Gevoel en verstand

Chapter 3

Chapter 33,872 wordsPublic domain

Zoodra haar antwoord was verzonden, gunde Mevrouw Dashwood zich het genoegen, haar stiefzoon en zijn vrouw mee te deelen, dat zij een huis had gevonden, en hen niet langer zou lastig vallen dan noodig was, totdat alles in gereedheid was gebracht om het te betrekken. Zij vernamen het bericht niet zonder verrassing. Mevrouw John Dashwood zei niets; doch haar echtgenoot gaf beleefd zijn hoop te kennen, dat zij niet ver van Norland wonen zou.

Het was haar een groote voldoening te kunnen antwoorden, dat zij naar Devonshire ging. Toen Edward dit hoorde, keerde hij zich haastig naar haar om, en herhaalde, op een toon van verwondering en spijt, die voor haar geen verklaring behoefde: "Naar Devonshire! Gaat u werkelijk dáárheen? Zoo ver van hier? En naar welk gedeelte dan?"

Zij beschreef de ligging van het nieuwe huis. Het was een kleine vier mijlen ten Noorden van Exeter.

"Het is maar een landhuisje," ging zij voort; "maar ik hoop er velen van mijn vrienden te zullen ontvangen. Er kunnen gemakkelijk een paar kamers worden aangebouwd; en als mijn kennissen er geen bezwaar in zien, zoo ver te reizen om mij op te zoeken, dan zal ik dat zeer zeker evenmin hebben om hen te herbergen."

Zij besloot met een zeer vriendelijke uitnoodiging aan den Heer en Mevrouw Dashwood om haar te Barton te bezoeken, en tot Edward richtte zij die met nog meer hartelijkheid. Hoewel het onlangs met haar schoondochter gevoerde gesprek haar had doen besluiten niet langer te Norland te blijven dan onvermijdelijk was, het had niet den minsten indruk op haar gemaakt in dàt opzicht, waarom het voornamelijk was begonnen. Het was thans zoomin als vroeger haar bedoeling, Edward en Elinor van elkaar te scheiden; en zij wenschte Mevrouw John Dashwood, door deze opzettelijk tot haar broeder gerichte uitnoodiging, duidelijk te toonen, hoe zij zich in 't minst niet bekommerde om het afkeurend oordeel der laatste over deze verbintenis.

De Heer John Dashwood verzekerde zijne moeder herhaalde malen, hoe bijzonder het hem speet, dat zij een huis had gekozen, zóó ver van Norland, dat hij haar met het vervoer van haar meubels niet van dienst kon zijn. Hij voelde bij deze gelegenheid werkelijk eenige gewetensknaging; want het eenig hulpbetoon, waartoe hij de vervulling van de belofte aan zijn vader had beperkt, werd door deze schikking feitelijk onuitvoerbaar. De verhuisboedel werd met de boot verzonden, en bestond hoofdzakelijk uit huishoudlinnen, zilver, porselein en boeken, benevens een mooie piano van Marianne. Mevrouw John Dashwood zag de kisten met een zucht verdwijnen; zij kon niet nalaten het bitter grievend te vinden, dat Mevrouw Dashwood, wier inkomen zoo gering was, vergeleken bij het hare, toch nog enkele mooie meubels bezat.

Mevrouw Dashwood huurde het huis voor een jaar; het was geheel gemeubileerd, en zij kon het dadelijk betrekken. Aan geen van beide zijden deed zich eenig bezwaar op bij de overeenkomst, en zij wachtte slechts tot haar goed te Norland was gepakt en zij haar toekomstig huishouden eenigszins geregeld had, eer zij naar het Westen vertrok. Daar zij bijzonder vlug was in 't uitvoeren van alles wat haar ter harte ging, nam dit niet veel tijd. De paarden, die haar man haar had nagelaten, waren kort na zijn dood verkocht, en daar zich thans een gelegenheid aanbood, haar rijtuig van de hand te doen, stemde zij, op het ernstig aandringen harer oudste dochter, erin toe, dit ook te verkoopen. Voor het gemak van haar kinderen zou zij het liever hebben gehouden, als zij met haar eigen wenschen te rade ging; maar Elinor's voorzichtigheid behield de overhand. Hare wijsheid was het ook, die het getal hunner dienstboden beperkte tot drie--twee meisjes en een knecht, die zij gemakkelijk konden vinden onder degenen, die vroeger tot hun dienstpersoneel te Norland hadden behoord.

De knecht en een van de dienstmeisjes werden dadelijk naar Devonshire gezonden om het huis in orde te brengen tegen de komst hunner meesteres; want daar Mevrouw Dashwood Lady Middleton in het geheel niet kende, wilde zij liever aanstonds naar haar huisje gaan, dan op Barton Park te logeeren, en zij vertrouwde zoo vast op Sir John's omschrijving van het huis, dat zij niet eens nieuwsgierig was, het zelf eens van nabij te zien, eer zij er haar intrek ging nemen. Haar verlangen om Norland te verlaten werd voor vermindering gevrijwaard door de blijkbare voldoening van hare schoondochter in 't vooruitzicht van haar vertrek; eene voldoening, die slechts flauw te verbergen werd gepoogd, door een koeltjes gedaan voorstel om dat vertrek nog een weinig uit te stellen. Thans was de tijd gekomen dat de belofte van haar stiefzoon, aan zijn vader gedaan, op het meest gepaste oogenblik had kunnen vervuld worden. Daar hij verzuimd had het te doen, toen hij het goed in bezit nam, kon hun vertrek uit zijn huis als het meest geschikte tijdstip voor die vervulling worden aangemerkt. Doch Mevrouw Dashwood begon in den laatsten tijd alle verwachtingen van dien aard te laten varen en de overtuiging te koesteren, die zij afleidde uit zijn algemeene opmerkingen in het gesprek, dat zijn hulp zich niet verder uitstrekte dan de zes maanden huisvesting, die hij hun had verleend te Norland. Hij praatte zooveel over de toenemende duurte van het huishouden, en de aanhoudende onvoorziene eischen aan zijn beurs, waaraan iemand van eenig aanzien in de wereld was blootgesteld, dat het haast scheen, alsof hij eerder zelf geld noodig had, dan dat hij eenig plan koesterde om het weg te schenken.

Reeds een paar weken na den dag, waarop Sir John Middleton's eerste brief te Norland werd ontvangen, was alles zoover gereed in hun toekomstig verblijf, dat Mevrouw Dashwood en hare dochters de reis erheen konden ondernemen.

Vele tranen werden door hen gestort bij hun laatst vaarwel aan de plek, die zij zoozeer hadden liefgehad. "Lief, lief Norland!" zei Marianne, toen zij alleen rondom het huis zwierf, den laatsten avond: "wanneer zal ik ophouden u te betreuren!--Wanneer zal ik geleerd hebben, mij ergens anders thuis te gevoelen? Ach, gelukkig huis! kondt ge maar weten hoe ik lijd, terwijl ik u aanschouw van deze plek, vanwaar ik u misschien nooit meer zien zal!--En gij, welbekende boomen!--maar gij zult hetzelfde blijven.--Geen blad zal verwelken omdat wij zijn heengegaan, geen twijgje zal ophouden zich te bewegen, ofschoon wij het niet meer kunnen aanzien! Neen; gij blijft dezelfde; onbewust van de blijdschap of de treurigheid die gij wekt, en ongevoelig voor eenige verandering in degenen, die wandelen onder uw schaduwrijk loover! Maar wie blijft hier over om van u te genieten?"--

HOOFDSTUK VI

Het eerste gedeelte van de reis werd afgelegd in een al te treurige stemming, om anders dan vervelend en onaangenaam te zijn. Doch toen zij het eind ervan naderden, won hun belangstelling in het voorkomen van de streek, waar zij thans zouden wonen, het van hunne neerslachtigheid, en het uitzicht op Barton Valley stemde hen bijna vroolijk. Het was een mooie, vruchtbare plek, met veel bosschen en weiland. Na den loop van het dal meer dan een mijl lang gevolgd te hebben, kwamen zij aan hun eigen huis. Een klein omheind grasveld was al wat er bij behoorde aan de voorzijde, en een eenvoudig hekje verleende hun toegang.

Als huis beschouwd, was Barton Cottage, hoewel klein, toch geriefelijk en beknopt; maar als landelijk buitenhuisje liet het te wenschen over; daar het regelmatig van bouw en met pannen gedekt was, terwijl noch de luiken groen waren geverfd, noch de muren begroeid met kamperfoelie. Een smalle gang leidde recht door het huis naar den daarachter gelegen tuin. Ter weerszijden van de voordeur was een zitkamer van ruim vijf meter in het vierkant; daarachter lagen de keuken met bijkeukens, en de trap. Verder waren er nog vier slaapvertrekken en twee zolderkamers. Het was nog niet zeer lang geleden gebouwd en goed onderhouden. Vergeleken bij Norland was het wel héél nederig en klein!--doch de tranen, door die herinnering te voorschijn geroepen bij hun binnentreden, waren spoedig gedroogd. De blijdschap van de dienstboden over hunne komst vroolijkte hen een weinig op, en ieder besloot terwille van de anderen zich verheugd te toonen. Het was in 't begin van September; de mooiste tijd van het jaar, en door de omgeving voor het eerst te zien bij goed weer, ontvingen zij een gunstigen indruk, die belangrijk medewerkte om hun blijvende goede meening er omtrent te bevestigen. Het huis was aangenaam gelegen. Vlak er achter, en op geringen afstand aan beide zijden, rezen hooge heuvels op; sommige vrij en open, met glooiende hellingen, andere bebouwd en bedekt met bosch. Het dorp Barton lag grootendeels op een dier heuvels, en leverde een aardig uitkijkje van uit de vensters van het huis. Aan de voorzijde was het uitzicht ruimer; men overzag van hier de geheele vallei, en zelfs een gedeelte van de streek die eraan grensde. De heuvels, die het huisje omringden, sloten het dal aan die zijde af; onder een anderen naam en in een andere richting vertakte het zich weer, waar twee der hoogste samenkwamen.

Over de grootte van het huis en over de meubileering was Mevrouw Dashwood over 't geheel wel voldaan; want ofschoon haar vorige levenswijze menige toevoeging aan het meubilair onontbeerlijk deed schijnen, juist in dat aanschaffen en verfraaien had zij veel plezier; en voor het oogenblik had zij genoeg gereed geld, om zich alles te kunnen veroorloven wat vereischt werd, om haar vertrekken smaakvol in te richten. "Wat het huis zelf betreft," zeide zij, "het is te klein voor ons gezin; maar we kunnen ons voorloopig er vrij goed in bewegen, en het is nu te laat in het jaar om verbeteringen aan te brengen. Misschien kunnen we in 't voorjaar, als ik ruim bij kas ben, zooals ik wel denk dat 't geval zal zijn, aan bouwen gaan denken. De voorkamers zijn beide te klein voor het aantal gasten, dat ik hier dikwijls hoop bijeen te zien, en ik denk erover om de gang met de eene kamer te laten samenvallen, en misschien ook nog een gedeelte van de andere, zoodat de overblijvende ruimte als vestibule kan dienen; als daar dan een nieuwe salon wordt aangebouwd, wat gemakkelijk kan, met nog een slaap- en zolderkamer erboven, dan wordt het werkelijk een gezellig huisje. Als de trap nu maar mooier was. Maar men kan niet alles verwachten; hoewel ik denk dat het niet moeilijk zou zijn die te verbreeden. Ik zal eens zien hoe florissant het er uitziet met mijn financiën in het voorjaar, en daarvan onze bouwplannen laten afhangen."

Intusschen waren zij, totdat al die veranderingen zouden worden bekostigd uit wat er gespaard kon worden op een inkomen van vijfhonderd pond, door iemand, die nooit in haar leven sparen geleerd had, wel zoo wijs om tevreden te zijn met het huis zooals het was, en ieder van haar was druk bezig haar eigen zaakjes in orde te brengen, en te pogen zich tusschen haar boeken en andere bezittingen een klein eigen thuis te vormen. Marianne's piano werd uitgepakt en op de geschiktste plaats gezet, en Elinor's teekeningen werden aan den wand gehangen van hun zitkamer.

In deze en dergelijke bezigheden werden zij den volgenden dag spoedig na het ontbijt reeds gestoord door de komst van den huiseigenaar, die hen kwam opzoeken om hen welkom te heeten te Baron en om hun alles aan te bieden, wat _zijn_ huis en tuin opleverden, en waaraan in de hunne voorloopig misschien gebrek was. Sir John Middleton was een knap man van omstreeks veertig jaar. Hij was vroeger wel eens te Stanhill gelogeerd geweest; maar dat was te lang geleden, dan dat zijne nichtjes zich hem nog konden herinneren. Hij had een vroolijk, vriendelijk gezicht, en zijn manieren waren even hartelijk als de toon van zijn brief. Hun komst scheen hem werkelijk veel plezier te doen en hun welzijn ging hem blijkbaar oprecht ter harte. Hij had het druk over zijn welgemeenden wensch naar een prettigen gezelligen omgang onder elkaar, en drong er zoo gul op aan, dat zij elken dag op Barton Park zouden komen dineeren tot hun huis beter op orde was, dat zij hem zijn dringend aanhouden niet kwalijk nemen konden, zelfs waar het de grenzen der beleefdheid bijna overschreed. Zijn vriendelijkheid bleef niet beperkt tot woorden; want nog geen uur nadat hij was heengegaan kwam er een groote mand vol groente en fruit van het Park; nog eer de dag voorbij was, gevolgd door een bezending gevogelte. Hij verkoos volstrekt al hun brieven voor hen af te halen en op de post te bezorgen, en wilde zich het genoegen niet laten ontzeggen, hun elken dag zijn courant te sturen.

Lady Middleton had door haar man een beleefde boodschap laten zenden, waarin zij haar voornemen te kennen gaf, Mevrouw Dashwood een bezoek te brengen, zoodra zij zeker was, dat dit haar geen last zou veroorzaken, en daar die boodschap met een even beleefde uitnoodiging werd beantwoord, werd de bewuste dame reeds den volgenden dag aan hen voorgesteld.

Zij waren natuurlijk zeer benieuwd iemand te leeren kennen, van wie veel van hun genoegen te Barton zou afhangen; en het bevredigde hun gespannen verwachtingen, te zien, dat zij er zeer elegant uitzag. Lady Middleton was niet ouder dan zes- of zeven en twintig; haar gezicht was knap; haar figuur imposant en forsch, en zij bewoog zich gemakkelijk. Haar manieren bezaten al de bevalligheid, die haar echtgenoot miste. Maar zij zouden toch hebben gewonnen door een weinigje van zijn rondborstigheid en warmte, en haar bezoek duurde lang genoeg om hun aanvankelijke bewondering eenigszins te doen verminderen, toen zij bespeurden dat zij, ofschoon zeer beschaafde vormen bezittend, teruggetrokken en koel was, en niets ten beste had te geven dan de meest banale vragen en opmerkingen.

Aan conversatie was overigens geen gebrek; want Sir John was uiterst spraakzaam; en Lady Middleton had de wijze voorzorg genomen, haar oudste kind mede te brengen, een mooi jongetje van omstreeks zes jaar; zoodat er altijd één onderwerp overbleef, waartoe de dames in geval van nood hare toevlucht konden nemen; want zij moesten natuurlijk informeeren naar zijn naam en leeftijd, zijn aardig gezichtje bewonderen, en hem vragen doen, die zijn moeder voor hem beantwoordde, terwijl hij zich aan haar vastklemde en zijn hoofdje liet hangen, tot groote verbazing van zijn mama, die niet kon begrijpen, waarom hij zoo verlegen was in gezelschap, daar hij leven genoeg kon maken tehuis. Bij elk officieel bezoek moest er eigenlijk een kind van de partij zijn, bij wijze van reserve-onderwerp van gesprek. In het onderhavige geval werden tien minuten besteed aan de vraag of de jongen het meest op zijn vader of op zijn moeder geleek, en wààrin de bijzondere gelijkenis op beiden bestond; want natuurlijk verschilden allen van meening, en ieder was over de zienswijze der anderen zeer verbaasd.

Weldra zouden de Dashwoods gelegenheid krijgen om ook over de andere kinderen van meening te wisselen; daar Sir John niet wilde heengaan, eer zij hem hadden beloofd den volgenden dag te komen eten op het Park.

HOOFDSTUK VII

Barton Park was ongeveer een halve mijl van hun huis gelegen. De dames waren er langs gekomen op hun weg door het dal; maar van uit Barton Cottage kon men het goed niet zien liggen, daar een vooruitstekende heuvel het vrije uitzicht erop belette. Het huis was groot en mooi; en de Middletons wisten in hun levenswijze gastvrijheid te paren aan weeldevertoon. De eerste schonk voldoening aan Sir John, het tweede aan zijne echtgenoote. Zij waren bijna nooit zonder logeergasten, en zij zagen meer menschen van allerlei slag, dan eenige andere familie in den omtrek. Voor beider geluk was dit noodzakelijk; want hoezeer zij ook verschilden in hun geaardheid en hun wijze van optreden, zij geleken sterk op elkander in dat volslagen gebrek aan talent en smaak, dat hunne bezigheden, buiten die, welke samenhingen met het gezelschapsleven, binnen een zeer engen kring beperkte. Sir John was liefhebber van sport, Lady Middleton was moeder. Hij jaagde en schoot; zij verwende haar kinderen; en op die genoegens waren zij, wat henzelf betrof, aangewezen. Lady Middleton had dit op haar man vóór, dat zij hare kinderen het geheele jaar door kon bederven, terwijl Sir John's zelfstandige bedrijvigheid slechts de helft van dien tijd in beslag nam. Een aanhoudend "bezet zijn," echter, in hun eigen huis en daarbuiten, vulde alle leemten aan van natuur en opvoeding; hield Sir John in een goed humeur, en schonk zijn vrouw gelegenheid uit te blinken door haar beschaafde omgangsvormen. Lady Middleton was zeer trotsch op de onberispelijkheid van haar diners, en op de geheele inrichting van haar huishouding, en uit die soort van ijdelheid sproot haar grootste genoegen voort in de partijen, die zij plachten te geven. Maar Sir John's behagen in gezelligen omgang was èchter; hij deed niets liever dan meer jongelui om zich heen verzamelen, dan zijn huis bergen kon, en hoe meer leven ze maakten, hoe beter het hem aanstond. Hij was een zegen voor de heele jeugd in den omtrek; want in den zomer beraamde hij altoos uitstapjes, waarbij in de open lucht veel koude kip en ham werd verorberd, en in den winter was het aantal danspartijen dat hij gaf, voldoende om elke jonge dame te bevredigen, die niet leed aan den onverzadelijken danshonger der vijftienjarigen.

De komst van een nieuwe familie in den omtrek was voor hem altijd een groot genoegen, en hij was in ieder opzicht verrukt van de bewoners, die hij voor zijn huisje te Barton gewonnen had. De meisjes Dashwood waren jong, mooi, en eenvoudig. Dat was genoeg om zijn goede meening te verwerven, want eenvoudigheid was al wat een mooi meisje behoefde, om haar geest even bekoorlijk te doen zijn als haar persoon. Zijn welwillende inborst deed hem een genoegen erin vinden juist hun van dienst te zijn, wier omstandigheden, vergeleken bij vroeger, als betrekkelijk minder gunstig mochten beschouwd worden. Hij smaakte dus, door zijnen nichten vriendelijkheid te bewijzen, de oprechte voldoening van een goed hart; en dat hij een gezin, uit enkel vrouwen bestaande, in zijn huisje had geïnstalleerd, bevredigde hem in zijn kwaliteit van jachtliefhebber; want een beoefenaar van die sport moge dan al enkel dien leden zijner eigen sekse achting toedragen, die eveneens jagers zijn, hij zal niet licht verlangen hen aan te moedigen in hun liefhebberij, door hun een vaste woonplaats te verschaffen op zijn eigen grondgebied.

Mevrouw Dashwood en hare dochters werden reeds aan de voordeur door Sir John begroet, die hen met ongekunstelde hartelijkheid welkom heette op Barton Park, en terwijl hij hen naar den salon geleidde, den jongen dames opnieuw zijn spijt betuigde, zooals hij den dag te voren ook reeds had gedaan, dat hij geen aardige jongelui had kunnen inviteeren, om kennis met hen te maken. Ze zouden, behalve hemzelf, hier maar één heer aantreffen; een goeden vriend van hem, die bij hen logeerde, maar die noch heel jong, noch heel vroolijk was. Hij hoopte dat zij het met hun klein kringetje zouden voor lief nemen, en kon hun verzekeren, dat het nooit weer zoo zou treffen. Hij had dien morgen verschillende families opgezocht, in de hoop om het aantal gasten met enkele te vermeerderen; maar het was lichte maan; en dan had iedereen invitaties te kust en te keur. Gelukkig was Lady Middleton's moeder voor een uurtje aangekomen, en daar zij een heel vroolijke en lieve vrouw was, hoopte hij, dat de jonge dames zich niet zoo erg zouden vervelen als zij nu wel moesten verwachten. De jonge dames, zoowel als hare moeder, waren volkomen tevreden met het vooruitzicht twee geheel onbekenden te zullen ontmoeten, en verlangden niet naar meer.

Mevrouw Jennings, Lady Middleton's moeder, was een guitige, vroolijke, dikke, bejaarde dame, die veel praatte, blijkbaar pleizier in haar leven had, en wier beschaving wel iets te wenschen overliet. Zij deed niets dan grappen maken en lachen, en had eer het diner was afgeloopen, al veel geestigheden ten beste gegeven over het onderwerp minnaars en echtgenooten; zij hoopte dat de meisjes haar harten niet in Sussex hadden achtergelaten, en beweerde dat ze hen zag blozen, of ze dat deden of niet. Marianne ergerde zich terwille van haar zuster, en keek naar Elinor, om te zien hoe zij zich hield onder die plagerij, met een bezorgdheid, die Elinor veel meer pijn deed, dan Mevrouw Jennings' banale aardigheden haar hadden kunnen veroorzaken.

Kolonel Brandon, de vriend van Sir John, scheen, naar zijn manier van doen te oordeelen, al even weinig geschikt om diens vriend te zijn, als Lady Middleton paste als zijn vrouw, of Mevrouw Jennings als Lady Middleton's moeder. Hij was ernstig en stil. Zijn uiterlijk was echter niet afstootend; hoewel hij in de oogen van Marianne en Margaret een echte oude vrijer was, die de vijf en dertig al achter den rug had; maar al was hij dan niet bepaald mooi, hij had een verstandig gezicht, en bijzonder aangename en beschaafde manieren.

Er was niemand onder het gezelschap, die de Dashwoods bijzonder aantrok; maar de koele onbeduidendheid van Lady Middleton was zoo buitengewoon afstootend, dat daarbij vergeleken de ernst van Kolonel Brandon en zelfs de luidruchtige vroolijkheid van Sir John en zijn schoonmoeder bijna boeiend mochten genoemd worden. Lady Middleton scheen eerst op dreef te komen, toen aan het dessert haar vier drukke kinderen binnenkwamen, die op haar hingen, haar kleeren bedierven en verder elk gesprek onmogelijk maakten, dat niet henzelf betrof. Toen het later in den avond bleek, dat Marianne aan muziek deed, werd haar verzocht om iets vóór te spelen. De piano werd opengesloten, ieder maakte zich gereed om verrukt te zijn, en Marianne, die heel goed zong, nam op hun verzoek de meeste liederen door, die Lady Middleton bij haar huwelijk in de familie had meegebracht, en die misschien al dien tijd onaangeroerd op de piano hadden gelegen; want de bewuste dame had ter eere van die heugelijke gebeurtenis de muziek laten varen, hoewel zij, naar haar moeder beweerde, prachtig te spelen placht, en er, volgens haar eigen verklaring veel van hield.

Marianne's voordrachten werden zeer toegejuicht. Sir John betuigde even luidruchtig zijn bewondering aan 't slot van elk lied, als hij gepraat had met de anderen, zoolang het duurde. Lady Middleton riep hem herhaaldelijk tot de orde; kon maar niet begrijpen, hoe iemands aandacht één oogenblik van muziek kon afdwalen, en vroeg Marianne een geliefdkoosd lied van haar te zingen, dat de laatste juist geëindigd had. Kolonel Brandon was de eenige van het gezelschap, die haar aanhoorde zonder nu juist zoo verrukt te schijnen. Het eenig compliment dat hij haar maakte was zijn aandachtig luisteren; en zij voelde bij die gelegenheid een eerbied voor hem, waarop de anderen waarlijk alle aanspraak hadden verloren, door dat zonder eenige schaamte aan den dag leggen van hun gebrek aan smaak. Zijn genoegen in muziek, hoewel niet in de verte gelijkend op de enthousiaste verrukking, die zij alleen als gelijkwaardig kon beschouwen aan haar eigen gevoel, viel te waardeeren, wanneer men het vergeleek bij de afgrijselijke ongevoeligheid van de anderen, en zij was redelijk genoeg, om toe te geven dat een man van vijf en dertig jaar allicht te oud was geworden om nog vatbaar te zijn voor intense gemoedsbeweging of een verfijnd vermogen tot genieten. Zij was volkomen bereid, den kolonel te beschouwen met al de toegevendheid voor zijn gevorderden leeftijd, die haar menschelijk rechtvaardigheidsgevoel van haar eischte.

HOOFDSTUK VIII