Chapter 26
Nog één kort bezoek in Harley Street, waarbij Elinor haar broeder's gelukwenschen ontving, omdat zij op deze wijze zonder onkosten een gedeelte van de reis naar Barton konden afleggen, en omdat Kolonel Brandon hen over eenige dagen naar Cleveland zou volgen, besloot den omgang van broeder en zusters in de stad; en een vluchtige uitnoodiging van Fanny om te Norland te komen, als zij ooit eens in de buurt waren, wel de minst waarschijnlijke gebeurtenis, die zich denken liet, benevens een iets hartelijker, doch in stilte geuite verzekering van John aan Elinor, dat hij niet in gebreke zou blijven haar te Delaford te bezoeken, was alles wat een toekomstige ontmoeting buiten Londen mocht doen verwachten.
Zij vond iets grappigs in de opmerking, dat al haar vrienden haar volstrekt naar Delaford wilden zenden, een plaats waar zij nu wel het allerminst zou wenschen te wonen, of zelfs een bezoek te brengen; want niet alleen werd het door haar broeder en Mevrouw Jennings als haar toekomstig tehuis beschouwd; maar zelfs Lucy drong er bij het afscheid op aan, dat zij haar daar toch eens moest opzoeken.
Op een der eerste dagen van April, en tamelijk vroeg op den dag, begaven zich de twee families, uit Hanover Square en uit Berkeley Street, elk afzonderlijk op weg, om elkaar op een afgesproken plaats te ontmoeten. Voor 't gemak van Charlotte met haar kind zouden zij meer dan twee dagen onderweg blijven, en de Heer Palmer, die met Kolonel Brandon iets vlugger reisde, zou zich spoedig na hun aankomst te Cleveland bij hen voegen.
Hoe weinig gelukkige uren Marianne ook in Londen had doorgebracht, en hoezeer zij ook reeds geruimen tijd verlangde de stad te verlaten, zij kon, nu het zoover was, het huis niet vaarwelzeggen, waarin zij voor het laatst zich had gevleid met de hoop en het vertrouwen op Willoughby, die thans voor altijd waren vervlogen, zonder diepe smart te gevoelen. En evenmin kon zij heengaan van de plek, waar Willoughby thans achterbleef, vervuld van nieuwe plannen en nieuwe verplichtingen, waarin _zij_ niet mocht deelen, zonder vele tranen te storten.
Elinor's voldoening, nu het oogenblik van vertrekken aanbrak, was minder twijfelachtig. Voor haar was er geen voorwerp, waarbij haar gedachten konden verwijlen in droeve mijmerij; geen sterveling liet zij achter van wien ze 't een oogenblik zou betreuren, als zij hem nooit weer ontmoette; ze was blijde, eindelijk verlost te worden van Lucy's drukkende vriendschap; dankbaar, haar zuster te kunnen meenemen, zonder dat deze Willoughby sedert zijn huwelijk had ontmoet; en zij zag met hoopvolle verwachting uit naar 't geen een paar maanden van kalmte te Barton zouden bewerken, ter verbetering van Marianne's gemoedsrust en ter bevestiging van de hare. De reis liep zonder ongevallen af. De tweede dag bracht hen in het dierbare, of verboden land, zooals Marianne beurtelings in haar verbeelding het graafschap Somerset placht te noemen; en vóór de derde morgen was verstreken, hadden zij Cleveland bereikt.
Cleveland was een groot huis, in modernen stijl gebouwd, en op een hellend grasveld gelegen. Een park bezat het niet; maar de tuinen waren uitgestrekt, en zooals alle dergelijke fraaie buitenplaatsen, had het een open plantsoen en begroeide boschpartijen; een effen kiezelpad, omzoomd door heesters, leidde naar den voorgevel; het grasveld voor het huis was beplant met verspreid geboomte; het huis zelf ging schuil onder sparren, eschdoorns en acacia's, en achter een dichte haag, waartusschen hooge Lombardische populieren groeiden, lagen de gebouwen voor het dienstpersoneel en de stallen.
Marianne trad het huis binnen, diep ontroerd door de gedachte, dat zij slechts tachtig mijlen van Barton, en geen dertig van Combe Magna was verwijderd; en eer zij vijf minuten binnen zijn muren had vertoefd, terwijl de anderen Charlotte hielpen, om haar kindje aan de huishoudster te vertoonen, liep zij weer heen en sloop door de slingerpaden van het plantsoen, dat reeds groen begon te worden, naar een hooggelegen plek, vanwaar zij, uit een Grieksch tempeltje, haar blik kon laten zwerven over een uitgestrekt landschap naar het Zuid-Oosten, met welgevallen het oog laten rusten op de verst verwijderde heuvelrij aan den gezichtseinder, en zich verbeelden, dat zij van hun top Combe Magna zou kunnen zien.
In zulke oogenblikken van zalig, van onwaardeerbaar lijden verheugde zij zich onder heete tranen, te Cleveland te zijn, en toen zij langs een anderen weg naar het huis terugkeerde, met het gelukkig gevoel weer landelijke vrijheid te kunnen smaken, van plek tot plek te kunnen zwerven in ongestoorde, genotvolle eenzaamheid, besloot zij, zoolang zij bij de Palmers zou zijn, bijna ieder uur van iederen dag te genieten van zulke eenzame zwerftochten.
Zij kwam juist bij tijds terug, om zich bij de anderen te voegen, die het huis verlieten, om de onmiddellijke omgeving eens in oogenschouw te nemen, en de morgen werd verder aangenaam gesleten met een wandeling door den moestuin, waar zij de bloesems bewonderden der langs de muren geleide vruchtboomen, en luisterden naar de klachten van den tuinman over de vorst, met een kijkje in de oranjerie, waar het verlies van haar fraaiste planten, die onvoorzichtig waren blootgesteld, en geleden hadden door de langdurige koude, Charlotte alweer aan het lachen bracht, en met een bezoek aan het hoenderpark, waar zij nieuwe stof tot vroolijkheid vond in de teleurgestelde verwachtingen van het meisje dat er toezicht hield, wegens kippen, die haar nesten in den steek lieten, of door een vos werden gestolen, of wegens de groote sterfte onder een veelbelovend broedsel. De morgen was mooi en droog, en Marianne had bij haar plannen om zich hier buiten bezig te houden niet gerekend op verandering van weer, zoolang zij te Cleveland logeerde. Het verraste haar dus niet weinig, dat een gestadige slagregen haar verhinderde na den eten weer uit te gaan. Zij had zich een wandeling in de schemering voorgesteld naar den Griekschen tempel, en misschien nog verder, en een koude of vochtige avond zou haar daarvan niet hebben teruggehouden; maar een zwaren en aanhoudenden slagregen kon zelfs _zij_ niet beschouwen als geschikt of aangenaam wandelweer.
Het gezelschap was klein, en de uren gingen rustig voorbij. Mevrouw Palmer had haar kindje, en Mevrouw Jennings haar handwerk; ze praatten over de vrienden die ze hadden achtergelaten; regelden Lady Middleton's gezelschapsavonden, en waren benieuwd of de Heer Palmer en Kolonel Brandon het dien avond verder zouden brengen dan tot Reading. Elinor nam deel in hun gesprek, hoewel het haar weinig boeide, en Marianne, die in ieder huis als bij instinct den weg naar de bibliotheek wist te vinden, hoezeer die ook overigens door het gezin werd vermeden, zorgde wel, dat zij spoedig een boek in handen had. Mevrouw Palmer deed van haar kant, in haar onveranderlijke en welgezinde opgeruimdheid, al wat zij kon, om hen te doen gevoelen, dat zij hier welkom waren. Haar oprechte hartelijkheid vergoedde ruimschoots de onnadenkendheid en het gebrek aan tact, die haar dikwijls deden te kort schieten in uiterlijke beleefdheid; haar vriendelijkheid, nog te bekoorlijker door haar lief gezichtje, nam voor haar in; haar dwaasheid, hoezeer ook in het oog vallend, was niet afstootend, daar zij niet gepaard ging met inbeelding; en Elinor had haar alles kunnen vergeven, behalve haar gelach.
De twee heeren kwamen den volgenden dag bij tijds om deel te nemen aan het zeer verlate middagmaal. Zij vormden een prettige aanwinst voor het gezelschap en brachten een welkome afwisseling in het gesprek, dat na een langen regenachtigen morgen in ietwat kwijnenden toestand verkeerde.
Elinor had den Heer Palmer zoo zelden ontmoet, en bij die enkele gelegenheden zijn houding tegenover haar en hare zuster zoo verschillend bevonden, dat zij zich niet recht kon voorstellen, hoe hij eigenlijk zou zijn in zijn eigen huiselijken kring. Hij bleek nu toch tegenover zijn gasten voorkomend genoeg, en slechts nu en dan lomp tegen zijn vrouw en haar moeder; hij kon, zooals zij thans bespeurde, zeer goed aangenaam in gezelschap zijn, en werd daarin slechts verhinderd door een overwegende neiging om zich even ver verheven boven alle andere menschen te achten, als hij zich den meerdere gevoelde van Mevrouw Jennings en Charlotte. Voor het overige vertoonde hij in zijn karakter en gewoonten, voor zoover Elinor kon nagaan, geen enkelen ongewonen trek, zijn sekse en leeftijd in aanmerking genomen. Hij was kieskeurig op zijn maaltijden, niet precies op zijn tijd, hij hield veel van zijn kind, hoewel hij deed als of het hem niet schelen kon, en hij sleet des morgens met biljartspelen den tijd, dien hij aan zijn zaken had behooren te wijden. Zij mocht hem echter over 't geheel wel lijden; veel beter dan zij had verwacht; en in haar hart speet het haar niet, dat zij niet beter over hem denken kon; dat zij door de waarneming van zijn verfijnde genotzucht, zijn egoïsme en zijn eigenwaan ertoe gebracht werd met welbehagen te verwijlen bij de herinnering aan Edward's edelmoedigen aard, zijn eenvoudige neigingen en schuchtere fijngevoeligheid.
Van Edward, of althans het een en ander, hem betreffende, hoorde zij nu door Kolonel Brandon, die onlangs naar Dorsetshire was geweest, en die aan haar, als de belanglooze vriendin van den Heer Ferrars, en de vriendelijke vertrouwde van hemzelf, veel vertelde van de pastorie te Delaford, waarvan hij de gebreken omschreef, terwijl hij meteen vermeldde, hoe hij daarin verbetering dacht te brengen. Zijn houding tegenover haar, zoowel in dezen als in alle andere opzichten, zijn zichtbare blijdschap haar weer te zien, na een afwezigheid van slechts tien dagen, het blijkbare genoegen dat hij scheen te vinden in hun gesprekken, en het gezag dat hij toekende aan haar oordeel, deden Mevrouw Jennings' verzekerdheid van zijn liefde voor haar niet onnatuurlijk schijnen, en zouden wellicht voldoende geweest zijn, ook bij haarzelve dat vermoeden te wekken, wanneer zij niet nog steeds Marianne als degene had beschouwd, aan wie hij van den beginne zijne voorkeur had geschonken. Maar inderdaad was die gedachte nooit bij haar opgekomen, tenzij dan door Mevrouw Jennings' opmerkingen, en zij kon niet nalaten zichzelve voor de meest scherpziende te houden van hen beiden; _zij_ lette op zijn oogen, terwijl Mevrouw Jennings enkel aandacht schonk aan zijn gedrag, en terwijl de angstige bezorgdheid in zijn blik, nu Marianne in haar hoofd en keel het begin van een zware verkoudheid gevoelde, volkomen aan zijn gastvrouw ontging, omdat hij die bezorgdheid niet onder woorden bracht, zag zij er de licht gewekte vrees en de noodelooze beduchtheid in van een minnaar.
Twee heerlijke schemeravond-wandelingen, niet slechts op de droge kiezelpaden van het plantsoen, maar in de meest afgelegen gedeelten van den tuin en de omgeving, waar nog iets restte van de ongerepte natuur, waar de boomen het oudst waren en het gras heel lang en heel nat was, hadden,--in vereeniging met de nog grooter onvoorzichtigheid van haar natte kousen en schoenen aan te houden--Marianne zulk een hevige verkoudheid bezorgd, dat zij, ofschoon zij er een paar dagen geen acht op sloeg, of bij navraag ontkende, door toenemende ongesteldheid zich weldra het voorwerp zag van aller medelijden, en zelve moest erkennen, dat zij ziek was. Geneesmiddelen werden van alle zijden aanbevolen, en zooals gewoonlijk, alle verworpen. Hoewel loom en koortsig, met pijn in alle leden, en gekweld door hoest en keelpijn, meende zij dat een goede nachtrust haar volkomen zou genezen, en slechts met moeite kon Elinor van haar gedaan krijgen, dat zij, bij het naar bed gaan, een paar van de eenvoudigste huismiddeltjes wilde aanwenden.
HOOFDSTUK XLIII
Marianne stond den volgenden morgen op haar gewonen tijd op; antwoordde op elke vraag, dat zij zich beter gevoelde, en trachtte te bewijzen, dat dit het geval was, door ook haar gewone bezigheden ter hand te nemen. Maar de dag, dien zij doorbracht met zitten huiveren bij het vuur, een boek in de hand, waarin zij niet lezen kon, op de sofa liggen, leverde geen treffend bewijs van die beterschap, en toen zij eindelijk, steeds meer ongesteld, vroeg naar bed ging, verbaasde Kolonel Brandon zich over de kalmte van haar zuster, die, hoewel zij Marianne tegen den zin der zieke den geheelen dag had verzorgd en opgepast, en haar gedwongen had, des avonds medicijnen te gebruiken, evenals Marianne zelve vertrouwde op de goede uitwerking van den slaap, dien zij als zeker beschouwde, en niet in ernst ongerust was.
Een zeer onrustige en koortsige nacht stelde echter beider verwachtingen te leur; en toen Marianne, die volstrekt had willen opstaan, toegaf, dat zij zich niet in staat gevoelde op te zitten, en uit zich zelve weer naar bed ging, volgde Elinor gaarne Mevrouw Jennings' raad, den plattelandsheelmeester te laten halen, die in de buurt van de Palmers woonde.
Hij kwam en onderzocht de patiënte; en hoewel hij Elinor poogde te bemoedigen door de verzekering dat haar zuster binnen eenige dagen hersteld zou kunnen zijn, liet hij zich toch het woord "besmetting" ontvallen, waardoor Mevrouw Palmer dadelijk zeer bezorgd over haar kindje werd. Mevrouw Jennings, die van den beginne, meer dan Elinor, Marianne's ongesteldheid als ernstig had beschouwd, keek zeer bedenkelijk, toen zij hoorde wat de Heer Harris had gezegd; zij vond Charlotte's angst en bezorgdheid zeer gegrond, en drong erop aan, dat zij onmiddellijk met het kind zou vertrekken; terwijl de Heer Palmer, hoewel hij hun vrees overdreven achtte, aan de angstige smeekingen van vrouw geen weerstand kon bieden. Er werd dus besloten, dat zij dadelijk zou gaan, en een uur na het bezoek van den Heer Harris vertrok zij, met haar kleinen jongen en het kindermeisje, naar een bloedverwant van den Heer Palmer, die een paar mijlen aan den anderen kant van Bath woonde; terwijl haar man, op haar dringend verzoek, beloofde haar over eenige dagen te zullen volgen, en zij bijna evenzeer erop gesteld was, haar moeder ook daarheen mee te nemen. Mevrouw Jennings echter verklaarde, met een innige goedhartigheid, die Elinor werkelijk liefde voor haar deed opvatten, dat zij Cleveland niet zou verlaten, zoolang Marianne ziek bleef, en dat zij wilde trachten door haar eigen oplettende zorg de moeder te vervangen, aan wie zij haar had ontnomen; en Elinor vond in haar ten allen tijde eene ijverige en gewillige helpster, gaarne bereid, haar moeite en vermoeienis te deelen, en wier ervaring op het punt van ziekenverpleging haar dikwijls van groot nut was.
De arme Marianne, mat en gedrukt door haar ziektetoestand, en zich nu wel zeer ongesteld gevoelend, kon niet langer hopen, dat zij den volgenden dag beter zou zijn; en de gedachte aan 't geen die dag haar zou gebracht hebben, wanneer deze ongelukkige ziekte niet tusschenbeide was gekomen, verscherpte elke pijn; want morgen zouden zij de thuisreis hebben aanvaard, vergezeld door een knecht van Mevrouw Jennings, zoodat zij in den loop van den daaropvolgenden dag hun moeder zouden zijn komen verrassen. De weinige woorden die zij sprak, uitten enkel haar beklag over dit onvermijdelijk uitstel; hoewel Elinor haar poogde op te beuren en te doen gelooven, zooals zij _toen_ werkelijk zelve geloofde, dat dit uitstel slechts kort zou zijn.
De volgende dag bracht weinig of geen verandering in den toestand der zieke; beter was zij in elk geval niet; maar men kon haar, behalve dan in zooverre geen beterschap viel te bespeuren, toch ook niet erger noemen. Hun gezelschap werd thans nog kleiner; want de Heer Palmer liet zich, hoewel hij weinig lust had om te gaan, en dat zoowel uit ware menschelijkheid en goedhartigheid, als uit ongeneigdheid, den schijn op zich te laden van door zijn vrouw's angst te zijn aangestoken, ten slotte door Kolonel Brandon overreden, zijn belofte van haar te zullen volgen gestand te doen, en terwijl hij zich gereedmaakte voor de reis, begon Kolonel Brandon, wien dit heel wat meer inspanning kostte, ervan te praten, ook te willen vertrekken. Hier kwam Mevrouw Jennings' goedigheid hun allen buitengewoon te pas; want om den Kolonel nu weg te zenden, terwijl zijn lieve vriendin zoo bezorgd was over hare zuster, zou hen allebei, dacht zij, van allen troost berooven; dus vertelde zij hem maar dadelijk, dat zij zelve hem hier te Cleveland volstrekt noodig had; dat hij 's avonds haar partijtje piquet met haar moest spelen, als Elinor boven bleef bij haar zuster, en zoo meer; en zoo dringend verzocht zij hem te blijven, dat hij, die zijn eigen liefsten hartewensch vervulde, wanneer hij toegaf, zich zelfs in schijn niet lang tegen haar verlangen kon verzetten; temeer daar Mevrouw Jennings' verzoek ijverig werd ondersteund door den Heer Palmer, die verlichting scheen te vinden in het besef, dat hij iemand achterliet, zoo uitnemend geschikt om Juffrouw Dashwood in geval van nood met raad en daad bij te staan.
Marianne vernam natuurlijk niets van al deze schikkingen. Zij wist niet, dat zij de bewoners van Cleveland uit hun huis had verjaagd, pas zeven dagen na hunne terugkomst. Het verwonderde haar volstrekt niet, dat Mevrouw Palmer zich nooit vertoonde, en daar het haar evenmin speet, sprak zij in 't geheel niet van hare gastvrouw. Twee dagen verliepen na het vertrek van den Heer Palmer, en haar toestand bleef nagenoeg dezelfde. De Heer Harris die elken dag kwam, sprak nog steeds vol vertrouwen van een spoedig herstel, en Elinor bleef ook hoopvol gestemd; doch de anderen waren veel minder optimistisch in hunne verwachtingen. Mevrouw Jennings had zich van den beginne in het hoofd gezet, dat Marianne er nooit weer bovenop zou komen, en Kolonel Brandon, die niet veel anders had te doen dan Mevrouw Jennings' sombere voorspellingen aan te hooren, was niet in de stemming om hun invloed te weerstaan. Hij trachtte door redeneering de vrees te onderdrukken, die het andersluidend oordeel van den heelmeester als dwaasheid scheen te stempelen; doch de vele uren van den dag, die hij in eenzaamheid doorbracht waren maar al te bevorderlijk voor de toelating van allerlei treurige gedachten, en hij kon de overtuiging niet van zich afzetten, dat hij Marianne niet zou weerzien.
Toen de derde morgen was aangebroken, scheen het echter, alsof beiden de toekomst te donker hadden ingezien; want toen de Heer Harris kwam, vond hij de patiënte aanmerkelijk beter. De pols was veel sterker en alle verschijnselen waren gunstiger dan bij zijn vorig bezoek. Elinor, wier blijde hoop ten volle werd bevestigd, was een en al vroolijkheid; zij verheugde zich, in haar brieven aan haar moeder meer haar eigen oordeel te hebben gevolgd dan dat harer vrienden; want zij had volstrekt geen ophef gemaakt van de lichte ongesteldheid, die hen vooreerst nog te Cleveland deed blijven, en bijna den dag reeds bepaald, waarop Marianne op reis zou kunnen gaan.
Doch de dag eindigde niet zoo gunstig als hij was begonnen. Tegen den avond werd Marianne weer erger; zij gevoelde zich meer afgemat, rusteloos en gejaagd dan te voren. Haar zuster, nog altijd hoopvol, was geneigd die verandering toe te schrijven aan de vermoeienis van het opzitten, terwijl haar bed werd opgemaakt; en na haar zorgvuldig de voorgeschreven medicijnen te hebben ingegeven, zag zij haar eindelijk indommelen, en hoopte dat de rust haar goed zou doen. Zij bleef, hoewel niet zoo rustig als Elinor wenschte, geruimen tijd doorslapen; en daar Elinor de uitwerking van dien slaap gaarne zelf wilde waarnemen, besloot zij, bij haar te blijven opzitten, tot zij wakker werd.
Mevrouw Jennings, die niets wist van de verandering in den toestand der zieke, ging ongewoon vroeg naar bed; haar kamenier, die mede hielp verplegen, gebruikte haar avondeten in de kamer der huishoudster, en Elinor bleef met Marianne alleen.
Steeds onrustiger werd de slaap der zieke, en haar zuster, die den blik niet van haar afwendde, wenschte bijna, nu zij haar voortdurend van houding zag veranderen, en de herhaalde, vage klachten hoorde, die haar lippen ontsnapten, dat zij haar mocht wekken uit een zoo weinig verkwikkende sluimering; toen Marianne, plotseling wakker schrikkend door een toevallig geluid in huis, overeind vloog, en koortsachtig opgewonden uitriep: "Komt Mama nu?"
"Nog niet," antwoordde Elinor, terwijl zij, zonder te laten merken hoe zij geschrikt was, Marianne hielp, weer te gaan liggen; "maar zij zal nu, hoop ik, spoedig komen. Het is een heel eind, van hier naar Barton; dat weet je wel."
"Maar ze moet niet over Londen gaan," riep Marianne, op denzelfden gejaagden toon. "Als ze naar Londen gaat, dan zal ik haar niet meer zien."
Elinor bespeurde tot haar grooten schrik, dat zij niet volkomen bij kennis was, en voelde haar pols, terwijl zij trachtte haar tot bedaren te brengen. De polsslag was zwakker en sneller dan ooit, en daar Marianne nog steeds verward over mama bleef praten, werd Elinor zóó ongerust, dat zij besloot, dadelijk den Heer Harris te laten halen, en een bode naar Barton te zenden om hare moeder. Kolonel Brandon te raadplegen over de beste wijze, waarop dit zou kunnen gebeuren, was de gedachte onmiddellijk volgend op het genomen besluit, en zoodra zij de kamenier had gebeld, om haar plaats bij hare zuster in te nemen, ging zij haastig naar beneden naar den salon, waar zij wist, dat hij gewoonlijk, op een nog veel later uur dan thans, was te vinden.
Voor aarzelen was het de tijd niet. Wat zij vreesde en wat haar bezwaarde werd hem in enkele woorden medegedeeld. Hij had niet genoeg moed, noch vertrouwen, tot een poging zelfs, om haar vrees te verdrijven; zwijgend en treurig hoorde hij haar aan; doch haar moeilijkheden werden onmiddellijk uit den weg geruimd; want met een bereidwilligheid, die deed vermoeden, dat hij reeds bij voorbaat had gerekend op deze gelegenheid om van dienst te zijn, bood hij zich aan als den boodschapper, die Mevrouw Dashwood zou gaan halen. Elinor maakte geene tegenwerping, die niet gemakkelijk werd overwonnen. Zij dankte hem in enkele, innig gevoelde woorden, en terwijl hij zijn knecht haastig heenzond, om den Heer Harris te waarschuwen, en onmiddellijk postpaarden te bestellen, schreef zij een kort briefje aan hare moeder. Hoe dankbaar verheugde zij zich op dat oogenblik in het bezit van een vriend als Kolonel Brandon!--van een leidsman voor hare moeder, wiens oordeel haar zou voorlichten, wiens hulp haar rust zou schenken, en wiens vriendschap haar zou troosten!--Voor zoover de schok van zulk een tijding voor haar kòn worden verzacht, zouden zijn aanwezigheid, zijn gedrag, zijn gereede hulp daartoe bijdragen.
_Hij_ intusschen handelde, wàt hij ook mocht gevoelen, met al de beradenheid van een rustigen geest, deed al het noodige met de uiterste snelheid, en berekende nauwkeurig het tijdstip, waarop zij zijne terugkomst mocht verwachten. Geen oogenblik ging verloren door eenig oponthoud. De paarden kwamen nog eerder dan zij hadden verwacht, en Kolonel Brandon stapte haastig in het rijtuig, terwijl hij haar alleen met een diep-ernstigen blik de hand drukte, en enkele woorden sprak, te zacht dan dat zij ze kon verstaan. Het was nu omstreeks twaalf uur, en zij ging terug naar haar zuster's kamer, om te wachten op de komst van den Heer Harris, en verder dien nacht bij haar te waken. Voor beiden was het een lijdensnacht. Uur na uur verstreek, onder slapelooze pijn en koortsig ijlen van Marianne, onder kwellenden angst van Elinor, eer de Heer Harris kwam. De overmaat der eenmaal gewekte vrees deed haar boeten voor al haar vroegere kalmte, en het meisje, dat met haar waakte, (want zij wilde Mevrouw Jennings niet laten roepen), pijnigde haar te meer door zinspelingen op 't geen haar meesteres altijd wel had gedacht.