Gevoel en verstand

Chapter 32

Chapter 323,843 wordsPublic domain

"Ik was onnoozel genoeg, om te gelooven, dat er, daar ik mijne trouw aan eene andere had verpand, geen gevaar was te duchten van ons beider samenzijn; en dat het besef, dat ik verloofd was, mijn hart even veilig en ongerept zou doen blijven, als mijne eer. Ik voelde, dat ik je bewonderde; maar ik zeide tot mijzelf, dat het enkel vriendschap was, en totdat ik vergelijkingen begon te maken tusschen jou en Lucy, wist ik niet, hoever het reeds met mij was gekomen. Daarna geloof ik wel, dat ik verkeerd deed door zoo dikwijls in Sussex te vertoeven, en de argumenten, waarmede ik mijzelf poogde te overtuigen dat hierin geen kwaad stak, kwamen op niet veel beters neer dan dit: "Ik ben de eenige, die gevaar loopt; ik doe niemand kwaad dan mijzelf."

Elinor glimlachte, en schudde haar hoofd.

Edward hoorde met genoegen, dat Kolonel Brandon te Barton werd verwacht; daar hij werkelijk niet alleen wenschte, hem beter te leeren kennen; maar ook, om gelegenheid te vinden, hem te overtuigen, dat hij niet afkeerig was van de predikantsplaats te Delaford. "Terwijl thans," zeide hij, "na de weinig beminnelijke wijze, waarop ik mijn dank bij die gelegenheid heb uitgesproken, de Kolonel wel zou kunnen denken, dat ik hem die aanbieding nooit heb kunnen vergeven." Nu was hij er zelf verbaasd over, dat hij Delaford nog niet had bezocht. Maar hij had zoo weinig belang gesteld in de zaak, dat hij al zijne kennis omtrent het huis, den tuin en den bouwgrond, de grootte der gemeente, den toestand van het land, en de opbrengst der tienden, te danken had aan Elinor zelve, die er door Kolonel Brandon zooveel van had vernomen, en daarbij zoo aandachtig had geluisterd, dat zij thans volkomen op de hoogte was.

Eene vraag bleef hierna slechts onbeslist tusschen hen; eene moeilijkheid viel nog slechts te overwinnen. Zij waren tezamengebracht door wederzijdsche genegenheid, met de hartelijkste goedkeuring hunner waarachtige vrienden; hunne innig vertrouwde bekendheid met elkander scheen hun geluk te waarborgen, en zij verlangden nu alleen het noodige om van te leven.

Edward bezat tweeduizend pond, en Elinor duizend, hetgeen met de predikantsplaats te Delaford, alles was, wat zij hun eigendom konden noemen; want het was niet mogelijk, dat Mevrouw Dashwood hun iets zou afstaan, en zij waren geen van beiden verliefd genoeg, om te denken dat driehonderdvijftig pond in het jaar hun een behagelijk bestaan zou verschaffen.

Edward liet nog niet alle hoop varen op eene gunstige verandering in zijne moeder te zijnen opzichte, en hierop rekende hij, wat de rest van hun inkomen betrof. Elinor echter vertrouwde hierop niet; want daar Edward nog steeds met Juffrouw Morton zou kunnen trouwen, en Mevrouw Ferrars, op haar vleiende manier, het slechts voor een geringer kwaad had verklaard, als hij háár, inplaats van Lucy Steele had gekozen, vreesde zij, dat Robert's vergrijp tot niets anders zou dienen, dan om Fanny te verrijken. Omstreeks vier dagen na Edward's komst verscheen Kolonel Brandon, om Mevrouw Dashwood's voldoening te volmaken, en haar het trotsche gevoel te schenken, voor de eerste maal sedert zij te Barton woonde, van meer gasten te hebben, dan zij in haar huis bergen kon. Edward mocht zijn recht als eerstgekomene doen gelden, en dus wandelde Kolonel Brandon iederen avond naar zijn oud kwartier op Het Park, vanwaar hij gewoonlijk 's morgens terugkeerde, vroeg genoeg om het tête-à-tête der gelieven te storen, voor het ontbijt.

Een verblijf van drie weken te Delaford, waar hij, althans in de avonduren, weinig anders te doen had, dan de ongunstige verhouding na te rekenen tusschen zes en dertig en zeventien, deed hem naar Barton komen in eene stemming, die, ondanks Marianne's merkbaar verbeterden gezondheidstoestand, haar hartelijke verwelkoming, en de bemoedigende verzekeringen van hare moeder, nog steeds niet vroolijk kon worden genoemd. Onder zulke vrienden echter, en bij zooveel voorkomendheid leefde hij werkelijk op. Nog had hij niets vernomen van Lucy's huwelijk; hij wist niets van 't geen er gebeurd was, en dus gaven de eerste uren van zijn bezoek ruim stof tot aanhooren en zich verbazen. Alles werd hem door Mevrouw Dashwood verklaard, en hij verheugde zich te meer over 't geen hij voor den Heer Ferrars had gedaan, nu het ten slotte bleek, dat hij Elinor's belang daardoor had bevorderd.

Het zou onnoodig zijn, te zeggen, dat met de nadere kennismaking de wederzijdsche waardeering der beide heeren gelijken tred hield; want het had moeilijk anders kunnen zijn. Hunne overeenstemming in zuivere beginselen en helder oordeel, in geaardheid en denkwijze, zou waarschijnlijk voldoende zijn geweest om hen vriendschap te doen sluiten, zonder dat eenige andere aantrekking daartoe medewerkte; maar dat zij hun liefde hadden geschonken aan twee zusters, en twee zusters die veel van elkaar hielden, deed onvermijdelijk en onmiddellijk de wederzijdsche genegenheid ontstaan, die anders misschien zou hebben gewacht op de uitwerking van den tijd, en rijper nadenken.

De brieven uit de stad, die eenige dagen tevoren iedere zenuw in Elinor's lichaam zouden hebben doen trillen van verrukking, kwamen nu aan; om te worden gelezen met meer vroolijkheid dan ontroering. Mevrouw Jennings schreef, om het wonderlijke bericht te vertellen, haar eerlijke verontwaardiging te uiten jegens het meisje dat zoo grillig haar minnaar verwierp, en al haar medelijden uit te storten over dien armen Mijnheer Edward, die naar zij stellig geloofde, gedweept had met dat ondeugende ding, en nu, naar zij hoorde, diep wanhopig te Oxford zat. "Ik moet zeggen," ging ze voort, "het was buitengewoon slim overlegd; want nog geen twee dagen te voren had Lucy mij opgezocht, en zat een paar uren bij mij te praten. Geen mensch, die er iets van vermoedde; zelfs Anne niet, die arme ziel, die den volgenden dag schreiende bij mij kwam, doodsbang voor Mevrouw Ferrars en omdat ze niet wist, hoe naar Plymouth te komen; want het blijkt, dat Lucy eer ze wegging om te trouwen, al Anne's geld had geleend; zeker om er vertooning mee te maken, en die arme Anne had geen zeven shillings in haar beurs;--ik gaf haar met pleizier vijf guineas, om naar Exeter te reizen, waar ze een week of drie vier bij Mevrouw Burgess dacht te logeeren, natuurlijk in de hoop, zooals ik haar al zei, den dokter daar weer te ontmoeten. En ik moet zeggen, die onaardigheid van Lucy, om haar niet mee in het rijtuig te nemen, vind ik het ergst van alles. Arme Mijnheer Edward! Ik kan hem niet uit mijn hoofd zetten; maar jelui moet hem naar Barton halen; en dan moet Marianne beproeven hem te troosten."

De Heer Dashwood schreef in ernstiger trant. Mevrouw Ferrars was de ongelukkigste van alle vrouwen--de arme Fanny had door hare gevoeligheid onbeschrijfelijke kwellingen verduurd--en hij beschouwde het als eene reden tot dankbare verwondering, dat beiden na zulk een slag nog in leven waren gebleven. Robert's vergrijp was onvergefelijk; maar Lucy had zich oneindig erger misdragen. Beider naam mocht ten aanhoore van Mevrouw Ferrars niet meer worden genoemd, en zelfs al zou zij er later toe kunnen komen, haar zoon te vergeven, zijne vrouw zou nooit als hare dochter worden erkend; noch vergunning verkrijgen, zich in hare tegenwoordigheid te vertoonen. De geheimzinnigheid, die zij bij alles hadden in acht genomen, werd zeer terecht aangemerkt als eene omstandigheid, die hunne misdaad ontzaglijk verzwaarde; want wanneer de anderen eenig vermoeden hadden opgevat van 't geen er gaande was, dan waren er maatregelen genomen om het huwelijk te beletten, en hij vroeg Elinor in gemoede, of zij het niet met hem betreurde, dat Lucy's verloving met Edward niet liever was doorgegaan, dan dat zij op deze wijze nog meer onheil had gesticht in hun familie. Hij ging voort:

"Mevrouw Ferrars heeft nog nooit Edward's naam genoemd, 't geen ons niet verwondert; maar tot onze verbazing heeft zij geen woord van hem vernomen bij deze gelegenheid. Misschien is zijn zwijgen toe te schrijven aan de vrees, haar te beleedigen, en ik zal hem dus een wenk geven, in een brief naar Oxford, dat zijn zuster en ik beiden denken, dat een schrijven van hem, waarin hij op betamelijke wijze blijk geeft van eene onderworpen gezindheid (geadresseerd aan Fanny bijvoorbeeld, en door haar vertoond aan hare moeder) mogelijk in goede aarde zou vallen; want wij weten allen, welk een teeder hart Mevrouw Ferrars bezit, en dat zij niets zoozeer wenscht, als met hare kinderen in goede verstandhouding te leven."

Deze zinsnede was van gewicht, zoo voor Edward's vooruitzichten als zijn gedrag. Hij werd erdoor bewogen een poging te doen tot verzoening, al was het dan niet precies op de wijze, door hun broeder en zuster aangegeven.

"Een schrijven waarin ik op betamelijke wijze blijk geef van een onderwerpen gezindheid!" herhaalde hij; "zouden ze vinden, dat _ik_ moeder vergiffenis moet vragen voor Robert's ondankbaarheid jegens háár, en oneerlijkheid tegenover _mij_?--Ik bèn niet gezind mij te onderwerpen; het gebeurde heeft mij noch nederig gestemd, noch berouwvol. Alleen maar zeer gelukkig; en dat vindt zij van geen belang. Ik zie de betamelijkheid van onderwerping niet in, in mijn geval."

"Je moogt toch stellig om vergeving vragen," zeide Elinor, "omdat je haar verdriet hebt gedaan; en ik zou denken, dat je nù wel zoo ver mocht gaan, eenige spijt te toonen, dat je ooit de verloving hebt aangegaan, die je moeder's toorn heeft opgewekt."

Hij gaf toe, dat hij dit wel zou kunnen doen.

"En als ze je heeft vergeven, dan zou een weinigje nederigheid je wel passen, wanneer je haar vertelt van een tweede verloving, in hare oogen haast even onvoorzichtig als de eerste."

Daartegen had hij niets in te brengen; maar het denkbeeld van een onderworpen brief stond hem nog steeds niet aan; en om het hem gemakkelijker te maken, daar hij veel eerder bereid scheen, mondeling zoete broodjes te bakken, dan op papier, werd er besloten dat hij, inplaats van aan Fanny te schrijven, naar Londen zou gaan, en persoonlijk haar tusschenkomst te zijnen behoeve zou verzoeken.

"En als ze werkelijk hun best doen," zei Marianne in haar nieuwe rol van onpartijdige toeschouwster, "om een verzoening tot stand te brengen, dan vind ik van nu af zelfs in John en Fanny nog wel iets goeds."

Toen Kolonel Brandon's bezoek na een dag of vier was afgeloopen, vertrokken de beide heeren samen uit Barton. Zij zouden eerst naar Delaford gaan, opdat Edward zijn toekomstig tehuis zou kunnen in oogenschouw nemen, en met zijn beschermer en vriend zou kunnen overleggen, welke verbeteringen nog vielen aan te brengen; en na een paar dagen, te Delaford doorgebracht, zou hij verder doorreizen naar de stad.

HOOFDSTUK L

Na eene behoorlijke mate van tegenstand van Mevrouw Ferrars' zijde, juist heftig en langdurig genoeg, om haar te vrijwaren voor het verwijt, dat zij blijkbaar altijd vreesde, zich te zien toevoegen, het verwijt van al te groote beminnelijkheid, werd Edward in hare tegenwoordigheid toegelaten, en wederom als haar zoon erkend. Er hadden in den laatsten tijd veel wisselingen plaats gehad in haar familiekring. Vele jaren lang had zij twee zonen bezeten; doch het misdrijf en de daarop volgende doodverklaring van Edward had haar een paar weken geleden van den eenen beroofd; een dergelijke doodverklaring van Robert had haar een volle veertien dagen kinderloos gelaten, en nu zij Edward weer in 't leven had teruggeroepen, was zij weer een zoon rijk.

Hoewel hem het aanzijn nu weder was vergund, gevoelde hij zich voor 't vervolg nog niet volkomen zeker van zijn bestaan, eer hij kennis had gegeven van zijne nieuwe verloving; want hij vreesde, dat de openbaring van die omstandigheid eene onverwachte verandering in zijn gestel zou bewerken, en hem even plotseling als te voren aan het leven zou ontrukken. Met angstige voorzichtigheid onthulde hij dus het geheim, en hij werd aangehoord met meer kalmte dan hij verwacht had. In het begin poogde Mevrouw Ferrars hem door redeneering te bewegen, van het huwelijk met Juffrouw Dashwood af te zien, waarbij zij zich van elk argument bediende, dat zij kon uitdenken. Zij hield hem voor, dat hij in Juffrouw Morton eene vrouw zou bezitten van hoogeren rang en met meer fortuin, en zette haar bewering klem bij, door de opmerking, dat Juffrouw Morton de dochter was van een edelman, en dertig duizend pond bezat; terwijl Juffrouw Dashwood slechts de dochter was van een gewonen grondbezitter, die niet meer dan drieduizend zijn eigendom had kunnen noemen; doch toen zij bespeurde, dat hij, ofschoon volkomen de waarheid harer beweringen erkennend, volstrekt niet gezind bleek, zich door haar oordeel te laten leiden, achtte zij het, door ervaring wijzer geworden, het verstandigst om toe te geven,--en dus gaf zij, na de zaak zoo onaangenaam lang te hebben verschoven, als zij vond, dat hare waardigheid eischte, en als noodig was om elke gedachte aan eenige welgezindheid van haar kant uit te sluiten, hare toestemming tot het huwelijk van Edward en Elinor.

Wat zij zich zou voornemen te doen, in verband met eene bijdrage tot hun inkomen, moest daarna worden overwogen; en thans bleek het duidelijk, dat Edward, hoewel vooralsnog haar eenige zoon, toch volstrekt niet als haar oudste werd beschouwd; want terwijl Robert voor goed in 't bezit bleef van zijne duizend pond in het jaar, werd er niet het minste bezwaar geopperd tegen Edward's aanvaarding van eene predikantsplaats, terwille van hoogstens een tweehonderdvijftig pond, en evenmin werd eenige belofte afgelegd, 't zij voor nu of later, behalve dan de tienduizend pond, die ook Fanny mee ten huwelijk had gekregen.

Naar Edward's en Elinor's meening was het echter genoeg; meer zelfs dan zij verwachtten; en Mevrouw Ferrars zelve scheen, door hare onhandige verontschuldigingen, de eenige persoon, die verwonderd was, dat zij niet meer gegeven had.

Nu zij dus zeker waren van een inkomen, dat ruim voldoende zou zijn voor hunne behoeften, viel er op niets meer te wachten, nadat Edward beroepen was, dan dat het huis gereed zou zijn, waarin Kolonel Brandon, die er veel genoegen in vond, het Elinor naar den zin te maken, allerlei verbeteringen liet aanbrengen; en nadat zij een poos op de voltooiing daarvan hadden gewacht, en als gewoonlijk zich hadden moeten schikken in eindelooze teleurstellingen en uitstel, door de onverklaarbare langzaamheid der werklieden, was het, ook als gewoonlijk, Elinor, die het eerst zoo stellige besluit, om niet te trouwen eer alles gereed was, liet varen; en de huwelijksplechtigheid werd voltrokken in het kerkje te Barton, in 't begin van den herfst.

De eerste maand na hun huwelijk brachten zij door bij hun vriend op het Heerenhuis te Delaford, waar zij het oog konden houden op de verbouwing der pastorie, en steeds bij de hand waren, om alles naar hun zin in te richten; zij konden behangselpapieren kiezen, plannen maken voor een plantsoen, en zelfs in gedachten een oprijlaan aanleggen. De voorspellingen van Mevrouw Jennings, ofschoon ietwat dooreengehaspeld, gingen over 't geheel toch nog in vervulling, want zij kon Edward en zijn vrouw in hun pastorie opzoeken eer de maand September was verstreken, en zij mocht Elinor en haar man, naar zij oprecht geloofde, als een der gelukkigste echtparen ter wereld beschouwen. Er bleef hun ook werkelijk niets te wenschen over, dan het huwelijk van Kolonel Brandon en Marianne, en nog wat beter weidegrond voor hun koeien.

Toen hun huis in orde was, kwamen bijna al hunne familieleden en kennissen hen bezoeken. Mevrouw Ferrars kwam het geluk in oogenschouw nemen tot hetwelk zij zich bijna schaamde, hare goedkeuring te hebben verleend, en zelfs de Dashwoods zetten zich te hunner eer over de onkosten van de reis uit Sussex heen.

"Ik wil niet beweren, dat ik teleurgesteld ben, zusjelief," zei John, toen zij samen op een morgen voor het hek van Delaford House op en neer wandelden;--"dàt zou te veel gezegd zijn; want zooals het nu is, mag men je stellig eene der gelukkigste jonge vrouwen ter wereld noemen. Maar ik moet bekennen, 't zou mij veel genoegen doen, als Kolonel Brandon mijn broeder werd. Deze bezitting hier, zijn landgoed, zijn huis, alles zoo deftig, en keurig onderhouden; en zijn bosschen! Ik heb nergens in Dorsetshire zulk timmerhout gezien als hier in het bosch van Delaford!--En al is nu misschien Marianne niet precies de persoon, die hem zou kunnen bekoren, het komt mij toch raadzaam voor, haar nu veel bij je te logeeren te vragen. Want daar Kolonel Brandon blijkbaar veel thuis is, kan niemand zeggen, wat er zou kunnen gebeuren,--natuurlijk, als twee menschen elkaar dikwijls zien, en weinig vreemden ontmoeten--het zal bovendien altoos in je macht staan haar op het gunstigst te doen uitkomen en zoo... mij dunkt, je mocht haar de gelegenheid wel gunnen... je begrijpt, wat ik bedoel."--

Doch ofschoon Mevrouw Ferrars hen dan al kwam bezoeken, en hen steeds behandelde met een zeker vertoon van quasi-genegenheid, zij behoefden zich niet de beleediging te laten welgevallen van haar werkelijke gunst en voorkeur. Deze waren voorbehouden voor Robert, om zijn dwaasheid, en voor zijne vrouw, om haar listig gedrag, en zij hadden ze zich reeds weten te verwerven, eer vele maanden waren verstreken. De baatzuchtige scherpziendheid van Lucy, die Robert eerst in de val had doen loopen, werkte hoofdzakelijk mede, om hem daaruit te verlossen; want haar eerbiedige onderdanigheid, haar ijver in het bewijzen van attenties en haar eindelooze vleierijen verzoenden, zoodra zij maar de geringste gelegenheid vond, haar kunsten in praktijk te brengen, Mevrouw Ferrars met zijn keuze, en brachten hem opnieuw, evenzeer als vroeger, bij haar in de gunst.

Lucy's geheele gedrag in de zaak, en de goede uitslag waarmede het werd bekroond, mag dus als een zeer bemoedigend voorbeeld worden aangevoerd, om aan te toonen, wat een ernstig en onverdroten najagen van eigen belang, hoezeer ook in zijn voortgang schijnbaar belemmerd, kan uitwerken ter bereiking van alle denkbare voordeel, met geene andere opoffering dan die van tijd en geweten. Toen Robert haar voor het eerst poogde te leeren kennen, en haar een bezoek bracht in Bartlett's Buildings, geschiedde dit slechts met de bedoeling, hem door zijn broeder toegeschreven. Hij wilde niet anders, dan haar overhalen, van de verloving af te zien, en daar hiertoe niets in den weg stond dan hun beider genegenheid, verwachtte hij natuurlijk dat de zaak in orde zou komen, als hij haar maar een paar maal onder vier oogen gesproken had. Op dat punt echter, en dàt alleen, vergiste hij zich; want hoewel Lucy hem spoedig hoop gaf, dat zijn welsprekendheid haar ten langen leste wel zou overtuigen, er was altijd weer een nieuw bezoek en een nieuw gesprek noodig om die overtuiging te vestigen. Bij het afscheid bleven er altijd nog eenige twijfelingen in haar gemoed, die slechts konden worden opgeheven door een half uurtje vertrouwelijk onderhoud met hemzelf. Op die wijze wist zij zijn geregelde bezoeken te doen voortduren, en geleidelijk volgde daaruit het overige. Inplaats van over Edward, begon hun gesprek langzamerhand te loopen over Robert alleen, een onderwerp waarover hij altijd meer te vertellen had dan over eenig ander, en waarin zij al spoedig eene belangstelling liet blijken, die de zijne evenaarde, zoodat het beiden weldra duidelijk werd, hoe hij geheel en al de plaats van zijn broeder had ingenomen. Hij was trotsch op zijn verovering, trotsch omdat hij Edward had gefopt, en bovenal trotsch, omdat hij in 't geheim was gehuwd, zonder zijn moeder's toestemming. Wat hierna gevolgd was, weten wij. Zij brachten een paar zeer gelukkige maanden door te Dawlish; want zij kon nu veel verwanten en oude kennissen uit de hoogte behandelen, en hij teekende meerdere plannen voor allerprachtigste landhuizen, en toen zij van daar terugkeerden naar de stad, verwierven zij Mevrouw Ferrars' vergiffenis, door het eenvoudige middel, er om te vragen, dat op Lucy's aanraden werd te baat genomen. Die vergiffenis strekte zich, billijkerwijze, in den beginne slechts uit tot Robert alleen; Lucy, die tegenover zijne moeder geene verplichtingen had, en daarin dus ook niet had kunnen te kort schieten, bleef nog een paar weken langer in ongenade. Doch volharding in onderworpen gedrag, en boodschappen, waarin zij de schuld voor Roberts vergrijp op zich nam, zoowel als dankbetuigingen voor de onvriendelijkheid, waarmede zij werd behandeld, verwierven haar mettertijd toch een zeker betoon van trotsche neerbuigendheid, dat haar overstelpt deed zijn van dankbaarheid voor die hooge gunst, en dat haar spoedig daarna met rassche schreden deed naderen tot het toppunt van genegenheid en invloed. Mevrouw Ferrars begon Lucy even noodig te hebben als Robert en Fanny, en terwijl het Edward nooit van harte werd vergeven, dat hij eenmaal voornemens was geweest, met haar te trouwen, en Elinor, hoewel door fortuin en geboorte haar meerdere, nog altijd als eene indringster werd beschouwd, zag _zij_ zich in elk opzicht behandeld als een begunstigde dochter, en openlijk als zoodanig erkend. Zij vestigden zich in de stad, kregen van Mevrouw Ferrars eene ruime toelage, gingen zeer vriendschappelijk om met de Dashwoods, en afgezien van de uitbarstingen van nijd en afgunst, die voortdurend plaats hadden tusschen Fanny en Lucy, en waarin hunne echtgenooten natuurlijk ook werden betrokken, zoowel als van de veelvuldige huiselijke oneenigheden tusschen Robert en Lucy zelf, kon de natuurlijke harmonie waarin zij allen met elkander leefden, niet worden overtroffen. Wat Edward had gedaan om zijn rechten als oudste zoon te verbeuren, zou voor menigeen zeker een raadsel zijn geweest, en wat Robert had in 't werk gesteld om dat zelfde recht te winnen, scheen nog veel moeilijker te verklaren. Het was echter eene schikking, die door hare gevolgen, zooal niet door hare oorzaak, werd gerechtvaardigd; want nooit viel er iets te bespeuren in Robert's levenswijze of in zijne uitingen van eenige neiging, zich te beklagen over de grootte van zijn inkomen, in zooverre zijn broeder te weinig, en hemzelf te veel werd toebedeeld;--en als men Edward mocht beoordeelen naar de nauwgezette wijze, waarop hij in elk opzicht zijne plichten vervulde, naar zijne toenemende gehechtheid aan zijne vrouw en zijn tehuis, en naar de gestadige opgewektheid van zijne stemming, dan mocht men veronderstellen, dat hij niet minder tevreden was met zijn lot, en even weinig verlangde naar eenige verandering.

Elinor's huwelijk verwijderde haar zoo weinig van haar familie, als slechts mogelijk was, zonder het huisje te Barton geheel overbodig te doen worden; want haar moeder en zusters brachten meer dan de helft van hun tijd bij haar door. Mevrouw Dashwood had zoowel haar belang als haar genoegen op het oog, bij die veelvuldige bezoeken te Delaford; want haar wensch om Marianne en Kolonel Brandon met elkaar in aanraking te brengen, was bijna niet minder ernstig gemeend, schoon minder baatzuchtig, dan het verlangen, door John in dit opzicht geuit. Het was thans haar lievelingsplan geworden. Hoezeer zij ook het gezelschap harer dochter waardeerde, zij wenschte niets zoozeer, als het voortdurend genot ervan aan haren hooggeschatten vriend af te staan; en Marianne als meesteres van het Heerenhuis te zien optreden, was evenzeer de wensch van Edward en Elinor. Zij allen gevoelden sterk het lijden van hun vriend en hun eigen verplichtingen, en met algemeene toestemming zou Marianne daarvoor de belooning zijn. Met zulk een bondgenootschap tegenover zich,--bij zoo beproefde ervaring van zijn goedheid,--met de overtuiging van zijne teedere gehechtheid aan haarzelve, die ten laatste, schoon lang nadat zij voor ieder ander duidelijk was gebleken, zich ook aan haar opdrong,--wat kon zij doen?