Chapter 30
"Ze geleken meer op elkaar dan ons gedrag. Mijn liefste Elinor, verdedig niet uit vriendelijkheid, wat ik weet dat je helder oordeel moet afkeuren. Mijn ziekte heeft mij aan het denken gebracht--heeft mij den tijd en de kalmte geschonken, die noodig zijn voor ernstigen inkeer tot zichzelf. Lang eer ik weer sterk genoeg was om te spreken, was ik tot nadenken uitmuntend in staat. Ik beschouwde het verleden; ik zag mijn eigen gedrag, sedert onze eerste kennismaking met hem in den vorigen herfst, als eene aaneenschakeling van handelingen, onvoorzichtig tegenover mijzelve, en jegens anderen liefdeloos. Ik zag, dat mijn eigen gevoelens mijn lijden hadden voorbereid, en dat mijn gebrek aan draagkracht mij bijna had ten grave gebracht. Ik wist zeer goed, dat ik mij mijne ziekte zelve had op den hals gehaald, door mijne gezondheid te verwaarloozen op een wijze, waarvan ik zelfs toen reeds het verkeerde inzag. Als ik gestorven was, zou het door zelfmoord zijn geweest. Van het gevaar was ik mij niet bewust, eer het reeds was geweken; maar ik verbaas mij over mijn herstel, met gevoelens, zooals deze overdenkingen in mij wekken;--ik verbaas mij, dat niet de vurigheid van mijn wensch om te blijven leven, tijd te hebben om berouw te toonen tegenover God, en u allen, mij heeft gedood. Was ik gestorven, hoe diep verslagen zou ik je dan hebben achtergelaten, mijn trouwe verpleegster, vriendin en zuster! die al de verdrietige zelfzuchtigheid van mijn laatste levensdagen hadt gekend, voor wie het verzet in mijn hart niet was verborgen gebleven!--Hoe zou ik geleefd hebben in je herinnering!--En moeder! Hoe hadt je haar kunnen troosten!--Ik kan niet uitdrukken, hoe ik mijzelf verfoeide. Wáárheen ik zag in het verleden, overal drong zich een verwaarloosde plicht aan mij op, of een onbestreden neiging. Ieder scheen door mij te kort gedaan. De onuitputtelijke goedheid van Mevrouw Jennings had ik vergolden met ondankbare minachting. Tegenover de Middletons, de Palmers, de Steeles, tegen al onze oppervlakkige bekenden zelfs, was ik lomp en onrechtvaardig geweest; ik had hun verdiensten niet willen inzien, en werd geprikkeld juist door hun voorkomendheid. Aan John, aan Fanny,--ja zelfs aan hen, al verdienen ze weinig,--had ik niet gegeven wat hun toekwam. Maar jou vooral, meer nog dan moeder, had ik onrecht aangedaan. Ik, en ik alleen, wist, wat omging in je hart en, hoe je hebt geleden;--en toch, waartoe bewoog dit mij?--tot geen medelijden, dat voor of mijzelve eenige waarde had. Je voorbeeld had ik voor oogen, doch waartoe was het mij nut? Schonk ik meer aandacht aan jou en 't geen je aangenaam kon zijn? Trachtte ik je verdraagzaamheid na te volgen, of je te ontheffen van zelfbedwang, door mijn aandeel te dragen in de verplichtingen, je opgelegd door algemeene welwillendheid of bijzondere reden tot dankbetoon, die je tot nog toe steeds alleen hadt moeten vervullen? Neen;--evengoed toen ik wist, dat je ongelukkig waart, als toen ik je nog tevreden waande, weigerde ik elke inspanning, die plicht of vriendschap van mij eischte; zag bijna niet in, dat er andere smart kòn bestaan dan de mijne; treurde enkel om dàt hart, dat mij verlaten en bitter gegriefd had, en liet toe, dat jij, voor wie ik onbegrensde genegenheid heette te koesteren, om mijnentwille ongelukkig waart."
Hier eindigde de heftige vloed van verwijten, tegen haarzelve gericht, en Elinor, innig verlangend haar gerust te stellen, ofschoon te eerlijk om haar te vleien, schonk haar gaarne den lof en de instemming, die haar openhartigheid en haar berouw ten volle verdienden. Marianne drukte haar hand en antwoordde:
"Je bent wel goed. De toekomst alleen kan bewijzen dat ik waarheid spreek. Mijn plan is gevormd; en als ik bij machte ben, mij daaraan te houden, dan zullen mijn gevoelens worden beheerscht en mijn grillig humeur verbeterd. Zij zullen niet langer anderen tot last zijn, en mijzelve tot een kwelling. Ik wil van nu af aan slechts leven voor mijn familiekring. Jij, moeder en Margaret moeten voortaan voor mij de geheele wereld zijn; al mijn liefde zal tusschen jelui worden verdeeld. Nooit zal ik weer de geringste neiging gevoelen om jelui en mijn eigen thuis te verlaten, en als ik mij in het gezelschap van anderen begeef, dan zal dat alleen zijn, om te toonen, dat mijn geest nederiger, mijn hart beter is geworden, en dat ik met zachtheid en geduld beleefdheidvormen kan in acht nemen en de kleinere plichten des levens vervullen. Wat Willoughby betreft, het zou vruchteloos zijn, te zeggen, dat ik hem spoedig, dat ik hem ooit zal vergeten. De herinnering aan hem kan door geen verandering van omstandigheden of van zienswijze worden uitgewischt. Doch zij zal worden geregeld, worden in toom gehouden, door godsdienst, door rede, door voortdurende bezigheid."
Zij zweeg een oogenblik, en voegde erbij, met zachtere stem: "Als ik slechts kon weten, wat in _zijn_ hart is omgegaan, dan zou alles gemakkelijk worden."
Elinor, die thans reeds eenigen tijd had overwogen, of het al dan niet geraden ware, spoedig te wagen aan haar verhaal te beginnen, zonder nader tot eenige beslissing te geraken, hoorde dit; en daar zij begreep, dat snel beraad alles moest doen, waar nadenken niet baatte, kwam zij al spoedig met de feiten voor den dag.
Zij deed haar verhaal, naar zij hoopte, met omzichtigheid, bereidde de gretige luisterende voorzichtig voor; vertelde eenvoudig en eerlijk de hoofdzaken, waarop Willoughby zijne verdediging had gegrond; liet zijn berouw recht weervaren, en verzachtte alleen de betuigingen zijner voortdurende genegenheid.
Marianne sprak geen woord; zij beefde; hare oogen bleven op den grond gevestigd, en uit hare lippen week het weinigje kleur, dat hare ziekte erin had overgelaten. Duizend vragen rezen op in haar binnenste, doch zij durfde geene enkele ervan uiten. Ademloos begeerig ving zij ieder woord op; zonder dat zij het wist, drukte hare hand vaster die harer zuster, en tranen stroomden over hare wangen.
Elinor, vreezend dat zij vermoeid was, liet haar terugkeeren, en tot zij de deur van hun huisje bereikten, sprak zij, wel begrijpend, hoe groot Marianne's nieuwsgierigheid moest zijn, ofschoon geen vraag deze onder woorden mocht brengen, van niets anders dan Willoughby en hun beider onderhoud, terwijl zij zorg droeg, de geringste bijzonderheden van woord en blik te vermelden, waar zij veilig in bijzonderheden treden kòn. Zoodra zij het huis waren binnengegaan, liet Marianne met een dankbaren kus, terwijl zij onder tranen slechts de woorden kon uitbrengen: "Zeg het aan mama," hare zuster alleen, en ging langzaam de trap op. Elinor wilde niet pogen, eene eenzaamheid te storen, zoo natuurlijk gewenscht als de thans gezochte afzondering, en terwijl zij in haar geest reeds angstig de mogelijke gevolgen overwoog, en besloot, het onderwerp te hervatten, indien Marianne in gebreke bleef dit te doen, trad zij de huiskamer binnen, om Marianne's daareven gegeven opdracht te vervullen.
HOOFDSTUK XLVII
Mevrouw Dashwood hoorde niet zonder ontroering de verdediging aan van haar voormaligen gunsteling. Het verheugde haar, hem gedeeltelijk van de hem ten laste gelegde schuld gezuiverd te zien, zij beklaagde hem, en wenschte, dat hij gelukkig mocht worden. Doch de gevoelens van voorheen konden niet worden teruggeroepen. Niets kon hem aan Marianne hergeven met onverbroken trouw,--met onbezoedeld karakter. Niets kon het besef vernietigen van 't geen de laatste had geleden door zijn toedoen; noch de schuld uitwisschen van zijn gedrag jegens Eliza. Niets kon hem dus haar vroegere achting doen herwinnen, noch afbreuk doen aan hare voorkeur voor Kolonel Brandon.--Had Mevrouw Dashwood, evenals hare dochter, Willoughby's verhaal van hemzelf gehoord, was zij getuige geweest van zijne droefheid, en had zij den invloed ondergaan van zijn gelaat en zijne wijze van zich te uiten, dan zou waarschijnlijk haar medelijden grooter zijn geweest. Doch Elinor vermocht, noch wenschte, door haar nauwkeurige uiteenzetting, in anderen die gevoelens te wekken, welke in den aanvang bij haarzelve waren wakker geroepen. Door nadenken was haar oordeel beradener geworden, haar eigen beschouwing van Willoughby's verdienste gematigder; zij wenschte dus enkel de eenvoudige waarheid te verklaren, en slechts die feiten te openbaren, welke in overeenstemming waren met zijn karakter, zonder eenige opsiering door teedere gevoelens, welke de verbeelding op een dwaalspoor brachten.
Toen zij des avonds bij elkaar zaten, begon Marianne uit eigen beweging weer over hem te spreken; doch dat dit niet zonder moeite geschiedde, bewees het rustelooze, weinig kalme van de houding, waarin zij eenigen tijd van te voren had zitten nadenken, zoowel als de blos, die hare wangen kleurde, toen zij begon te spreken, en de onvaste klank harer stem.
"Ik wilde u beiden gaarne verzekeren," zeide zij, "dat ik alles inzie,--zooals gij dat het liefst zoudt wenschen."
Mevrouw Dashwood had haar dadelijk met eenige teedere woorden willen geruststellen; doch Elinor, die werkelijk verlangde, haar zuster's onbevooroordeelde meening te vernemen, legde haar met een dringenden wenk het zwijgen op. Marianne ging langzaam voort:
"Het is mij een groote verlichting,--wat Elinor mij van morgen vertelde,--ik heb nu precies gehoord, wat ik wenschte te weten."
Een korte poos had zij hare stem niet in de macht; doch zich herstellend, voegde zij met meer kalmte erbij: "Ik ben nu geheel voldaan. Ik verlang geene verandering. Ik zou nooit gelukkig met hem hebben kunnen zijn, nadat ik dit alles had vernomen, zooals vroeger of later had moeten gebeuren. Ik zou geen vertrouwen, geen achting hebben kunnen gevoelen. Niets zou dit voor mijn gevoel hebben kunnen uitwisschen."
"Dat weet ik,--dat weet ik, riep hare moeder. "Gelukkig met een losbandigen man? Met iemand, die zóó zich had vergrepen jegens onzen liefsten vriend, die de beste van alle mannen is? Neen, het hart van mijne Marianne kon door zulk een man niet gelukkig gemaakt worden! Haar geweten, haar nauwgezet geweten zou alles hebben gevoeld, wat haar echtgenoot had behooren te voelen."--
Marianne zuchtte, en herhaalde: "Ik wensch geene verandering."
"Je beschouwt de zaak," zeide Elinor, "juist zooals een zuiver gemoed en een klaar begrip haar moeten beschouwen, en ik denk dat je, evenzeer als ik, niet slechts in deze, maar in menige andere omstandigheid, reden vindt tot de overtuiging, dat je huwelijk je veel onvermijdelijk verdriet en teleurstelling zou hebben berokkend; waarbij je slechts weinig steun zoudt hebben gevonden in eene genegenheid, die van zijne zijde veel minder betrouwbaar was. Als je getrouwd waart, zou je altijd arm zijn gebleven. Zijne neiging tot verkwisting heeft hij zelf toegegeven, en zijn geheele gedrag bewijst, hoe zelfverloochening een woord is, dat ternauwernood door hem wordt begrepen. Zijne eischen, gevoegd bij jouw onervarenheid, en dat met een klein, zeer klein inkomen, zouden oorzaak zijn geworden van een verdriet, dat niet minder kwellend zou zijn geweest, wijl je het van te voren hadt kunnen beseffen, noch voorzien. Je eigen eergevoel en eerlijkheid zouden je, dat weet ik, als de toestand je helder werd, gedreven hebben tot het betrachten van de grootst mogelijke zuinigheid, en misschien zou dat je vergund zijn geworden, zoolang je spaarzaamheid alleen je eigen genoegens besnoeide; maar verder... en hoe weinig hadt je met den besten wil alléén kunnen doen, om den ondergang te verhoeden, die reeds vóór je huwelijk was begonnen?... verder, zoo je hadt gepoogd, met hoeveel recht ook, paal en perk te stellen aan zijn uitspattingen, was het dan niet te vreezen, dat je, wel verre van de overhand te behouden op een inborst, zelfzuchtig genoeg om dien toestand te kunnen verdragen, je eigen invloed op zijn gemoed zoudt hebben verloren, en hem de verbintenis zoudt hebben doen betreuren, die hem in zulke moeilijkheden had gewikkeld?"
Marianne's lippen beefden, en zij herhaalde het woord "zelfzuchtig?", op een toon, alsof zij wilde zeggen: "Dus je denkt werkelijk, dat hij zelfzuchtig is?"
"Zijn geheele gedrag," antwoordde Elinor, "van 't begin tot het einde, is alleen op zelfzucht gegrond. Het was zelfzucht, die hem het eerst deed spelen met je gevoelens; die later, toen zijne eigene erbij waren betrokken, hem de bekentenis ervan deed verschuiven, en die hem ten slotte Barton verlaten deed. Zijn eigen genoegen en zijn eigen gemak bepaalden zijn gedragslijn bij iedere gelegenheid."
"Dat is wel waar. _Mijn_ geluk had hij nooit op het oog."
"En thans," ging Elinor voort, "betreurt hij, wat hij gedaan heeft. Waarom betreurt hij dat? Omdat hij bemerkt, dat zijne handelwijze niet aan haar doel heeft beantwoord. Zij heeft hem niet gelukkig gemaakt. Hij verkeert niet meer in geldelijke verlegenheid,--van die zijde kan hem nu geen kwaad meer deren, hij bedenkt nu alleen, dat hij eene vrouw heeft getrouwd, die minder aangenaam in den omgang is dan jij. Maar volgt daaruit nu, dat hij, als hij met jou gehuwd was, gelukkig zou zijn geweest? Er zouden andere bezwaren zijn gerezen. Dan zou hij hebben geleden onder het geldgebrek, dat hij, nu het geweken is, als niets beschouwt. Hij zou een vrouw hebben gehad, over wier geaardheid hij zich niet kon beklagen; maar hij zou altijd behoeftig zijn gebleven,--altijd arm; en hij zou waarschijnlijk spoedig hebben geleerd, de tallooze voorrechten, verbonden aan het bezit van een door geen schuld bezwaard goed en een ruim inkomen, van veel meer gewicht te achten, zelfs voor zijn huiselijk geluk, dan iets zoo onbeteekenends als de geaardheid zijner echtgenoote."
"Daaraan twijfel ik niet," zeide Marianne, "en ik heb niets te betreuren; niets dan mijn eigen dwaasheid."
"Zeg liever: "de onvoorzichtigheid van mijne moeder," mijn kind," zeide Mevrouw Dashwood; "op háár komt de schuld neer."
Marianne wilde haar niet laten voortgaan, en Elinor, tevreden, nu beiden hun eigen dwaling hadden ingezien, wilde liever eene beschouwing van het verleden vermijden, die hare zuster droefgeestig zou kunnen stemmen; zij ging dus dadelijk voort, zich bepalend tot het eerste onderwerp:
"Eene slotsom kan, dunkt mij, worden getrokken uit al het gebeurde,--dat al Willoughby's moeilijkheden hun oorsprong vonden in zijn eerste vergrijp jegens de deugd; in zijn gedrag tegenover Eliza Williams. Die misdaad is de oorzaak geweest van al wat volgde, en van zijne tegenwoordige onvoldaanheid."
Marianne beaamde die opmerking ten volle, en hare moeder knoopte er eene beschouwing aan vast, van het onrecht, Kolonel Brandon aangedaan, en diens verdiensten, voorgedragen met al de warmte, waartoe vriendschap en hare bijzondere bedoelingen haar slechts konden vervoeren. Haar dochter gaf echter niet den indruk, alsof zij er veel van had gehoord.
Elinor zag, zooals zij reeds verwacht had, dat Marianne in de eerstvolgende twee of drie dagen, niet als te voren in kracht bleef toenemen; doch daar haar besluit even vast stond, en zij haar best bleef doen, zich vroolijk en tevreden te toonen, mocht hare zuster gerust vertrouwen op de goede uitwerking van den tijd ter herstel van hare gezondheid.
Margaret kwam terug, en het gezin was nu weer vereend; opnieuw waren zij rustig samen in hun huisje, en indien al niet zoo druk bezig met hun gewone studies, als toen zij pas te Barton kwamen, althans voornemens, ze in het vervolg met ijver voort te zetten.
Elinor begon sterk te verlangen naar eenig bericht over Edward. Sedert haar vertrek uit Londen had zij niets van hem vernomen; niets nieuws omtrent zijne plannen, en zelfs omtrent zijne tegenwoordige verblijfplaats verkeerde zij in onzekerheid.
Ten gevolge van Marianne's ziekte waren tusschen haar en haar broeder eenige brieven gewisseld, en in John's eersten brief kwam deze zin voor: "Van onzen ongelukkigen Edward weten we niets, en we kunnen geen navraag doen naar zulk een verboden onderwerp; maar we vermoeden, dat hij nog te Oxford is,"--'t geen het eenige bericht omtrent Edward was, dat de briefwisseling haar verschafte; daar zijn naam in de volgende brieven zelfs niet werd genoemd. Lang echter zou zij niet veroordeeld blijven, in onwetendheid te verkeeren omtrent zijn doen en laten.
Hun huisknecht was op zekeren morgen naar Exeter geweest, en toen hij, bij het tafeldienen, de vragen van zijne meesteres omtrent den uitslag van zijne opdracht had beantwoord, voegde hij uit eigen beweging erbij:
"U weet zeker al, Mevrouw, dat Mijnheer Ferrars getrouwd is?"
Marianne schrikte hevig, zag Elinor verbleeken, viel zenuwachtig snikkend achterover in haar stoel. Mevrouw Dashwood, wier blik, terwijl zij de vraag van den knecht beantwoordde, instinctmatig dezelfde richting volgde, ontstelde, toen zij aan Elinor's gelaat zag, hoe diep deze was getroffen, en een oogenblik later wist zij, evenzeer verontrust door Marianne's toestand, waarlijk niet, wie van hare kinderen het meest hare hulp behoefde.
De knecht, die alleen zag, dat Juffrouw Marianne onwel werd, was zoo verstandig een van de dienstmeisjes te roepen, die haar, door Mevrouw Dashwood geholpen, naar de andere kamer bracht. Marianne herstelde zich reeds, en hare moeder kon haar overlaten aan de zorg van Margaret en de kamenier, om terug te keeren naar Elinor, die, hoewel nog zeer onder den indruk, in zooverre haar zenuwen en hare stem weer meester was, dat zij aan Thomas kon vragen, van wie hij die tijding had vernomen. Mevrouw Dashwood onthief haar dadelijk van die taak, en Elinor werd dus, zonder eenige inspanning van hare zijde, voldoende op de hoogte gebracht.
"Wie heeft je verteld, Thomas, dat Mijnheer Ferrars was getrouwd?"--
"Ik zag Mijnheer Ferrars zelf, Mevrouw, van morgen te Exeter, met zijn vrouw, juffrouw Steele, zooals ze dan vroeger heette. Ze zaten in een koets, die stil stond voor de New London Inn, toen ik daar een brief kwam bezorgen van Sally op het Park, Voor haar broer die er postillon is. Ik keek toevallig op, toen ik langs de koets kwam, en ik zag dadelijk, dat het de jongste juffrouw Steele was; dus nam ik mijn hoed af, en zij kende mij nog, en riep mij; en ze vroeg naar u, Mevrouw, en de jonge dames, vooral Juffrouw Marianne, en of ik de groeten wilde doen van haar en Mijnheer Ferrars; hun beider hartelijke groeten, en dat het hun zoo speet, dat ze geen tijd hadden, u te komen opzoeken, maar ze hadden zoo'n haast om verder te komen, want ze gingen nog verder op reis voor een tijdje,--maar in elk geval, als ze terugkwamen, dan zouden ze u stellig een bezoek brengen."
"En ze zei, dat ze getrouwd was, Thomas?"
"Ja, Mevrouw; ze lachte, en zei dat ze van naam was veranderd, sedert ze 't laatst hier in de buurt was. Ze was altoos heel aardig en spraakzaam, en had voor ieder een vriendelijk woord. Dus was ik maar zoo vrij, haar geluk te wenschen."
"Zat Mijnheer Ferrars met haar in het rijtuig?"
"Ja, Mevrouw. Ik kon hem nog juist zien, hij leunde achterover; maar hij keek niet op;--mijnheer was nooit iemand, die veel pleizier in praten had."
Elinor begreep maar al te goed, dat hij zich op den achtergrond had gehouden, en Mevrouw Dashwood nam vermoedelijk dezelfde verklaring aan voor zijne houding.
"Zat er anders niemand in het rijtuig?"
"Neen, Mevrouw, zij met hen beiden; anders niet."
"Weet je ook, waar ze vandaan kwamen?"
"Ze kwamen zóó uit Londen, zei Juffrouw Lucy,--Mevrouw Ferrars, bedoel ik."
"En gingen ze verder naar 't Westen?"
"Ja, Mevrouw; maar niet voor lang. Ze zouden gauw terugkomen, en dan kwamen ze u stellig opzoeken."
Mevrouw Dashwood zag hare dochter aan; maar Elinor begreep wel, dat ze hen niet behoefde te verwachten. Die boodschap was weer juist iets voor Lucy; zij wist wel zeker, dat Edward zich bij hen niet zou vertoonen. Zachtjes zei ze tegen hare moeder, dat ze waarschijnlijk naar den Heer Pratt gingen, in de buurt van Plymouth.
Thomas had blijkbaar niets meer te vertellen. Elinor keek, alsof ze nog meer wenschte te hooren.
"Zag je hen wegrijden, eer je heenging?"
"Neen, Mevrouw, de paarden werden juist buiten gebracht; maar ik kon niet langer wachten; ik was bang, dat het te laat werd."
"Zag Mevrouw Ferrars er goed uit?"
"Ja, Mevrouw; ze zei dat ze 't best maakte; ze was altoos een knappe jonge dame, vond ik;--en ze leek erg in haar schik."
Mevrouw Dashwood wist geen nieuwe vragen meer te bedenken, en Thomas kon spoedig heengaan, met het tafellaken, dat nu even overbodig was geworden als hijzelf. Marianne had reeds laten zeggen, dat zij niets meer wilde gebruiken; Mevrouw Dashwood en Elinor waren ook hun eetlust kwijt, en Margaret mocht nog van geluk spreken, dat zij, ondanks al de onrust, die hare zusters in den laatsten tijd hadden uitgestaan, ondanks zooveel reden tot nalatigheid op het punt van geregelde maaltijden, nog nooit te voren haar middagmaal had moeten missen.
Toen het dessert en de wijn waren binnengebracht en Mevrouw Dashwood en Elinor alleen waren, bleven zij langen tijd zwijgen, verzonken in gelijksoortige gepeinzen. Mevrouw Dashwood waagde geene opmerking, en beproefde evenmin troost te bieden. Zij begreep nu, dat zij zich had vergist, toen zij vertrouwde op de wijze waarop Elinor zich voordeed, en zag thans zeer goed in, dat alles in der tijd met opzet was verzacht, om hare droefheid niet te vermeerderen, terwijl zij reeds zooveel had te lijden om Marianne. Zij begreep, dat hare dochter, door zoo zorgvuldig haar gevoel te sparen, haar ertoe had gebracht, de genegenheid, die zij eens zoo wel had begrepen, van veel minder beteekenis te achten dan zij vroeger placht te gelooven, of dan deze thans bleek te zijn. Zij vreesde, dat zij, in dien waan verkeerend, onrechtvaardig, onachtzaam, ja bijna onvriendelijk was geweest jegens hare Elinor; dat Marianne's leed, omdat het meer openlijk werd erkend, zich meer onmiddellijk aan haar opdrong, te veel beslag had gelegd op hare teederheid, en haar ertoe had gebracht, te vergeten, hoe zij in Elinor eene dochter bezat, die misschien evenveel had te dragen, en dat wel met geringer besef van eigen schuld, en met meerder geestkracht.
HOOFDSTUK XLVIII
Elinor bespeurde thans hoe groot het verschil is tusschen het verwachten van eene onaangename gebeurtenis, hoe stellig wij ons ook van hare komst overtuigd weten te houden, en volkomen zekerheid. Zij bespeurde nu, dat zij, haars ondanks, altoos nog, zoolang Edward ongetrouwd bleef, eenige hoop had blijven koesteren, dat er iets mocht gebeuren, 't geen zijn huwelijk met Lucy verhinderen zou; dat òf een door hemzelf genomen besluit, òf de tusschenkomst van vrienden, òf eenige meer verkieselijke gelegenheid om de toekomst der jonge dame te verzekeren, had mogen bijdragen tot de bevordering van hun aller geluk. Maar nu was hij getrouwd, en zij laakte haar hart wegens die geheime vleitaal, welke de smart dezer tijding zoo zeer had verscherpt.
Dat hij zoo spoedig getrouwd was, eer hij, naar zij meende, de wijding had kunnen ontvangen, en bijgevolg eer hij beroepen had kunnen worden, verwonderde haar eerst een weinig. Maar zij zag weldra in, hoe waarschijnlijk het was, dat Lucy, in haar baatzuchtige bezorgdheid, in haar haast om hem te winnen, alles over het hoofd zou zien behalve het gevaar, verbonden aan uitstel. Zij waren getrouwd; in de stad getrouwd, en thans haastig op weg naar Lucy's oom. Wat zou Edward hebben gevoeld, toen hij nog geen vier mijlen van Barton was verwijderd; toen hij haar moeder's knecht zag; toen hij Lucy's boodschap aanhoorde!