Chapter 33
Eene zonderlinge lotsbestemming viel Marianne Dashwood ten deel. Zij was bestemd, de onjuistheid van haar eigen meeningen te ontdekken, en te handelen in tegenspraak met haar meest geliefkoosde stelregels. Zij was bestemd, eene neiging te overwinnen, ontstaan op den rijpen leeftijd van zeventien jaren, en met geene andere gevoelens dan die van hoogachting en warme vriendschap vrijwillig hare hand te schenken aan een ander!--en die andere daarbij een man, die niet minder dan zij had geleden door eene vroegere genegenheid,--dien zij twee jaar geleden als te oud had beschouwd om te trouwen,--en die nog steeds, uit voorzorg voor zijn gezondheid, zijn heil zocht in een flanellen vest!
Zoo echter gebeurde het. Inplaats van te bezwijken als slachtoffer van een onweerstaanbaren hartstocht, zooals zij eens zich had gevleid dat haar lot zou zijn, inplaats zelfs van voor altijd bij hare moeder te blijven, en haar eenig genoegen te vinden in afzondering en studie, zooals zij later, tot kalmer en gematigder inzicht gekomen, had besloten,--zag zij zichzelve op haar negentiende jaar het lijdzaam voorwerp eener nieuwe genegenheid, geplaatst voor nieuwe plichten, in een nieuw tehuis, als echtgenoote, als hoofd van een gezin en beschermvrouw eener gemeente.
Kolonel Brandon was thans zoo gelukkig als allen, die het meest van hem hielden, geloofden, dat hij verdiende te zijn; in Marianne vond hij troost voor alle geleden verdriet; haar genegenheid haar gezelschap schonken zijn geest de levendigheid, zijn stemming de opgewektheid van voorheen; en dat Marianne haar geluk vond in het bevorderen van het zijne, was de verblijdende overtuiging, die door al haar opmerkzame vrienden werd gedeeld. Ten halve beminnen kon Marianne nooit; en binnenkort behoorde haar geheele hart zoo onverdeeld aan haren echtgenoot, als zij het eens aan Willoughby had geschonken.
Willoughby kon haar huwelijk niet vernemen zonder een grievend gevoel van smart, en zijne straf werd spoedig daarna voltooid door de vrijwillige vergiffenis van Mevrouw Smith, die, daar zij als de reden van hare verzachte gezindheid opgaf, dat hij een huwelijk met eene vrouw van karakter had gesloten, hem met recht deed vermoeden, dat hij, door zich tegenover Marianne eervol te gedragen, gelukkig èn rijk had kunnen zijn.
Dat zijn berouw over een wangedrag, 't welk op deze wijze zijn eigen straf medebracht, oprecht was, behoeft niet te worden betwijfeld, en evenmin, dat hij langen tijd aan Kolonel Brandon dacht met afgunst, en aan Marianne met weemoedig verlangen. Maar dat hij voor altoos ontroostbaar was,--dat hij de maatschappij ontvluchtte, dat hij van nu af aan tot diepe zwaarmoedigheid verviel, of stierf aan een gebroken hart, moet men niet met zekerheid verwachten,--want van dat alles deed hij niets. Hij bleef in leven; vond bezigheid; en niet zelden genoegen daarin. Zijn vrouw was niet altoos uit haar humeur, en zijn tehuis niet altoos ongezellig. Bij zijn liefhebberij in het fokken van paarden en honden en andere soorten van sport, viel hem nog eene niet geringe mate van huiselijk geluk ten deel.
Voor Marianne echter behield hij,--hoewel hij de onbeleefdheid had begaan, haar verlies te overleven,--altijd die besliste voorkeur, die hem belang deed stellen in al wat haar wedervoer, en haar voor hem tot den geheimen standaard maakte van alle vrouwelijke volkomenheid; en menige veelbelovende schoonheid werd door hem in latere jaren met geringschatting beschouwd, daar zij de vergelijking niet kon doorstaan met Mevrouw Brandon.
Mevrouw Dashwood was verstandig genoeg, om in haar huisje te blijven, zonder eene poging te doen tot verhuizen naar Delaford, en toen Marianne haar werd ontnomen, was Margaret, gelukkig voor Sir John en Mevrouw Jennings, oud genoeg geworden, om gevoegelijk op danspartijen te kunnen worden gevraagd, en om het niet al te ongerijmd te doen schijnen, als zij geplaagd werd met een minnaar.
Tusschen Barton en Delaford had dat aanhoudend levendig verkeer plaats, dat sterke familiegehechtheid uiteraard moest bevorderen, en onder Elinor's en Marianne's verdiensten en voorrechten mocht als niet de geringste worden aangemerkt, dat zij, hoewel zusters, en bijna wonend onder 't bereik van elkanders blik, konden leven, zonder welven in onmin te geraken, of verkoeling te weeg te brengen tusschen hare echtgenooten.