Chapter 29
Mevrouw Dashwood, wier angst, toen zij het huis naderden, haar bijna overtuigd deed zijn, dat Marianne niet meer in leven was, kon geen woord uitbrengen om naar haar te vragen; kon zelfs Elinor niet begroeten, die echter zonder te wachten op groet of vraag, haar onmiddellijk de zaligste verlichting schonk;--en haar moeder, die deze met de haar eigen geestdrift ontving, was in een oogwenk evenzeer overstelpt door haar vreugde, als zij het te voren was geweest door hare vrees. Zij werd, ondersteund door haar dochter en haren vriend, naar den salon gebracht, waar zij onder tranen van blijdschap, nog steeds niet bij machte te spreken, Elinor meermalen omhelsde, zich nu en dan van haar afwendend om Kolonel Brandon de hand te drukken, met een blik, die zoowel haar dank uitdrukte, als hare overtuiging, dat hij ten volle deelde in de blijdschap van het oogenblik. Dat deed hij, doch onder een stilzwijgen, nog dieper dan het hare.
Zoodra Mevrouw Dashwood zich hersteld had, was haar eerste verlangen, Marianne te zien; en enkele minuten later was zij bij haar geliefd kind, haar dierbaarder geworden dan ooit na lange scheiding, ongeluk en gevaar. Elinor's blijdschap bij het zien van wat beiden bij die ontmoeting gevoelden, werd alleen verminderd door de vrees, dat Marianne nu niet meer zou kunnen slapen; doch Mevrouw Dashwood kon kalm, kon zelfs voorzichtig zijn, waar het behoud van haar kind op het spel stond; en Marianne, tevreden in het besef van haar moeder's nabijheid, en wel wetende, dat zij te zwak was om te spreken, onderwierp zich gaarne aan den eisch van stilte en rust, waarop al hare verpleegsters aandrongen. Mevrouw Dashwood wilde volstrekt dien nacht bij haar blijven waken, en Elinor begaf zich, op haar moeder's dringenden wensch, ter rust. Maar die rust, welke één volkomen slapelooze nacht en vele uren van uitputtenden angst toch zoo noodig deden schijnen, bleef uit door den geprikkelden toestand harer zenuwen. Willoughby, "die arme Willoughby," zooals zij hem nu wel wilde noemen, was voortdurend in hare gedachten; voor niets ter wereld had zij zijn poging om zich te rechtvaardigen willen missen, en nu eens verweet zij zich, om zich daarna weer vrij te pleiten, dat zij hem te voren zoo hard had beoordeeld. Doch haar belofte om het aan hare zuster mede te deelen, bleef steeds pijnlijk. Zij zag er tegenop, die te vervullen; vreesde voor de uitwerking ervan op Marianne, twijfelde, of zij, na die verklaring, ooit met een ander gelukkig zou kunnen zijn; en wenschte een oogenblik, dat Willoughby weduwnaar mocht worden; toen zij echter weer aan Kolonel Brandon dacht, berispte zij zichzelve, gevoelde dat van _zijn_ lijden en _zijne_ trouw haar zuster de belooning moest zijn, veeleer dan voor die van zijn medeminnaar, en verlangde in het minst niet meer naar den dood van Mevrouw Willoughby.
De schrik over Kolonel Brandon's komst te Barton was voor Mevrouw Dashwood verzacht door haar eigen reeds lang gekoesterde bezorgdheid; want zij was zoo ongerust over Marianne, dat zij reeds besloten had, dien zelfden dag naar Cleveland te vertrekken, zonder nader bericht af te wachten; en zij had haar reis reeds zoover voorbereid, eer hij kwam, dat zij juist op dat oogenblik de Carey's verwachtte, die Margaret zouden komen afhalen, daar hare moeder haar niet aan eene mogelijke besmetting wilde blootstellen.
Marianne's beterschap nam met den dag toe, en Mevrouw Dashwood bewees door haar van blijdschap stralenden blik en haar onveranderlijke opgewektheid, dat zij zich, zooals zij herhaaldelijk verklaarde, de gelukkigste vrouw ter wereld achtte. Elinor kon die bewering niet aanhooren, noch de duidelijke bewijzen ervan aanschouwen, zonder zich nu en dan af te vragen, of haar moeder wel ooit aan Edward dacht. Maar Mevrouw Dashwood, vertrouwend op de kalme gematigdheid, waarmede Elinor had geschreven over haar eigen teleurstelling, kon in de overmaat harer vreugde slechts denken aan 't geen hare blijdschap verhoogen zou.
Marianne was haar teruggegeven, na een gevaar, waaraan, zooals zij thans begon in te zien, zij zelve had geholpen haar bloot te stellen, toen zij haar uit gebrek aan inzicht, aanmoedigde in haar noodlottige genegenheid voor Willoughby; en thans vond zij in haar herstel nog eene andere reden tot vreugde, waaraan Elinor niet had gedacht. Deze werd haar medegedeeld, zoodra zij gelegenheid vonden tot een vertrouwelijk onderhoud.
"Eindelijk zijn we dan alleen," zeide hare moeder. "Mijn lieve Elinor; je weet nog niet, hoe gelukkig ik ben. Kolonel Brandon heeft Marianne lief; hij heeft het mij zelf gezegd."
Haar dochter, die zich beurtelings blijde en bedroefd, verrast en niet verrast gevoelde, was een en al zwijgende aandacht.
"Als ik niet wist, Elinor, dat je altijd anders bent dan ik, dan zou ik mij verbazen over je kalmte bij dit bericht. Als ik mijn gezin een groot geluk had mogen toewenschen, dan zou ik het allerliefst hebben gezien, dat Kolonel Brandon met een van jelui tweeën trouwde. En ik geloof dat Marianne nog het gelukkigst met hem zal zijn."
Elinor had wel lust te vragen waarom; daar zij begreep dat de reden niet gegrond kon zijn op eenige onpartijdige beschouwing van hun leeftijd, karakter, of gevoelens;--doch haar moeder liet zich bij al wat haar ter harte ging, door haar verbeelding meesleepen, en dus glimlachte zij slechts, en liet de vraag achterwege.
"Gisteren onder de reis heeft hij zijn geheele hart voor mij uitgestort. Het kwam onverwacht, geheel zonder opzet. Ik kon, zooals je wel kunt nagaan, over niets spreken dan mijn kind;--hij kon zijn smart niet verbergen; ik zag dat die de mijne evenaarde, en hij, mogelijk denkend, dat louter vriendschap, in onzen nuchteren tijd, die innige sympathie niet kon rechtvaardigen,--of liever in het geheel niet denkend misschien,--toegevend aan den onweerstaanbaren drang van zijn gevoel, openbaarde mij zijne ernstige, teedere, trouwe genegenheid voor Marianne. Hij heeft haar liefgehad, Elinor, van het eerste oogenblik, dat hij haar zag."
Elinor begreep wel, dat zij noch Kolonel Brandon's woorden, noch zijne ware uitingen te hooren kreeg, doch de natuurlijke verfraaiing ervan door haar moeder's levendige verbeelding, die alles naar believen inrichtte zooals dat haarzelve het aangenaamst was.
"Zijn liefde voor haar, zoo oneindig hooger staande dan iets, dat Willoughby ooit gevoelde, of veinsde te gevoelen, daar zij veel inniger was, veel oprechter, of standvastiger--hoe zullen wij het noemen?--bleef onveranderd, terwijl hij wist van de ongelukkige genegenheid onzer lieve Marianne voor dien slechten man, en geheel onzelfzuchtig, zonder de minste hoop te koesteren, had hij haar met een ander gelukkig kunnen zien! Zulk een edel karakter! Zoo openhartig; zoo oprecht!--in hèm kan men zich niet vergissen."
"Dat Kolonel Brandon een buitengewoon goed mensch is," zei Elinor, "wordt door ieder erkend."
"Dat weet ik," gaf haar moeder ernstig ten antwoord, "anders zou _ik_ de laatste zijn, om na zulk een waarschuwing, een dergelijke genegenheid aan te moedigen, of mij daarover te verheugen. Maar dat hij mij kwam afhalen, zooals hij deed, met die gereede, bereidwillige vriendschap, bewijst al genoeg, dat hij een van de beste menschen ter wereld is."
"De roep, die uitgaat van zijn goedheid," antwoordde Elinor, "berust niet op ééne enkele vriendelijke daad, waartoe, ook zonder eenige algemeen menschelijke beweegreden, zijn liefde voor Marianne hem zou hebben aangedreven. Mevrouw Jennings en de Middletons hebben hem lang en van nabij gekend; zij dragen hem liefde zoowel als achting toe; ook ik, hoewel ik hem eerst voor kort leerde kennen, weet veel van wat hem aangaat; en _ik_ waardeer en acht hem zóó hoog, dat ik, wanneer Marianne met hem gelukkig kan zijn, even geneigd ben als u, deze verbintenis te beschouwen als het grootste geluk, dat ons kon ten deel vallen. Welk antwoord hebt u hem gegeven? Zeide u hem, dat hij hoop mocht koesteren?"
"Och, mijn kind, ik kon toen noch hem, noch mijzelve vleien met hoop. Marianne kon op dat oogenblik wel stervende zijn. Maar hij vroeg ook niet om hoop of bemoediging. Het was eene onwillekeurige uiting van vertrouwen, een niet te weerhouden zielsuitstorting tegenover eene vriendin, wier bijzijn hem rust schonk,--geen vraag, gericht tot eene moeder. Toch zei ik wèl na eenigen tijd, want eerst was ik te zeer overweldigd door mijn aandoening, dat wanneer zij, zooals ik hoopte en vertrouwde, in leven bleef, het mijn grootste geluk zou zijn, hen gehuwd te zien, en sedert onze komst hier, sedert onze gelukkige zekerheid, heb ik hem dit nogmaals uitdrukkelijk herhaald, en hem naar mijn beste vermogen moed ingesproken. De tijd, een weinig tijds zelfs, zei ik hem, zal alles bewerken;--Marianne's hart kan niet voor altoos en te vergeefs geschonken zijn aan een man als Willoughby. Zijn eigen verdienste zal het hem spoedig doen winnen."
"Te oordeelen naar de stemming van den Kolonel, bent u er niet in geslaagd, hem even hoopvolle verwachtingen te doen koesteren."
"Neen. Hij houdt Marianne's genegenheid voor zoo diepgeworteld, dat zij eerst na zéér langen tijd zal kunnen veranderen, en zelfs al was haar hart volkomen vrij, dan is hij nog te bescheiden, om te gelooven, dat hij, bij zulk een verschil in leeftijd en geaardheid, ooit haar liefde zou kunnen winnen. Maar dáárin vergist hij zich. Dat verschil in leeftijd is juist groot genoeg, om in zijn voordeel te zijn; om zijn karakter en beginselen vastheid te hebben geschonken, en wat zijn geaardheid betreft, hij is juist de soort van man om je zuster gelukkig te maken; daar ben ik zeker van. Zijn voorkomen, zijn manieren, alles heeft hij vóór. Ik ben niet verblind door partijdigheid; zoo knap als Willoughby is hij niet; dat is waar; maar daarentegen heeft hij iets veel aantrekkelijkers. Er was altijd iets in Willoughby's oogen nu en dan, dat mij niet aanstond; dat herinner je je wel."
Elinor herinnerde zich dat _niet_; maar haar moeder ging voort, zonder haar antwoord af te wachten: "En zijn manieren, het geheele optreden van den Kolonel, vind ik niet alleen aangenamer dan dat van Willoughby; maar ik weet stellig, dat ook Marianne zich op den duur er meer toe aangetrokken zal gevoelen. Zijn zachtaardigheid, zijn echte beminnelijkheid jegens anderen, en zijn mannelijke, natuurlijke eenvoudigheid zijn veel meer in overeenstemming met haar waren aard, dan de dikwijls gekunstelde levendigheid van Willoughby, die ook wel eens te onpas kwam. Ik voor mij geloof stellig al was Willoughby werkelijk zoo beminnelijk gebleken, als hij getoond heeft het tegendeel te zijn, dan zou Marianne nòg met _hem_ niet zoo gelukkig zijn geworden, als ze zijn zal met Kolonel Brandon."
Zij zweeg. Haar dochter was het niet geheel met haar eens; doch dat meeningsverschil werd niet geuit en kon dus geen aanstoot geven.
"Te Delaford zal ik haar gemakkelijk kunnen bereiken", voegde Mevrouw Dashwood erbij, "zelfs als ik te Barton blijf; en heel waarschijnlijk, (want ik hoor dat het een groot dorp is)--ja, natuurlijk, _stellig_ is er wel een of ander klein huisje of landhuisje in de buurt, dat even geschikt voor ons zou zijn als Barton Cottage."
Arme Elinor! alweer een nieuw plan om haar naar Delaford te doen verhuizen! maar zij hield zich goed.
"En dan zijn fortuin! op mijn leeftijd denkt iedereen dááraan toch ook, niet waar? en hoewel ik niet weet, en ook niet wensch te weten, hoeveel hij bezit, ik denk toch wel dat het aanzienlijk mag genoemd worden."
Hier werden zij gestoord door de komst van een derde, en Elinor ging heen, om alles in eenzaamheid te overdenken, haar vriend het beste te wenschen, en toch tegelijkertijd eene opwelling van medelijden te gevoelen met Willoughby.
HOOFDSTUK XLVI
Marianne's ziekte had haar natuurlijk sterk aangegrepen, doch niet lang genoeg geduurd om haar herstel te vertragen, en met medewerking van haar jeugd, haar van nature sterk gestel en haar moeder's bijzijn, was zij weldra zoo veel beter, dat zij vier dagen na haar moeder's aankomst, kon worden overgebracht naar Mevrouw Palmer's kleedkamer. Hier verzocht zij uit eigen beweging, dat Kolonel Brandon haar zou komen bezoeken, daar zij ongeduldig verlangde, hem te danken, omdat hij hare moeder had gehaald.
Zijne ontroering, toen hij de kamer binnentrad, haar zoo veranderd zag, en de vermagerde hand drukte, die zij hem dadelijk toestak, deed Elinor vermoeden, dat die aandoening haar oorsprong vond in méér dan zijne liefde voor Marianne, of het besef, dat anderen hiervan wisten, en spoedig bespeurde zij in zijn droefgeestigen blik en wisselende gelaatskleur, terwijl hij hare zuster aanzag, dat waarschijnlijk de levendige herinnering aan vele treurige tooneelen uit het verleden bij hem was wakker geroepen, door die gelijkenis tusschen Marianne en Eliza, waarvan hij reeds melding had gemaakt, en die thans nog werd verhoogd door de bleeke tint, de ingezonken oogen, de liggende houding der nog zwakke herstellende, zoowel als haar innige erkentelijkheid voor haar in 't bijzonder bewezen goedheid.
Mevrouw Dashwood, niet minder oplettend dan hare dochter waarnemend hetgeen hier voorviel, doch onder den invloed van geheel andere gedachten, en zich dus ook een geheel ander beeld vormend uit die waarneming, zag niets in des Kolonels houding, dan 't geen zij het gevolg achtte van zeer eenvoudige en vanzelfsprekende gewaarwordingen, terwijl zij zich verbeeldde, te bespeuren dat in Marianne's handelingen en woorden reeds iets meer doorschemerde dan dankbaarheid.
Toen nog een paar dagen waren verstreken, en Marianne met iederen dag zichtbaar sterker werd, begon Mevrouw Dashwood, zoowel op aandringen harer dochters, als gedreven door haar eigen wensch, ervan te spreken, naar Barton terug te keeren. Van _hare_ maatregelen hingen die harer beide vrienden af; Mevrouw Jennings kon Cleveland niet verlaten, zoolang de Dashwoods er logeerden, en op aller verlangen werd Kolonel Brandon spoedig overgehaald, zijn verblijf aldaar als even vast, zooal niet als even onmisbaar te beschouwen. Geholpen door Mevrouw Jennings, wist hij Mevrouw Dashwood te bewegen, gebruik te maken van het aanbod van zijn rijtuig op de terugreis, dat haar zieke dochter meer gemak zou kunnen bieden, en daarvoor beloofde hij, toegevend aan het eenparig verzoek van Mevrouw Dashwood en Mevrouw Jennings, wier bereidwillige goedhartigheid haar noopte, hartelijk en gastvrij te zijn voor anderen zoowel als voor zichzelve, dat hij met genoegen haar over een paar weken te Barton Cottage zou komen opzoeken.
De dag van hun afscheid en vertrek brak aan; en na een lang en hartelijk vaarwel aan Mevrouw Jennings, waarin zij uiting gaf aan al de innige dankbaarheid, den eerbied en de vriendschappelijke gevoelens, die zij te meer zich bewust was verschuldigd te zijn, door het stille besef van vroegere tekortkoming,--terwijl zij Kolonel Brandon goeden dag zeide als een vertrouwden vriend,--werd Marianne door hem zorgvuldig in het rijtuig geholpen, waarin hij volstrekt wilde, dat zij minstens de helft der ruimte in beslag nam. Daarna volgden Mevrouw Dashwood en Elinor, en de anderen bleven achter, om te spreken over de reizigers, en zich mistroostig te voelen in hun verlatenheid; totdat Mevrouw Jennings geroepen werd voor een ritje, waarbij zij zich met het gepraat van haar kamenier kon troosten over 't verlies harer jonge vriendinnen; terwijl Kolonel Brandon dadelijk daarna in eenzaamheid zijns weegs ging naar Delaford. De Dashwoods bleven twee dagen onderweg, en Marianne verdroeg de reis zonder al te groote vermoeienis. Al wat de meest dienstvaardige genegenheid, de ijverigste zorg konden doen om haar gemak te verschaffen, was de taak van haar beide oplettende gezellinnen, en beiden zagen zich beloond door haar lichamelijk welbevinden en de kalmte van haar geest. Voor Elinor was het vooral bevredigend, die laatste bijzonderheid op te merken. Zij, die haar weken achtereen aanhoudend had zien lijden, gepijnigd door een zielsverdriet, dat zij den moed niet had te openbaren, noch de kracht om te verbergen, zag thans, met een blijdschap, die geen ander in zoo hooge mate kon gevoelen, een blijkbare gemoedsrust, die, daar zij de uitkomst was, naar zij geloofde, van ernstig nadenken, haar zuster ten slotte tot tevredenheid en ware vroolijkheid zou leiden.
Wel werd Marianne, toen zij Barton naderden, en het landschap terugzagen, waarin aan elk veld, aan iederen boom eenige bijzondere en pijnlijke herinnering verbonden was, stil en nadenkend; zij wendde haar gelaat af en zat ernstig uit het venster te staren. Hier echter vond Elinor reden tot verwondering, noch afkeuring, en toen zij, Marianne uit het rijtuig helpend, zag, dat deze geschreid had, zag zij slechts eene ontroering, te natuurlijk, om iets minder teeders dan medelijden te wekken, en welke eer lof verdiende, wijl zij zich zoo onopvallend vermocht te uiten. In haar geheele verdere houding bespeurde zij de richting van een geest, die gewekt is tot redelijke inspanning; want zoodra zij de huiskamer binnentraden, zag Marianne om zich heen, met een vastberaden blik, alsof zij besloten had, zich dadelijk te gewennen aan het gezicht van ieder voorwerp, waarmede de herinnering aan Willoughby was verbonden. Zij sprak weinig; maar al wat zij zeide, had de bedoeling, vroolijk te zijn; en hoewel haar somtijds een zucht ontsnapte, gleed deze niet over haar lippen, zonder dat zij dien door een glimlach had vergoed. Na den eten wilde zij haar piano eens probeeren. Zij ging erheen: doch de muziek, waarop het eerst haar oog viel, was eene opera, die Willoughby haar had gezonden, en die enkele hunner geliefkoosde duetten bevatte; terwijl op het schutblad haar naam door zijne hand geschreven stond. Dat ging niet.--Zij schudde haar hoofd, legde de muziek terzijde, liet even de vingers over de toetsen glijden, zeide, dat haar vingers te zwak geworden waren, en sloot het instrument; terwijl zij echter haar stellig voornemen te kennen gaf, in 't vervolg hard te zullen studeeren.
Den volgenden morgen was nog geen vermindering te bespeuren van al deze gunstige verschijnselen. Integendeel, naar lichaam en geest verkwikt door de rust, verried zij in blik en stem meer echte opgewektheid, zag met blijdschap Margaret's terugkomst tegemoet, en sprak van hun genoeglijk kringetje dat dan weer als van ouds samen zou zijn, van hun verschillende bezigheden en hun vroolijk gezelschap, als het eenig geluk, dat wenschenswaard mocht genoemd worden,
"Als het weer gestadig wordt, en ik weer even sterk ben als vroeger," zei ze, "dan gaan we samen elken dag lange wandelingen doen. We zullen naar de boerderij gaan aan den rand van de heide, en zien hoe de kinderen het maken; we zullen een wandeling doen naar Sir John's nieuwe aanplantingen te Barton Cross en Abbeyland; en dikwijls zullen we een tochtje doen naar de bouwvallen van de abdij, en trachten de grondvesten na te speuren, zoover als men zegt, dat ze eenmaal zich uitstrekten. Ik denk dat we 't heerlijk zullen hebben. Ik weet, dat de zomer genoeglijk zal voorbijgaan. Ik wil nooit later dan om zes uur opstaan, en tusschen 't ontbijt en het eten zal ik elk oogenblik besteden aan muziek en lectuur. Ik heb mijn plannen al gemaakt, en ben vast voornemens nu eens ernstig aan de studie te gaan. Onze eigen bibliotheek ken ik te goed om er anders dan voor louter genoegen gebruik van te maken. Maar op het Park zijn veel boeken, die de moeite wel waard zijn, en andere, nieuwere werken weet ik, die ik van Kolonel Brandon kan leenen. Als ik maar zes uur per dag aan lezen besteed, dan kan ik in een jaar veel leeren, waarvan de kennis mij nu nog ontbreekt."
Elinor had eerbied voor een voornemen, dat uit zulke edele bedoelingen voortsproot; hoewel zij glimlachte, nu zij dezelfde vurige verbeelding, die haar vervoerd had tot het uiterste in haar matte traagheid en zelfzuchtig beklag, thans aan het werk zag bij het overdrijven van een plan, dat toch verstandige bezigheid en deugdzame zelfbeheersching beoogde. Haar glimlach maakte echter plaats voor een zucht, toen zij zich herinnerde, dat hare belofte aan Willoughby nog niet was vervuld; en zij vreesde, dat hare mededeeling Marianne weer met onrust zou vervullen, en althans voorloopig dit goede vooruitzicht van bedrijvige kalmte zou bederven. Daar zij dus geneigd was tot het verschuiven van dat ongewenschte oogenblik, besloot zij, te wachten tot haar zuster's gezondheid zich volkomen zou hebben hersteld, eer zij het deed aanbreken. Doch dit besluit werd slechts genomen, om te worden verijdeld.
Marianne was reeds twee of drie dagen thuis geweest eer het weer mooi genoeg was, om toe te laten, dat eene herstellende zieke als zij zich buiten waagde. Eindelijk echter kwam een zachte, uitlokkende morgen; uitlokkend genoeg, om den wensch der dochter, zoowel als het vertrouwen der moeder te rechtvaardigen, en Marianne, steunend op Elinor's arm, kreeg vergunning te wandelen zoolang zij zich niet vermoeid gevoelde, in de laan voor hun huis.
De zusters begaven zich op weg, zoo langzaam als Marianne's zwakte, sedert haar ziekte nog niet op deze wijze op de proef gesteld, vereischte,--en zij waren slechts zoover voorbij het huis gekomen dat zij het volle gezicht konden hebben op den heuvel, den gewichtigen heuvel, achter hun huisje gelegen, toen Marianne, die stilstond om in die richting te zien, bedaard zeide:
"Dáár,--kijk, dáár op die plek,"--(zij wees ernaar met haar vinger,) "was het, dat ik viel; en daar heb ik voor 't eerst Willoughby gezien."
Hare stem werd zachter bij het noemen van dien naam; doch iets levendiger voegde zij erbij:
"Ik ben blijde, nu ik bemerk, dat ik de plek met zoo weinig hartzeer kan terugzien!--Zullen wij ooit over dat onderwerp spreken, Elinor?" liet zij er aarzelend op volgen. "Of zou het verkeerd zijn? Ik _kan_ er nu over spreken, hoop ik, zooals ik behoor te doen."
Elinor moedigde haar vol teederheid aan, zich uit te spreken.
"Betreuren," zei Marianne, "neen, wat hèm betreft, doe ik dat niet. Ik wil nu niet spreken van wat ik vroeger voor hem placht te gevoelen, maar van wat ik thans voel. Zooals het nu is--als ik maar één ding zeker wist--als ik mocht denken, dat hij niet _altoos_ een rol speelde, mij niet _altoos_ bedroog;--en vooral, als ik de zekerheid had, dat hij nooit zóó verdorven was geweest, als ik mij soms heb voorgesteld, sedert ik wist van dat arme meisje..."
Zij zweeg. Elinor ving met blijdschap haar woorden op, en bewaarde ze in haar hart, terwijl zij antwoordde:
"Als je dat zeker wist, dan zou je dat rust geven, geloof je."
"Ja. Mijn gemoedsvrede is er in dubbelen zin bij betrokken;--want het is niet alleen afschuwelijk, iemand, die voor ons geweest is wat _hij_ was voor _mij_, te verdenken van zulke plannen; maar wat moet ik mijzelve wel toeschijnen? Wàt anders, in mijn omstandigheden, dan een onvoorzichtigheid, waarover ik mij diep heb te schamen, kon mij blootstellen aan..."
"Hoe zou jij zijn gedrag wel verklaren?" vroeg haar zuster.
"Ik zou hem beschouwen als... o, hoe gaarne zou ik dat doen... alleen lichtzinnig,--heel, heel erg lichtzinnig."
Elinor zweeg. Inwendig overlegde zij, wat het beste zou zijn; nu aanstonds met haar verhaal te beginnen, of het uit te stellen, tot Marianne sterker was;--en een paar minuten wandelden zij zwijgend verder.
"Ik wensch hem niet te veel goeds," zei Marianne eindelijk met een zucht, "als ik hem toewensch, dat zijn stille overdenkingen niet droeviger mogen zijn dan de mijne. Hij zal er genoeg verdriet door hebben."
"Vergelijk je je eigen gedrag met het zijne?"
"Neen. Ik vergelijk het, met 't geen het had behooren te zijn; ik vergelijk het met dat van jou."
"Onze omstandigheden geleken niet veel op elkaar."