Gevoel en verstand

Chapter 4

Chapter 43,923 wordsPublic domain

Mevrouw Jennings was een weduwe, met een ruim inkomen. Zij had slechts twee dochters, die ze beiden tot haar voldoening, een goed huwelijk had doen sluiten, en zij had dus thans niet anders meer te doen dan alle andere menschen onder elkaar uit te huwelijken. Tot het bevorderen van dit doel was zij ijverig werkzaam, zooveel in haar vermogen was, en liet geen gelegenheid voorbijgaan om huwelijken te beramen tusschen alle jongelieden die zij kende. Zij was merkwaardig vlug in het ontdekken van genegenheden, en had meermalen 't genoegen gesmaakt, den blos van gevleide ijdelheid eener jonge dame te voorschijn te roepen, door toespelingen op den indruk, door haar op dezen of genen heer gemaakt; en die soort van scherpzinnigheid stelde haar in staat, al spoedig na haar aankomst te Barton met beslistheid te verklaren, dat Kolonel Brandon heel erg verliefd was op Marianne Dashwood. Zij had er al eenig vermoeden van, den allereersten avond dat ze elkaar ontmoetten, omdat hij zoo aandachtig naar haar zingen had geluisterd; en toen de Middletons het bezoek beantwoordden, door bij Mevrouw Dashwood te komen eten, werd dat vermoeden bewaarheid, want hij was weer één en al oor. Het moest wel. Ze was er stellig zeker van. Ze pasten uitmuntend bij elkaar, want _hij_ was rijk, en _zij_ was mooi. Mevrouw Jennings was al verlangend geweest om Kolonel Brandon gelukkig getrouwd te zien, van 't oogenblik af, dat zij hem door Sir John had leeren kennen; en zij bezorgde altoos graag aan ieder mooi meisje een goeden man.

Voor haar zelf was hieraan een niet gering onmiddellijk voordeel verbonden. Want het leverde haar stof tot onuitputtelijke grappen op hunne kosten. Op Barton Park lachte zij om den kolonel, en in Barton Cottage om Marianne. Den eersten liet haar scherts, waarschijnlijk, wat hèm betrof, volkomen onverschillig; voor de laatste bleef zij in 't begin totaal onbegrijpelijk, en toen zij eindelijk de bedoeling had gevat, wist ze niet recht, of ze zou lachen om de dwaasheid van die voorstelling, of boos worden om de onbescheidenheid ervan; want zij beschouwde het als een hartelooze bespotting van des kolonels gevorderden leeftijd en zijn beklagenswaardigen staat van ongetrouwd oud heer.

Mevrouw Dashwood, voor wie een man, die vijf jaar jonger was dan zijzelve, moeilijk zóó stokoud kon zijn, als hij toe scheen aan de jeugdige verbeelding harer dochter, trachtte Mevrouw Jennings te zuiveren van de verdenking, dat zij hem om zijn hoogen leeftijd had willen bespotten.

"Maar mama, u kunt de dwaasheid van die beschuldiging toch niet ontkennen, al gelooft u, dat ze niet opzettelijk kwaad bedoeld was. Kolonel Brandon is jonger dan Mevrouw Jennings, dat is waar; maar hij is oud genoeg om _mijn_ vader te zijn, en als hij ooit levendig genoeg geweest is om verliefd te wezen, dan moet hij nu toch veel te oud zijn geworden voor eenige gewaarwording van dien aard. 't Is àl te belachelijk! Wanneer zal iemand toch bewaard blijven voor zulke geestigheden, als zijn ouderdom en de gebreken ervan hem niet eens meer beschermen?"

"Gebreken!" zei Elinor; "noem je Kolonel Brandon misschien gebrekkig? Ik kan me wel voorstellen, dat hij in jouw oogen heel wat ouder lijkt dan in die van moeder; maar je kunt je toch moeilijk wijsmaken, dat hij 't gebruik van zijn ledematen mist?"

"Hoorde je hem dan niet klagen over rheumatiek? En is dat niet de meest voorkomende kwaal van den ouderdom?"

"Mijn lieve kind," zei haar moeder lachend, "op die manier moet je wel aanhoudend beangst zijn over _mijn_ verval van krachten, en 't moet je wel een wonder schijnen, dat ik den hoogen leeftijd van veertig jaren heb mogen bereiken."

"Mama, dat is nu niet eerlijk tegenover mij. Ik weet best, dat Kolonel Brandon nog niet zoo oud is, dat zijn vrienden moeten vreezen hem te verliezen door den eisch der natuur. Hij kan nog wel twintig jaar leven. Maar als men vijf en dertig is, komt men voor trouwen niet meer in aanmerking."

"Misschien," zei Elinor, "moesten vijf en dertig en zeventien maar liever niet samengaan, als er van trouwen sprake is. Maar als het toevallig zoo eens uitkwam, dat een vrouw op zeven en twintig jarigen leeftijd nog ongetrouwd was gebleven, dan dunkt mij niet, dat het voor een huwelijk tusschen _haar_ en Kolonel Brandon een beletsel zou zijn, dat hij vijf en dertig is."

"Een vrouw van zeven en twintig jaar," zei Marianne, na een oogenblik zwijgens, "kan onmogelijk meer hopen liefde te gevoelen of in te boezemen; en als zij geen aangenaam thuis heeft, of weinig geld, dan kan ik mij voorstellen, dat zij de taak van een verpleegster gelaten zou aanvaarden, terwille van haar verzekerde toekomst en gevestigde positie als getrouwde vrouw. Als hij zulk een vrouw trouwde, dan zou daar niets ongepasts in zijn. Een verdrag, aangegaan tot beider voordeel, terwijl de wereld zou zijn tevredengesteld. In mijn oogen zou het in 't geheel geen huwelijk zijn, maar dat doet er natuurlijk niet toe. Voor mij zou het een handelsovereenkomst schijnen, waarbij beide partijen zichzelf wenschten te bevoordeelen, ten koste der andere."

"Ik weet het wel, 't is onmogelijk," antwoordde Elinor, "je te overtuigen, dat een vrouw van zeven en twintig voor een man van vijf en dertig ook maar iets kan voelen, dat genoeg op liefde lijkt, om haar hem tot een wenschelijk levensgezel te doen verkiezen. Maar ik kom er toch tegenop, dat je Kolonel Brandon en zijn vrouw tot voortdurende opsluiting in een ziekenkamer zoudt willen veroordeelen; alleen maar, omdat hij gisteren (op een erg kouden, vochtigen dag) een beetje klaagde over wat rheumatiek in zijn eenen schouder."

"Maar hij had het over flanellen vesten," zei Marianne; "en voor mij is een flanellen vest onvermijdelijk verbonden aan pijnen, zinkingen, rheumatiek en alle soorten van kwalen, waar mee oude en zwakke menschen behept zijn."

"Had hij maar hevige koorts gehad, dan zou je niet half zoo verachtelijk op hem hebben neergezien. Beken 't maar, Marianne, is er niet iets buitengewoon interessants voor je in de gloeiende wangen, holle oogen, en gejaagden pols van een koortslijder?"

Kort daarna, toen Elinor uit de kamer was gegaan, zei Marianne: "Mama, van ziekte gesproken; ik ben op dat punt ongerust, ik zal 't u maar eerlijk zeggen. Ik geloof stellig, dat het met Edward Ferrars niet in orde is. We zijn hier nu al haast veertien dagen, en nog komt hij niet. Ongesteldheid alleen kan de oorzaak zijn van dat allervreemdste uitstel. Wat kan hem anders te Norland terughouden?"

"Hadt je dan verwacht, dat hij zóó gauw zou komen?" zei Mevrouw Dashwood. "Ik niet. Integendeel, zoo ik al eenige bezorgdheid op dat punt heb gekoesterd, dan was dat, wanneer ik mij herinnerde, hoe hij soms opvallend weinig opgewektheid of genoegen toonde, wanneer ik erover sprak, dat hij ons in Barton zou bezoeken. Geloof je, dat Elinor hem nu al verwacht?"

"Ik heb er nooit met haar over gesproken; maar natuurlijk doet ze dat."

"Daarin zou je je wel kunnen vergissen; want toen ik gisteren iets tegen haar zei over 't plaatsen van een nieuwen haard in de logeerkamer, vond ze, dat daar niet bepaald haast bij was; want het was niet waarschijnlijk, dat die kamer vooreerst gebruikt zou worden."

"Hoe vreemd toch! Wat zou het beduiden? Maar hun geheele houding tegenover elkaar vond ik onverklaarbaar in den laatsten tijd. Wat namen ze koel en bedaard afscheid! Wat hadden ze elkaar weinig te zeggen op den laatsten avond van hun samenzijn! Edward nam van Elinor niet anders afscheid dan van mij; 't was alsof een hartelijk gezinde broer ons beiden het beste wenschte. Tweemaal heb ik hen den laatsten morgen met opzet alleen gelaten, en beide keeren ging hij, zonder de minste reden, na mij de kamer uit. En Elinor schreide niet, zooals ik, toen ze Norland èn Edward verliet. Zelfs nu verliest zij nooit haar zelfbeheersching. Wanneer is zij ooit terneergeslagen of droefgeestig? Wanneer tracht zij het gezelschap van vreemden te vermijden, of schijnt in hunne tegenwoordigheid rusteloos en onvoldaan?"

HOOFDSTUK IX

De Dashwoods hadden zich thans te Barton behagelijk ingericht. Met het huis en den tuin, zoowel als de geheele omgeving, waren zij vertrouwd geraakt, en de geregelde dagelijksche bezigheden, die de helft der bekoring van Norland hadden uitgemaakt, werden hervat, met veel meer genoegen, dan zij er ooit meer te Norland in hadden gevonden sedert den dood van hun vader. Sir John Middleton, die hen in de eerste paar weken elken dag kwam opzoeken, en die niet gewend was tehuis veel bedrijvigheid te zien, kon niet nalaten zijn verwondering te uiten over het feit, dat hij hen altijd druk met iets bezig vond.

Veel bezoek, behalve dan vanuit Barton Park, ontvingen zij niet; want ondanks Sir Johns dringende aanmaning om toch overal in den omtrek kennis te maken, en zijn herhaalde verzekering, dat zijn rijtuig ten allen tijde ter hunner beschikking stond, overwon Mevrouw Dashwood's onafhankelijkheidsgevoel haar wensch naar gezelligen omgang voor hare kinderen, en zij bleef bij haar vast besluit om geen families te bezoeken, die te veraf woonden, om ze wandelende te bereiken. Er vielen slechts weinige in die termen; en niet eens alle waren bereikbaar. Op ongeveer anderhalve mijl afstand van hun huisje, in de smalle slingerende vallei van Allenham, die zich, zooals boven werd omschreven, uit het dal van Barton vertakte, hadden de meisjes op een harer eerste wandelingen een oud, en deftig uitziend heerenhuis ontdekt, waaraan hun verbeelding iets aantrekkelijks verleende, omdat het hen aan Norland deed denken, zoodat zij het wel gaarne nader hadden willen leeren kennen. Doch zij vernamen, bij verdere navraag, dat de eigenares, een bejaarde en zeer achtenswaardige vrouw, helaas te ziekelijk was om in gezelschap te verkeeren, en nooit uitging.

Aan mooie wandelingen was in den omtrek waarlijk geen gebrek. De hooge heuvelhellingen, die hen van uit elk venster van hun huisje schenen uit te noodigen, om het verrukkelijk genot te smaken van de zuivere lucht op hunne toppen, vormden een aangename afwisseling, wanneer het in de dalen daarbeneden te modderig was, om van hunne grootere schoonheden te genieten, en naar een dier heuvels richtten Marianne en Margaret op een gedenkwaardigen morgen hare schreden, verlokt door een glimp van zonneschijn in een buiïge lucht, en niet langer bij machte, de strikte opsluiting te verdragen, waartoe de aanhoudende regen van de twee vorige dagen hen had veroordeeld. Het weer was niet uitlokkend genoeg om de beide anderen te bewegen, boek en penseel neer te leggen, ondanks Marianne's verzekering, dat het een prachtige dag beloofde te worden, en dat elke dreigende wolk van hun heuvels zou optrekken; dus togen de beide meisjes er samen op uit.

Vroolijk klommen zij den heuvel op, zich verheugend in elk stukje blauwe lucht, dat hun doorzicht bewees, en toen de opwekkende vlagen van een sterke Zuid-Westerbries hun in het gezicht woeien, beklaagden zij haar moeder en Elinor om de vreesachtigheid, die haar had belet, deze heerlijke gewaarwordingen te deelen. "Is er wel _iets_ zoo zalig in de wereld als dit?" zei Marianne. "Margaret, een paar uur op zijn minst zal onze wandeling duren."

Daarmee was Margaret het eens, en zij liepen voort tegen den wind in, dien zij lachend van pret nog een twintig minuten weerstand boden, toen plotseling de wolken zich samenpakten boven hun hoofd, en een felle slagregen hun vlak in 't gezicht joeg. Verdrietig en verrast moesten ze wel, tegen hun zin, omkeeren, want er was geen schuilplaats naderbij dan hun eigen huis. Een troost bleef hun echter over, die in dezen uitersten nood het aangewezen middel tot uitkomst scheen; zij mochten nu, zoo hard ze maar konden, de steile helling van den heuvel afhollen, die rechtstreeks naar hun tuinhekje leidde.

Ze namen haar vaart. Marianne bleef eerst vooraan; maar een misstap deed haar struikelen, en Margaret, niet in staat op te houden, om haar zuster te helpen, werd onvrijwillig voortgedreven, en kwam behouden beneden aan den voet.

Een heer, die een geweer droeg, kwam met twee spelende jachthonden juist den heuvel op, en was vlak bij Marianne, toen zij viel. Hij legde zijn geweer neer, en schoot toe om haar te helpen. Zij was half opgestaan maar had door den val haar voet verstuikt en kon er bijna niet op staande blijven. De vreemde heer bood aan haar behulpzaam te zijn, en toen hij bemerkte, dat zij uit zedigheid weigerde, wat haar toestand noodzakelijk maakte, nam hij haar zonder woorden te verspillen in zijn armen, en droeg haar den heuvel af. Den tuin doorgaande, waarvan Margaret het hek had opengelaten, bracht hij haar in het huis, waar Margaret juist was aangekomen, en liet haar niet los, eer hij haar op een stoel in de huiskamer had neergezet.

Elinor en haar moeder stonden verbaasd op, toen zij binnenkwamen, en terwijl beider blik op hem bleef rusten met blijkbare verbazing, niet zonder geheime bewondering, door zijn voorkomen gewekt, verontschuldigde hij zijn indringen, door de oorzaak ervan te verklaren, op zulk een vrijmoedigen en innemenden toon, dat zijn buitengewoon knap uiterlijk aan stem en uitdrukking nog grootere bekoring ontleende. Zelfs al was hij oud, leelijk en grof geweest, dan nog zou hij Mevrouw Dashwood's dankbare welwillendheid hebben gewonnen door elk hulpbetoon, aan haar kind verleend, maar de invloed van jeugd, schoonheid en distinctie schonk aan zijn daad een belangwekkendheid, die haar trof tot in het diepst van haar gemoed. Zij betuigde hem meermalen haar innigen dank, en vroeg hem met de innemendheid, die haar eigen was, of hij niet wilde plaats nemen. Dit deed hij liever niet, daar hij vuil en nat was. Daarop vroeg Mevrouw Dashwood, aan wien zij dank was verschuldigd. Zijn naam, antwoordde hij, was Willoughby, en op het oogenblik was hij gelogeerd te Allenham, vanwaar hij hoopte, dat zij hem zou willen toestaan haar morgen een bezoek te brengen, om te vernemen hoe Mejuffrouw Dashwood het maakte. Dat verlof werd hem gaarne geschonken, en daarop vertrok hij, interessanter nog in haar oogen dan te voren, midden in een zware regenbui.

Zijn mannelijke schoonheid en de ongemeene losheid waarmede hij zich bewoog, vormden aanstonds het onderwerp van hun aller bewonderende gesprekken, en de vroolijkheid, waartoe zijn galante houding jegens Marianne aanleiding gaf, kreeg een zeer bijzonder tintje door zijn aantrekkelijk uiterlijk. Marianne zelf had hem minder goed opgenomen dan de anderen, want de verwarring, die haar diep had doen blozen, toen hij haar optilde, had het haar bijna onmogelijk gemaakt, hem te durven aanzien, nadat zij het huis waren binnengetreden. Doch zij had genoeg van hem gezien om met de bewondering der anderen in te stemmen, met de warmte, die altoos eigen was aan haar lof.

Zijn houding en voorkomen waren juist zooals haar verbeelding haar den held van een harer geliefkoosde romans afschilderde; en in dat zonder bedenken haar in huis dragen lag iets van snelle beradenheid, dat in haar oogen de handeling tot iets zeer bijzonders stempelde. Alle omstandigheden, hem betreffende, waren even interessant. Zijn naam had een goeden klank, hij logeerde in een aardig hun welbekend plaatsje, en zij was het al spoedig met zich zelf eens, dat van alle mannelijke kleedij een jachtcostuum het meest flatteerde. Haar verbeelding werd steeds bezig gehouden; ze was vervuld van blijde gedachten, en de pijn van den verstuikten enkel werd niet geteld.

Sir John kwam hen opzoeken, zoodra de volgende opklaring van 't weer dien morgen hem toeliet uit te gaan, en na het verslag van Marianne's ongeval werd hem dringend gevraagd of hij ook een heer kende te Allenham, die Willoughby heette.

"Willoughby?" riep Sir John: "wel, wel, is _die_ hier buiten? Dat is goed nieuws; ik rijd er morgen heen en vraag hem voor Donderdag ten eten."

"Ken je hem dan?" vroeg Mevrouw Dashwood.

"Kennen? ja zeker! Hij komt hier elk jaar."

"En wat voor een soort man is hij wel?"

"De beste jongen van de wereld; dat kan ik je verzekeren. Een uitmuntend jager, en in 't rijden heeft hij in Engeland zijn gelijke niet."

"En is _dat_ al wat u te zijnen gunste kan aanvoeren?" riep Marianne verontwaardigd. "Maar hoe is hij wel in den intiemen omgang? Waarmee houdt hij zich bezig, heeft hij talenten, een genialen aanleg?"

Sir John wist niet recht wat hij dáárop zou zeggen.

"Ja," zei hij, "om de waarheid te zeggen, op _die_ punten weet ik niet veel van hem af. Maar 't is een gezellige vroolijke kerel, en hij heeft den mooisten jachthond dien ik ooit heb gezien. Een zwart teefje. Had hij haar bij zich vandaag?" Maar Marianne kon hem evenmin inlichten omtrent de kleur van 's heeren Willoughby's hond, als hij haar de schakeeringen van diens geest vermocht te omschrijven. "Maar wie is hij eigenlijk?" vroeg Elinor. "Waar komt hij vandaan? Heeft hij in Allenham een eigen huis?"

Op die punten kon Sir John hun meer betrouwbare inlichtingen verschaffen, en hij vertelde hun, dat de Heer Willoughby hier in de buurt geen eigendom bezat; en dat hij hier alleen vertoefde, als hij de oude dame kwam bezoeken op Allenham Court, die een bloedverwante van hem was, en wier bezittingen hij zou erven; terwijl hij erbij voegde: "Ja, ja, hij is de moeite waard om te veroveren, dat kan ik je verzekeren, Elinor; hij heeft nog een mooie buitenplaats in Somersetshire ook; als ik je was, ik stond hem niet af aan mijn jongere zuster, al rolde ze van nog zooveel heuvels af. Marianne moet niet denken dat alle heeren alleen om háár komen. Brandon zal jaloersch zijn, als ze niet oppast."

"Ik geloof niet," zei Mevrouw Dashwood, met een oolijk lachje, "dat de Heer Willoughby last zal hebben van pogingen van een van _mijne_ dochters om hem te veroveren, zooals je dat noemt. In _die_ richting is hun opvoeding niet geleid geworden. Mannen behoeven voor _ons_ niet bang te zijn, al zijn ze ook nog zoo rijk. Maar ik ben blij, te hooren dat hij van goede familie is, en iemand, met wien men niet ongaarne zou kennismaken."

"Ja, 't is een beste kerel, voor zoover ik weet," herhaalde Sir John. "'t Vorig jaar, met Kerstmis, bij gelegenheid van een danspartijtje bij ons op het Park, heeft hij gedanst van acht uur tot 's morgens vier, aan één stuk door, zonder te gaan zitten."

"Och, werkelijk?" riep Marianne met schitterende oogen, "en danste hij mooi, met vuur en overgave?"

"Ja, en om acht uur was hij alweer bij de hand, om mee uit te rijden op de jacht."

"Dáar houd ik nu van; zóo moeten jongelui zijn. Zóo vurig in al wat ze doen, dat ze niet willen weten van matiging, en geen vermoeidheid bespeuren."

"Jawel, jawel, ik zie 't al aankomen," zei Sir John. "Ik weet wel, hoe 't zal gaan. Je hebt nu een goed oogje op hèm; voor dien armen Brandon is de kans verkeken."

"Dàt is een uitdrukking," zei Marianne met grooten nadruk, "waaraan ik een verschrikkelijken hekel heb. Ik verfoei al die banale pogingen om grappig te zijn, en "een oogje op iemand hebben," of "een conquête maken" kan ik 't allerminst uitstaan. Ze spruiten voort uit een ruwe en bekrompen opvatting, en zoo al er ooit een zweem van puntige raakheid was in die zegswijzen, dan heeft de tijd die nu toch reeds lang te niet gedaan."

Sir John begreep niet veel van die terechtwijzing; maar hij lachte even hartelijk, alsof hij dat wèl deed, en zei: "O, kom; aan conquête's zal 't jou niet ontbreken; is het de een niet, dan is het de ander. Die arme Brandon! hij is tot over de ooren verliefd, en dat _die_ een goede vangst zou zijn, dàt kan ik je verzekeren, vallen en enkeltjes verstuiken, of niet."

HOOFDSTUK X

Marianne's levensredder, zooals Margaret, meer sierlijk dan juist, zich uitdrukkend, den Heer Willoughby betitelde, kwam reeds vroeg den volgenden morgen zich persoonlijk van den goeden afloop van het ongeval overtuigen. Mevrouw Dashwood ontving hem met nog iets meer dan beleefdheid, met een vriendelijkheid, waartoe Sir John's mededeelingen en haar eigen dankbaarheid haar aandreven; en al wat voorviel gedurende zijn bezoek werkte mede om hem een hoogen dunk te doen opvatten van de verstandelijke ontwikkeling, de fijne beschaving, de wederkeerige genegenheid en het huiselijk behagen van het gezin, dat hij door een toeval had keren kennen. Omtrent de uiterlijke bekoorlijkheden der jonge dames behoefde geen tweede ontmoeting hem vollediger zekerheid te verschaffen.

Elinor zag er wat teer uit; maar had geregelde trekken, en een bijzonder lief figuurtje. Marianne was mooier. Misschien iets minder welgebouwd dan haar zuster, viel zij door haar lengte meer op dan deze, en haar gezichtje was zóó bekoorlijk, dat men, door haar met de gewone overdrijving van banale loftuigingen "een schoonheid" te noemen, der waarheid minder te kort deed, dan gewoonlijk geschiedt. Haar tint was zeer donker, maar het doorschijnend zuivere van haar fijne huid deed haar schitterenden blos des te meer uitkomen, hare trekken waren welbesneden, haar glimlach was bekoorlijk en innemend, en haar oogen, die zeer donker waren, tintelden van een leven, een geest, een vuur, die men niet kon aanschouwen zonder in verrukking te geraken. Hun uitdrukking bleef aanvankelijk tegenover Willoughby eenigszins ingehouden, tengevolge van de verlegenheid, door de herinnering aan zijn hulp opnieuw gewekt. Doch toen dat voorbijging, toen zij haar rustige zelfbezinning herkreeg,--toen zij zag, dat hun bezoeker aan zijn volmaakte wellevendheid zoowel openhartigheid als levendige vroolijkheid paarde, en vooral toen zij hem hoorde verklaren, dat hij een hartstochtelijk liefhebber was van dansen en muziek, gaf haar blik een onmiskenbaar welgevallen te kennen, dat haar voor den verderen duur van het bezoek zijn onverdeelde aandacht verzekerde.

Het was voldoende, een harer geliefkoosde uitspanningen aan te roeren, om haar aan het praten te brengen. Zij kòn niet zwijgen, wanneer die onderwerpen ter sprake kwamen, en verlegenheid of terughouding bestonden daarbij voor haar niet. Zij ontdekten al spoedig, dat de liefhebberij voor dansen en muziek door beiden werd gedeeld, en voortsproot uit een algeheele overstemming van hun oordeel omtrent al wat met die genoegens in verband stond. Hierdoor aangemoedigd tot een nader onderzoek naar zijne opvattingen, begon zij hem te ondervragen op het punt van literatuur; haar geliefkoosde schrijvers werden opgenoemd en besproken met een zoo geestdriftige verrukking, dat een jong mensch van vijf en twintig jaar wel uiterst ongevoelig moest zijn geweest, zoo hij niet onmiddellijk overtuigd ware geworden van de voortreffelijkheid hunner werken, al had hij ze van te voren nooit ingezien. Hun smaken kwamen merkwaardig overeen. Dezelfde boeken, dezelfde bladzijden erin werden door hen om het vurigst bewonderd,--en zoo er al eenig verschil van meening bestond, eenige tegenwerping werd geopperd, dan duurde dit toch slechts zóólang tot de welsprekendheid harer argumenten en de schittering in haar oogen het pleit hadden beslecht. Hij was het eens met al haar beslissende uitspraken, stemde in met al haar verrukte ontboezemingen, en lang vóór zijn bezoek was geëindigd, waren zij reeds zoo vertrouwelijk in gesprek alsof zij elkander jaren hadden gekend.

"Nu Marianne," zei Elinor, zoodra hij was heengegaan; "mij dunkt dat je dezen éénen morgen goed gebruikt hebt. Op bijna elk belangrijk punt heb je Mijnheer Willoughby's meening weten in te winnen. Je hebt gehoord, hoe hij denkt over Cowper en Scott; je bent zeker, dat hij hun schoonheden naar behooren weet te waardeeren, en je hebt de stellige overtuiging verkregen, dat hij voor Pope niet méér gevoelt, dan hij met fatsoen niet laten kan. Maar hoe zal die omgang lang kunnen duren, als ieder onderwerp van gesprek met zoo verbijsterende vlugheid wordt afgehandeld? Je zult over al je stokpaardjes gauw zijn uitgepraat. Bij een volgend bezoek zal hij voldoende gelegenheid krijgen om zijn gevoelens te uiten over schilderachtig natuurschoon en tweede huwelijken, en dan blijft er niets meer voor je te vragen over..."