Chapter 27
Marianne's gedachten dwaalden nog steeds, bij tusschenpoozen en onsamenhangend, naar hare moeder; en telkens als zij haar naam noemde, kromp het hart van de arme Elinor ineen, die, zichzelve verwijtend, dat zij zoovele dagen van ziekte zoo licht had geteld, en snakkend naar eenige onmiddellijke verlichting, zich verbeeldde, dat alle hulp wel spoedig te vergeefsch zou zijn; dat alles te lang was uitgesteld, en zich haar bedroefde moeder voorstelde, telaat komend om haar geliefd kind nog in leven, of nog bij haar bewustzijn te vinden.
Zij was op het punt, nogmaals om den Heer Harris te zenden, of als _hij_ niet kon komen, anderen raad in te winnen, toen hij eindelijk,--het was reeds over vijf geworden,--verscheen. Zijn oordeel maakte gelukkig zijn late komst eenigszins goed; want hoewel hij erkende, dat er een zeer onverwachte en ongunstige verandering in den toestand der zieke was ingetreden, hij zag nog geen werkelijk gevaar, en sprak over de goede verwachting, die hij had van eene nieuwe behandelingswijze, met zooveel vertrouwen, dat Elinor zich eenigermate gerustgesteld gevoelde. Hij beloofde over een uur of vier te zullen terugkomen en verliet zoowel de zieke als haar bezorgde verpleegster kalmer dan hij beiden had aangetroffen.
Met oprechte meewarigheid, en vele verwijten, omdat hare hulp niet was ingeroepen, vernam Mevrouw Jennings des morgens, wat er gebeurd was. Haar vroegere vrees, thans en met meer reden, opnieuw gewekt, deed haar omtrent den afloop geen twijfel koesteren, en hoewel zij poogde, Elinor woorden van troost toe te spreken, haar stellige overtuiging omtrent het gevaar, waarin Marianne verkeerde, liet haar niet toe, den troost der hoop te verleenen. Het deed haar innig verdriet. Het snelle verval, de vroege dood van een zoo jong en schoon meisje als Marianne zouden het medelijden hebben gewekt zelfs van wie haar minder na stond. Doch er was meer, dat haar recht gaf op Mevrouw Jennings' meegevoel. Drie maanden was zij dagelijks met haar in aanraking geweest, ook thans nog bleef zij aan hare zorg toevertrouwd; zij wist dat Marianne groot onrecht was geschied; dat zij lang en veel had geleden. Het verdriet harer zuster, van wie zij bijzonder veel hield, moest zij ook aanzien; en wat hunne moeder betrof, als mevrouw Jennings bedacht, dat Marianne waarschijnlijk voor haar was, wat Charlotte was voor haarzelve, dan leed zij in waarheid de smart dier andere moeder mede.
De Heer Harris bracht zijn tweede bezoek precies op tijd; doch zag zijn hoop op een goeden uitslag teleurgesteld. Zijne medicijnen hadden niet geholpen;--de koorts nam nog niet af, en Marianne bleef,--rustiger, doch niet bij kennis,--in een toestand van doffe bewusteloosheid. Elinor, onmiddellijk onder den indruk van zijn vrees, en erger nog, stelde voor, andere hulp in te roepen. Doch hij achtte dit niet noodig; hij wilde nog een nieuwe behandeling beproeven, op welke uitwerking hij bijna evenveel vertrouwen had als op de vorige, en hij nam afscheid met bemoedigende verzekeringen, die Elinor aanhoorde, zonder dat zij doordrongen tot haar hart. Zij was kalm; behalve wanneer zij aan hare moeder dacht; doch zij had bijna geen hoop meer; en zoo bleef zij tot twaalf uur bij haar zuster's bed zitten, terwijl haar gedachten van de eene treurige voorstelling, van den eenen lijdenden vriend naar den anderen zwierven, en zij bijna tot wanhoop werd gedreven door het gepraat van Mevrouw Jennings, die onomwonden uitsprak, dat zij de hevigheid en gevaarlijkheid van dezen ziekte-aanval toeschreef aan de vele voorafgegane weken van ongesteldheid, veroorzaakt door Marianne's teleurstelling. Elinor gevoelde maar al te zeer, hoe gegrond deze veronderstelling was, en dit stemde haar des te droeviger.
Omstreeks twaalf uur echter begon zij,--maar met een schroomvalligheid, eene vrees voor teleurstelling, die haar eenigen tijd deden zwijgen, zelfs tegenover haar vriendin,--zich te verbeelden, te hopen, dat zij een geringe verbetering bespeurde in haar zuster's polsslag;--zij wachtte, zag toe, voelde nogmaals en nogmaals, en eindelijk waagde zij, met een ontroering, moeilijker te verbergen achter uitwendige kalmte dan al het voorgaand verdriet, hare hoop uit te spreken. Hoewel Mevrouw Jennings eveneens moest erkennen, dat er een tijdelijke verbetering te bespeuren viel, trachtte zij haar vriendin te ontraden, die verbetering als blijvend te beschouwen; en Elinor, langdurig verwijlend bij elke ingeving van wantrouwen, hield zich zelve voor, dat zij niet mòcht hopen. Doch het was te laat. De hoop had zich reeds toegang gebaand, en deelend in al haar angstige bewogenheid, boog Elinor zich over haar zuster, om te wachten op... zij wist zelve bijna niet wàt. Een half uur verstreek, en nog mocht zij zich verblijden over het gunstig teeken. Andere voegden zich daarbij, om het te bevestigen. Haar ademhaling, haar huid, haar lippen, in alles zag Elinor sporen van beterschap, en Marianne zag haar aan met een rustigen, schoon matten blik. Tusschen hoop en vrees, die zich gelijkelijk van haar meester maakten, had zij geen oogenblik rust, tot om vier uur de Heer Harris kwam, die haar door zijn stellige verzekering, en door zijn gelukwensch met een beterschap, welke zijn verwachting overtrof, zoowel vertrouwen als kalmte schonk en bewoog tot tranen van vreugde.
Marianne was in elk opzicht oneindig beter, en hij verklaarde haar thans geheel buiten gevaar. Mevrouw Jennings, misschien voldaan, nu haar sombere voorgevoelens althans gedeeltelijk waren bewaarheid door den pas uitgestanen angst, begon te denken, dat hij wel gelijk zou hebben, en gaf met ongeveinsde blijdschap, en al spoedig met onmiskenbare vroolijkheid, te kennen dat ook zij geloofde in een volkomen herstel.
Vroolijkheid kon Elinor niet aan den dag leggen. Haar vreugde was van anderen aard en leidde het allerminst tot blijdschaps-uiting. Marianne te zien teruggegeven aan het leven, gezondheid, haar vrienden en hare liefhebbende moeder, was een denkbeeld, dat haar hart vervulde met een gewaarwording van innige bevrediging; dat het deed zwellen van vurige dankbaarheid;--doch dat gevoel vertolkte zich door geen uiterlijk vreugdebetoon, geen woorden, geen glimlach. In Elinor's binnenste was slechts plaats voor stille, sterke voldoening.
Zij bleef dien namiddag bijna voortdurend aan haar zuster's zijde, elke vrees bedarend, elke vraag van haar verzwakten geest beantwoordend, tot alle hulp bereid, en lettend op elken blik, op iedere ademhaling. De mogelijkheid van instorting kwam haar natuurlijk nu en dan herinneren aan 't geen het zeggen wilde, angst te gevoelen;--maar toen zij bij herhaald, nauwkeurig onderzoek, bespeurde dat alle teekenen van beterschap aanhielden, toen zij Marianne om zes uur in een rustigen, vasten en oogenschijnlijk verkwikkenden slaap zag vallen, legde zij elken twijfel het zwijgen op. De tijd naderde thans, dat Kolonel Brandon kon worden terugverwacht. Om tien uur, dacht zij, of althans niet veel later, zou voor haar moeder een einde komen aan de vreeselijke onzekerheid, waarin zij thans naar hen op weg was. En de Kolonel ook!--misschien weinig minder te beklagen dan zij!--O, hoe langzaam verstreek de tijd, die hen nog in onwetendheid bleef houden!
Om zeven uur ging zij, toen Marianne nog steeds rustig doorsliep, naar den salon, om met Mevrouw Jennings thee te drinken. Aan het ontbijt had zij door haar angst, en aan het diner door de plotselinge bevrijding ervan, niet veel gegeten,--en dus was haar deze maaltijd, waaraan zij met zulk een tevreden gevoel deelnam, bijzonder welkom. Mevrouw Jennings wilde haar na de thee overhalen om nog wat te rusten eer haar moeder kwam, _zij_ zou dan hare plaats bij Marianne innemen; maar Elinor voelde op dat oogenblik noch vermoeienis, noch behoefte aan slaap, en zij wilde volstrekt niet langer dan noodig was, van haar zuster wegblijven. Nadat Mevrouw Jennings dus met haar was meegegaan naar de ziekenkamer, om zelf te zien, dat alles goed bleef gaan, liet zij haar daar alleen met hare taak en hare gedachten, en ging naar haar eigen kamer, om brieven te schrijven, eer zij zich ter rust begaf.
De avond was koud en stormachtig. De wind joeg in vlagen rondom het huis en de regen sloeg tegen de vensters; maar Elinor in wier binnenste alles blijdschap was, deerde het niet. Marianne sliep door elke stormvlaag heen,--en de reizigers--hun wachtte de rijkste belooning voor alle tegenwoordig ongerief.
De klok sloeg acht uur. Had het tien geslagen, dan zou Elinor stellig gemeend hebben, dat zij op dat oogenblik een rijtuig hoorde naderkomen, en zo zeker geloofde zij het werkelijk gehoord te hebben, dat zij, al scheen het _bijna_ onmogelijk, hun komst nu reeds te verwachten, naar de aangrenzende kleedkamer ging, en een der luiken opende, om zich van de waarheid te vergewissen. Zij zag dadelijk, dat haar ooren haar niet hadden bedrogen, toen zij het licht van twee rijtuiglantaarns bespeurde. Bij hun onzeker schijnsel meende zij te zien, dat het voertuig met vier paarden was bespannen; waaruit zij niet slechts afleidde, in hoe groote ongerustheid haar arme moeder moest hebben verkeerd; doch 't geen tevens de onverwachte snelheid verklaarde, waarmede de reis volbracht was. Nog nooit in haar leven had Elinor het zoo moeilijk bevonden, kalm te zijn, als op dat oogenblik. Het besef van wat haar moeder moest gevoelen, terwijl het rijtuig voor de deur stilhield,--van haar twijfel--haar vrees--haar wanhoop misschien!--en wat _zij_ daarop te zeggen had!--met dàt besef was het onmogelijk, kalm te zijn. Het eenige wat haar te doen stond, was haast te maken; en zoodra zij Mevrouw Jennings' kamenier bij haar zuster had geroepen, snelde zij de trap af.
Toen zij een afgesloten gang doorliep, hoorde zij aan de voetstappen in de vestibule, dat zij het huis reeds waren binnengegaan. Haastig liep zij naar den salon,--trad binnen,--en stond tegenover Willoughby.
HOOFDSTUK XLIV
Elinor, die met een blik vol ontzetting terugdeinsde toen zij hem zag, gaf gehoor aan eene natuurlijke opwelling, toen zij zich omkeerde, om de kamer te verlaten, en zij legde de hand reeds op den deurknop, toen zij werd teruggehouden, doordat hij haastig nadertrad, en op eer bevelenden dan verzoekenden toon zeide:
"Juffrouw Dashwood, blijf!--een half uur,--tien minuten, ik smeek u er om."
"Neen mijnheer," zeide zij vastberaden; "ik blijf hier niet. U kunt om _mij_ niet gekomen zijn. De bedienden hebben zeker vergeten u te zeggen, dat de Heer Palmer niet thuis is."
"Al hadden ze mij verteld," riep hij heftig, "dat de Heer Palmer en zijn geheele familie naar den duivel waren, dan zou mij dat niet hebben bewogen, heen te gaan! Ik kom hier om u te spreken, u alleen."
"Mij!"--riep zij, ten hoogste verbaasd,--"welnu, zeg het dan vlug,--en als u kunt, met minder heftigheid."
"Gaat u zitten; dan zal ik aan beide voorwaarden voldoen."
Zij aarzelde; zij wist niet, hoe te handelen. Het ging haar door het hoofd, dat Kolonel Brandon hem hier bij zijn aankomst zou kunnen vinden. Maar zij had beloofd, hem aan te hooren, en zoowel nieuwsgierigheid als die verplichting drongen haar te blijven. Na een oogenblik nadenken echter kwam zij tot het besluit, dat voorzichtigheid haast gebood, die door haar bereidwilligheid het beste werd bevorderd. Zij ging dus zwijgend naar de tafel en nam plaats. Hij ging op den stoel tegenover haar zitten, en een halve minuut bleven beiden zwijgen.
"Wees zoo goed te zeggen, wat u te zeggen hebt, mijnheer," zeide Elinor ongeduldig,--"ik heb geen tijd te verliezen."
Hij zat in diepe gedachten verzonken, en scheen haar niet te hooren.
"Uwe zuster," zei hij een oogenblik later,--"is buiten gevaar. Ik hoorde het van den knecht.--Goddank!--Maar is het waar?--is het werkelijk waar?"--
Elinor wilde niet antwoorden. Hij herhaalde de vraag met nog meer aandrang.
"Om Godswil, zeg het mij, is het gevaar geweken, of niet?"
"Wij hopen het."
Hij stond op, en liep door de kamer.
"Had ik dit een half uur geleden geweten... Maar nu ik eenmaal hier bèn," ging hij met gedwongen levendigheid voort, terwijl hij weer ging zitten, "wat komt het er nu op aan?--Laat ons nog eenmaal,--misschien voor de laatste maal, Juffrouw Dashwood,--samen vroolijk zijn. Zeg mij eens eerlijk,"--een donkerder tint kleurde zijn wangen, "waarvoor houdt u mij, voor een schurk, of voor een gek?"
Elinor zag hem met steeds meer verbazing aan. Zij begon te denken, dat hij beschonken moest zijn; zij kon het vreemde bezoek en zijn zonderlinge houding op geen andere wijze verklaren; en onder dien indruk stond zij onmiddellijk op, met de woorden:
"Mijnheer Willoughby, ik raad u aan, nu naar Combe terug te keeren. Ik heb geen tijd, om langer te blijven. Wàt u mij ook hebt te zeggen, morgen zult u het u beter herinneren, en het beter kunnen verklaren."
"Ik begrijp u," antwoordde hij met een veelbeteekenenden glimlach, op volkomen kalmen toon. "O ja, ik ben dronken. Dat glas bier bij mijn koud vleesch in Marlborough was voldoende om mij van de wijs te brengen."
"In Marlborough?" riep Elinor, die steeds minder begreep wat hij toch wilde.
"Ja, ik ben van morgen om acht uur uit Londen vertrokken, en in de eenige tien minuten, die ik sinds dat vertrek buiten mijn rijtuig doorbracht, heb ik iets gebruikt te Marlborough."
Zijn bedaarde wijze van spreken en de vastheid van zijn blik overtuigden Elinor, dat het geen dronkenschap was, die hem hier bracht, welke onvergefelijke dwaasheid hem dan ook naar Cleveland mocht hebben gedreven. Na een oogenblik nadenken zeide zij: "Mijnheer Willoughby, u behoordet te begrijpen, wat _ik_ zeer stellig gevoel, dat, na 't geen er gebeurd is, uwe komst hier op deze wijze, en dit met geweld u aan mij opdringen, wel zéér noodig verontschuldiging eischen. Wat is uwe bedoeling?"
"Mijn bedoeling is," zeide hij met ernstigen nadruk, "als ik kàn, te bewerken, dat u mij _iets_ minder zult verafschuwen dan u thans doet. Mijn bedoeling is, althans eenige verschooning, eenige verklaring aan te bieden van het verleden,--mijn geheele hart voor u open te leggen, en u te overtuigen dat ik, hoewel altoos kortzichtig, niet altoos slecht ben geweest,--om althans iets als vergiffenis te verkrijgen van Ma..., van uwe zuster."
"Is dat de werkelijke reden van uw komst?"
"Dat zweer ik u,"--antwoordde hij, met een warmte, die haar aan den Willoughby van vroeger levendig herinnerde, en haar noopte, haars ondanks te gelooven aan zijn oprechtheid.
"Wanneer dat alles is, dan kunt u reeds voldaan zijn; want Marianne vergeeft u--hééft u reeds lang vergeven."
"Is dat waar?"--riep hij, met die zelfde ontroering in zijn stem.--"Dan heeft zij mij vergeven, eer het daartoe de tijd was. Maar zij zal mij nogmaals vergeven, en met grondiger reden daartoe. Wilt u mij _nu_ aanhooren?"
Elinor boog toestemmend het hoofd.
"Ik weet niet," zeide hij, na een poos van stilte, afwachtend van háár kant, nadenkend van den zijnen--"hoe _u_ mijn gedrag tegenover uwe zuster hebt verklaard, of welke duivelsche beweegreden u mij moogt hebben toegeschreven. Misschien zult u hierna niet eens veel beter over mij denken; maar het is de moeite waard, het te beproeven, en u zult alles vernemen. Toen ik voor het eerst uw familie van nabij leerde kennen, had ik geen ander plan, geene andere bedoeling met dien omgang, dan mijn tijd aangenaam door te brengen, zoolang ik in Devonshire moest blijven; aangenamer dan ik ooit te voren had gedaan. Uw zuster's bekoorlijkheid en haar ongewone gaven moesten mij wel aantrekken, en haar houding jegens mij, bijna van den beginne, was zóó... Verwonderlijk, wanneer ik bedenk, wat die was, en hoe _zij_ was, dat mijn hart zoo gevoelloos heeft kunnen zijn!--Doch ik moet bekennen, in het begin werd alleen mijn ijdelheid erdoor gevleid. Onverschillig voor haar geluk, alleen denkend aan mijn eigen genoegen, geheel onder den invloed van gevoelens, waardoor ik te zeer gewend was mij te laten beheerschen, trachtte ik, door elk middel dat mij ten dienste stond, beminnelijk te schijnen in haar oogen, zonder het minste voornemen, haar genegenheid te beantwoorden."
Hier wierp Elinor hem een blik toe vol verontwaardigde minachting, en viel hem in de rede door te zeggen:
"Het is werkelijk niet de moeite waard, mijnheer Willoughby, dat u nog langer blijft vertellen, of ik naar u luisteren. Wat zou er kunnen volgen, na zulk een begin? Laat mij niet méér hooren over dit pijnlijke onderwerp."
"Ik wil, dat u alles zult aanhooren," was zijn antwoord. "Mijn fortuin was nooit aanzienlijk, en ik was altoos verkwistend geweest, altoos gewend om te gaan met lieden, die meer inkomen hadden dan ikzelf. Met ieder jaar, sedert ik meerderjarig was geworden, en reeds eerder, geloof ik, waren mijn schulden toegenomen, en hoewel de dood van mijn oude nicht, Mevrouw Smith, mij daarvan zou bevrijden, had ik, daar op die gebeurtenis niet viel te rekenen, en zij nog lang leven kon, reeds eenigen tijd het voornemen opgevat, weer in beteren doen te geraken door een rijke vrouw te trouwen. Aan eene verloving met uwe zuster viel dus niet te denken; en met een lage, zelfzuchtige wreedheid, die geen verontwaardigde, minachtende blik, zelfs van u, juffrouw Dashwood, genoeg kan afkeuren,--ging ik voort, zooals ik was begonnen, pogend haar genegenheid te winnen, zonder eenig voornemen, die te beantwoorden. Een ding echter mag te mijnen gunste worden aangevoerd, zelfs in dien verfoeilijken toestand van zelfzuchtige ijdelheid besefte ik niet den omvang van het misdrijf dat ik wilde begaan, omdat ik _toen_ niet wist wat het zeggen wil, lief te hebben. Heb ik dat ooit geweten?--Wel mag dat worden betwijfeld; want zou ik, zoo ik waarlijk bemind had, mijn gevoel hebben opgeofferd aan ijdelheid, aan hebzucht--of wat erger was, het hare hebben prijsgegeven?--Toch heb ik dat gedaan. Om eene betrekkelijke armoede te vermijden, die haar liefde en haar bijzijn van alle bitterheid zouden hebben ontdaan, heb ik, door mij rijkdom te verwerven, alles verloren, wat dien rijkdom tot een zegen zou kunnen doen zijn."
"U hebt dus," zeide Elinor, ietwat verzacht, "een tijdlang geloofd, dat u waarlijk genegenheid voor haar gevoelde."
"Zooveel beminnelijkheid te weerstaan, gevoelloos te blijven voor zooveel teederheid!--is er wel een man ter wereld, die daartoe in staat zou zijn geweest?--Ja, van lieverlede, onmerkbaar bijna, maar zeker, nam mijn gehechtheid aan haar toe, en de gelukkigste uren van mijn leven waren die, welke ik sleet in haar bijzijn, als ik gevoelde, dat mijn bedoelingen eerlijk waren, en mijn genegenheid zuiver. En toch, zelfs _toen_, terwijl ik stellig voornemens was, haar ten huwelijk te vragen, stelde ik op onvergefelijke wijze van dag tot dag uit, gevolg te geven aan dit plan uit schroom, een verloving aan te gaan in mijne benarde omstandigheden. Ik wil hier niet wijzen op--noch aan u overlaten dat voor _mij_ te doen,--de dwaasheid, en erger dan dwaasheid, terug te schrikken voor het verpanden van mijn trouw, waar mijn eer mij reeds had gebonden. De uitkomst heeft bewezen, dat ik een listige gek ben geweest, die met groote omzichtigheid zich de mogelijkheid wilde voorbehouden, voor altijd verachtelijk en ongelukkig te worden. Ten laatste echter stond mijn besluit vast, en ik had mij voorgenomen, zoodra ik haar alleen kon spreken, de oprechtheid te bewijzen der hulde, die ik haar voortdurend had toegebracht, en haar openlijk de liefde te verklaren, die ik zoo duidelijk en opzettelijk reeds had aan den dag gelegd. Doch in het tijdsverloop van enkele uren, die nog moesten verstrijken, eer ik gelegenheid kon vinden haar onder vier oogen te spreken,--gebeurde iets... iets ongelukkigs, dat mijn plannen verijdelde, en mij tevens alle rust ontnam. Er werd iets ontdekt..." (hier aarzelde hij, en sloeg de oogen neer). "Mevrouw Smith had op de eene of andere wijze vernomen, ik denk door een verren bloedverwant, wiens belang medebracht, mij van haar gunst te berooven, van eene zaak, eene verbintenis... doch ik behoef mij niet nader te verklaren," voegde hij erbij, met verhoogde kleur en haar aanziende met een vragenden blik, "uwe bijzondere vertrouwelijkheid met... u zult waarschijnlijk de geheele geschiedenis reeds hebben vernomen."
"Dat heb ik," antwoordde Elinor, eveneens blozend, en opnieuw haar hart verhardend tegen eenige opwelling van medelijden met hem. "Ik weet dat alles. En hoe u ook maar een zweem van uw schuld in die treurige zaak zult kunnen wegredeneeren, gaat mijn bevatting te boven."
"Bedenk," riep Willoughby, "van wien u het verhaal hebt gehoord. Kon het onpartijdig zijn? Ik erken, dat ik haar omstandigheden en haar jeugd had moeten ontzien. Ik wil mij niet van schuld vrijpleiten, doch evenmin kan ik u in de meening laten verkeeren, dat ik niets te mijner verdediging heb aan te voeren; dat zij onberispelijk was, omdat haar onrecht werd aangedaan, of dat, wijl ik losbandig was, zij een heilige moest zijn. Als de onstuimigheid van haar hartstocht, de zwakheid van haar geestvermogens... maar verdedigen wil ik mij niet. Haar liefde voor mij had beter verdiend, en dikwijls herinner ik mij, met diep zelfverwijt, de teederheid, die voor zeer korten tijd vermocht een dergelijk gevoel in mij te wekken. Ik wenschte van ganscher harte dat dit nooit was geschied. Maar ik heb anderen dan haar kwaad gedaan; en ééne heb ik kwaad gedaan, wier liefde voor mij (mag ik het zeggen?) niet minder innig was dan de hare, en die naar den geest... o, hoe oneindig veel hooger stond dan zij!"
"Maar uwe onverschilligheid voor dat ongelukkige meisje,--ik moet het zeggen, hoezeer mij het bespreken van zulk een onderwerp ook tegen de borst stuit--uwe onverschilligheid maakt uwe hartelooze veronachtzaming niet goed. U moogt niet denken, dat eenige zwakheid, eenig natuurlijk gebrek aan begrip van haar kant eene verontschuldiging zou kunnen zijn voor de lichtzinnige wreedheid, door u zoo duidelijk aan den dag gelegd. U moet hebben geweten, dat zij, terwijl u in Devonshire reeds weer nieuwe genoegens vondt, nieuwe plannen maaktet, altoos vroolijk, altoos welgemoed, intusschen bitter gebrek leed."
"Ik verzeker u, ik wist dat _niet_," antwoordde hij met nadruk; "ik herinnerde mij niet, dat ik verzuimd had, haar mijn adres op te geven; en als zij haar verstand gebruikt had, zou ze 't licht hebben kunnen uitvinden."
"Maar gaat u voort: wat zeide dan nu Mevrouw Smith?"