Gevoel en verstand

Chapter 31

Chapter 313,823 wordsPublic domain

Zij zouden zeker spoedig, dacht zij, nu gaan wonen te Delaford,--Delaford, die plaats, waarin zoovele redenen haar noopten, belang te stellen, die zij wenschte te kennen, en toch verlangde te vermijden. Zij zag ze vóór zich in hun pastorie; zag Lucy als de ijverige bekwame huishoudster, die den wensch naar uiterlijk weeldevertoon wist te paren met de uiterste spaarzaamheid, zich schamend, zoo iemand maar de helft van hare zuinigheidsmaatregelen had kunnen vermoeden;--onophoudelijk bedacht op haar eigen belang, pogend in de gunst te geraken bij Kolonel Brandon, bij Mevrouw Jennings, en bij alle vermogende vrienden. Hoe zij Edward zag, wist zij zelve niet, en evenmin, hoe zij hem wenschte te zien; gelukkig of ongelukkig,--niets kon haar behagen;--van iedere voorstelling, die ze zich van hem maakte, wendde zij het hoofd af.

Elinor bleef nog hopen, dat een van hunne kennissen in Londen hun zou schrijven, om het nieuws te berichten en verdere bijzonderheden te vermelden; maar de eene dag na de andere ging voorbij, zonder brief of tijding. Hoewel zij niet precies wist, aan wien de schuld te geven, ergerde zij zich over alle afwezige vrienden. Ze waren allen vergeetachtig, of lui.

"Wanneer schrijft u aan Kolonel Brandon, moeder?" was de vraag, die voortsproot uit haar ongeduldig verlangen, dat er toch iets gebeuren mocht.

"Ik schreef hem de vorige week, lieve, en ik verwacht nog eerder hem te zien, dan van hem te hooren. Ik drong er zeer op aan, dat hij zou komen, en 't zou mij niet verwonderen, als we hem vandaag of morgen zagen binnenstappen."

Dat was toch iets gewonnen; iets om tegemoet te zien. Kolonel Brandon moest het een of ander hebben te vertellen.

Pas had zij dit voor zichzelve vastgesteld, toen de verschijning van een ruiter haar de oogen naar het venster deed richten. Hij hield stil bij hun hek. Het was een heer; het zou Kolonel Brandon zijn. Nu zou ze meer hooren, en gespannen verwachting deed haar beven. Maar--het was niet Kolonel Brandon, zijn figuur niet; zijn lengte niet. Als zooiets nu mogelijk was, dan zou zij zeggen, dat het Edward moest zijn. Zij keek opnieuw. Hij was juist afgestegen;--zij kon zich niet vergissen; het was Edward. Ze verwijderde zich van het venster en ging zitten. "Hij komt van den Heer Pratt hierheen, om ons te bezoeken. Ik _wil_ kalm zijn; ik _wil_ mij beheerschen."

Op dat oogenblik bespeurde zij, dat de anderen ook hunne vergissing hadden bemerkt. Zij zag haar moeder en Marianne verbleeken, naar haar zien, en elkander iets toefluisteren. Ze zou alles hebben gegeven, om te kunnen spreken, om hen te doen begrijpen, hoe zij hoopte, dat hun houding geen koelheid, geen onverschilligheid zou aan den dag leggen; maar zij kon geen woord uitbrengen, en moest alles overlaten aan hun eigen gevoel van tact. Geen enkel woord werd tusschen hen gewisseld. Zij wachtten zwijgend, tot de bezoeker verschijnen zou. Zijn voetstappen klonken op het grintpad; daarna in de gang, en een oogenblik later stond hij voor hen.

Zijn gelaat drukte bij het binnenkomen geen al te groote blijdschap uit; zelfs niet voor Elinor. Hij zag bleek van zenuwachtigheid, en keek alsof hij bevreesd was voor de te verwachten ontvangst, en zich bewust, dat deze niet vriendelijk kon zijn. Mevrouw Dashwood echter, zich voegend, naar zij geloofde, naar den wensch van hare dochter, door wie zij zich, in hare verteederde gezindheid, in alles wilde laten leiden, begroette hem met een ietwat gedwongen minzaamheid, gaf hem de hand en wenschte hem geluk. Hij kleurde en stotterde iets onverstaanbaars. Elinor's lippen bewogen gelijktijdig met die harer moeder, en toen het ogenblik van handelen was verstreken, wenschte zij, dat zij hem ook de hand gegeven had. Maar nu was het te laat, en met een uitdrukking, die zij haar best deed onbevangen te doen zijn, ging zij weer zitten, en praatte over het weer.

Marianne had zich zoo ver mogelijk teruggetrokken, om hare droefheid te verbergen, en Margaret, die wel iets, maar niet alles van de zaak begreep, vond het raadzaam, een waardige houding aan te nemen; zij ging dus zoo ver mogelijk van hen af zitten, en bewaarde een strak stilzwijgen.

Toen Elinor klaar was met haar blijdschapsbetuigingen over het mooie droge weer, volgde er eene onheilspellende stilte. Deze werd verbroken door Mevrouw Dashwood, die zich verplicht achtte, te hopen, dat Mevrouw Ferrars het goed maakte. Hij gaf haastig een bevestigend antwoord.

Nieuwe stilte.

Al haar krachten verzamelend, hoewel bang voor 't geluid van haar eigen stem, zei Elinor: "Is Mevrouw Ferrars te Longstaple?"

"Longstaple?" antwoordde hij verwonderd. "Neen, mijn moeder is in de stad."

"Ik bedoelde eigenlijk," zei Elinor, een handwerk van de tafel opnemend, "Mevrouw _Edward_ Ferrars." Zij durfde niet opzien; maar hare moeder en Marianne zagen hem beiden aan. Hij kleurde, scheen verlegen, keek twijfelachtig, en zei na eenige aarzeling: "Misschien bedoel je... mijn broer... je bedoelt zeker Mevrouw... Mevrouw Robert Ferrars."

"Mevrouw Robert Ferrars?"--herhaalden Marianne en hare moeder op een toon van de uiterste verbazing, en hoewel Elinor niet kon spreken, zagen hare oogen hem aan met de zelfde ongeduldige verwondering. Hij stond van zijn stoel op en liep naar het venster, blijkbaar omdat hij niet wist, wat te beginnen; hij nam een schaartje in étui op, dat er lag, en terwijl hij zoowel het schaartje als het étui bedierf, door het laatste onder het spreken in stukjes te knippen, zeide hij, op gejaagde toon:

"U weet zeker niet,--u hebt misschien niet gehoord, dat mijn broer onlangs is getrouwd met... met de jongste... met juffrouw Lucy Steele."

Zijne woorden werden met onuitsprekelijke verbazing herhaald door allen, behalve Elinor, die met het hoofd over haar werk zat gebogen, zóó zenuwachtig, dat zij bijna niet wist, waar zij was.

"Ja," zei hij, "ze zijn de vorige week getrouwd, en logeeren nu te Dawlish."

Elinor kon niet langer blijven zitten. Zij liep bijna op een draf de kamer uit, en zoodra de deur was gesloten, barstte zij uit in een stroom van blijde tranen, die zij dacht, dat vooreerst niet zouden kunnen ophouden te vloeien. Edward, die tot nu toe naar alles had gekeken behalve naar haar, zag haar wegvluchten, en zag ook,--of hoorde zelfs,--hare ontroering; want dadelijk daarna verzonk hij in een gepeins, dat geene opmerking, geen vraag, geen vriendelijke toespraak van Mevrouw Dashwood scheen te kunnen verstoren, en eindelijk ging hij, zonder een woord te zeggen, de kamer uit en wandelde den weg op, naar het dorp, de anderen uiterst verbaasd en nieuwsgierig achterlatend over zulk een wonderlijke en snelle verandering in zijne omstandigheden,--zonder eenig ander middel om die verbaasde nieuwsgierigheid te bevredigen, dan hun eigen gissingen.

HOOFDSTUK XLIX

Hoe onverklaarbaar echter ook de omstandigheden, waaronder zijn bevrijding had plaatsgegrepen, der geheele familie mochten voorkomen, het stond vast, dat Edward vrij was, en tot welk doel die vrijheid zou worden aangewend, konden allen gemakkelijk voorzien; want na de zegeningen te hebben ervaren van ééne onvoorzichtige verloving, aangegaan zonder zijn moeder's toestemming, zooals hij reeds meer dan vier jaren had gedaan, kon er, na de verbreking van deze, niet anders van hem worden verwacht, dan dat hij onmiddellijk eene andere verbintenis zou sluiten.

Het doel van zijn bezoek te Barton was eenvoudig genoeg. Hij wilde niets anders, dan Elinor ten huwelijk vragen, en in aanmerking genomen dat hij op dit punt niet geheel onervaren was, kon het vreemd schijnen, dat hij zich thans zoo weinig op zijn gemak gevoelde, en zooveel behoefte had aan bemoediging en frissche lucht.

Hoe spoedig hij echter, al wandelende, tot een genoegzaam vast besluit was gekomen, hoe dra de gelegenheid zich voordeed om het ten uitvoer te brengen, op welke wijze hij zich uitdrukte, en hoe hij werd ontvangen, behoeft niet in bijzonderheden te worden vermeld. Wij kunnen volstaan met te zeggen, dat hij, toen zij samen om vier uur aan tafel gingen, omstreeks drie uren na zijne aankomst, zijn verloofde had gewonnen, haar moeder's toestemming had verworven, en zich, niet slechts met de verrukte overdrijving van den minnaar, maar in waarheid en werkelijkheid een der gelukkigste menschen ter wereld voelde. Waarlijk, hij mocht zich buitengewoon bevoorrecht achten. Zijn hart mocht zwellen, zijn geest zich verheffen met meer dan den natuurlijken trots van beantwoorde liefde. Hij zag zich bevrijd, en zonder het minste zelfverwijt, van banden, die hem lang een bron van kwelling waren geweest, van eene vrouw, die hij reeds lang niet meer liefhad, en plotseling verzekerd van het bezit eener andere, waaraan hij bijna niet anders dan met wanhoop had kunnen denken, zoodra hij was begonnen het te beschouwen als het doel van zijn verlangen. Niet van uit twijfel en onzekerheid, doch van uit de diepste ellende ging hij over tot het geluk;--en die verandering uitte zich onomwonden, in zulk een echte, natuurlijk opwellende, dankbare vroolijkheid, als zijn vrienden nog nimmer bij hem hadden waargenomen.

Zijn hart stond nu open voor Elinor; al zijne zwakheden en dwalingen werden gebiecht, en zijne eerste, jongensachtige verliefdheid op Lucy werd beschouwd met al de philosofische waardigheid van den vier en twintigjarige.

"Het was van mijn kant een dwaze, lichtzinnige neiging," zeide hij, "'t gevolg van gebrek aan wereldkennis en gemis van bezigheid. Had mijn moeder mij werkzaam laten zijn in eenig beroep, toen ik op mijn achttiende jaar aan de zorg van den Heer Pratt werd onttrokken, dan denk ik, neen, dan weet ik stellig, dat het nooit zou zijn gebeurd; want hoewel ik Longstaple verliet met wat ik toen als eene onoverwinnelijke neiging beschouwde voor zijne nicht, ik zou toch, wanneer ik toen eenige bezigheid had gehad, eenig doel, dat mijn tijd in beslag nam en mij enkele maanden van haar verwijderd hield, zeer spoedig die gewaande genegenheid zijn te boven gekomen; vooral door mij meer onder vreemden te bewegen, zooals ik in dat geval had moeten doen. Maar inplaats van iets te doen te krijgen,--in plaats dat eenig beroep voor mij werd gekozen, of eene eigen keuze mij werd vergund, kwam ik terug bij mijn familie om totaal leeg te loopen, en het eerste jaar na mijn thuiskomst had ik zelfs niet die zoogenaamde bezigheid, die het verblijf aan de universiteit mij zou hebben verschaft; want ik werd niet ingeschreven te Oxford, eer ik negentien jaar was geworden. Ik had dus niets ter wereld te doen, dan mij te verbeelden, dat ik verliefd was, en daar moeder mijn verblijf tehuis niet in elk opzicht aangenaam maakte,--daar ik geen vriend of kameraad vond in mijn broeder, en ongeneigd was, nieuwe kennissen te zoeken, was het niet onnatuurlijk, dat ik veel naar Longstaple ging, waar ik mij altijd thuis gevoelde, en zeker was, hartelijk te worden verwelkomd; zoodoende bracht ik het grootste deel van mijn tijd daar door, tusschen mijn achttiende en negentiende jaar. Lucy scheen toen zoo beminnelijk en voorkomend als iemand maar zijn kon. Mooi was zij ook;--ten minste _toen_ vond ik dat; en ik had zoo weinig omgegaan met andere vrouwen, dat ik geen vergelijkingen kon maken, en geen gebreken zien. Alles in aanmerking genomen, hoop ik dus, dat onze verloving, hoe onverstandig die ook was, en sedert in elk opzicht is gebleken, toentertijd toch geen onnatuurlijke of onverschoonbaar dwaze daad is geweest."

De verandering, die enkele uren hadden bewerkstelligd in den geest en de gemoedsstemming der Dashwoods was zoo groot, dat zij allen, en niet zonder voldoening, een slapeloozen nacht tegemoet zagen. Mevrouw Dashwood, te gelukkig om kalm te zijn, wist niet hoe Edward genoeg te waardeeren, noch Elinor te prijzen;--hoe dankbaar genoeg te zijn voor zijn bevrijding zonder zijn fijngevoeligheid te kwetsen;--noch hoe zij hun tegelijkertijd gelegenheid zou schenken tot ongedwongen onderling gesprek, en tevens, zooals zij dat wenschte, zou kunnen genieten van beider aanblik en gezelschap.

Marianne kon hare vreugde slechts uiten door tranen. Vergelijkingen drongen zich aan haar op; weemoedige herinneringen kwamen oprijzen; en hare blijdschap, hoewel oprecht als haar zusterlijke liefde, was er eene, die haar noch opgewekt, noch spraakzaam vermocht te doen zijn.

Doch Elinor, hoe _hare_ gevoelens te beschrijven? Van af het oogenblik, waarop zij vernam, dat Lucy met een ander was gehuwd, dat Edward vrij was, tot aan dat, waarin hij de hoop in vervulling deed gaan, zoo plotseling daarop gevolgd, was zij beurtelings alles geweest, behalve kalm. Doch toen dat tweede oogenblik voorbij was,--toen zij elken twijfel, alle bezorgdheid voelde wijken,--toen zij haar toestand vergeleek bij wat die nog zoo kort geleden was geweest,--toen zij hem, met behoud van zijne eer, zag ontslagen van zijn vroegere verbintenis,--zag, hoe hij aanstonds gebruikmaakte van die bevrijding, door zich tot haar zelve te wenden, en de bekentenis af te leggen van eene liefde, zoo teeder en trouw als zij die altoos geloofd had te zijn,--toen was zij bezwaard, ja overstelpt door haar eigen geluksgevoel, en hoezeer ook des menschen geest gelukkigerwijze geneigd is, zich gemakkelijk te gewennen aan elke verandering ten goede, toch moesten meerdere uren verloopen eer haar gemoed zijne kalmte herkreeg, haar hart eenigermate tot rust kwam.

Edward moest nu minstens een week te Barton blijven; want van welke andere verplichtingen hij zich ook had te kwijten, het was onmogelijk, dat een korter tijdsverloop dan eene week zou worden gewijd aan het genot van Elinor's gezelschap; of voldoende had kunnen zijn om de helft te zeggen van 't geen er te zeggen viel over verleden, heden en toekomst; want hoewel in een paar uren van volijverig en onverpoosd gesprek meer onderwerpen kunnen worden behandeld, dan feitelijk aan twee redelijke wezens gemeenschappelijk belang kunnen inboezemen, bij gelieven is het toch anders gesteld. Tusschen hen is geen onderwerp afgehandeld, wordt geene mededeeling zelfs als gedaan beschouwd, wanneer zij niet minstens twintigmaal herhaald is.

Lucy's huwelijk, een bron van eindelooze en verklaarbare verbazing voor hen allen, vormde natuurlijk een der eerste onderwerpen van gesprek tusschen de gelieven, en Elinor's bijzondere bekendheid met de beide partijen deed het in hare oogen in elk opzicht een der zonderlingste en onverklaarbaarste gebeurtenissen schijnen, die haar ooit waren ter oore gekomen. Hoe zij met elkaar in aanraking waren gekomen, en welke aantrekkingskracht Robert had verleid tot een huwelijk met een meisje, van wier schoonheid zij hem zelve zonder eenige bewondering had hooren spreken, een meisje nog wel, dat reeds verloofd was met zijn broeder, en om wier wil die broeder door zijn familie was verstooten,--het ging haar begrip te boven. Haar eigen hart vond in het gebeurde reden tot groote blijdschap; haar verbeelding trof het als iets belachelijks; doch voor haar verstand, haar oordeel bleef het een onopgelost raadsel.

Edward kon slechts pogen het te verklaren door de onderstelling, dat na eene eerste toevallige ontmoeting de ijdelheid van den een zoozeer gestreeld was door de vleierij der andere, dat hieruit van lieverlede al het overige was gevolgd. Elinor herinnerde zich, wat Robert haar in Harley Street had verteld aangaande zijne meening omtrent hetgeen zijne bemiddeling in zijn broeder's aangelegenheid zou hebben uitgewerkt, zoo hij bijtijds ware tusschenbeide gekomen. Zij vertelde dit aan Edward.

"Dàt was wel juist iets voor Robert," merkte hij dadelijk op. "En dàt," voegde hij erbij, "heeft hij misschien in het hoofd gehad, toen zij elkaar voor 't eerst ontmoetten. Terwijl Lucy mogelijk in 't begin alleen erop bedacht was, zijn voorspraak te mijnen gunste te winnen. Later kunnen toen wel andere plannen bij hen zijn opgekomen." Hoelang die verstandhouding tusschen hen had bestaan, kon hij echter evenmin uitmaken als zijzelve; want te Oxford, waar hij bij voorkeur was gebleven sedert zijn vertrek uit Londen, had hij geen ander bericht omtrent haar kunnen ontvangen dan door haarzelve, en tot het allerlaatst waren hare brieven noch in aantal, noch in hartelijkheid verminderd. Geen de minste achterdocht was dus bij hem gerezen, om hem voor te bereiden op hetgeen gebeuren ging, en toen het hem ten slotte geheel onverwacht werd geopenbaard door een brief van Lucy zelve, was hij een tijdlang half verbijsterd geweest, dacht hij, door verbazing, ontzetting en vreugde over zulk een ongedachte verlossing. Hij liet Elinor den brief lezen.--

"Geachte Heer.

Daar ik zeer wel weet, dat ik reeds lang niet meer uwe liefde bezit, acht ik mij gerechtigd, de mijne aan een ander te schenken, en twijfel ik niet, of ik zal zoo gelukkig met hem worden als ik eens had gedacht te zullen zijn met u; maar ik acht het beneden mij, de hand aan te nemen van hem, wiens hart aan eene andere behoort. Ik wensch u oprecht geluk met uwe keuze, en zal het mijne schuld niet zijn, als wij niet steeds goede vrienden blijven, zooals nu ook behoorlijk is, daar wij naaste verwanten worden. Ik mag gerust zeggen, dat ik u geen kwaad hart toedraag, en ik weet wel, dat gij te edelmoedig zijt om ons te willen benadeelen. Uw broeder heeft mijn geheele hart gewonnen, en daar wij zonder elkander niet konden leven, zijn wij zooeven in den echt verbonden, en thans op weg naar Dawlish voor een paar weken, waarnaar uw broeder zeer verlangt; maar meende ik u eerst deze paar regels te moeten schrijven, en blijf steeds gaarne, u van harte alle goeds wenschend,

uwe vriendin en zuster Lucy Ferrars.

Ik heb al uwe brieven verbrand, en zal uw portret bij de eerstvolgende gelegenheid terugzenden. Verscheur als 't u blieft mijn gekrabbel; den ring met mijn haar moogt ge gerust behouden."

Elinor las den brief, en gaf dien zonder iets te zeggen terug.

"Ik zal maar niet vragen wat je denkt van den stijl," zei Edward. "Ik had voor geen geld van de wereld gewild vroeger, dat een brief van haar onder je oogen was gekomen. 't Is al erg genoeg als eene zuster zoo schrijft; maar je eigen vrouw! Hoe dikwijls kreeg ik een kleur van schaamte bij 't lezen van haar brieven; en ik geloof wel, te mogen zeggen, dat sedert het eerste half jaar van die dwaze... geschiedenis, dit de eerste brief is geweest, dien ik van haar ontving, waarvan de inhoud de stijlfouten eenigszins vergoedde."

"Hoe het dan ook zoover is gekomen," zeide Elinor na een poos van stilte, "getrouwd _zijn_ ze nu. En je moeder heeft zich hare verdiende straf op den hals gehaald. De onafhankelijkheid, die zij Robert verzekerde, uit verbittering jegens jou, heeft hem in staat gesteld, zijn eigen keuze te volgen, en door hem die duizend pond in het jaar te schenken, heeft zij feitelijk bewerkt, dat de eene zoon het plan volvoerde, wegens welks beraming zij den anderen had onterfd. Het zal haar wel niet minder grieven, denk ik, dat Robert met Lucy is getrouwd, dan dat jij haar tot vrouw hadt gekregen."

"Het grieft haar dieper; want van Robert hield zij altoos het meest. Het grieft haar dieper; maar om diezelfde reden zal ze hem veel eerder vergiffenis schenken."

Hoe de zaken op het oogenblik tusschen hen stonden, wist Edward niet; want hij had nog met geen zijner familieleden gepoogd in verbinding te treden. Nog geen vierentwintig uren na de komst van Lucy's brief had hij Oxford verlaten; en met slechts één doel voor oogen, de naaste weg naar Barton, had hij nog geen tijd gehad, eenig voornemen op te vatten, dat niet met dien weg in het nauwste verband stond. Hij kon niets doen, eer hij wist, hoe Elinor over zijn lot zou beslissen, en uit de snelheid, waarmede hij die beslissing zocht, mocht men opmaken,--ondanks de jaloezie, waarmede hij eenmaal aan Kolonel Brandon had gedacht,--ondanks zijn bescheiden meening omtrent zijn eigen verdiensten, en de beleefdheid, die hem van zijn twijfel deed spreken, dat hij over 't geheel op geen al te wreedaardige ontvangst had gerekend. Hij behoorde echter te beweren, dat hij dit wèl had gedaan, en hij zeide dit dan ook, zooals het betaamde. Wat hij een jaar later omtrent dit onderwerp zou hebben te vertellen, laat ik over aan de verbeelding van echtelieden.

Dat Lucy stellig bedoeld had, hem te bedriegen, en hem, met eene uiting van boosaardigen triomf in hare opdracht aan Thomas, zijn afscheid te geven, was Elinor volkomen duidelijk; en Edward zelf, die haar karakter thans goed doorzag, gaf onbewimpeld te kennen, dat hij haar, in hare roekelooze boosaardigheid, tot het allerlaagste in staat achtte. Hoewel hem de oogen reeds lang waren opengegaan, zelfs eer hij Elinor leerde kennen, voor hare onwetendheid en het gemis van ruimheid in sommige harer opvattingen, had hij dit alles aan haar gebrekkige opvoeding geweten, en totdat hij haar laatsten brief ontving, had hij altoos gedacht, dat zij een welmeenend, goedhartig meisje was, en dat zij voor hem eene oprechte genegenheid koesterde. Niets dan deze overtuiging kon hem hebben belet, een einde te maken aan eene verloving, die lang eer de ontdekking ervan hem blootstelde aan zijn moeder's toorn, een aanhoudende oorzaak van onrust en verdriet voor hem was geweest.

"Ik achtte het mijn plicht," zeide hij, "afgezien van mijn eigen gevoelens, haar de keus te laten, of zij de verloving wilde verbreken, of niet, toen ik door mijne moeder werd verstooten, en het scheen, alsof ik in de wereld stond zonder een enkelen vriend, die mij had kunnen bijstaan. Hoe kon ik, in zulke omstandigheden, waarin niets verlokkends gelegen scheen voor de hebzucht of de ijdelheid van eenig menschelijk wezen, veronderstellen, toen zij zoo ernstig en hartelijk er op aandrong, mijn lot te deelen, hoe het ook mocht zijn, dat iets anders dan de meest onbaatzuchtige genegenheid haar daartoe noopte? En zelfs nu kan ik niet begrijpen, door welke beweegreden zij werd gedreven, of welk gewaand voordeel zij erin zag, gebonden te zijn aan een man, voor wien zij geen spoor van liefde gevoelde, en die slechts tweeduizend pond zijn eigendom kon noemen. Zij kon niet vooruit weten, dat Kolonel Brandon mij eene predikantsplaats zou bezorgen."

"Neen; maar zij geloofde allicht, dat er iets gebeuren kon in je voordeel; dat je eigen familie ten slotte zou toegeven. En in elk geval verloor zij er niets bij, als zij de verloving liet voortduren; want zij heeft bewezen, dat deze haar noch in hare neigingen, noch in hare daden belemmerde. De relatie was zeer zeker waardevol, en verschafte haar waarschijnlijk eenig aanzien onder hare vrienden, en als zich niets voordeeligers opdeed, was het beter voor haar, met jou te trouwen dan ongehuwd te blijven."

Het sprak van zelf, dat Edward aanstonds inzag, hoe niets natuurlijker kon zijn geweest dan Lucy's gedrag, en niets meer verklaarbaar, dan de beweegreden, die haar ertoe had gedreven.

Elinor berispte hem, streng, als dames steeds eene onvoorzichtigheid berispen, die voor haarzelve vleiend is, omdat hij zooveel tijd bij hen te Norland had doorgebracht, toen hij zich toch bewust moest zijn geweest van zijn eigen ontrouw.

"Je gedrag was werkelijk zeer verkeerd," zeide zij; "omdat, mijn eigen overtuiging nu nog daargelaten, onze verwanten er allen aanleiding in vonden, zich te verbeelden en te verwachten, wat in de omstandigheden, waarin je _toen_ verkeerde, nooit gebeuren kon."

Het eenige wat hij hiertegen kon inbrengen was, dat hij zijn eigen hart niet had gekend, en te veel gewicht had gehecht aan de bindende kracht van zijne verloving.