zei haar moeder; "je moet het Elinor niet kwalijk nemen;--ze zei het maar voor de grap. Ik zou zelf boos op haar worden, als ze 't over zich kon verkrijgen, je het genoegen te bederven van je gesprekken met onzen nieuwen vriend."--Marianne's ergernis was in een oogwenk geweken.
Willoughby van zijn kant bewees, door zijn blijkbaar verlangen om den pas begonnen omgang geregeld voort te zetten, ten duidelijkste hoeveel behagen hij erin schiep. Hij kwam thans iederen dag. In het begin kon de vraag hoe het Marianne ging, als voorwendsel dienen; doch de met den dag toenemende vriendelijkheid, waarmede hij werd ontvangen maakte zulk een voorwendsel overbodig, reeds eer het onmogelijk had kunnen dienst doen, door Marianne's volkomen herstel. Zij moest een paar dagen thuisblijven; doch nooit was eenig huisarrest haar minder onaangenaam geweest. Willoughby was een jonge man met een helder hoofd, een levendige verbeelding, een opgewekte natuur en iets openhartigs en vriendelijks in zijn optreden. Hij was als voorbestemd om juist Marianne's hart te winnen; want aan al die gaven paarde hij niet slechts een innemend uiterlijk, doch tevens een natuurlijke vurigheid van geest, die thans door háár voorbeeld werd gewekt en aangespoord, en die hem meer dan eenige andere eigenschap haar genegenheid deed winnen.
Met hem samen te zijn werd van lieverlede haar allergrootst genoegen. Zij lazen, zij praatten, zij zongen met elkaar: hij was zeer muzikaal, en hij las voor met al het gevoel en het vuur, waaraan het Edward helaas had ontbroken.
In Mevrouw Dashwood's oogen was hij even volmaakt als in die van Marianne; en Elinor vond niets op hem aan te merken, behalve een neiging, waarin hij sterk op haar zuster geleek en die deze dan ook bijzonder behaagde, van bij alle voorkomende gelegenheden veel te ronduit zijn meening te zeggen, zonder daarbij rekening te houden met personen en omstandigheden. Door dat overijld oordeelen en zijn oordeel uitspreken over anderen, door de wellevendheid in een grooteren kring te laten achterstaan bij het genoegen van zich onverdeeld te wijden aan de uitverkorene zijns harten, en door een zeker luchtig verwaarloozen van maatschappelijke omgangsvormen, gaf hij blijk van een gebrek aan voorzichtigheid, dat Elinor niet kon goedkeuren, ondanks al wat Marianne en hij hadden aan te voeren ten gunste van hunne opvatting.
Marianne begon nu te bespeuren dat de vrees om nooit een man te zullen ontmoeten, die haar ideaal van volmaaktheid nabij kwam, een vrees, die haar zoo wanhopig had gemaakt, toen zij nog maar pas zestien jaar was, voorbarig en ongerechtvaardigd was geweest. Willoughby was al wat haar verbeelding haar in die droeve ure had voorgespiegeld, en thans, in zooveel blijdere dagen, even bereid en gereed om haar hart te winnen; zijn gedrag toch bewees, dat zijn verlangens in dat opzicht even ernstig gemeend waren, als zijn vermogen om liefde in te boezemen krachtig was.
Ook haar moeder, in wier geest het vooruitzicht van zijn toekomstigen rijkdom geen enkele berekenende gedachte aan een huwelijk had gewekt, begon, eer een week was voorbijgegaan, daarop te hopen en het te verwachten; in stilte wenschte zij zichzelve dan ook reeds geluk met twee zulke schoonzoons als Edward en Willoughby.
Kolonel Brandon's belangstelling in Marianne, die zijn vrienden reeds zoo spoedig hadden opgemerkt, werd thans eerst duidelijk voor Elinor; nu de anderen er niet meer op letten. Hun aandacht en hun geestigheden kozen zich thans zijn gelukkigen mededinger tot doelwit, en de plagerijen, waaraan de Kolonel had blootgestaan, eer hij eenige voorkeur had doen blijken, hielden op, toen zijn gevoelens met meer recht de spotternij hadden kunnen uitlokken, die gevoeligheid maar al te dikwijls pleegt te treffen. Elinor moest, haars ondanks, wel gelooven, dat de gevoelens, welke Mevrouw Jennings hem te haren opzichte had toegeschreven, hem thans werkelijk werden ingeboezemd door hare zuster, en dat, al mocht een algemeene overeenstemming tusschen beider karaktertrekken de neiging van Willoughby in de hand werken, een even opvallende tegenstelling in aard en aanleg geen beletsel was voor Kolonel Brandon's genegenheid. Zij zag het met leedwezen; want wat kon een stille man van vijf en dertig hopen, naast en tegenover een vijf en twintigjarige, die een en al vuur en leven was? En daar zij zelfs niet kon wenschen, dat zijn verlangen vervuld zou worden, hoopte zij van harte, dat hij onverschillig mocht zijn. Zij hield van hem;--ondanks zijn ernst en terughouding wekte hij hare belangstelling. Ofschoon zoo ernstig, was hij zacht en vriendelijk in den omgang, en zijn teruggetrokken houding scheen veeleer het gevolg van gedruktheid, dan van een zwaarmoedigen en somberen aard. Sir John had zich wel eens iets laten ontvallen over door hem ondervonden grieven en teleurstellingen, welke haar vermoeden dat hij ongelukkig was, bevestigden, en zij beschouwde hem met eerbied en medelijden. Misschien beklaagde en waardeerde zij hem des te meer omdat hij weinig in tel was bij Willoughby en Marianne, die, bevooroordeeld tegenover iemand, noch jong, noch opgewekt van aard, zich schenen te hebben voorgenomen, zijn verdienste te onderschatten.
"Brandon is nu zoo iemand," zei Willoughby eens, toen zij samen over hem spraken, "die door ieder wordt geprezen, en om wien niemand geeft; die steeds met blijdschap wordt begroet; maar wien iedereen vergeet aan te spreken."
"Dat is nu juist de indruk, dien hij ook maakt op mij," riep Marianne.
"Daar behoef je je niet op te verheffen," zei Elinor; "want het is van jullie allebei onrechtvaardig. Hij wordt ten zeerste gewaardeerd door de familie op Barton Park, en ik zelf zie hem nooit, zonder bepaald moeite te doen met hem een gesprek te voeren."
"Dat u hem de hand boven 't hoofd houdt," antwoordde Willoughby, "spreekt te zijnen gunste; maar die waardeering van de anderen is op zichzelf al een blaam. Wie zou de schande willen verdragen van zich geprezen te zien door dames als Lady Middleton en Mevrouw Jennings, die door ieder ander met de meest volkomen onverschilligheid worden beschouwd?"
"Maar misschien weegt de afkeuring van menschen als u en Marianne wel op tegen de waardeering van Lady Middleton en haar moeder. Als haar lof blaam is, dan kan jelui blaam wel als lof worden aangemerkt; want hun gemis van doorzicht is volstrekt niet grooter dan jelui vooroordeel en onbillijkheid."
"Waar het geldt uw beschermeling te verdedigen, wordt u zelfs scherp."
"Mijn beschermeling, zooals u hem noemt, is een verstandig man, en tot verstand voel ik mij altijd aangetrokken. Ja Marianne, zelfs in een man tusschen de dertig en veertig. Hij heeft veel van de wereld gezien; lang in het buitenland vertoefd; hij houdt van lezen en is gewend, na te denken. Ik heb ondervonden, dat hij in staat was, mij omtrent allerlei onderwerpen voor te lichten, en hij heeft altoos mijn vragen beantwoord met de bereidwilligheid van een beschaafd en goedhartig man."
"Nu ja," riep Marianne op minachtenden toon, "hij heeft je verteld dat in Oost-Indië het klimaat erg warm is, en dat de muskieten er lastig zijn."
"Dat _zou_ hij mij allicht verteld hebben, als ik hem ernaar had gevraagd; maar toevallig waren dat punten, waaromtrent ik reeds eerder zekerheid had verkregen."
"Misschien," zei Willoughby, "strekten zijn waarnemingen zich wel uit tot nabobs, rijk versierde mooren, en palankijnen."
"Ik durf wel zeggen, dat _zijn_ waarnemingen verder reikten dan uw doorzicht. Maar wat hebt u eigenlijk op hem tegen?"
"Ik hèb niets op hem tegen. Integendeel, ik beschouw hem als een zeer achtenswaardig man, die door ieder geroemd wordt, en van wien niemand notitie neemt; iemand die meer geld heeft, dan hij kan uitgeven; meer tijd, dan hij behoorlijk weet te gebruiken, en twee nieuwe pakken in het jaar."
"En voeg er dan nog bij," riep Marianne, "dat hij noch geniaal, noch artistiek, noch geestig is. Dat het zijn geest ontbreekt aan leven, zijn gevoel aan vuur, en zijn stem aan uitdrukking."
"Je beslissend oordeel over zijn onvolmaaktheden is zoo veelomvattend," antwoordde Elinor, "en zoo zeer gekleurd door je eigen verbeelding, dat de lof, dien ik hem vermag te schenken, daarbij vergeleken koel en onbeteekenend schijnt. Ik kan alleen verklaren, dat hij een verstandig man is, beschaafd, ontwikkeld, vriendelijk in den omgang, en naar het mij voorkomt, iemand met een goed hart."
"Juffrouw Dashwood," riep Willoughby; "u behandelt mij heel onaardig. U tracht mij door redeneering te ontwapenen, en mij te overtuigen, tegen mijn zin. Maar het helpt u niets. U zult mij even koppig vinden als u listig bent. Voor mijn ongunstige meening omtrent Kolonel Brandon bestaan drie afdoende redenen: hij heeft voorspeld, dat het zou gaan regenen, terwijl ik op mooi weer hoopte; hij heeft aanmerkingen gemaakt op den bouw van mijn rijtuig, en ik kan hem niet overhalen mijn bruine merrie te koopen. Als het u echter eenige voldoening kan schenken, te vernemen, dat ik zijn karakter in elk ander opzicht onberispelijk vind, dan ben ik bereid, dat te erkennen. En als belooning voor die erkentenis, die niet anders dan een weinig pijnlijk voor mij kan zijn, moogt u mij het voorrecht niet ontzeggen, hem nog evenmin te kunnen uitstaan als voorheen."
HOOFDSTUK XI
Mevrouw Dashwood en hare dochters hadden zich weinig voorgesteld, toen zij pas in Devonshire waren komen wonen, dat de verplichtingen van den gezelligen omgang al spoedig zooveel van hun tijd zouden in beslag nemen, of dat zij zoo herhaaldelijk uitnoodigingen en zoo geregeld bezoeken zouden ontvangen, dat hun zeer weinig vrije tijd overbleef voor ernstiger bezigheid. Toch was dit het geval. Toen Marianne hersteld was, werden de plannen voor feestelijkheden in zijn eigen huis en daarbuiten, die Sir John reeds lang had beraamd, werkelijk ten uitvoer gebracht. De danspartijen op het Park namen een aanvang, en boottochtjes werden gemaakt, zoo dikwijls een buiige Octobermaand dat toeliet. Bij alle bijeenkomsten van dien aard was Willoughby van de partij, en de luchtige en gemakkelijke toon, die natuurlijk heerschte bij dergelijke gelegenheden, was juist erop berekend, om de toenemende vertrouwelijkheid van zijn omgang met de Dashwoods te bevorderen, om hem gelegenheid te schenken, Marianne in al haar lieftalligheid gade te slaan; om steeds duidelijker zijn levendige bewondering te doen blijken; en om door haar houding hem de stelligste verzekering te doen ontvangen van haar genegenheid. Elinor kon zich niet verwonderen over hun wederkeerige neiging. Zij wenschte alleen, dat deze minder openlijk werd aan den dag gelegd, en een paar malen waagde zij het werkelijk, Marianne de gewenschtheid van eenige zelfbeheersching onder het oog te brengen. Maar Marianne verfoeide al wat naar verbergen zweemde, waar openbaren niets waarlijk oneervols insloot, en opzettelijk gevoelens te bedwingen, die op zich zelf niet afkeurenswaardig waren, scheen haar niet alleen een onnoodige poging, maar een schandelijke onderwerping van de rede aan banale en onjuiste opvattingen.
Willoughby dacht er eveneens over, en hun gedrag legde, ten allen tijde, van hunne meeningen het trouwste getuigenis af.
In zijn tegenwoordigheid had zij voor niemand oog dan hèm. Al wat hij deed, was goed. Al wat hij zei, was geestig. Als de avondjes op het Park werden besloten met een spelletje kaart, dan bedierf hij zijn eigen kansen en die van alle anderen, om haar de troeven in handen te spelen. Wanneer de avond met dansen werd doorgebracht, dansten zij de helft van den tijd met elkaar; en als ze gedurende een paar dansen volstrekt moesten scheiden, stonden ze samen te praten, en zeiden tegen anderen geen woord. Ze werden natuurlijk geducht uitgelachen om hun gedrag; maar het scheen wel of spotternij hen niet beschamen, en ternauwernood ergeren kon.
Mevrouw Dashwood nam zoo hartelijk en levendig deel in al hun gevoelens, dat zij onmogelijk geneigd kon zijn, paal en perk te stellen aan dit overdreven vertoon. Voor haar was dat slechts het natuurlijk gevolg van een sterke genegenheid in een jongen en vurigen geest.
Het was een gelukkige tijd voor Marianne. Zij hing met haar geheele hart aan Willoughby, en het sterke verlangen naar Norland, dat zij uit Sussex had medegebracht werd, meer dan zij ooit mogelijk had geacht, verzacht door de bekoring die zijn gezelschap verleende aan haar tegenwoordige omgeving.
Elinor was niet zoo blij gestemd. Haar hart was niet zoo rustig, haar genoegen in hun vermaken niet zoo onvermengd. Zij had geen vriend en metgezel aangetroffen, die haar kon vergoeden wat zij achterliet, en haar kon leeren, minder dan ooit met weemoed aan Norland terug te denken. Noch Lady Middleton, noch Mevrouw Jennings konden met haar de gesprekken voeren, die zij miste; hoewel de laatste onuitputtelijk spraakzaam was, en van den beginne af een voorliefde voor Elinor had doen blijken, die haar het leeuwendeel van de mededeelingen dier dame bezorgde. Zij had haar eigen levensgeschiedenis reeds drie of vier malen aan Elinor verteld, en als Elinor's geheugen bestand was geweest tegen de zware eischen, die dit leerzaam verhaal eraan stelde, dan had zij reeds aan het begin hunner kennismaking op de hoogte kunnen zijn van de geringste bijzonderheden omtrent de laatste ziekte van den Heer Jennings en wat hij gezegd had tegen zijn vrouw een paar minuten voor hij stierf. Lady Middleton was alleen in zooverre aangenamer gezelschap dan haar moeder dat zij beter zwijgen kon. Doch Elinor had haar niet lang behoeven gade te slaan, om te bespeuren, dat haar terughouding eenvoudig een zekere uiterlijke trage onbewogenheid was, die met verstand niets had te maken. Tegenover haar man en haar moeder was zij precies dezelfde als tegenover hen, en intimiteit kon men dus van haar verwachten noch verlangen. Zij had nooit iets te vertellen, dat zij niet den vorigen dag ook reeds had gezegd. Haar onbeduidendheid bleef zich altijd gelijk; want zelfs haar stemming was onveranderlijk dezelfde; en hoewel zij er niets tegen had, dat haar man buitenpartijen gaf, zoolang alles in de puntjes was, en haar beide oudste kinderen haar mochten gezelschap houden, zij scheen er nooit meer pleizier in te hebben, dan zij thuis evengoed zou hebben gevonden;--en zoo weinig droeg hare tegenwoordigheid bij tot het genoegen der anderen, door eenige deelname in hun gesprek, dat zij somtijds alleen herinnerd werden aan hare tegenwoordigheid door haar bezorgdheid over haar lastige jongens.
Onder al haar nieuwe kennissen vond Elinor slechts in Kolonel Brandon iemand, die ook maar eenigszins kon aanspraak maken op eerbied voor zijn gaven en op vriendschappelijke belangstelling, of wiens gezelschap haar aangenaam was. Willoughby kwam niet in aanmerking. Zij bewonderde hem en was hem welgezind, ja zusterlijk genegen; maar hij was verliefd; hij wijdde zich uitsluitend aan Marianne, en een veel minder aantrekkelijke persoonlijkheid zou aangenamer in den omgang hebben kunnen zijn. Kolonel Brandon had, jammer genoeg voor hem, geen dergelijke aanmoediging ontvangen om aan Marianne al zijn gedachten te wijden, en in zijn gesprekken met Elinor vond hij den grootsten troost over de volkomen onverschilligheid van haar zuster.
Elinor's medelijden met hem groeide nog aan, toen zij reden kreeg te vermoeden, dat hij de smart van teleurgestelde liefde reeds eerder had leeren kennen. Dit vermoeden werd gewekt door enkele woorden, die hij zich liet ontvallen op een avond te Barton Park, toen zij met beider goedvinden waren gaan zitten, terwijl de anderen aan het dansen waren. Zijn blik bleef een poos gevestigd op Marianne, en na eenigen tijd te hebben gezwegen, zeide hij met een flauwen glimlach: "Ik meen te hebben begrepen, dat uw zuster aan een genegenheid, die niet de eerste is, hare goedkeuring niet kan schenken."
"Neen," antwoordde Elinor; "zij heeft merkwaardig romantische denkbeelden."
"Of liever gezegd, zij beschouwt zulk een genegenheid als ondenkbaar, geloof ik."
"Ik geloof ook, dat zij er zoo over denkt. Doch hoe ze dat kan doen, zonder als 't ware een blaam te werpen op het karakter van haar vader, die zelf twee vrouwen heeft gehad, dat begrijp ik niet. Maar over een paar jaren zullen haar meeningen wel gevestigd zijn op den redelijken grondslag van gezond verstand en onbevooroordeelde waarneming; en dan zullen zij gemakkelijker zijn te bepalen en te rechtvaardigen, dan het thans iemand, behalve haarzelve, mogelijk is te doen."
"Zoo zal het waarschijnlijk wel gaan," was zijn antwoord; "en toch is er iets zoo beminnelijks in de vooroordeelen van een jeugdigen geest, dat het ons leed doet, ze te zien vervangen door ruimere opvattingen."
"Dàt ben ik niet met u eens," zeide Elinor. "Aan zulke gevoelens als die van Marianne zijn nadeelen verbonden, die al de bekoring van geestdrift en gemis van wereldwijsheid niet kan vergoeden. Haar opvattingen leiden alle in de noodlottige richting, die geen rekening verkiest te houden met maatschappelijk fatsoen; en in een vermeerdering van haar wereld- en menschenkennis zie ik voor haar het grootste heil."
Na een korte stilte hervatte hij het gesprek, door te vragen: "Maakt uw zuster in het geheel geen onderscheid in haar bezwaren tegen een tweede liefde, of is dat vergrijp in ieder even misdadig te achten? Moeten zij, die in hun eerste keuze zijn teleurgesteld, 't zij door de ontrouw van het voorwerp ervan, 't zij door den ongelukkigen samenloop der omstandigheden, nu ook verder hun leven lang onverschillig blijven?"
"Zóó precies ben ik werkelijk niet op de hoogte van haar beginselen op dit punt. Ik weet alleen, dat ik haar nog nimmer heb hooren toegeven, dat eenige tweede genegenheid vergefelijk zou kunnen zijn."
"Dàt kan," zei hij, "niet altijd zoo blijven; doch een omkeer, een algeheele verandering van inzicht... neen, neen, die is niet wenschelijk,--want wanneer de romantische kiesche denkbeelden van een jeugdigen geest door de werkelijkheid worden teruggedrongen, hoe dikwijls maken zij dan plaats voor opvattingen, die maar al te gangbaar zijn, en maar al te gevaarlijk. Ik spreek uit ervaring. Ik heb eens een dame gekend die wat aard en aanleg betrof, zeer veel op uwe zuster geleek, die dacht en oordeelde als zij, doch die door een gedwongen verandering... door een opeenvolging van noodlottige omstandigheden..." Hier zweeg hij plotseling; scheen te denken dat hij te veel had gezegd, en wekte door de uitdrukking van zijn gelaat in Elinor vermoedens, die zij anders allicht niet zou hebben gekoesterd. De dame van wie hij sprak zou waarschijnlijk haar achterdocht niet hebben gaande gemaakt, zoo hij Elinor niet had overtuigd, dat haar aangelegenheden niet over zijne lippen behoorden te komen. Thans echter was er geen sterke inspanning der verbeeldingskracht noodig om zijn aandoening in verband te brengen met de teedere herinnering aan een vroegere genegenheid. Elinor raadde niet méér. Doch Marianne, in hare plaats, zou zich daarmede niet vergenoegd hebben. De geheele geschiedenis zou weldra door haar levendige verbeelding in elkaar zijn gezet, en uitgewerkt tot een allerdroevigst verhaal van jammerlijk ongelukkige liefde.
HOOFDSTUK XII
Toen Elinor en Marianne den volgenden morgen samen wandelden, vertelde de laatste aan hare zuster een nieuwtje, dat deze, ondanks al wat zij reeds had ervaren omtrent Marianne's onvoorzichtigheid en onnadenkendheid, verbaasde, door een zóó treffend bewijs te leveren van die beide eigenschappen. Marianne vertelde haar verrukt, dat Willoughby haar een paard had ten geschenke gegeven, een van de door hem zelf gefokte paarden op zijn landgoed in Somersetshire, dat juist geschikt was, om door eene dame te worden bereden. Zonder te bedenken, dat het niet in haar moeders bedoeling lag paarden te houden,--dat zij, indien zij al op dat besluit wilde terugkomen, terwille van dit geschenk, een ander paard moest koopen voor een knecht, dien knecht moest huren om het te berijden, en ten slotte nog een stal moest laten bouwen om beide onder dak te brengen,--had zij zonder eenige aarzeling het aanbod aangenomen, en vertelde haar zuster ervan met de grootste opgetogenheid. "Hij is voornemens zijn bediende dadelijk ervoor naar Somersetshire te zenden", voegde zij erbij, "en als het komt, gaan we iederen dag rijden. Jij mag het ook gebruiken. Stel je toch eens voor, Elinor, hoe zalig het zijn zal, in galop over onze heuvels te snellen."
Wel zéér ongeneigd was zij, te ontwaken uit dien geluksdroom, zich te laten overtuigen van al de pijnlijke, maar noodzakelijke bijkomstigheden, aan de zaak verbonden, en een tijdlang weigerde zij koppig, ze in te zien. Een bediende meer zou zooveel niet kosten; mama zou daar stellig niet op tegen hebben, voor hem was trouwens elk paard goed genoeg; hij kon er altijd wel een krijgen van Het Park; en wat den stal betrof, een klein schuurtje zou immers voldoende zijn. Eindelijk waagde Elinor de vraag te opperen, of het wel gepast zou zijn, zulk een geschenk aan te nemen van iemand, dien zij nog zoo weinig, of althans zoo kort, kende.--Dat ging te ver. "Je vergist je, Elinor," zei ze met nadruk, "als je meent dat ik Willoughby maar oppervlakkig ken. Ik heb nog niet lang met hem omgegaan, maar kennen doe ik hem beter dan iemand anders ter wereld, behalve jou en mama. Tijd noch gelegenheid zijn noodig om vertrouwelijkheid te doen ontstaan;--dat doet alleen natuurlijke neiging. Sommige menschen zouden elkaar in zeven jaar niet leeren kennen, en voor anderen zijn zeven dagen meer dan genoeg. Ik zou 't meer ongepast van mijzelf vinden, als ik van mijn broer een paard aannam, dan van Willoughby. Van John weet ik zoogoed als niets af, hoewel we jaren onder een dak gewoond hebben; maar mijn oordeel over Willoughby staat reeds lang vast."
Elinor vond het maar 't verstandigst, dat punt niet meer aan te roeren. Zij kende haar zusters aard. Tegenstand in zulk een teere aangelegenheid zou haar des te koppiger doen volharden in haar eigen meening. Doch door een beroep op haar genegenheid voor hare moeder, door haar voor te stellen, hoe die toegevende moeder zichzelve in ongelegenheid zou moeten brengen, als zij (zooals te verwachten viel) zou toestemmen in die uitbreiding van hun personeel, werd Marianne tenslotte gekalmeerd; en zij beloofde, haar moeder niet tot zoo onverstandige toegevendheid te zullen verleiden door te spreken over het voorstel, en den eersten keer dat zij Willoughby weer zou ontmoeten, hem te zeggen, dat zij verplicht was, het af te wijzen.
Zij hield haar woord, en toen Willoughby hen nog dien zelfden dag kwam bezoeken, hoorde Elinor hoe zij op zachten toon hem hare teleurstelling te kennen gaf, omdat zij zich verplicht zag, zijn geschenk te weigeren. De redenen voor haar veranderd inzicht werden hem tevens medegedeeld, en zij maakten een nader aandringen van zijne zijde onmogelijk. Het was echter duidelijk blijkbaar, dat het hem zeer speet; en nadat hij dit met nadruk had betuigd, liet hij er op denzelfden gedempten toon op volgen: "Maar Marianne, het paard blijft toch je eigendom, al kun je het nu niet gebruiken. Ik bewaar het slechts zoolang tot je het komt opeischen. Als je Barton verlaat, om in een eigen thuis je eigen huishouding te beginnen, dan zal Queen Mab je ontvangen."